Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1991 tot 1995 van 11897
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA Op het terrein Zorgvliet te ’s-Gravenhage is door de pionierploeg van het le bat. grenadiers een loopgraaf aangelegd, die voor het publiek is toegankelijk gesteld. Wanneer men deze loopgraaf, die zoo geriefelijk is gemaakt, als maar eenigszins mogelijk is, bezoekt, kan men zich eenigszins voorstellen, wat het zeggen wil voor den soldaat in een dergelijk primitief verblijf, eenigen tijd te moeten vertoeven. — De foto links geeft een gezicht in de loopgraaf; aan het einde der gang ’n scherfvrije schuil-en slaapplaats voor de manschappen; op de rechter foto ziet men een periscoop, die door een kunstmatig boschje aan het oog van den vijand wordt onttrokken. Met behulp van dit eenvoudig toestel, kan men het geheele voorliggende terrein overzien, zonder zich bloot te geven. (foto’s ..Rembrandt.") ÉEN LOOPGRAAF VOOR HET PUBLIEK. DE REINSTE LIEFDE Novelle uit het moderne leven I. Een onwelkome gast. ■ evrouwSomerset zat alleen in haar kleedkamer. Ze was bezig met iets wat voor een vrouw verondersteld mag worden een der plezierigste verrichtingen te zijn : namelijk het bekijken van haar eigen bijzonder mooi gelaat in den spiegel. Het was een heerlijke zomerdag in Juni, het seizoen te Londen was in vollen gang. Mevrouw was gekleed in een der nieuwste scheppingen van Paquin en verwachtte elk oogenblik een huwelijksaanzoek van een der voornaamste leden van den Londenschen adel. Geen wonder dat het bekoorlijke gelaat thans op zijn bekoorlijkst leek. Haar gedachten waren zoo zonnig als de Junidag. Ze lachte en zuchtte telkenmale, hoewel de lachjes de overhand hadden. De zuchten golden den bundel onbetaalde rekeningen, die weggesloten lagen in de elegante schrijftafel van haar luxueus gemeubeld boudoir. De lachjes verdreven de zuchten zoodra zij eraan dacht dat ze spoedig zou beschikken over een ongelimiteerd inkomen, een titel en een aanzienlijke positie in de maatschappij. Zij betuigde zichzelf dat het meer dan waarschijnlijk zou VAN HET SERVISCHE OORLOGsfERREIN. De overblijfselen van een Duitsche vliegmachine, die door een1 Servisch voorposten-detachement is neergeschoten tijdens een verkenning boven de vijandelijke linies. zijn, dat hij haar vandaag ten huwelijk zou vragen. Zij was uitgenoodigd op een tuinpartij. Om vier uur zou Lord Castelain haar afhalen'in zijn auto en haar naar Twickenham brengen. Het publiek, die Argus-oogige censor van moraal en betamelijkheid, zou hen te zamen zien en zijn gevolgtrekkingen maken. Welnu, zij had geen bezwaren, hoe eerder, hoe liever .... Een geklop op de deur deed haar hart op- zij springen ; ze keerde zich haastig om. Een groote robuste vrouw trad de kamer binnen, en keek de schoone dame voor den spiegel aan met een vreemde uitdrukking op haar verwelkt gelaat; een uitdrukking van vrees, ergernis en norsche beslistheid. Lena Somerset sprak het eerst. „O, ben jij ’t, Martin ? Juist bijtijds mij je oordeel te geven over mijn kostuum. Een beetje extravagant, denk ik ! Maar dat is ’n kwestie van smaak.” De grijze fletse oogen van de vrouw werden kleiner. Het was duidelijk dat de vraag van haar meesteres haar niet de minste belangstelling inboezemde. Toch antwoordde ze, bijna mechanisch: „O, ’tis keurig 1 Ik kwam u zeggen . ...” Ze aarzelde even. Lena keerde zich naar den spiegel. Een bekoorlijke blos overtoog haar gladde, ovale wangen. Het was moeilijk te raden, dat mevrouw Somerset reeds vijf en dertig jaar was. Ze geleek op dit oogenblik nauwelijks vijf en twintig. „Je komt zeggen, dat lord Castelain is aangekomen! Welnu, hij moet wachten 1 Geef mij mijn hoed 1 Neen, Martin, hoe dom van je, den witten 1” ’ Doch als de dienstbode nader komt met een raadselachtige uitdrukking op het gelaat vervolgt ze: „Wat heb je, Martin ? Kom vooruit er mee 1 Wat is er voor verschrikkelijks, een andere schuldeischer ?*’ „Neen.” Martin kwam naderbij. „Neen, mevrouw .... ... zij is gekomen 1” Het was er uit! Een zucht van verlichting ontsnapte DE HAAGSCHE SCHOUW-TOL OPGEHEVEN. Het recht van tolheffen aan de Haagsche Schouw nabij Leiden, dat bij consent van de Staten van Holland en West-Friesland op 31 December 1628 werd ingesteld, is in den nacht van 31 October op 1 November opgeheven. Reeds het vorig jaar werd tol, brug en woonhuis voorloopig door het Rijk aangekocht, waarna, na verkregen toestemming van de Staten-Generaal, besloten werd na 31 October geen tol meer te doen heffen, waardoor een toestand die sinds drie eeuwen had bestaan en die het verkeer in'niet geringe mate belemmerde, wederom tot het verleden behoort. (foto v. Tol.) HET MIJNENGEVAAR. Het wrak van een Nederlandsch ‘visschersvaartuig, dat op een mijn geloopen en gezonken is. De foto werd genomen vanaf een Nederlandsch Koopvaardijschip, dat de plaats van het onheil ongeveer een dag na den ramp passeerde. Van de bemanning was natuurlijk geen spoor meer te ontdekken. (V\F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA DE DUITSCH-OOSTENRIJKSCHE ACTIE TEGEN SERVIÉ. Nog steeds houdt het transport van Duitsch-Oostenrijksche troepen naar het Servische oorlogsterrein aan. In reusachtig groote ponten, expres voor dit doel vervaardigd, worden de soldaten den Donau overgezet. Onze foto geeft een gezicht op een dergelijke pont, waarmede Duitsche en Oostenrijksche cavaleristen worden overgezet. (V.F.B.) SERVISCHE FRANCS-TIREURS. Volgens de bestaande oorlogswetten mag de oorlog alleen gevoerd worden door de legers der strijdende landen. Nemen ook burgers aan den strijd deel, dan worden zij als francs-tireurs beschouwd en wacht hun, wanneer zij gevangen worden genomen, ongetwijfeld de dood. Hierboven ziet men een groep Servische burgers: vrouwen, kinderen en grijsaards, die door de Oostenrijkers zijn gevangen genomen, omdat zij meegevochten hebben. (V.F.B.) aart Louise Martin’s lippen. — „Zij ? Wie om ’s hemelswil ?” „Juffrouw Enid ! — Ze is in het salon !” „Goeden hemel 1” riep mevrouw Somerset uit. Het blozende gelaat was opeens doodsbleek geworden. „Enid hier? Wat bezielt haar om terug te komen, — nu ?” Woede deed haar het bloed naar de wangen jagen, waar het de bleekheid verdreef. Ze perste de lippen opeen. Mevrouw Somerset’s liefelijke schoonheid scheen als bij tooverslag verdwenen. Een tiental jaren scheen opeens aan haar leeftijd te zijn toegevoegd. Ze geleek thans volkomen zoo oud als zij was. „Er is een besmettelijke ziekte uitgebroken in het klooster,” antwoordde Martin. „De jonge dames zijn allen onmiddellijk naar huis gezonden. Er was geen tijd om hiervan kennis te geven. In allen geval, mevrouw, ze is nu beneden, en . . en . . wat moet er met haar gedaan worden ? Ze is bijna een vrouw! Bijna zeventien! Je kunt haar niet altijd op school houden. En, o, ze is tot een ware schoonheid opgegroeid ! Ze zal sensatie maken, mevrouw 1” „Houd je mond, Martin,” beval mevrouw scherp, „en praat niet zulke nonsens ! Ik heb haar verleden jaar nog te Brussel bezocht; een leelijk, mager schepsel; in ’t geheel geen figuur.” Martin bleef op haar stuk. „Het kan me niet schelen wat ze leek verleden jaar,” zei ze onbehouwen, „nu is ze een schoonheid !” Een luide klank van een bel doortrilde het huis. Lena Somerset stond haastig op en zette haar hoed recht op haar prachtig gekapt hoofd. „Dat is lord Castelain !” riep ze gejaagd. „Ga naar beneden, dadelijk ! Hoor je me niet ?” Ze stampte met haar voet woedend op den vloer. „Haal dat kind haastig weg ! Als hij haar ziet, ben ik verloren.” Een gevoel van schaamte welde even in haar ziel op. „Hij .... hij mag niet weten, dat ik zoo’n groote dochter heb !” verklaarde ze haastig. Martin keek haar doordringend aan. Een weerspannige trek kwam op haar gelaat; „De hemel helpe het kind!” mompelde ze, terwijl ze zich gereedmaakte aan het bevel van haar meesteres te voldoen, Doch het noodlot was binnengekomen. Halverwege de donkere trap, stapte Louise Martin mis. In haar poging om haar evenwicht te herstellen en niet naar beneden te vallen, verrekte ze haar enkel. Tien minuten lang was ze niet in staat verder te gaan. Mevrouw Somerset, die het in haar voordeel vond een bewonderaar te laten wachten, waardoor ze meende dat haar eigenwaarde verhoogd werd. verbruikte deze tien minuten met het oppassen van verschillende hoeden, eindelijk tot HET OOSTENRIJKSCHE ROODE-KRUIS. Een Oostenrijksche Roode-Kruis autocolonne opgesteld achter het front. Vanaf het slagveld worden de gewonden met draagbaren naar de auto’s gebracht, die hen verder naar de veldhospitalen vervoeren. (V.F.B.) De Duitsche soldaten bij het binnenhalen van den oogst in Zuid-Hongarije. HET BINNENHALEN VAN DEN MAÏS- EN WIJNOOGST. De maïs- en wijnoogst in het Hongaarsche oorlogsterrein ondervindt zeer den invloed van de buitengewone omstandigheden, temeer daar de opbrengst dit jaar zoo overvloedig was. Niet alleen dat men het benoodigd aantal mannen mist, om het te velde staande spoedig te kunnen binnenhalen, maar ook het transport ondervindt groote moeilijkheden, daar bijna alle verkeersmiddelen door de militairen worden gebruikt. In het gebrek aan werkkrachten voorziet de militaire overheid zooveel mogelijk door de soldaten, indien deze niet direct aan het front noodig zijn, bij den oogst te doen helpen. Op de foto links ziet men Duitsche soldaten de behulpzame hand bieden bij het opladen van maïskolven en kalebassen: de rechter afbeelding geeft een kijkje op de binnenplaats van een Hongaarsche boerenhofstede, terwijl men bezig is den oogst van de wagens af te laden. het besluit komende, dat een groote zwarte hoed haar het best kleedde. Onderwijl bracht lord Castelain dezen tijd door met te praten en in de mooie oogen te staren van Enid Somerset. Toen ’n piccolo den lord in het salon liet, keerde zich een meisje, van de geopende balkondeuren af. Zij was slecht gekleed, in een kostuum waar zij was uitgegroeid. Vere Castelain uitte onwillekeurig een kreet van bewondering, als zijn donkere oogen staarden in de zachte violette van het jonge meisje tegenover hem. „Zeldzaam ! Wat ’n paar oogen !” dacht hij, bevochtigd als zij waren met een paar juist gevormde tranen. Zij verlangde haar moeder te zien.... Waarom lieten ze haar zoolang staan als een vreemdeling. Zij was toch in haar huis, haar eigen huis ! „O !” riep ze uit. „Ik dacht dat het mijn .... mevrouw Somerset was!” Wat was het toch, dat haar weerhield het woord „moeder” uit te spreken ? Ze had het niet kunnen zeggen. Een instinctief onweerstaanbaar iets hield haar terug. Lord Castelain glimlachte. Enid dacht, ze had nog nooit zoo’n sympathiek gezicht gezien, zoo’n prettigen lach ! Hij begon met haar te praten, zooals mannen van de wereld praten kunnen, als zij een vrouw behagen willen. Enid vergat haar wrevel over het lange wachten door de genotvolle conversatie met den vreemdeling. Zij vertelde hem dat zij zoo juist van het buitenland in Londen was aangekomen. Hij was veel te veel man van opvoeding om zich in haar vertrouwen te dringen en toch was het wonderlijk hoe vertrouwelijk deze tien minuten hen met elkander gemaakt hadden. Slechts één ding kwam hij gedurende het gesprek niet te weten : toen Martin eindelijk naar binnen hinkte om te zeggen dat mevrouw hem in de hal wachtte, wist hij niet dat dit bekoorlijke jonge meisje dat zijn belangstelling zoo had opgewektLenaSomerset’s dochter was. Hij hielp de kostbaar gekleede vrouw in zijn phaeton, waarin reeds een oudere dame zat, die zich bereid verklaard had voor ditmaal de rol van chaperone op zich te nemen. Lena groette haar achteloos. Terwijl hij de teugels in de hand nam kon hij niet nalaten een blik te werpen naar het balkon. En daar tusschen de vitrages zag hij nog eens het bekoorlijke gezichtje met de prachtige oogen. Hij kon nu niet langer zwijgen. — „Wie is dat mooie meisje ?” vroeg hij impulsief aan mevrouw Somerset. Voor een oogenblik was Lena verstomd. Een groote strijd werd binnenin haar gestreden. Wat zou het zijn : waarheid of bedrog? „Welk meisje ?” vroeg ze onverschillig. Vrouwen en kinderen helpen mede aan het plukken der druiven. De druiven worden afgeladen en in kuipen gedaan. Een officier houdt toezicht op de soldaten, die in het bedrijf behulpzaam zijn.
PDF
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 Hij vertelde haar van zijn ontmoeting met Enid, gek die hij was ! van de bijzondere schoonheid van het meisje, die zoo’n indruk op hem gemaakt had. „Ik denk,” zei Lena onverschillig, „dat je mijn .... mijn nicht gezien hebt. Ik wist niet dat ze reeds was aangekomen. Ik moest Martin eigenlijk een standje geven dat ze mij niet gewaarschuwd heeft! Zeg, Martin,” ze keerde zich tot de dienstbode, „ik heb je wat te zeggen. Is het waar dat . . . en nu daalde haar stem. Beide vrouwen praatten druk met elkaar, onderwijl zat Vere Castelain te denken aan het jonge meisje, zich afvragende, waarom mevrouw Somerset haar nichtje liet overkomen en wanneer hij het bekoorlijke meisje terug zou zien. Lena Somerset’s hart was in opstand. Jaloersch van nature, kon zij, wilde zij niet denken aan een mededingster, en dat haar eigen dochter dat zqu zijn. II. De Nicht. „Zend haar bij mij 1” Mevrouw Somerset zat met samengeperste lippen voor de toilettafel. Het was den avond van denzelfden dag. Ze was nog niet lang van Twickenham terug en had alle reden over den afgeloopen middag tevreden te zijn. Lord Castelain’s attenties waren duidelijker geweest dan ooit. Ze was een der- schoonste en smaakvolst gekleede vrouwen geweest op de partij. Eén ding bleef nog te wenschen over: de jonge Lord had nog niet gesproken. Hoeveel toewijding hij haar ook betoond had, de woorden waarnaar zij zoo verlangde, waren zijn lippen niet ontsnapt. En zij had er hem alle gelegenheid toe gegeven ! Had zij het niet zoo bewerkstelligd dat ze geruimen tijd alleen was in een der smaakvolle roeibootjes, die de gastheer ter beschikking van zijn gasten had gesteld om van de waterpartijen op het landgoed te genieten. Het scheen wel of iets hem terughield ; of de woorden hem op de lippen zweefden, om daar te blijven, onuitgesproken. Haar voorhoofd was gefronst, toen zij Martin gelastte Enid te roepen. De oude dienstbode vond het meisje alleen. Ze had haar naar een kleine logeerkamer gebracht, wat thee voor haar gezet, haar ’t gloeiende gezichtje verfrischt en het mooie brons-getinte haar uitgeborsteld. Louise Martin was Enids kindermeid geweest van de geboorte tot den tijd dat het meisje oud genoeg was om naar de kloosterschool gezonden te worden en er was geen levend wezen op de wereld, dat de oude meid meer beminde, dan dit jonge meisje, dat voor haar moeder een last was. „Heeft ze om mij gezonden ?” Het jonge meisje sprong op en de saffieren oogen glansden van blijdschap. „Ja, lieveling! Alleen vrees ik dat er iets niet in orde is. Dames van de wereld hebben tal van zorgen.” Enid knikte met het hoofd. „Ja, dat weet ik,” zei ze. „Maar nu ik thuis gekomen ben, kan ik haar helpen. O, Martin, ik verlang zoo naar mijn moeder, mijn eigen mooie moeder, die ik nauwelijks ken. Breng mij bij haar, gauw ! Ik hoop dat ze niet teleurgesteld zal zijn !” „Jij zult ’t zijn, arm schaap!” mompelde de trouwe dienstbode binnensmonds, terwijl ze Enid voorging naar mevrouw Somerset’s boudoir. Toen de deur aarzelend geopend werd, keek Lena om. Zij vreesde bijna het meisje te zien en toch was er een bekoring in de situatie. Een vreemde, en toch geen vreemde, — haar eigen vleesch en bloed — het wezen waaraan zij het leven gegeven had, en dat sedert verder van haar verwijderd was geweest dan de eene pool van de andere. Dit was de verwantschap tusschen de vrouw en het meisje. Enid wachtte, bevende aan al haar leden. De zeldzame schoonheid van haar dochter benam aan de moeder bijna den adem. Ja ! Nu wist zij waarom Vere Castelain de lang verwachte woorden niet gesproken had. Ze wierp een blik in den spiegel. Naast deze frissche jeugdige verschijning, leek zij oud ! Een storm stak in haar ziel op. Op dit oogenblik haatte zij haar kind, zooals zij nog nooit iemand gehaat had. De demon der jaloezie overheerschte haar. Zij wenkte het meisje nader te komen. „Kom hier !” De ongevoelige woorden vielen als druppels ijswater op DE ONAFHANKELIJKEN. In het eigen gebouw der Onafhankelijken aan den Amstelveenschen weg te Amsterdam is Zaterdagmiddag 30 October de zesde jury-vrije tentoonstelling geopend van werken van de onafhankelijken. Hierboven een groep van het bestuur en de inzenders. Zittend, van links naar rechts: H. P. Boot, le Secr.; Maurits de Groot, vice-voorzitter; Mevr. Elte; J. L. van Noord, penningm.; H. Elte, Voorz.; Frans Lissone. Staande: 1. G. H. Kraus, 2. A. J. G. Colnot, 3. Bartelle Peizel, 4. D. B. Nanninga, 5. Le Fauconnier, 6. J. Visser, 7. H. J. van Smorenburg, 8. Loe Saalborn. (foto Hofker) het van kinderliefde warm kloppend hart van het jonge meisje. Was het mogelijk dat haar moeder haar niet noodig had? — „Laat me je eens bekijken !” Enid gehoorzaamde stilzwijgend. De woorden van vurige liefde stierven van haar lippen weg. Het was haar niet mogelijk geweest een woord te uiten. Misschien was het maar goed zoo ! Haar moeder had al haar zelfbeheersching noodig. „Het spijt mij,” begon ze eindelijk, „dat je zoo onverwachts gekomen bent, en — op zoo’n ongelegen oogenblik.” „Er brak een besmettelijke ziekte uit,” murmelde Enid met tranen van teleurstelling in de oogen. Mevrouw Somerset maakte een ongeduldige beweging. Enid vond haar het volmaakste wezen dat ze ooit gezien had. Lena had haar galatoilet verwisseld voor een allerliefst visite-toilet. De zachte grijze stof viel in smaakvolle plooien neer en liet haar welgevormde gestalte op haar voordeeligst uitkomen. „O, ik weet er alles van ! Ze hadden echter geen recht je zoo maar dadelijk naar huis te sturen. Enfin, nu je hier bent, zul je hier moeten blijven.” Ze beet zich op de lippen van teleurstelling. „Ik kan je niet toestaan mij te vergezellen,” ging ze voort, „zoolang je geen geschikte kleeren hebt.” Haar smalende blik bracht een diep rood van schaamte en verlegenheid op Enids wangen. Het meisje was zich opeens bewust van haar weinig voordeelig uiterlijk. Haar grove schoenen, de te korte rok, haar geheele kleedij had haar nog nimmer zoo vreeselijk toegeschenen als nu. Wat was zij in vergelijking met deze stralende schoonheid ? Niets ! Weinig wist het meisje dat haar moeder gaarne alles zou gegeven hebben wat zij bezat, haar toiletten van Paquin, haar aanbidders, haar juweelen, alles, voor Enids jeugd en onbewuste schoonheid. „O moeder, moeder !” riep het meisje uit, neerknielende in bewondering. „Hoe mooi ben je! Ik wensch niet uit te gaan. Ik wil niets dan slechts bij u te zijn somtijds : voor u te werken ; u te dienen als u wilt .... als je mij dan een weinig wilt liefhebben ! De eerbiedige liefde van het meisje, de betraande emotievolle oogen hadden niet den minsten indruk op het ongevoelige hart van de zelfzuchtige moeder. „Goed, goed !” zei ze gemelijk. „Sta op ! Er is niets wat mij zoo mishaagt als deze aanstellerij ! Ga naar Martin. Misschien kan ze een paar oude kostuums van mij voor jou vermaken.” Ze zweeg. Ze dacht aan lord Castelain. Dien avond zou ze hem op een bal ontmoeten, dan moest ze hem dwingen, haar hand te vragen. Eenmaal verloofd, zou het weinig hinderen, maar tot zoolang moest ze voor hem verbergen dat ze een dochter had die bijna volwassen was. Bijna? Het meisje was ruim zeventien en leek het! Enid stond op. tot in haar ziel bedroefd ! „Ga nu!” beval haar moeder. „Het is tijd om mij te kleeden. En ja, daar bedenk ik wat. Je... moet' mij niet aanspreken als je moeder . . . ten minste zoolang tot ik je er permissie voor geef. Daar heb ik mijn redenen voor. Voor iedereen behalve voor Martin ben je mijn nicht.” Hoe Enid de kamer verliet, heeft ze nooit geweten. Bij haar oude kindermeid gekomen barstte ze in bitter snikken uit. „Ze zal mij nimmer liefhebben, nimmer,” weende zij, „en o, ik heb haar zoo lief! Zij is zoo mooi! Martin, ik zou mijn leven geven voor mijn moeder!” Louise Martin’s gedachten waren weinig complimenteus voor haar meesteres, hoezeer zij aan haar verknocht was. En zoo gingen de dagen voorbij. Enid werd zorgvuldig buiten de gemeenschap gehouden. Nimmer gelukte het lord Castelain ook maar bij toeval mevrouw Somerset’s „nicht” te ontmoeten. Meermalen vroeg hij naar het meisje, maar ontving dan het onverschillige antwoord : „O, Enid ? Ze is nog aan haar lessen bezig.” Doch welke pogingen ze ook aanwendde, de woorden, waarnaar zij zoo verlangde, kwamen niet van Castelain’s lippen. Had ze zijn gedachten kunnen lezen, dan zou ze zeker wanhopig geworden zijn, want lord Castelain had zich vast voorgenomen niet te rusten, voordat het meisje dat zijn hart gestolen had, zijn vrouw zou zijn geworden. Op een morgen kwam het noodlot hem te hulp. Het was in Kensington Garden, waar het Enid veroorloofd was te wandelen vóór tien uur ’s morgens. Daarna werd ze als ’t ware opgesloten in huis. Vere was steeds vroeg bij de hand. Dien morgen leidde iets, sterker dan het toeval, zijn weg door dit park, op dien tijd op zijn mooist. „Wat ? U hier ?” riep hij uit en stond stil. Als hij meende dat ze bekoorlijk was, toen hij haar de eerste maal ontmoette, nu bekende hij dat ze betooverend was. De heerlijke oogen werden tot hem opgeheven van onder den rand van haar stroohoed. Een eenvoudige jongemeisjesjurk deed haar natuurlijke schoonheid (zoo meende de lord) nog meer uitkomen. Hij wandelde met haar op en neer en kwam steeds meer onder den invloed van de charme van dit jonge meisje. Hij was zes en twintig en had nog nooit een vrouw ontmoet, die zoo’n onuitwischbaren indruk op hem had gemaakt. Hij bewonderde mevrouw Somerset en zou haar zeker ten huwelijk gevraagd hebben, als hij haar dochter niet ontmoet Vergezeld van de hofdame jonkvrouwe Six, den eersten adjudant generaal-majoor baron Tuyll van Seroo^kerken en den Kamerheer baron Van Geen, particulier secretaris van H. M., heeft H. M. DE KONINGIN verleden week Dinsdag en Woensdag een bezoek gebracht aan de provincies Friesland en Groningen, gedurende welken tocht Zij door de gansche bevolking op spontane en hartelijke wijze is ontvangen en toegejuicht. Links: Aankomst van H. M. op het Stadhuis te Dokkum; midden: H. M. op het baicon van net stadhuis te Dokkum; rechts: aankomst van H. M. te Veenwouden. (foto's „Rembrandt") Koninklijk bezoek aan de Noordelijke Provincies.
PDF
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA had. Nu, met een zucht van verlichting, dankte hij den hemel, dat hij zich met geen enkel woord aan haar gebonden had. Zij wandelden samen voort en praatten over allerlei onderwerpen, behalve over het tehuis van het meisje. Als bij overeenkomst zwegen ze beiden hierover. Dat mevrouw Somerset niets wist van deze ochtendwandelingen (want het was niet bij één gebleven!)spreekt vanzelf. Zij leefde in haar eigen gemaakt paradijs, bouwde luchtkasteelen, en verwonderdezich steeds meer over^Castelain’s stilzwijgen, zonder de waarheid te vermoeden, III. De catastrophe. „Lieveling, de tijd is gekomen om te spreken. Ik zal heden aan mevrouw Somerset vragen je mij als vrouw te geven. Deze geheimhouding wordt ondraaglijk. Waarom zou dat zoo moeten blijven ? Ik heb je lief, ik aanbid je ! Ik wil dat de wereld weet dat jemijn bruid bentI” Beurtelings blozend en verbleekend hing zij aan zijn hals. Vere wist niet dat zij, Enid, gebonden was door een plechtige belofte. O, als ze hem de waarheid zeggen mocht. Hoe jong en onervaren zij ook was in de intriges van de wereld, zei ’n stem in haar, dat het nieuws van haar engagement met Vere Castelain haar moeder onaangenaam zou zijn. Waarom wist zij niet. Ze zou schrik ineengekrompen zijn als zij ge- L weten had dat alle liefde, die haar moeders hart vervulde, uitging naar Vere Castelain haareigen verloofde. En Martin durfde ’t haar niet vertellen. Deze had spoedig gezien hoe de zaken stonden en’ wist 'dat wanneer haar meesteres hiervan kennis kreeg, een vreeselijke scène volgen zou. In zichzelf gekeerd als zij was, schrikte ze er voor terug de waarheid te erkennen. Ze stelde zichzelf gerust, totdat — het te laat was. „Wil je nog wachten tot morgen?” smeekte het meisje en de jonge man, tegen zijn gezond verstand in, beloofde het. Den volgenden dag zond hij haar een kort briefje : „Om zes uur hedennamiddag hoop ik je tante te bezoeken om mij van je kostbaar bezit ta verzekeren. Tot zoolang, lieve Enid, vaarwel 1” Enid was uit toen de brief kwam en deze werd op de tafel in de hal gelegd, waar mevrouw Somerset hem later vond, „Een brief van hèm, .... van hèm aan haar ?” mompelde zij en sloot zich op in haar kamer. „Als lord Castelain om zes uur komt, laat hem dan in het salon en zeg aan Enid dat hij haar wenscht te spreken !” Deze woorden waren gericht tot den picolo die de bezoekers binnenliet. Als ze tot Louise Martin gesproken waren, zou ze onraad bespeurd hebben. Vere Castelain was een weinig verwonderd, toen Enid hem te gemoet trad. Hij had gevraagd mevrouw Somerset te spreken en verwacht haar te ontmoeten. Had hij achter de zware draperieën kunnen zien, die de suite afsloten, dan zou Mien Duymaer van Twist (Rosine de Rinck) en Cor v. d. Lugt Melsert (Didier de Meireuil) in het 3e bedrijf van „Poiiche”, comedie "POLICHE". in 4 bedrijven van Henry Bataille. Het gegeven van „Poiiche”, - „die Haghespelers’’ brengen het stuk in de vertaling van Jo Zwartendijk met zeer vee4 succes voor ’t voetlicht — is zéér mooi: het bewijst een belangrijke psychische waarheid, n.1. dat wie oprecht en innig liefheeft, wie bemint met volledige zelfovergave, zich vervormt naar wat „zij” wil. Spel, regie en vertaling is uitnemend verzorgd, (foto Couvée), hij een neergehurkte vrouwenfiguur gezien hebben met een uitdrukking van haat op het regelmatige gelaat. Voor Lena. glurende door de gordijnen, was de liefdesscène tusschen haar dochter en haar vroegeren aanbidder, een DE BELGISCHE BEELDHOUWER OERAARD DOM IN ONS LAND. Geraard Dom, Belgisch beeldhouwer van groote vermaardheid, heeft evenals zoovelen zijner kunstbroeders bij het uitbreken van den grooten wereldbrand, zijn vaderland verlaten en zijn tenten opgeslagen in het gastvrije Nederland, waar hij te ’s-Gravenhage op het Spui zijn werkplaats inrichtte. Geraard Dom werd te Antwerpen 27 April 1879 geboren als zoon van den bekenden beeldhouwer van ornamenten. Na de academie aldaar te hebben afgeloopen. vestigde hij zich te Brussel waar hij spoedig een groote vermaardheid kreeg. De geheele vorstelijke familie, tal van ministers en verdere hooge autoriteiten poseerden voor hem. wel wetend, dat Dom hun gelijkenis voortreffelijk wist te doen uitkomen. Ook in den Haag was zijn kunst spoedig bekend en mocht hij reeds vele opdrachten van hooqe personen ontvangen. Onze foto’s, die wij in zijn atelier op het Spui vervaardigden, geven, links: Bas-relief van de Moeder van Koning AlbertI; midden: De kunstenaar in zijn werkplaats; rechts: bas-relief van Koning Albert I, eenige maanden vóór het uitbreken van den oorlog vervaardigd. (foto's Hijnians). tafereel van diepe smart. Zij balde de vuisten dat haar nagels in het zachte vleesch drongen. Gedurende het geheele samenzijn, waarvan zij in ’t geheim getuige was, bleek Enids onschuld en eerlijkheid zonder „HET PROEFKONIJN”. Een aardig décoratief tooneeltje (voorstellende Japan) uit de nieuwe operette van Rido: „Het Proefkonijn”, dat lederen avond voor volle zalen in Flora te Amsterdam wordt opgevoerd. (foto Hofter) twijfel, doch dat verzachtte haar gemoed niet. Zoodra Castelain naar de bel greep om naar mevrouw Somerset te vragen, sloop deze geruischloos heen; Enid vloog onderwijl naar haar eigen kamer om daar met kloppend hart den uitslag af te wachten. Een schaduw lag op het gelaat van haar verloofde, toen zij het salon weder binnentrad. Ze bleef besluiteloos op den drempel staan. Was haar stilzwijgende wensöh vervuld ? Zij keek vreesachtig naar haar moeder, die schooner leek dan ooit, en trotsch en koel als een ijsvorstin. Lena sprak tot Vere : „Ik kan u mijn toestemming tot het huwelijk met mijn . . . nicht niet onthouden,” de woorden kwamen op koelen afgemeten toon van haar lippen. „Ik ben er evenwel op gesteld het engagement nog eenigen tijd geheim te houden. Enid, lord Castelain heeft aanzoek om je hand gedaan ! Heb je iets te zeggen ?” Het meisje keek smeekend in het koude gelaat. Toen wendde zich haar blik naar den man dien zij beminde. „Ja, ik .... ik heb hem lief!” was alles wat ze zei; de verrukking op haar uitdrukkingsvol gelaat was genoeg voor Castelain. Hij nam haar in de armen en kuste haar teeder; na eenige woorden tot mevrouw Somerset verliet hij daarop de woning. Zoodra zij alleen waren viel Enid voor haar moeder op de knieën. Al haar geluk kwam tot uitdrukking. „Wensch je me geen geluk, moeder ?” smeekte ze droevig. „Geluk ?” Mevrouw Somerset’s harde lach schalde ' door de kamer. „Geluk ! Jou gelukwenschen ? Weet jij wat je gedaan hebt ? Jij die mij je leven verschuldigd bent? Jij hebt mij gescheiden van den eenigen man, dien ik ooit heb liefgehad. Jouw vader, zeg je? Wat? Ik zeg je dat ik hem haatte zooals ik jou haat en vervloek. Ga!” Zij duwde het meisje van zich. Enid van ontzetting vervuld over deze onthulling, viel bewusteloos op den grond neer. Na deze uitbarsting van haat veranderde mevrouw Somerset’s verhouding tot haar dochter geheel. Zij erkende op stilzwijgende, tegemoetkomende wijze de verloving van haar dochter. Slechts één voorwaarde had zij het meisje gesteld, dat deze nimmer aan lord Castelain zou meedeelen dat ze moeder en dochter waren. „Ik wil niet het voorwerp van medelijden zijn voor eenig man,” zei ze. „Jij bent voor hem en voor de geheele wereld mijn nicht. Bovendien verlang ik dat het engagement geheim gehouden zal worden en het huwelijk niet zal plaats hebben vooreer een jaar verloopen is.” Tevergeefs pleitte, eischte en smeekte Castelain, Lena bleef standvastig als een rots. In het binnenste harer ziel rekende zij er op in dien tijd een middel te vinden het jonge paar te scheiden. De
PDF
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 EEN EIGENAARDIG JUBILEUM. Op 4 November was het juist een jaar geleden dat in Den Haag de bekende collecte-Fokkens, die gehouden wordt ten bate van het Steuncomité, begonnen werd. 52 maal was dus de wekelijksche bijdrage van één cent of één dubbeltje geïnd, waarmede ongeveer een ton gouds voor het plaatselijk steuncomité verzameld is. Onze foto’s, die wij ter gelegenheid van dit eigenaardige jubileum deden vervaardigen, stellen voor, links: Het ontvangen bedrag wordt afgedragen: midden: een der collectrices aan het werk; rechts: het geld wordt gesorteerd en in rolletjes verpakt. (Foto's „Rembrandt') J. COMPRIS. + wereld beschouwde onderwijl Castelain als den aanbidder van mevrouw Somerset, zonder te vermoeden dat haar bekoorlijke nicht de attractie was. Toen Augustus kwam begaf mevrouw Somerset zich met Enid en de getrouwe Martin naar een badplaats. Ze kozen een mooi plekje uit aan de kust van Devonshire. Lord Castelain nam kamers in het voornaamste hotel en de dames huurden gemeubelde vertrekken aan het strand. En nu kwam er voor Enid een heerlijke tijd, hoewel de tegenwoordigheid van mevrouw Somerset steeds een belemmering was. In de rustige haven lag het kleine jacht van Vere Castelain. Op een fraaien dag kwam hij bij mevrouw Somerset: „Je hebt me beloofd met Enid eens een zeiltochtje mee te maken. Het weer is prachtig. Ga nu eens mee !” Mevrouw Somerset keek naar den horizon. „De lucht is daar bewolkt!” zei ze gemelijk. „O, neen,” lachte Vere. „Dat is reeds voorbijgedreven.” En zoo gebeurde het dat het jacht spoedig met een flinke bries de haven uitvoer. Toen ze langs de kust verschillende door het zeewater in de rotsgevaarten uitgegraven spelonken voorbijvoeren, uitte mevrouw Somerset den wensch deze spelonken eens te bezoeken. Vere die zijn eigen schipper was, had hiertegen bezwaar. „We zullen moeite hebben om te landen,” zei hij. „Maar als je een nat pak wilt riskeeren, zal ik het probeeren.” Hij liep op de kust in en wilde juist de zeilen uithalen, toen in de verte het gerommel van den donder klonk. Mevrouw Somerset, min of meer nerveus, sprong op in de lichte boot. De landing tusschen de rotspunten waar de branding zeer hevig was, was gevaarlijker dan Castelain gedacht had en hij verwenschte zichzelven dat hij aan den dwazen inval van een vrouw gevolg gegeven had. Hij keek naar Enid, die bleek en onbeweeglijk zat. „Ben je bang, liefste?” fluisterde hij. „Niet met jou, Vere !” was haar antwoord. Mf R. GRATAMA. FRANS SMULDERS, t Te Amsterdam is overleden de heer J. COMPRIS, een zeer gezien notaris, die vooral in Joodsche kringen bemind was om zijn philanthropischen arbeid. — Ofi hppr Mr P CPATAMA van Bp Arrnm1iccpmAnkrpph‘hanV f» Arnhem hoeft mof inQ?nn van 1 ïansiari *» o olc annzlanin nnfelon >tste tijd joemas werd geboren, was ridder in de Orde~van den Nederlandschen Leeuw. Haar moeder hoorde de woorden en knarste op de tanden. „Denk je alleen aan haar .... of De zin werd niet voleindigd. Een plotselinge windstoot dreef de boot dwars voor een golf. In een oogenblik lagen allen te water. Castelain was een goed zwemmer. Hij vatte Enid in zijn arm en zwom met haar in de richting van mevrouw Somerset, die een eind verder tegen dê golven kampte. Opeens zag Enid haar zinken. Met een snelle beweging maakte zij zich uit den arm van haar verloofde los en riep vol angst uit: Mr. E. v. d. VELDE, t „Red haar, Vere ! Red haar 1 Zij is mijn moeder .... mijn moeder 1 Ik heb haar lief en .... zij bemint jou . . . In deze gebroken woorden had zij het geheele treurspel van haar leven verteld. Den volgenden dag stond Vere Castelain naast het stoffelijk overschot van Enid. De dood had haar genadig behandeld : het lieve gelaat was onveranderd. Hij was alleen met den doode. Met gevouwen armen keek hij op haar neer en uitte diep bewogen de gelofte, dat nooit een andere vrouw haar plaats zou innemen. Toen verwijderde hij zich stil. Tevergeefs smeekte Lena Somerset in haar verdriet (want de zelfopofferende liefde van haar dochter had eindelijk haar zelfzuchtig hart veranderd) aan Vere haar te komen bezoeken. „Ik weet alles,” schreef hij. „Wat eens duister was is mij nu klaar. Ik hoop van God, dat ik nimmer je gelaat meer zal zien.” Toch deed hij het, jaren later, toen de tijd de wond verzacht, maar niet genezen had. Zij was toen de vrouw van een Russischen edelman die met jaloersche oogen zijn schoone vrouw bewaakte. Ieder jaar bezoekt een eenzaam man een graf dicht bij de rotsige kust van Devonshire en leest met door tranen verduisterde oogen: In memoriam aan Enid, die aan deze kust verdronk. 12 Augustus 19 . ., oud zeventien jaar. \X/ij stadsbewoners apprecieeren hef nog maar steeds niet genoeg, in ’n stad te ** wonen! Tot deze conclusie kwam ik, toen ik twee dagen in de residentie was, na wekenlang buitenverblijf. Zie je in je bosschen op de lengte van ’n halven kilometer, zooveel aardige toiletten, zooveel sierlijke kapsels, als van de Groenmarkt tot het Plein, gaande — zooals er in de annonces staaf — via de Veenesfraat. Spuistraat en Poofen ? Zie je in al je bosschen zooveel prachtig bont, als op één winterschen dag in de stad en slaan de luttele haaskens, die bij je komst, met ’n wit staartstompje wippend, wegfippelen, eigenlijk niet ’n armzalig figuur tegenover de blauw-vossen, rood-vossen, marters en hermelijnen, die je op genoemde wandeling in de stad tegenkomt ? Mij dunkt, dat het eene levend is en ’t andere dood, er niet eens tegen op weegt! En als ik tegen Kerstmis over het Binnenhof kuier, zie ik in één kwartier méér denneboomen, dan ze er in de Betuwe ’n heel jaar lang zien. En dan, die emotie van al waf je passeert, wat je in de groote café’s en restaurants ontmoet! Want in de stad is iedere lach van ’n paar schalksche oogen alléén al ’n middag waard. Als de eigenares van die oogen vermoedde, hoeveel ze op één middag bederven kan, door niet te lachen, door zuur te zien, hoeveel droomen er niet gedroomd worden, hoeveel vreugd er niet gesmaakt wordt, doordat zij uit d’r humeur is. mij dunkt, ze zou zich niet meer verwaardigen voor’n „buitenman ’haar neus op te trekken, want voor die „buitenlui’’ blijft ze nog ’t langst bestaan. Hoelang in z’n eenzaamheid, in de stilte van z’n buitenverblijf, leeft ze nog na, zooals hij haar ziiten zag, de maat meefikkend bij den driftigen fwo-step, gespeeld door ’n Tziganen-orkestje in ’n ruime, fapijf-belegde zaal bij ’n five o’clock-fea. En zoo kom ik van .zelf op waf ik deze week zag in Hotel Central, bij de feh: het danspaar Bianca et Mylo. Zie je, dat ziften daar in die ruime, bloem-getooide omgeving, rond het, met ’n bont Perzisch tapijt belegde, podium, met de muziek van de Roodjasjes, die je two- en one-steps, tango’s en machiches debiteeren, dat iedere zenuw bij z’n jaspand gegrepen wordt, en dan ’n keurig paar dat op de cadans van de muziek binnen den kleinen podium-vierhoek heen en weer zweeft, als ware het n lenig marionettenspel, dat doet je hart goed en licht je uit hef zware mooi van je bosschen in het lichte en hef mousseerende, het schitterende en blij-Iichtende van het stadsleven. Het paar dat hier danste was Bianca en Mylo; waarschijnlijk was het wel de Bianca van Mylo, die de vrouwelijke rol vervulde, en dus nauw verwant aan de Venus van Mylo. Alleen ze had ’n paar deugdelijke armen, en blijkbaar, in tegenstelling met haar kunstzuster uit hef Louvre, heeft niemand, en zij ’t minst, erover in gezeten hoe ze ze plaatsen moest. Ze zweefden gracielijk mee met hare bekoorlijke verschijning. De heer Mylo zelf, blozend en blank, was haar partner. Ik had hem mij anders voorgesteld: in „the houseboat on the Sfyx ”, ’t boek van B
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1991 tot 1995 van 11897