|
7 PANORAMA
DE BAZAR VAN
In de kunstzalen d’Audretsch. Hoogewal te ’s-Gravenhage, wordt gehouden de jaarlijksche bazar, die zich evenals
vorige jaren kenmerkt door tallooze voorwerpen van nut en smaak, door rappe vrouwenhanden vervaardigd. Onze
foto’s stellen voor, links : Kijkje in een der zalen, met een fraaie uitstalling, waaronder eenige prachtige lampekappen,
TESSELSCH ADE. (foto’s „Rewbrandt”)
mooi kindergoed enz. enz. Rechts: de clou der tentoonstelling: een buitengewoon mooi en kunstvot handwerk. Dit tafelkleed
is uit een lap wit linnen vervaardigd. De eenige versiering bestaat uit verschillend borduurwerk, afgewisseld door
figuren van doorgestopt knoopwerk. Dit stuk, dat geprijst staat voor f 320.—, is alleen reeds een bezoek waard.
„O”, zei ze haastig, „dat hoeft niet. Dat zei ik zóó maar,
om haar er af te houden, maar het kan best blijven liggen zoo.
Maar wil je eens wat anders voor me doen ?”
„Graag!” — „Haal dan eens ’n glas bessensap voor me!”
Hij ging de kamer uit, en héél voorzichtig, maar toch
vlug voor een invalide, stapte Truus het bed uit, hinkte
naar het schrijfbureau en borg den brief in een klein laatje.
Dadelijk kroop ze er weer in. „O, wat gelukkig”, dacht ze,
„dat die brief nog niet was weggestuurd. Wat slecht van
mij, van een man als johan zóó te schrijven. Als hij het
eens wist!” Tranen van berouw kwamen haar in de oogen,
ze voelde zich een groote zondares toen Johan met een
blij gezicht haar het glas voorhield,
en stamelend kwam haar
„dank je” er uit....
Terwijl zij dronk dwaalden
zijn oogen naar de aangrenzende
kamer en over ’t schrijfbureau.
Hij zag alles nog, zooals
’t daarstraks geweest was,
alléén de brief was weg. Toen
begreep hij haar deemoed en
dacht: „Het is het beste zoo 1”
Oom Ties en de
Spoortrein
neefEmiel, dien
ge allen wel gekend
hebt, deed
me het verhaal,
en ik kan ’t niet
onder me laten,
het over te vertellen.
We zaten bijeenen, ter gezellige
zwamtafel bij Pier den
Daalder. Er was geboomd over velerlei. Daar kwam Black,
Piers robbedoezige poedel, wat onverwacht tegen Emiels
schouder opdansen, en Emiel schrikte daarvan, sprong
overeind, maakte afwerende gebaren en ging bijna aan den
haal. Voor Black verhoogde dit de pret nog ; hij sperde
den bief-rooden bek, en bereidde zich tot een nieuwen
aanval voor, door Pier en ons natuurlijk echter reeds in
aanleg verijdeld.
„’t Is uw eigen schuld, jong, ge moet niet zoo bang
zijn,” lachte Pier, „die beesten bemerken aan u als ge bang
zijt, en zijn dan niet meer te houden.”
„’t Is als met kinderen,” viel er- een bij „die zijn het
liefst voor menschen, die van kinders houden. Ze voélen
dat.”
En een gesprek over dit onderwerp ontspon zich.
J. SCHULLER. C, C. W. HUSTINX.
De heer J. SCHüLLER, te ’s-Gravenhage, kamerbewaarder van Z. Exc. den
minister van Koloniën, herdacht verleden week den dag, dat hij 50 jaar in
's lands dienst was. — Te Maastricht is overleden de heer C. C. W.
HUSTINX, oud-lid der Provinciale en Gedeputeerde Staten.
Emiel zei: „’t Zijn niet alleen levende wezens, die gevoelen
hoe ge over ze denkt en u daarnaar behandelen,
zelfs doode voorwerpen lijken dat te doen. Spoortreinen
bijvoorbeeld . . . .”
En wij lachten allen, want Emiel kon zot uit zijn hoek
komen, menigmaal.
„Ge kunt me gelooven,” deed hij vol overtuiging, „ik
weet het van eenen oom van me, die het met den spoortrein
te kwaad had. Het was in den ouden tijd, toen ze
pas reden, en bang dat hij er voor was! Onbeschrijfelijk.
En de spoortrein is hem nooit ter wille geweest.
Noem het toeval, maar in zóó’n toeval geloof ik niet.
„DE MEIKEVERS”.
Een tooneeltje uit Eugène Brieux’ blijspel in drie bedrijven: „De Meikevers”, dat met veel succes door „Die Haghespelers’ V.’.n.r.: Anton Roemer —• de Ridder; C. Dommelshuizen — Vader Langlois; Oscar Toumiaire Jr. — Brochot; Willy Mensink — Isabella
D. Lobo —■ Pierre; Hans Bruning — Een mijnheer; Ida Schwartz — de juffrouw van de 4e verdieping. (foto Couyée)
opge
— Isa
Daar zit meer achter, zeg ik.”
Wij stonden er allen op, dat hij het vertellen zou. Hij
wou wel, waarom niet ? En nadat hij zijn pijp versch gestopt
had, en den kring van toehoorders met een kennersblik
op hun ernst had geproefd, begon hij:
„Goed dan, ik ga jullie dan de avonturen vertellen,
die mijn oom Ties met den spoortrein had. Of liever,
de avonturen die hij er niét mee had, want hij heeft nooit
van zijn leven, en hij is toch heel oud geworden,.... hij
heeft, zeg ik, nooit van zijn leven .... Maar neen, ik ga mijn
verhaal niet vooruitloopen, zooals de feuilletonschrijvers
wel eens zeggen .... Die oom Ties was eigenlijk geen
oom veet ge, geen zuivere oom, maar een oudoom. Ik heb
het verhaal van mijn grootvader, zie je. Toen de eerste
spoortrein in het land reed, was oom Ties een man van
middelbaren leeftijd. Hij vloekte en raasde als een duivel
tegen het zwarte monster, toen hij het voor het eerst zag.
Hij vroèg, aan wièn hij het vroeg, weet ik niet. . . maar hij
vroeg waar het met de goede zeden naar toe moest, bij dit
en bij dat, want wat was nog een goede naam ; je ging
als dief, wellusteling, moordenaar in den trein zitten, en
die reed zoo gauw en zoo ver, dat je slechte reputatie je
niet volgen kon, en in een andere stad, waar geen haan er
meer naar kraaide wat je op je gewet.en had, zat je als
een lelie-blanke, deugdzame onbedorven zuigeling, en
kon je tot de hoogste ambten in de gemeente of in de kerk
of in het armbestuur benoemd worden. Nou, en daarmee
stond en viel de heele zedelijkheid, die toch maar het fondament
van de samenleving is. En het was niet alleen met de
zedelijkheid, maar ook met de veiligheid, met de dagelijksche
rust, met de schoonheid van het landleven was het al
even miserabel gesteld. U alle redenen op te noemen waarom
oom Ties een hekel aan den spoortrein had, ... ik zal het
wel zalig uit mijn hoofd laten. Hij kwam er niet over uitgepraat.
Het was zijn nachtmerrie. Met dozijnen van
families heeft hij ruzie erover gekregen, met de heele buurt
was hij in onmin, want door de jaren won de spoortrein hoe
langer hoe meer aanhangers. Oom Ties bleef nochtans
op zijn stuk staan. „Zoolang ik leef, kruip ik er niet in,”
placht hij te zeggen. Nou. en dood zou hij er zeker niet in
kruipen. Dat klopt. Dus we zouden het wel nooit beleven,
en het kon ons eigenlijk ook maar een heel klein beetje
schelen ook.
Maar op een keer was hij met mijn grootvader, die
nog weer veel ouder was dan hij, de buurt van het station
uitgewandeld. Grootvader had een even grooten afkeer
van den spoortrein als oom Ties, en zou er wel evenmin
ooit van zijn leven mee reizen. Maar op dien dag — of de
twee oude heeren een morgenglaasje
gedronken hadden, ik
weet het niet, en grootvader,
die het met tranen in de oogen
van het lachen vertelde, liet dat
delicate punt ook onaangeroerd,
— maar op dien dag zegt grootvader
zoo mallend: ,,Daar hebben
wij toch allebei maar nooit
ingedurfd.”
„Niet ingedurfd?” valt oom
Ties uit, „niet ingedurfd? Ik
niet? Jij bent misschien bang,
dat is mogelijk, maar wat mijn
persoon betreft, ik verdraai er
mijn hand niet voor.”
Met een gezicht of hij het in
Keulen hoorde donderen, keek
grootvader hem aan. „Nou,
nou,” suste hij.
„Niks geen nou, nou,” viel
oom uit, „wat let me? Ik heb
een afschuw van den spoortrein,
maar bang ? Bang ? Dat
zal ik je subiet laten zien.” Met
stapte hij naar binnen en commandeerde
op hoogen toon een
biljet. Hij zei grootvader een
perronkaartje te nemen en deze deed het. „Of ga
je mee ?” vroeg oom. Grootvader vond dat naar het
perron voor dezen eersten keer al mooi was. De man aan
het loket zei, dat oom zich haasten moest, want de trein
stond op vertrekken. Deze waarschuwing werkte noodlottig,
want de oude heeren raakten er zoo van in de war, dat
ze nergens meer hun kaartjes vinden konden. Toen de
trein affloot, bemerkten ze allebei dat ze ze aldoor in de
hand hadden gehad. Maar het was te laat; toen ze buiten
adem boven kwamen, was de trein weg. „Maar er komt
gauw een andere, mijnheer” troostte een beambte. En de
andere kwam na eenigen tijd werkelijk. Oom Ties liep er
gauw heen, en nam een plaatsje in. „Ziezoo”, zei hij, „dat
VOOR TURNERS.
Links: Zilveren lauwertak (de jongste tak) die als wisselprijs beschikbaar
is gesteld voor dames-turnvereenigingen op den jaarlijkschen sluitingsdag
van den R. T. B, De tak is — voor den eersten keer — gewonnen door de
daines-turnvereeniging Ulisses’op 24 October 1915 te Rotterdam Rechts:
Zilveren Wisselbeker voor heeren-turnvereenigingen, beschikbaar gesteld
door de„Vereeniging tot Veredeling van Volksvermaken”, op den jaarlijkschen
sluitingsdag van den R. T. B. Voor de eerste maal werd deze beker gewonnen
door de heeren-turnvereeniging Ulisses op 24 October 1915 te
Rotterdam.
|