|
PANORAMA 2
(Vervolg)
dakovitch vroeg verwonderd aan den
wachtmeester Gmitsch, die op den vleugel
stond :
„Wat beteekent dat nu, broertje ? Hebben
we oorlog met de Serviërs ?"
De wachtmeester antwoordde:
„De grens is afgesloten/'
„Waarom ?"
„Er mogen geen varkens meer ingevoerd worden."
„Stomme kerel," zei Milan verachtelijk.
„Vraag het den luitenant, als je me niet gelooft."
Vidakovitch vroeg het den luitenant en kreeg
hetzelfde antwoord. Toen ging hij op zijn wagen
zitten, zweepte
woedend de
paarden en reed
naar Semlin,
naar den on -
derschout.
De onderschout
zei betreurend
:
„Daar is niets
aan te veran
deren,mijn besteVidakovitch.
Servische varkensmogenniet
meer ingevoerd
worden."
„Wie kandat
verbieden ?"
vroeg Milan,
onnoozel als ’n
pasgeboren
kind.
„De Regeering/’
„Wat voor ’n
Regeering ?"
„De Regeering
in Budapest
en Weenen."
„Waarom verbiedt
de Regeering
het ?’’
„Omdat ze
de binnenlandsche
varkens
wil beschermen."
„Dat begrijp
ik niet."
„De Servische
varkens
zijn te goedkoop."
Milan Vidakovitch begreep van dat alles geen
woord.
„Hoelang blijft de grens gesloten ?’’
„Ik weet ’t niet," zeide de onderschout.
„Wie weet ’t ?"
„Ik weet het niet."
Toen zette Milan zich op den trein en reisde
naar Budapest, om aan de Regeering te vragen hoe
lang zij de grens afgesloten wilde houden. De Regeering
zeide dat ze het niet wist. Hij ging naar Weenen.
Hij had het vaste voornemen den Koning persoonlijk
te vragen hoelang deze de Servische varkens niet
in het land wilde toelaten. Men verhinderde den
Koning hem te woord te staan. Milan Vidakovitch
reisde naar huis terug. Hij schreeuwde, hij
raasde, hij vloekte. Het hielp hem niets. De grens
bleef gesloten. Toen hij ’s Maandags naar Servië
uitzag waren er wijd en zijd geen boeren en geen
varkens te zien.
Hij vroeg den veearts:
„Begrijp jij ’t, Zsiga?"
„Vervloekte honden zijn ze allemaal bij elkaar,"
brulde de veearts, als er niemand in de buurt was.
Milan Vidakovitch had zich nooit om de politiek
bekommerd. Hij gaf den Pope wat; hem toekwam
en betaalde de belastingen die men hem
oplegde. Hij had zich nooit zorgen gemaakt over
de grenzen van zijn vaderland en met iedereen in
goeden vrede geleefd, met de Serviërs, met de Hongaren,
en met de Duitschers aan wie hij zijn varkens
verkocht. Maar nu ontwaakte een doffe, machtelooze
toorn in hem. Hij gevoelde die grensversperring als
een maatregel die tegen hem persoonlijk gericht
wras, om hem te ruïneeren en te vernietigen. Toen
men als gewoonlijk de belasting van hem eischte,
weigerde hij te betalen.
„Wanneer de Regeering mij tot een bedelaar maakt,
mag zij ook geen belasting van mij vorderen,"
schreeuwde hij in het bewustzijn van zijn goede
De Czaar van Rusland (x) temidden van
troepen. Rechts van den Keizer staat de
VAN HET RUSSISCHE LEGER.
een groep hoofdofficieren, gefotografeerd tijdens een wapenschouwing over de naar het front vertrekkende
Czarewitsch, zijn zoon, eveneens gekleed in de uniform van een kozakkenofficier; rechts graaf Grabbe, een
der bevelvoerende officieren.
recht. — Toen legde men beslag op zijn landerijen.
Hij moest betalen. Nu begon hij zijn vaderland
te haten, innig-verbeten en kwaadaardig. Hij legde
de handen in den schoot en liet zijn toorn koken
tot hij gaar was. Hij had, evenals zijn vrienden,
andere zaken kunnen beginnen. Hij had inplaats
van in varkens in ossen en paarden kunnen handelen.
Hij deed ’t niet. Hij trotseerde het vaderland en
wachtte tot de grens weer geopend zou worden.
De wachttijd verkortte hij zich met drinken en
spelen. Hij verdronk volgens de rij zijn komkommervelden
en zijn wijngaarden en zijn paarden, maar
zijn hart werd steeds vertwijfelder en wraakzuchtiger.
Ook zijn Servische schoonzoons waren te gronde
gegaan.
Toen de jonge Ilija eerste-luitenant was geworden,
nam Vidakovitch een grootsch besluit. Hij
verkocht de rest van zijn bezittingen en trok
met het weinige geld naar Weenen, naar zijn zoon.
Hij wilde zich wreken op het vaderland dat zijn
leven verwoest had. Hij zocht en vond spionnageverbindingen.
Het was een dronken-makend, weldadig
gevoel voor hem, dat hij nu vergelding kon oefenen.
Ilija Vidakovitch was een goede jongen, maar
zwak en lichtzinnig en op genot uit. Hij gevoelde
zich ook niet als Oostenrijker, niettegenstaande de
strenge jaren op de cadettenschool. Hij droeg de
uniform van Oostenrijksch officier, zonder daarover
veel na te denken. Hij was een goed soldaat, die
nauwkeurig zijn dienst deed, maar zijn hart was
bij de vrouwen en de kaarten. Hij verzette zich
eerst met handen en voeten toen de oude Vidakovitch
voorzichtig en behoedzaam met zijn wraakplannen
voor den dag kwam. Maar de oude had
een onfeilbaar middel om hem gauw' murw en meegaand
te maken : hij gaf hem geen geld. Van zijn
traktement kon Ilija niet leven zooals hij gewoon
was. Hij werd zeer spoedig een willoos werktuig
van zijn vader, die den geheelen spionnendienst
samenstelde en leidde. Ilija bracht alleen de berichten
aan, die aanvankelijk slecht betaald werden,
want wat kon ook een jonge eerste-luitenant verraden
? Maar later werd hij slim en brutaal en
deed steeds betere diensten. Het zaakje werd met
den tijd heel goed, bijna zoo goed als de handel
met Servische varkens, en scheen geheel ongevaarlijk
voor hem te zijn, want hij trad bijna nooit
met zijn lastgevers in onmiddellijke verbinding. Zijn
vader verzorgde alles. Hij verzond de berichten en
beheerde het geld. Ilija wast nooit wat het verraad
opleverde; hij wilde het ook niet weten. Hij vergenoegde
zich met het ruime zakgeld, dat zijn vader
hem toestopte. De oude Milan Vidakovitch woonde
natuurlijk niet met zijn zoon samen. Hij huisde in
een oud gebouw op de Vleeschmarkt, midden in
de stad. Zijn woning lag op de vierde verdiepingen
zag er armzalig en klaaglijk uit. Ze bestond slechts
uit een donkere, smerige kamer en een keuken.
In dit obscure huis op de Vleeschmarkt kwram
Sofia Golubjew binnen, nadat zij kapitein Heinersdorff
verlaten had.
Zij was den langen weg te voet gegaan om te
kalmeeren en haar stormende gedachten te temmen.
De oude Vidakovitch keek voorzichtig door zijn
kijkraampje, vóórdat hij de deur opende. Toen
hij mevrouw Golubjew zag, zonk hij weg in deemoed
en eerbewijzen.
„De Heer zegene uw komst" zei hij onderdanig
en sloot zorgvuldig de huisdeur. Zij kwam de kamer
binnen, die naar kouden sigarettenrook en een
walmende petroleumlamp stonk, en riep zenuwachtig:
„Open het raam! Het is hier niet om uit te
houden."
Hij opende gehoorzaam het venster.
Ze ging zitten en staarde in de lamp.
Milan bleef voor haar staan en wachtte.
Eindelijk vroeg hij nieuwsgierig en een beetje
benauwd :
„Waarmee kan ik u dienen ?"
Zij scheen hem niet te hooren. Ze dacht ingespannen
na.
Na een poos herhaalde hij zijn vraag.
Zij beval :
„Haal je zoon
Hij vrbeg verschrikt : „Is er iets gebeurd ?’’
„Haal jezoori.
Ik moet met
hem spreken."
Hij weifelde.
„Ik weet niet,
of hij thuis is."
„Hij. is thuis."
Hij trok langzaam
zijn jas
aan.
Ze riep ongedurig
:
„Haast je
wat. Neem een
auto."
Vidakovitch
was vast besloten
geen auto
te nemen.
Hij zou niet zoo
dom zijn, door
zulke weelderige
uitgaven
verdenking te
wekken.
„Hij moet
dadelijk hier
komen, maar
dadelijk. U
hoeft niet met
hem mee te komen,
ik moet
hemalleenspreken."
Hij sidderde
van woede.
„Heb je ’t
begrepen ?"
„Ik heb het
begrepen".
Milan Vidakovitch
ging
weg, om. zijn
zoon te zoeken.
VII.
lederen Vrijdag kwam kapitein Heinersdorff met
eenige vrienden en bekenden in een oud gezellig
burger koffiehuis in het stadscentrum te zameji.
Het was een berookt, laaggewelfd lokaal uit den
goeden ouden tijd, zonder pretenties en bescheiden
en zonder muziek. Overdag kwamen er de kleine
zaken-menschen uit de omgeving om er hun zwaarte
koffie te drinken of er even ’n kort namiddagspelletje
tarok te doen, dat minstens drie uren duurde.
De andere stamgasten waren gepensionneerde hoofdofficieren,
oude, ontevreden hofraden, knorrige
hoofdadministrateurs en dergelijke verbitterde en
vermolmde menschenafval.
’s Nachts was het koffiehuis meestal ledig en eenzaam.
Altijd was er slechts één clubje. Vrijdags waren
het de officieren, op een anderen dag schilders, dan
weer ingenieurs of ambtenaren van de rechtbank.
Wanneer iemand toevallig ’s nachts het koffiehuis
binnenkwam, moest hij den indruk krijgen dat hij
in een verlaten gezelschap geraakt was. Maar er
kwam niemand. Alleen de huurkoetsiers, wier standplaats
op den hoek van de straat was, kw'amen
nu en dan stampend binnen om een groot glas
zwarte koffie met rum te drinken.
Toen Heinersdorff het koffiehuis binnen kwam,
twee dagen na het bezoek van mevrouw Golubjew,
vond hij reeds de geheele club bijeen. Men was
zeer op hem gesteld in dezen kring als een der
vertrouwbaarste en meest belovende jonge officieren
en men verweet hem zijn late komst.
Majoor Homann zeide verontschuldigend :
„U vergeet altijd, heeren, dat Heinersdorff ge
ëngageerd is."
Toen werden allen toegevend en vergaven ’t hem.
De kring bestond met uitzondering van twee
burgers, uit slechts officieren, die voor ’t meerendeel
tot den generalen staf behoorden. xMleen de ritDE
OORLOG IN HET
DUISTER
ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
|