Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1986 tot 1990 van 11897
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA DE BAZAR VAN In de kunstzalen d’Audretsch. Hoogewal te ’s-Gravenhage, wordt gehouden de jaarlijksche bazar, die zich evenals vorige jaren kenmerkt door tallooze voorwerpen van nut en smaak, door rappe vrouwenhanden vervaardigd. Onze foto’s stellen voor, links : Kijkje in een der zalen, met een fraaie uitstalling, waaronder eenige prachtige lampekappen, TESSELSCH ADE. (foto’s „Rewbrandt”) mooi kindergoed enz. enz. Rechts: de clou der tentoonstelling: een buitengewoon mooi en kunstvot handwerk. Dit tafelkleed is uit een lap wit linnen vervaardigd. De eenige versiering bestaat uit verschillend borduurwerk, afgewisseld door figuren van doorgestopt knoopwerk. Dit stuk, dat geprijst staat voor f 320.—, is alleen reeds een bezoek waard. „O”, zei ze haastig, „dat hoeft niet. Dat zei ik zóó maar, om haar er af te houden, maar het kan best blijven liggen zoo. Maar wil je eens wat anders voor me doen ?” „Graag!” — „Haal dan eens ’n glas bessensap voor me!” Hij ging de kamer uit, en héél voorzichtig, maar toch vlug voor een invalide, stapte Truus het bed uit, hinkte naar het schrijfbureau en borg den brief in een klein laatje. Dadelijk kroop ze er weer in. „O, wat gelukkig”, dacht ze, „dat die brief nog niet was weggestuurd. Wat slecht van mij, van een man als johan zóó te schrijven. Als hij het eens wist!” Tranen van berouw kwamen haar in de oogen, ze voelde zich een groote zondares toen Johan met een blij gezicht haar het glas voorhield, en stamelend kwam haar „dank je” er uit.... Terwijl zij dronk dwaalden zijn oogen naar de aangrenzende kamer en over ’t schrijfbureau. Hij zag alles nog, zooals ’t daarstraks geweest was, alléén de brief was weg. Toen begreep hij haar deemoed en dacht: „Het is het beste zoo 1” Oom Ties en de Spoortrein neefEmiel, dien ge allen wel gekend hebt, deed me het verhaal, en ik kan ’t niet onder me laten, het over te vertellen. We zaten bijeenen, ter gezellige zwamtafel bij Pier den Daalder. Er was geboomd over velerlei. Daar kwam Black, Piers robbedoezige poedel, wat onverwacht tegen Emiels schouder opdansen, en Emiel schrikte daarvan, sprong overeind, maakte afwerende gebaren en ging bijna aan den haal. Voor Black verhoogde dit de pret nog ; hij sperde den bief-rooden bek, en bereidde zich tot een nieuwen aanval voor, door Pier en ons natuurlijk echter reeds in aanleg verijdeld. „’t Is uw eigen schuld, jong, ge moet niet zoo bang zijn,” lachte Pier, „die beesten bemerken aan u als ge bang zijt, en zijn dan niet meer te houden.” „’t Is als met kinderen,” viel er- een bij „die zijn het liefst voor menschen, die van kinders houden. Ze voélen dat.” En een gesprek over dit onderwerp ontspon zich. J. SCHULLER. C, C. W. HUSTINX. De heer J. SCHüLLER, te ’s-Gravenhage, kamerbewaarder van Z. Exc. den minister van Koloniën, herdacht verleden week den dag, dat hij 50 jaar in 's lands dienst was. — Te Maastricht is overleden de heer C. C. W. HUSTINX, oud-lid der Provinciale en Gedeputeerde Staten. Emiel zei: „’t Zijn niet alleen levende wezens, die gevoelen hoe ge over ze denkt en u daarnaar behandelen, zelfs doode voorwerpen lijken dat te doen. Spoortreinen bijvoorbeeld . . . .” En wij lachten allen, want Emiel kon zot uit zijn hoek komen, menigmaal. „Ge kunt me gelooven,” deed hij vol overtuiging, „ik weet het van eenen oom van me, die het met den spoortrein te kwaad had. Het was in den ouden tijd, toen ze pas reden, en bang dat hij er voor was! Onbeschrijfelijk. En de spoortrein is hem nooit ter wille geweest. Noem het toeval, maar in zóó’n toeval geloof ik niet. „DE MEIKEVERS”. Een tooneeltje uit Eugène Brieux’ blijspel in drie bedrijven: „De Meikevers”, dat met veel succes door „Die Haghespelers’ V.’.n.r.: Anton Roemer —• de Ridder; C. Dommelshuizen — Vader Langlois; Oscar Toumiaire Jr. — Brochot; Willy Mensink — Isabella D. Lobo —■ Pierre; Hans Bruning — Een mijnheer; Ida Schwartz — de juffrouw van de 4e verdieping. (foto Couyée) opge — Isa Daar zit meer achter, zeg ik.” Wij stonden er allen op, dat hij het vertellen zou. Hij wou wel, waarom niet ? En nadat hij zijn pijp versch gestopt had, en den kring van toehoorders met een kennersblik op hun ernst had geproefd, begon hij: „Goed dan, ik ga jullie dan de avonturen vertellen, die mijn oom Ties met den spoortrein had. Of liever, de avonturen die hij er niét mee had, want hij heeft nooit van zijn leven, en hij is toch heel oud geworden,.... hij heeft, zeg ik, nooit van zijn leven .... Maar neen, ik ga mijn verhaal niet vooruitloopen, zooals de feuilletonschrijvers wel eens zeggen .... Die oom Ties was eigenlijk geen oom veet ge, geen zuivere oom, maar een oudoom. Ik heb het verhaal van mijn grootvader, zie je. Toen de eerste spoortrein in het land reed, was oom Ties een man van middelbaren leeftijd. Hij vloekte en raasde als een duivel tegen het zwarte monster, toen hij het voor het eerst zag. Hij vroèg, aan wièn hij het vroeg, weet ik niet. . . maar hij vroeg waar het met de goede zeden naar toe moest, bij dit en bij dat, want wat was nog een goede naam ; je ging als dief, wellusteling, moordenaar in den trein zitten, en die reed zoo gauw en zoo ver, dat je slechte reputatie je niet volgen kon, en in een andere stad, waar geen haan er meer naar kraaide wat je op je gewet.en had, zat je als een lelie-blanke, deugdzame onbedorven zuigeling, en kon je tot de hoogste ambten in de gemeente of in de kerk of in het armbestuur benoemd worden. Nou, en daarmee stond en viel de heele zedelijkheid, die toch maar het fondament van de samenleving is. En het was niet alleen met de zedelijkheid, maar ook met de veiligheid, met de dagelijksche rust, met de schoonheid van het landleven was het al even miserabel gesteld. U alle redenen op te noemen waarom oom Ties een hekel aan den spoortrein had, ... ik zal het wel zalig uit mijn hoofd laten. Hij kwam er niet over uitgepraat. Het was zijn nachtmerrie. Met dozijnen van families heeft hij ruzie erover gekregen, met de heele buurt was hij in onmin, want door de jaren won de spoortrein hoe langer hoe meer aanhangers. Oom Ties bleef nochtans op zijn stuk staan. „Zoolang ik leef, kruip ik er niet in,” placht hij te zeggen. Nou. en dood zou hij er zeker niet in kruipen. Dat klopt. Dus we zouden het wel nooit beleven, en het kon ons eigenlijk ook maar een heel klein beetje schelen ook. Maar op een keer was hij met mijn grootvader, die nog weer veel ouder was dan hij, de buurt van het station uitgewandeld. Grootvader had een even grooten afkeer van den spoortrein als oom Ties, en zou er wel evenmin ooit van zijn leven mee reizen. Maar op dien dag — of de twee oude heeren een morgenglaasje gedronken hadden, ik weet het niet, en grootvader, die het met tranen in de oogen van het lachen vertelde, liet dat delicate punt ook onaangeroerd, — maar op dien dag zegt grootvader zoo mallend: ,,Daar hebben wij toch allebei maar nooit ingedurfd.” „Niet ingedurfd?” valt oom Ties uit, „niet ingedurfd? Ik niet? Jij bent misschien bang, dat is mogelijk, maar wat mijn persoon betreft, ik verdraai er mijn hand niet voor.” Met een gezicht of hij het in Keulen hoorde donderen, keek grootvader hem aan. „Nou, nou,” suste hij. „Niks geen nou, nou,” viel oom uit, „wat let me? Ik heb een afschuw van den spoortrein, maar bang ? Bang ? Dat zal ik je subiet laten zien.” Met stapte hij naar binnen en commandeerde op hoogen toon een biljet. Hij zei grootvader een perronkaartje te nemen en deze deed het. „Of ga je mee ?” vroeg oom. Grootvader vond dat naar het perron voor dezen eersten keer al mooi was. De man aan het loket zei, dat oom zich haasten moest, want de trein stond op vertrekken. Deze waarschuwing werkte noodlottig, want de oude heeren raakten er zoo van in de war, dat ze nergens meer hun kaartjes vinden konden. Toen de trein affloot, bemerkten ze allebei dat ze ze aldoor in de hand hadden gehad. Maar het was te laat; toen ze buiten adem boven kwamen, was de trein weg. „Maar er komt gauw een andere, mijnheer” troostte een beambte. En de andere kwam na eenigen tijd werkelijk. Oom Ties liep er gauw heen, en nam een plaatsje in. „Ziezoo”, zei hij, „dat VOOR TURNERS. Links: Zilveren lauwertak (de jongste tak) die als wisselprijs beschikbaar is gesteld voor dames-turnvereenigingen op den jaarlijkschen sluitingsdag van den R. T. B, De tak is — voor den eersten keer — gewonnen door de daines-turnvereeniging Ulisses’op 24 October 1915 te Rotterdam Rechts: Zilveren Wisselbeker voor heeren-turnvereenigingen, beschikbaar gesteld door de„Vereeniging tot Veredeling van Volksvermaken”, op den jaarlijkschen sluitingsdag van den R. T. B. Voor de eerste maal werd deze beker gewonnen door de heeren-turnvereeniging Ulisses op 24 October 1915 te Rotterdam.
PDF
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 8 is me één keer gebeurd, dat hij voor mijn neus wegging, den tweeden keer zullen ze het me niet leveren”. En hij keek heldhaftig naar grootvader, die, zoo vertelde hij altijd, ooms heldhaftigheid van dien dag nooit goed begrepen heeft ; „ik geloof voor het naast dat hij het alleen deed om mij eens neer te zetten”, zei hij altijd. Oom was door het dolle heen, hij deed uitgelaten vroolijk toen de trein affloot. .,Nou, daar ga ik,” riep hij juichend uit, maar op dat zelfde oogenblik keek hij verschrikt op ; hij voelde HET BOTANISCH GENOOTSCHAP. De deelnemers aan de vergadering van het Botanisch Genootschap, gehouden in de smaakvolle vergaderzaal van de firma Heystee Smith en Co. te Amsterdam. , (V.F.BJ A. W. F. IDENBURG, aan wien op zijn verzoek eervol ontslag is verleend als Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. geen beweging in den wagen, keek onthutst naar buiten, en zag, dat.... dat . . . . dat... hij niet meeging. Hij was in een achterste deel van den trein gaan zitten, en blijven staan. Het was een tableau van jewelste, vertelde grootvader, maar, enfin, oom moest uitstappen, en ... . zei hij — „die trein móet mij niet. Na zooveel jaar heb ik eindelijk mijn haat overwonnen, en mijn kostbaar leven aan hem toevertrouwd,, en nou laat hij me op de keien staan. Als het een levend wezen was, zou je zeggen, dat hij me al dien tijd in de gaten heeft gehad, en nou van mijn berouw niet gediend is.” De familie heeft om dit geval oom heel wat geplaagd, en dan trachtte hij het altijd te doen voorkomen, alsof hij zoo te zeggen door de houding van den spoortrein, die toen Zz// wou, hem niet wou, leelijk beleedigd was. „Geen haar op mijn hoofd denkt er meer over het ooit van mijn leven nog eens met den spoortrein te probeeren”; en dat zei hij niet alleen omdat hij in werkelijkheid er geen hoofdhaar op na hield, maar hij méénde het. Dit „van mijn leven” althans, want later als overledene . . . maar nog eens, laat me op mijn verhaal niet vooruitloopen .... Na een leven van ... ja van alles wat ook andere menschenlevens ver- of ontsiert, ria een leven in elk geval van geheelonthouding op spoortreingebied kwam oom Ties te overlijden. De droefheid was niet groot, vrouw of kinderen had hij nooit gekend, of beter zelfs nooit gehad. Hij stierf dus kinderloos, en de familie was erfgenaam, — en dat niet van een klein beetje, want hij had er warmpjes ingezeten bij zijn leven. In zijn testament stond zooveel voor grootvader, zooveel voor vader, zooveel voor die en zooveel voor die, in het kort iedereen was nogal tevreden. Maar dat was niet het merkwaardigste van zijn testament.. Het merkwaardigst was zijn wensch om in zijn geboorteplaats, het bekende stadje X.', begraven te worden, hoewel hij daar sinds zijn geboorte zich niet noemenswaardig had opgehouden. Zijn stoffelijk overschot moest dus . . . schrik niet 1 . . . per trein worden vervoerd, en wel, zooals hij nadrukkelijk in zijn laatsten wil had kenbaar gemaakt, per bestelgoed, dat is dus met een personentrein, wat deftiger en sneller is, en ook meer overeenkomstig zijne diepere bedoeling. Immers uit een soort van dagboek bleek later, dat hij, al was het dan als overledene, nog ééns met den spoortrein reizen wilde, en een personentrein leek hem in dat verband veel waardiger, want dood of levend hij was toch een persoon. De familieleden, met een vroegeren trein gearriveerd, waren op den morgen der plechtigheid in de wachtkamer „HET GROENE KRUIS”. Door de vereeniging „Het Groene Kruis” is op 30 October te Arnhem de gewone algemeene jaarvergadering gehouden. Hierboven een groep der deelnemers. (V,F.B.) van het station te X. bijeen. Voor het ge« bouw stond de ledige lijkkoets klaar, een kleine legerdivisie van zwarte bedienaren wachtte op het perron om de kist in ontvangst te nemen. Het was een plechtig oogenblik, toen de trein de stationruimte inreed, en de aanvoerder van de zwarte mannen vooruitschreed naar de sombere goederenwagens. Niet minder plechtig was het zooals de familieleden, allen diep in den rouw. achter de dragers zich opstelden. Maar minder plechtig was het. toen de hoofdconducteur geheel ontdaan Mr. J P. GRAAF VAN LIMBURG STIRUM, de nieuwe Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. voormalig buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Stockholm, Kopenhagen en» Christiania. kwam aanloopen, en den chef de afschuwelijke vergissing meedeelde : De waggon met het lijk was aan een tusschenliggend station abusievelijk afgehaakt........ Abusievelijk elders afgehaakt! Het schandaal was compleet, dubbel en dwars compleet. Wel telegrafeerde en telefoneerde men in allerijl naar het station waar oom was achtergelaten, wel kwam in den namiddag de waggon met het aardsch omhulsel van oom eindelijk opzetten, en werd het onder de aarde gestopt, maar de met zooveel zorg en liefhebberij lang van tevoren in mekaar gezette plechtigheid was in het water gevallen. De spoortrein had oom ook na zijn dood nog een kool gestoofd, en door zijn ... ja. door zijn wat ? hem nog bijna zijn heele begrafenis laten misloopen. Dat noemen ze ook wel een toeval, maai^ik zeg, dat het een raar toeval is.” Tot zoover het verhaal van Emiel, die wel eens zot uit zijn hoek komen kon. Job Steynen. VEREEN, v. CHRISTELIJKE ONDERWIJZERS EN ONDERWIJZERESSEN. De ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan der afdeeling Rotterdam gehouden vergadering van de Vereeniging van Christelijke onderwijzers en onderwijzeressen. (V.F.BJ DE VIJF-PROVINCIËNTOER. De feestelijke bijeenkomst in „American” te Amsterdam, ter gelegenheid van de plechtige uitreiking door Jhr, Six van de prijzen en wimpels aan de deelnemers aan den vijf-provinciëntoer. Uit alle deelen des lands waren belangstellenden saamgekomen, om deze gewichtige gebeurtenis op sportgebied bij te wonen. (VJ .B.) NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
01
Tekst
In dit nummer is een serie officieele oorlogsfoto’s gepubliceerd, die wij van de Fransche regeering ontvingen. No. 90 (19b) 8 November 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7'/2 CENT ~ VERSCHIJ1NT 2 PER W EE EE A . W . SIJTHOFF’S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ - LEIDEN ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 GENERAAL JOFFRE TE LONDEN In verband met den hachelijken toestand waarin zich het Servische leger thans bevindt als gevolg van de Duitsch-Oostenrijksche en Bulgaarsche actie, heeft Generaal Joffre een bezoek gebracht aan het Engelsche Ministerie, ten einde in overleg met den Britschen Generalen Staf een plan de campagne samen te stellen om Servië in zijn worstelstrijd te steunen. Wij kiekten den Franschen Generalissimus terwijl hij met Lord Kitchener het Ministerie van Oorlog verliet.
PDF
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 ZOEKLICHTEN. (VAN ONZEN MILITAIREN MEDEWERKER). (Nadruk verboden) Een Oostenrijksah 120-cM. zoeklicht op weg naar het front. Het zoeklicht, dat op ’n tweewielig onderstel geplaatst is, wordt getrokken door een bijbehoorenden auto (zie de gelijkluidende nummers op de beide wagens), waarop de bedieningsmanschappen hun plaats vinden. feller en moordender wordt de uitwerking der moderne wapens. Zelfs denkt men nieuwe woorden uit om zoo goed mogelijk uit te drukken hoe hevig het vuur heeft gewoed. Zoo is o.a. de naam trommelvuur in dezen oorlog ontstaan. In open terrein is het overdag onmogelijk voor uit te komen, wanneer de verdediger zich behoorlijk heeft versterkt. Dan wacht dus de aanvaller den nacht af, om, gebruikmakend van de duisternis, tot de vijandelijke stelling te naderen of er in door te dringen. Eveneens is het nu en dan noodzakelijk nachtmarschen te maken hetzij om verliezen te voorkomen, hetzij om zich aan vliegerwaarnemingen te onttrekken. Tengevolge van die verplaatsing gedurende de duisternis ontstond zoowel bij aanvaller als verdediger behoefte aan verlichtingsmiddelen. Bij den aanvaller b.v. om zijn marschrichting af te bakenen, om een lijn aan te geven, waarin de troep stelling moet nemen en bij den verdediger om te ontdekken, uit welke richting de aanvaller op komt zetten, om graafwerk te verrichten enz. Voor korte afstanden kan men met lantarens volstaan. Boven 100 M. zijn echter zoeklichten onmisbaar. Een der grootste gevaren nu aan het gebruik van verlichtingsmiddelen verbonden is, dat men zijn eigen handelingen of opstellingen verraadt en dan is het middel erger dan de kwaal. Wanneer n.1. de lichtbundel strijkt over eigen troepen of loopgraven en deze zijn niet behoorlijk gemaskeerd, dan worden deze totaal zichtbaar en valt het ’ den tegenstander gemakkelijk deze onder vuur te nemen. Degene, die dan ook het tactisch gebruik der zoeklichten moet regelen, dient er zich wel van bewust te zijn, dat hij een tweesnijdend zwaard hanteert. Kortgeleden is hier te lande een voorschrift omtrent het gebruik van verlichtingsmiddelen verschenen en wegens de belangrijkheid daarvan wil ik er hier en daar wat uit aanhalen. Natuurlijk bestaan er zoeklichten in verschillende grootten; hun spiegelmiddellijnen wisselen af van 25 tot 90 cM. en meer. Zoeklichten grooter dan 40 cM. zijn nagenoeg steeds electrisch, die van 40 cM. en kleiner veelal niet. Verplaatsbare electrische zoeklichten beschikken overeen verplaatsbare stroombron. Zoeklicht en stroombron vormen te zamen een zoeklichtinrichting en zijn in den regel elk op een voertuig opgesteld. Het zoeklicht bevindt zich op den zoeklichtwagen en de stroombron op den dynamo-wagen. De moderne zijn als automobiel ingericht. Kleinere electrische zoeklichten zijn draagbaar. Uit proeven is gebleken, dat de dampkring een zeer grooten invloed op de werkingssfeer der zoeklichten heeft. Vooral in ons land, waar het dikwijls mistig, regenachtig of nevelig is, kan die sfeer soms tot nul gereduceerd worden. De bundelbreedte bedraagt bij electrische zoeklichten omstreeks 40 M. op elke 1000 M. vóór het zoeklicht. Door verschuiving van de lamp of door het gebruik van verspreidingslenzen kan de spreiding vergroot worden, Zoeklichtwagen, die door paarden moet worden getrokken. echter ten koste van de lichtsterkte, dus van de werkingssfeer. Waarvoor kunnen zoeklichten nu gebruikt worden? a. Tot ondersteuning van verkennings- en veiligheidsdienst. Dan wordt dus als het ware stelselmatig het terrein afgezocht door telkens het zoeklicht op andere punten te richten. Daar zoeklichten nooit geheel bedrijfszeker zijn, omdat hun ingewikkeld mechanisme en dat van de stroombronnen aan storingen onderhevig is en zij door vijandelijk vuur vernield kunnen worden, moeten zij immer paarsgewijze optreden. Beide zoeklichten worden zoodanig opgesteld, dat zij hetzelfde terrein kunnen verlichten ; een van beide staat voortdurend verduisterd gereed en treedt eerst in werking als het andere om welke reden dan ook geen licht meer werpt. Zoo’n sectie staat onder commando van een officier. Die sectie wordt een bepaald terreingedeelte, de verlichtingssector, aangewezen. Bij den verdediger worden grootere zoek lichten in of kort achter de weerstandslijn, de draagbare steeds in die lijn geplaatst. b. Tot verlichting van doelen. Is het zoeklicht er werkelijk in geslaagd een doel te ontdekken, dan zal hiervan niet veel terecht komen, wanneer dit onder vuur genomen wordt. Op niet te groote afstanden zijn onderdeelen van uniformen nog zeer goed te zien. Daarbij verblindt zoo’n zoeklicht ontzettend, zooals uit verhalen van ooggetuigen blijkt. Het is, alsof men plotseling de kluts totaal kwijtgeraakt is. Trouwens iedereen kan dit zelf opmerken, wanneer hij een automobiel tegenkomt met een hel brandend licht. Men zou niet weten welken kant uittegaan. Wordt een troep op zoo’n oogenblik dooreen mitrailleur beschoten, dan moet deze wel gedecimeerd worden, c. Tot maskeering van eigen bewegingen en opstellingen. Achter het maske van den lichtbundel, waarmee men de tegenpartij verblindt, • voert men de bevolen handelingen uit. d. Tot het aangeven van de marschrichting. e. Tot het geven van optische seinen. Door kort en lang te laten schijnen, kan men het Morsealphabet seinen. Wanneer men hierbij een speciale code gebruikt, kan men tot op zeer groote afstanden seinen wisselen, zonder dat de tegenparij deze begrijpt. /. Tot verlichting van werkterrein. Behalve de atmosfeer oefent ook het terrein een belangrijken invloed op de waarneming uit. Een boomenrij op eenigen afstand voor het zoeklicht belet de waarneming van hetgeen zich daarachter bevindt volkomen. Betrekkelijk lage heggen, rietgewas, huizen, alleen staande boomen en dergelijke terreinvoorwerpen, die overdag weinig bezwaren opleveren, geven veelal zeer hinderlijke slagschaduwen. Onzuivere en vochtige lucht, alsmede regen vermindert de verlichting, mist en sneeuw beletten deze min of meer volkomen. Ook heldere maneschijn bemoeilijkt de waarneming. Een zoeklicht mag nimmer voortdurend schijnen, daar het dan te veel vuur tot zich trekt. Afzoeken van het terrein met langzaam heen en weer bewegenden bundel belooft alleen goede uitkomsten Zoeklicht van bijzonder groot vermogen. DYNAMO-WAGEN. Zoeklicht (opgesteld).
PDF
Nummer
1915, nr. 90, 8 nov. 1915
Blad
03
Tekst
11 PANORAMA BEaBaBBaaHMSBaBBsamaszasa&BBB3SBEfieaasBiaaess^»^ate HET FRANSCHE OFFENSIEF IN CHAMPAGNE EEN NACHTELfJKE OPSTIJGING, Het vertrek van een Franschen vliegenier tot het doen van een nachtelijken verkenningstocht. Achter het front staat een zoeklicht opgesteld, dat de vliegmachine hel verlicht, waardoor tot zelfs de kleinste onderdeden der machine in den stik-donkeren nacht duidelijk waarneembaar zijn. Door deze foto kan men zich eerJgszins voorstellen wat er bij een vliegenier moet omgaan, wanneer hij bij een nachtelijken aanval, plotseling *n stralenbundel van zulk ’n zoeklicht op zich gericht ziet. De vier lichtpunten links op de foto zullen den vlieger, wanneer hij straks in de lucht zweeft, de plaats aanduiden waar hij veilig landen kan. — Als illustratie bij ons artikel over zoeklichten op de pagina hiernaast, is bovenstaande afbeelding van groot belang. over een watervlakte en op een volkomen vlak terrein en dan nog alleen indien de kleur der uniformen der tegenpartij voldoende daartegen afsteekt. In den regel geschiedt het afzoeken door den bundel snel over een niet te kleinen hoek van het eene punt naar het andere te zwaaien of door het zoeklicht, verduisterd, in een zekere richting te doen brengen en daarna te openen. Alleen op deze beide wijzen is het mogelijk in beweging zijnde troepen met licht te overvallen en komt de verblindende werking van de zoeklichten het meest tot haar recht. Hoe tracht een aanvaller zich aan de waarneming te onttrekken? 1. Door juiste keuze van uniformkleur en vermijding van glimmende uitrustingsstukken. Een Fransche batterij zwaar geschut opgesteld in Champagne. Eenige soldaten hebben hun nieuwe stalen hoofddeksels reeds op. 2. Door zoo veel mogelijk gebruik te maken van slagschaduwen en van oordeelkundige aanvalsvormen (smal en diep); verlicht wordende, op grooten afstand onverwijld stokstijf te blijven staan en op korteren afstand zich onmiddellijk op den grond te werpen. 3. Door telkens met kleine afdeelingen in snellen gang voorwaarts te gaan, gebruik makend van de oogenblikken, dat het zoeklicht verduisterd of afgewend is. De verblindende werking kan men opheffen door het dragen van brillen met donkere glazen en hef voor zich uitdragen of op de borstwering plaatsen van bebladerde takken, waardoor tevens de zichtbaarheid vermindert. Een Duitsche stelling, die door de Franschen stormenderhand genomen is. Door’t springen van ’n Fransche granaat is fn paard de lucht ingevlogen en bij het neervallen in een boom blijven hangen. Duitsche gewonden worden achter het front in Champagne door Fransche Roode-Kruissoldaten naar een veldhospitaal getransporteerd. 90 (19b)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1986 tot 1990 van 11897