|
PANORAMA
Ja, dat is het woord 1 — Niet
weten, dat ze onder geneeskundige
behandeling had gemoeten.
En dan : Als jij je plicht had gedaan,
was dat niet noodig geweest,
je moet, als je vrouw nu weer op
mag, maar eens veel met haar gaan
wandelen, en haar niet zooveel
alleen laten. Weet je, waar ik aan
denken moest van morgen, toen
ik haar zag ? Aan een plant die te
weinig zonneschijn heeft. Dit is
alles wat ik je zeggen wou, als dokter
en als vriend, maar vooral als
vriend 1”
Verlaan had in één adem doorgeredeneerd,
zoodat Van Staveren,
die wat verbluft was, er niets tusschen
kon zeggen en toen de dokter
eindelijk ophield, stak hij zijn
vriend de hand toe tot afscheid,
alsof de kwestie was afgehandeld
en de ander — doordrongen als
hij was van de vriendschappelijke
bedoeling zijner woorden — drukte
zwijgend de hem toegestoken hand,
en ging toen naar huis terug.
Ja, Truus zag er den laatsten
tijd wel minder goed uit en nu met
dien voet — hij zou wel wat vriendelijker
tegen haar zijn.
„Rika, kun je niet op de slaapkamer
dekken?” vroeg hij.
„Bij mevrouw? O ja, mijnheer,
dat zal ik doen.”
Toen ging hij naar Truus en legde de hand op haar hoofd.
„Wat zie je bleekjes,” zei hij. „Heb je nog veel pijn ?”
„Nee, niet meer”, en in een plotselinge behoefte aan
teederheid nam ze zijn hand, en drukte er zacht een kus
UITBREIDING KWEEKSCHOOL VOOR ZEEVAART
TE LEIDEN.
Het bezoek van den Minister van Marine aan de Kweekschool voor Zeevaart
te Leiden, ter gelegenheid van de belangrijke uitbreidingen, die een
dezer dagen voltooid zijn. V.l.n.r.: Vice-admiraal Naudin ten Cate(in uniform);
Z.Exc. de Minister van Marine; Prof. Dr. P. Th. L. Kan, hoogt te Leiden; Jhr.
Mr. Dr. N. C. de Gijselaar, burgemeester van Leiden; de heer De Jager,
luit. ter zee, adj. van den minister van Marine; de heer C. L. van Buuren.
comm. v. d. Kweekschool. (V.F.B.}
op. Toen boog hij zich tot haar over, en met zijn wang
tegen den hare zei hij: „Ik blijf hier bij je zitten koffiedrinken,
anders is het zoo kort, want om halftwee moet ik
weer weg, maar dan kom ik vanmiddag vroeg thuis hoor.
Dan duurt de dag niet zoo lang voor je I Is ’t goed ?”
„O ja, erg prettig!” Haar stralende oogen en gelukkige
glimlach zeiden hem meer, dan woorden hadden kunnen
doen. En toen hij een half uurtje later weer wegging, was
het met ’t gevoel van iemand
die een weldaad heeft verricht.
Maar Van Staveren had
bij al zijn goede hoedanigheden
het gebrek, dat hij
moeilijk iets aan anderen
kon overlaten, doch alles
zelf wilde doen. Zóó had hij
van lieverlede lange werkdagen
gemaakt en nu weer
eenmaal op kantoor en in
zijn haastige werkijver, verdwenen
zijn goede voornemens
van daarstraks. Hij
kon toch zijn werk niet laten
loopen omdat zijn vrouw
wat ongesteld was. Dokter
Verlaan had eigenlijkschrikkelijk
overdreven, en hij
zou hem dat bij gelegenheid
wel eens zeggen.
En zoo kwam het, dat
hij dien middag weer even
laat thuis kwam als gewoonlijk.
Van Rika hoorde hij al
VOOR ONZE SOLDATEN.
Een verzameling van spelen, door den heer C. Prince uit Driebergen vervaardigd ten gerieve van onze gemobiliseerde soldaten. Alles wat
men op onze foto ziet als dam- en schaakborden, dobbel- en dominosteenen, enz. enz., is op zeer vernuftige en smaakvolle wijze gemaakt
uit wat men in ’t dagelijksch leven gewoon is afval te noemen.
dadelijk, dat zijn vrouw lag te slapen. „Maar mevrouw
heeft vanmorgen gezegd, dat u het schrijfbureau op zoudt
ruimen, daar lag nog een brief, en mevrouw zei . . . .”
„O ja, dat is goed, zal ’k wel doen 1” Eerst ging hij even
naar Truus en toen hij zag, hoe rustig ze sliep, vond hij weer
dat Verlaan hem wat had willen wijsmaken. En nu had
hij zich nog wel voorgenomen zoo lang zijn vrouw ziek was,
’s avonds thuis te blijven. Zou hij dat eigenlijk wel doen ?
Peinzend liep hij door de kamer. „Wat vervelend,” dacht hij,
.„thuis te komen en je vrouw slapende te vinden. Niemand
die wat tegen je zegt.” Hij had nooit gedacht dat hij haar
zoo dadelijk missen zou. Als het maar niet lang duurde,
dat ziek liggen. Opeens zag hij het schrijfbureau en dacht
er aan, wat Rika hem gezegd had, en er heenloopend viel
zijn oog dadelijk op den halfgeschreven brief. Onwillekeurig
las hij de paar regels op het laatste zijdje .... „Mijn dagen
kruipen in verveling voorbij, en vooral de avonden ben ik
altijd zoo ontzettend eenzaam dat ik soms al half slaap als
Johan eindelijk thuis komt. Ik ben dan zoo vriendelijk mogelijk
tegen hem, en doe mijn best gezellig te zijn, maar ik
merk wel, dat hij dan te moe en te afgetrokken is, om
ergens schik in te hebben en vaak denk ik als ik er eens
niet was, dat hij me dan misschien niet eens missen zou.”
Eenmaal nieuwsgierig geworden, las Johan den brief
van 't begin tot het eind. Het was hem als een openbaring.
Een openbaring die hem het bloed naar de wangen joeg
van schaamte. Dat was zijn vrouw, die zoo schreef — en
over hèm ! Dat zou nu over een paar dagen haar vriendin
hebben geweten. En waarlijk, hij moest zeggen, ze had hem
nog gespaard. Niets overdreven. Niets onwaars verteld.
Eér had ze hem nog wat verschoond. Hij mocht wèl tegen
Verlaan zeggen: „Ik heb haar nooit ergens over hooren
klagen.” Hij moest nu ook opeens denken aan wat Verlaan
had gezegd over bloemen en zonneschijn. Nu begreep
hij dat pas duidelijk, en nu zag hij ook, dat de dokter
met zijn menschenkennis, de dingen goed gezien en raak
gezegd had.
Nog geruimen tijd stond hij, door zelfverwijt gekweld,
in gebogen houding over het bureau, toen hij plotseling
weer tot de werkelijkheid kwam. Hij zou zijn bloem wat
meer zonneschijn geven 1 Ja, dat zou hij ! Maar zij mocht
nooit weten, dat hij dien brief gelezen had. Hij zou wel
maken, dat die brief gauw verdween, en nóóit verzonden
werd. Heel voorzichtig ging hij naar Truus, die nog
steeds sliep. Hij luisterde naar haar rustige ademhaling,
VEREENIGING VOOR CHRISTELIJK VOLKSONDERWIJS.
Een groep der deelnemers aan de op 28 October in de Nieuwe-Zijdskapel te Amsterdam gehouden vergadering van de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs,
ter gelegenheid van haar 25-jarig bestaan. (V.F.B.)
keek naar den nog half-glimlachen
den mond. Zou zijn kleine vriende
lijkheid van dien middag haar zóó
goed hebben gedaan ? O, wat hield
hij nog zielsveel van haar, en wat
hoopte hij, dat ze spoedig weer
geheel hersteld zou zijn. Toen ging
hij naar buiten. Bij den bloemist
op den hoek der straat zocht hij
wat prachtige rozen uit. „Mijn
vrouw is ziek. Ik wou ze gelijk
meenemen” zei hij — en ’t kwam
er als een verontschuldiging uit.
Een kwartier later had hij de bloe
men in een vaas op de tafel gezet,
en zat stil op een stoel voor het
bed van zijn vrouw. Spoedig sloeg
zij de oogen op en keek blij-verrast
haar man aan. — „Heb je nou lekker
geslapen ?” vroeg hij.
„O ja, en ben je al lang thuis ?
Is ’t al zoo laat ?”
„Wel, ik zou immers vroeg
komen, ik . ...”
„O,” onderbrak ze hem opeens,
„Wat mooi 1 Rozen 1 Geef ’s hier,
wil je ?”
Hij hield haar de bloemen voor.
„Heerlijk. Van wie ?” vroeg ze
plagend.
„Ja,” zei hij, ietwat verlegen,
’t Was voor hem zoo ongewoon geworden,
zoo’n attentie. „Van wie
zullen ze zijn ?V — „Misschien
wel van jou ?”
„O, dat zou wel kunnen ! Misschien !”
„O, ik dank je, schat! Ik ben er zóó blij mee 1” — Ze
stak den arm naar hem uit, en hem naar zich toe halend,
kuste ze hem op den wang. Hij legde zijn arm onder haar
(KRÖ.)
DE „GERMANIA” DER FIRMA KRUPP.
De „Germania”, het jacht van de Duitsche firma Krupp, dat bij het
uitbreken van den oorlog door de Engelschen werd geconfisqueerd terwijl
het aan de groote zeilwedstrijden deelnam, is thans buitverklaard en
verkocht. (V.F.B.)
schouders en begon toen : „Je weet toch, dat ik vanavond
bij je blijf ?” — en op haar : „wat lief van je, Joh — hoe komt
het, dat je nu . . .ging hij vlug verder: „omdat jij nu ziek
bent. Anders heb je hier altijd je bezigheden, zoo goed als
ik op ’t kantoor, maar nu dacht ik, wat zul je je vervelen,
en toen ik daarstraks thuis kwam, en ik hoorde je stem
niet, toen vond ik dat zóó onplezierig...”
„Werkelijk?” vroeg ze verrast. „Miste je me?”
„Of ik je miste ? Wel kind, ik zou geen dag zonder je
kunnen. Dat weet je toch wel!”
„Och, maar ik dacht, omdat je altijd zooveel weg bent,
dacht ik, dat.. .
„Nou — wat dacht je?”
„Ik weet het eigenlijk
niet. ’t Was verkeerd van
me.*’
„Hoor eens Truus, als
ik ’s avonds moe ben, en
weinig zeg — of als ik des
middags thuiskom en haast
geen tijd heb, dan wéét je
toch wel, dat ik tóch altijd
blij ben, je weer te zien. Dat
voel ik juist zoo, nu je ziek
bent ....”
Ze bleven nog een poosje
doorpraten en het gesprek
kwam op de dienstbode,
toen Johan — alsof hij
zich plotseling iets herinnerde,
dat hij had vergeten,
uitriep: „O ja, toen ik thuis
kwam, zeiRika, datje vroeg,
of ik het bureau op wou
ruimen. Dat heb ik ver
geten, doordatik de bloemen
ging halen. Wil je ’s even
zeggen, hoe …
|