|
PANORAMA 14
Hij vertelde haar van zijn ontmoeting met Enid, gek die
hij was ! van de bijzondere schoonheid van het meisje, die
zoo’n indruk op hem gemaakt had.
„Ik denk,” zei Lena onverschillig, „dat je mijn .... mijn
nicht gezien hebt. Ik wist niet dat ze reeds was aangekomen.
Ik moest Martin eigenlijk een standje geven dat ze mij niet
gewaarschuwd heeft! Zeg, Martin,” ze keerde zich tot de
dienstbode, „ik heb je wat te zeggen. Is het waar dat . . .
en nu daalde haar stem. Beide vrouwen praatten druk met
elkaar, onderwijl zat Vere Castelain te denken aan het jonge
meisje, zich afvragende, waarom mevrouw Somerset haar
nichtje liet overkomen en wanneer hij het bekoorlijke meisje
terug zou zien.
Lena Somerset’s hart was in opstand. Jaloersch van nature,
kon zij, wilde zij niet denken
aan een mededingster, en
dat haar eigen dochter dat zqu
zijn.
II. De Nicht.
„Zend haar bij mij 1”
Mevrouw Somerset zat met
samengeperste lippen voor de
toilettafel. Het was den avond
van denzelfden dag. Ze was nog
niet lang van Twickenham terug
en had alle reden over den afgeloopen
middag tevreden te
zijn. Lord Castelain’s attenties
waren duidelijker geweest dan
ooit. Ze was een der- schoonste
en smaakvolst gekleede vrouwen
geweest op de partij. Eén
ding bleef nog te wenschen over:
de jonge Lord had nog niet gesproken.
Hoeveel toewijding hij
haar ook betoond had, de woorden
waarnaar zij zoo verlangde,
waren zijn lippen niet ontsnapt.
En zij had er hem alle gelegenheid
toe gegeven ! Had zij het
niet zoo bewerkstelligd dat ze
geruimen tijd alleen was in een
der smaakvolle roeibootjes, die
de gastheer ter beschikking
van zijn gasten had gesteld
om van de waterpartijen op het landgoed te genieten. Het
scheen wel of iets hem terughield ; of de woorden hem op de
lippen zweefden, om daar te blijven, onuitgesproken. Haar
voorhoofd was gefronst, toen zij Martin gelastte Enid te
roepen.
De oude dienstbode vond het meisje alleen. Ze had haar
naar een kleine logeerkamer gebracht, wat thee voor haar
gezet, haar ’t gloeiende gezichtje verfrischt en het mooie
brons-getinte haar uitgeborsteld. Louise Martin was Enids
kindermeid geweest van de geboorte tot den tijd dat het
meisje oud genoeg was om naar de kloosterschool gezonden
te worden en er was geen levend wezen op de wereld,
dat de oude meid meer beminde, dan dit jonge meisje, dat
voor haar moeder een last was.
„Heeft ze om mij gezonden ?”
Het jonge meisje sprong op en de saffieren oogen glansden
van blijdschap.
„Ja, lieveling! Alleen vrees ik dat er iets niet in orde is.
Dames van de wereld hebben tal van zorgen.”
Enid knikte met het hoofd.
„Ja, dat weet ik,” zei ze. „Maar nu ik thuis gekomen ben,
kan ik haar helpen. O, Martin, ik verlang zoo naar mijn
moeder, mijn eigen mooie moeder, die ik nauwelijks ken.
Breng mij bij haar, gauw ! Ik hoop dat ze niet teleurgesteld
zal zijn !”
„Jij zult ’t zijn, arm schaap!” mompelde de trouwe dienstbode
binnensmonds, terwijl ze Enid voorging naar mevrouw
Somerset’s boudoir.
Toen de deur aarzelend geopend werd, keek Lena om.
Zij vreesde bijna het meisje te zien en toch was er een bekoring
in de situatie.
Een vreemde, en toch geen vreemde, — haar eigen vleesch
en bloed — het wezen waaraan zij het leven gegeven had,
en dat sedert verder van haar verwijderd was geweest dan
de eene pool van de andere. Dit was de verwantschap tusschen
de vrouw en het meisje.
Enid wachtte, bevende aan al haar leden. De zeldzame
schoonheid van haar dochter benam aan de moeder bijna
den adem. Ja ! Nu wist zij waarom Vere Castelain de lang
verwachte woorden niet gesproken had. Ze wierp een blik
in den spiegel. Naast deze frissche jeugdige verschijning,
leek zij oud ! Een storm stak in haar ziel op. Op dit oogenblik
haatte zij haar kind, zooals zij nog nooit iemand gehaat
had.
De demon der jaloezie overheerschte haar. Zij wenkte
het meisje nader te komen.
„Kom hier !”
De ongevoelige woorden vielen als druppels ijswater op
DE ONAFHANKELIJKEN.
In het eigen gebouw der Onafhankelijken aan den Amstelveenschen weg te Amsterdam is Zaterdagmiddag 30 October de
zesde jury-vrije tentoonstelling geopend van werken van de onafhankelijken. Hierboven een groep van het bestuur en de
inzenders. Zittend, van links naar rechts: H. P. Boot, le Secr.; Maurits de Groot, vice-voorzitter; Mevr. Elte; J. L. van
Noord, penningm.; H. Elte, Voorz.; Frans Lissone. Staande: 1. G. H. Kraus, 2. A. J. G. Colnot, 3. Bartelle Peizel, 4. D. B.
Nanninga, 5. Le Fauconnier, 6. J. Visser, 7. H. J. van Smorenburg, 8. Loe Saalborn. (foto Hofker)
het van kinderliefde warm kloppend hart van het jonge
meisje. Was het mogelijk dat haar moeder haar niet noodig
had? — „Laat me je eens bekijken !”
Enid gehoorzaamde stilzwijgend. De woorden van vurige
liefde stierven van haar lippen weg. Het was haar niet mogelijk
geweest een woord te uiten. Misschien was het maar
goed zoo ! Haar moeder had al haar zelfbeheersching noodig.
„Het spijt mij,” begon ze eindelijk, „dat je zoo onverwachts
gekomen bent, en — op zoo’n ongelegen oogenblik.”
„Er brak een besmettelijke ziekte uit,” murmelde Enid
met tranen van teleurstelling in de oogen.
Mevrouw Somerset maakte een ongeduldige beweging.
Enid vond haar het volmaakste wezen dat ze ooit gezien
had.
Lena had haar galatoilet verwisseld voor een allerliefst
visite-toilet. De zachte grijze stof viel in smaakvolle plooien
neer en liet haar welgevormde gestalte op haar voordeeligst
uitkomen.
„O, ik weet er alles van ! Ze hadden echter geen recht je
zoo maar dadelijk naar huis te sturen. Enfin, nu je hier bent,
zul je hier moeten blijven.”
Ze beet zich op de lippen van teleurstelling.
„Ik kan je niet toestaan mij te vergezellen,” ging ze voort,
„zoolang je geen geschikte kleeren hebt.”
Haar smalende blik bracht een diep rood van schaamte en
verlegenheid op Enids wangen. Het meisje was zich opeens
bewust van haar weinig voordeelig uiterlijk. Haar grove
schoenen, de te korte rok, haar geheele kleedij had haar nog
nimmer zoo vreeselijk toegeschenen als nu.
Wat was zij in vergelijking met deze stralende schoonheid ?
Niets ! Weinig wist het meisje dat haar moeder gaarne alles
zou gegeven hebben wat zij bezat, haar toiletten van Paquin,
haar aanbidders, haar juweelen, alles, voor Enids jeugd en
onbewuste schoonheid.
„O moeder, moeder !” riep het meisje uit, neerknielende
in bewondering. „Hoe mooi ben je! Ik wensch niet uit te
gaan. Ik wil niets dan slechts bij u te zijn somtijds : voor u
te werken ; u te dienen als u wilt .... als je mij dan een
weinig wilt liefhebben !
De eerbiedige liefde van het meisje, de betraande emotievolle
oogen hadden niet den minsten indruk op het ongevoelige
hart van de zelfzuchtige moeder.
„Goed, goed !” zei ze gemelijk. „Sta op ! Er is niets wat
mij zoo mishaagt als deze aanstellerij ! Ga naar Martin.
Misschien kan ze een paar oude kostuums van mij voor jou
vermaken.”
Ze zweeg. Ze dacht aan lord Castelain. Dien avond zou
ze hem op een bal ontmoeten, dan moest ze hem dwingen,
haar hand te vragen. Eenmaal
verloofd, zou het weinig hinderen,
maar tot zoolang moest ze
voor hem verbergen dat ze een
dochter had die bijna volwassen
was. Bijna? Het meisje was
ruim zeventien en leek het!
Enid stond op. tot in haar
ziel bedroefd !
„Ga nu!” beval haar moeder.
„Het is tijd om mij te kleeden.
En ja, daar bedenk ik wat. Je...
moet' mij niet aanspreken als je
moeder . . . ten minste zoolang
tot ik je er permissie voor geef.
Daar heb ik mijn redenen voor.
Voor iedereen behalve voor Martin
ben je mijn nicht.”
Hoe Enid de kamer verliet,
heeft ze nooit geweten.
Bij haar oude kindermeid
gekomen barstte ze in bitter
snikken uit.
„Ze zal mij nimmer liefhebben,
nimmer,” weende zij, „en
o, ik heb haar zoo lief! Zij
is zoo mooi! Martin, ik zou mijn
leven geven voor mijn moeder!”
Louise Martin’s gedachten
waren weinig complimenteus
voor haar meesteres, hoezeer
zij aan haar verknocht was.
En zoo gingen de dagen voorbij. Enid werd zorgvuldig
buiten de gemeenschap gehouden. Nimmer gelukte het lord
Castelain ook maar bij toeval mevrouw Somerset’s „nicht”
te ontmoeten.
Meermalen vroeg hij naar het meisje, maar ontving dan
het onverschillige antwoord : „O, Enid ? Ze is nog aan haar
lessen bezig.”
Doch welke pogingen ze ook aanwendde, de woorden,
waarnaar zij zoo verlangde, kwamen niet van Castelain’s
lippen.
Had ze zijn gedachten kunnen lezen, dan zou ze zeker
wanhopig geworden zijn, want lord Castelain had zich vast
voorgenomen niet te rusten, voordat het meisje dat zijn hart
gestolen had, zijn vrouw zou zijn geworden.
Op een morgen kwam het noodlot hem te hulp. Het was
in Kensington Garden, waar het Enid veroorloofd was te
wandelen vóór tien uur ’s morgens. Daarna werd ze als ’t
ware opgesloten in huis.
Vere was steeds vroeg bij de hand. Dien morgen leidde
iets, sterker dan het toeval, zijn weg door dit park, op dien
tijd op zijn mooist.
„Wat ? U hier ?” riep hij uit en stond stil.
Als hij meende dat ze bekoorlijk was, toen hij haar de
eerste maal ontmoette, nu bekende hij dat ze betooverend
was. De heerlijke oogen werden tot hem opgeheven van onder
den rand van haar stroohoed. Een eenvoudige jongemeisjesjurk
deed haar natuurlijke schoonheid (zoo meende de lord)
nog meer uitkomen.
Hij wandelde met haar op en neer en kwam steeds meer
onder den invloed van de charme van dit jonge meisje.
Hij was zes en twintig en had nog nooit een vrouw ontmoet,
die zoo’n onuitwischbaren indruk op hem had gemaakt.
Hij bewonderde mevrouw Somerset en zou haar zeker ten
huwelijk gevraagd hebben, als hij haar dochter niet ontmoet
Vergezeld van de hofdame jonkvrouwe Six, den eersten adjudant generaal-majoor baron Tuyll van Seroo^kerken en den Kamerheer baron Van Geen, particulier secretaris van H. M., heeft H. M. DE KONINGIN verleden week
Dinsdag en Woensdag een bezoek gebracht aan de provincies Friesland en Groningen, gedurende welken tocht Zij door de gansche bevolking op spontane en hartelijke wijze is ontvangen en toegejuicht. Links: Aankomst van
H. M. op het Stadhuis te Dokkum; midden: H. M. op het baicon van net stadhuis te Dokkum; rechts: aankomst van H. M. te Veenwouden. (foto's „Rembrandt")
Koninklijk bezoek
aan de Noordelijke
Provincies.
|