Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1981 tot 1985 van 11897
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 (Vervolg) dunkt, wij kunnen nu wel ophouden '! met die scherts. U heeft de partij verloren, § mevrouw Gohib- § jew. Daaraan is 1 nu niets meer te * veranderen. Maar zoudt u nu niet een andere rol willen spelen ?” Zij liet zijn toorn rustig over zich heen gaan en keek deemoedig tot hem op. „Ik heb je lief, Heinersdorff”, stamelde haar gloeiende lippen. Hij maakte een onwillige beweging en zeide : „Wilt u niet een sigaret opsteken, mevrouw ? U kunt ’t zonder gevaar doen, want er is opium noch hasjisch in/' — Een kramptrek vertrok haar wit gelaat. „Spion V’ „Ik heb je lief, George”, hijgde ze, „bespot mijn liefde niet.” „Weet u wat mij zeer zou interesseeren, mevrouw Golubjew? Gaat u zitten, alstublieft. Ik zou dolgraag weten wat voor plannen u met mij hadt. Hoe wilde u mij eigenlijk voor uw doel winnen ? Door geld ? U hebt u toch, naar ik hoop ervan op de hoogte gesteld dat ik rijk en onafhankelijk ben ? Geld kon mij hoegenaamd niet verlokken, dat moest u weten. Dus wat dan? Liefde en hartstocht? Dat lijkt mij ook onwaarschijnlijk, want dan zoudt u bepaald ingetogener zijn geweest/* Zij was gaan zitten en staarde naar den grond. „Wees nu eens aardig, mevrouw Golubjew, en verraad eens aan mij uw vekltochtsplan. U kunt u daardoor nu niet meer benadeelen. Na den slag bestaan er geen geheimen meer/* „Ik heb je lief.” Hij stond op en herhaalde verachtelijk : „Spion !” Rustiger antwoordde zij : „Zeker, ik ben een spion, of beter gezegd, ik was spion, maar ik heb voor mijn vaderland gewerkt, mijn vaderland is mij even dierbaar als u het uwe. Daarom moogt gij mij niet verachten. Om nuttig te zijn voor mijn vaderland heb ik menigmaal mijn leven op het spel gezet/* „Voor geld !*’ „ja, voor geld, omdat ik arm ben. Wanneer ik fortuin bezat liet ik mijn werk niet betalen. Gelooft u inderdaad, Heinersdorff, dat ik slechts spionneer om geld te verdienen ?** Haar trekken werden strakker en trotscher. Gelooft u niet dat ik op een gemakkelijker manier geld zou kunnen verdienen wanneer dat mijn eenig doel was ? Ben ik niet jong en begeerenswaardig ? Zou ik niet het leven van een voorname dame kunnen voeren wanneer ik slechts een vinger daarnaar zou willen uitstrekken ?” Zijn toorn blusc.hte langzamerhand uit. Hij zag haar plotseling van een nieuwe zijde. Zij ging voort, met verheffing van stem: „En toch doe ik dat niet. Ik wraag liever eiken dag mijn leven en mijn vrijheid. Wanneer u uw vaderland even lief heeft als ik het mijne, dan moet u respect voor mij hebben, Heinersdorff/' Hij antwoordde zacht en nadenkend. „Ik veracht u niet, mevrouw Golubjew. Verontschuldig mij wanneer ik onbeleefd ben geweest/* * In een plotselinge opwelling trad hij op haar toe en reikte haar de hand : ZELFS IN DEN DOOD GEEN RUST. De door het bombardement beschadigde graven van het kerkhof te Champagne. Ook de kerk heeft van het granaatvuur geleden. „Ik groet mijn ridderlijke tegenpartij !” Zij liet langzaam zijn hand los en vroeg geprikkeld : „Tegenpartij ?” Hij trad terug en verwachtte dat zij nu zou weggaan. „Maar begrijp je dan niet, Heinersdorff, dat ik je liefheb ?” Hij maakte een ongeduldige beweging. „Me dunkt, u kunt ’t spel eindigen.” Zij naderde hem met kleine onzekere passen en stamelde : „Alles wil ik opgeven voor jou. Laat mij slechts ALLERZIELEN IN HET OORLOGSLAND. Een godsakker in het vijandelijk land: het kerkhof waar de soldaten begraven worden die gestorven zijn in het Duitsche veld-hospitaal No. 8, van het 8ste Artillerie-korps bij Anizy-le-Chateau. DE LAATSTE RUSTPLAATS. Gaf de eerste foto een kerkhof, waar iedere gesneuvelde zijn eigen graf had, versierd met een eenvoudig kruis, deze afbeelding doet ons de rustplaats zien in den tuin van de pastorie te Champagne, waar ongeveer 100 soldaten — vriend en vijand — die in het jongste offensief zijn gesneuveld, rusten, terwijl een ruw houten kruis ter herinnering aan hun afgestorven zielen is opgericht. in je nabijheid leven. Laat me je geliefde, je slavin zijn.” Zijn gezicht bleef als van steen en onbeweeglijk. Wat een wonderlijk schepsel is ze, dacht hij verbaasd. Toen begon ze op eens luid te roepen : „Kijk mij toch aan ! Zie mijn oogen, zie mijn hart ! Voel je dan niet dat ik je liefheb ?** Hij zei ruw en beslist : „Alstublieft, bespaar mij deze hysterische scènes, mevrouw Golubjew.” Zij verstomde dadelijk. Een gloeiend rood spreidde zich over haar wangen, als de striemen van een zweepslag. De kapitein stak een sigaret op en haalde zijn horloge tevoorschijn. Zij was naar het venster gegaan en had haar gloeiend voorhoofd tegen het glas gedrukt. Nu was ’t hem genoeg. Hij verlangde naar rust. Brutaal zeide hij : „Het is tijd dat u naar huis gaat, mevrouw Golubjew.” Nu werd het geheele witte gezicht vlamrood. Zij verliet het venster en zeide dreigend : „Het is niet goed, kapitein, mij tot vijand te hebben.” Heinersdorff riep, als van een last bevrijd: „Bravo, bravo, mevrouw Golubjew. Eindelijk laat u uw masker vallen. Eindelijk spreekt u eerlijk en open met mij !** „Terg mij niet tot het uiterste !” „Zoo bevalt u mij goed, mevrouw. De rol van smachtende verliefde gaat u niet goed af, gelooft u mij.” „Ik waarschuw u, Heinersdorff !” Hij verheugde zich over zijn triomf en juichte : „Strijd wil ik, mevrouw, een open, eerlijken strijd !” „Dien zult u hebben, kapitein Heinersdorff.” Ze greep bliksemsnel in den zak van haar jacquet en bracht daaruit een browning tevoorschijn. Heinersdorff bukte zich en sprong op haar toe. Zij wankelde onder het gewicht van zijn lichaam en zonk in een fauteuil neer. Hij hield haar hand met ijzeren greep omklemd en trachtte haar het wapen te ontwringen. Het scheen hem toe alsof hij die teere, dunne vingers elk afzonderlijk moest breken voor zij de revolver los lieten. Hij wierp het wapen op de tafel en zei lachend : „U stelt mij teleur, mevrouw Golubjew. U komt met een browning inplaats van met een friseertang op een galant rendez-vous ? Hoe moet ik daarin nu het juiste geloof aan uw groote liefde vinden ?” Hij nam het wapen op en ontlaadde het. „Ik kan ook heelemaal niet begrijpen dat uzoo onvoorzichtig bent. Bedenk eens even wat voor pijnlijke gevolgen het voor- u zou gehad hebben, als u mij bij ongeluk gedood had 1 Wat wordt er dan van het dierbare vaderland ? U heeft ’t recht niet uw kostbaar leven voor zulke kleine wraakgevoelens op het spel te zetten.” Zij staarde hem vol haat aan. Haar gezicht was vaal. Hij zeide minzaam: „En thans, mevrouw, ga nu rustig naar huis. Het vaderland 'wacht u.” Zij ging. Toen zij bij de deur was, riep hij beleefd : „Vergeet uw browning niet!*’ VI. De oude Milan Vidakovitch was, eenige jaren geleden, een welgesteld varkenskoopman geweest in een Hongaarsch dorp,vlak bij de Servische grens. Hij bezat een flink huis en fraaie wijngaarden en groote komkommervelden. In zijn kelder lagen vele vaten vurige wijn, en wanneer hij de andere dorpen bezocht, trokken twee wilde, bruine paarden zijn licht wagentje. De boeren op het veld staakten even hun arbeid zoodra zij hem op de van stof witte en in de zon DE OORLOG IN HET DUISTER ROMAN VAN LUDW1G WOLFF
PDF
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
03
Tekst
gloeiende wegen voorbij zagen razen, en groetten den gospodar Vidakovitch ootmoedig. Hij had twee dochters en een zoon, die zijn moeder het leven had gekost toen hij laat en niet meer verhoopt het levenslicht aanschouwde. De vader was zoo bovenmatig verheugd met dezen zoon dat hij eigenlijk den dood van zijn vrouw niet meer betreuren kon. De dochters waren toen reeds huwbaar. Zij waren de mooiste meisjes in de geheele Baeska. Groot, krachtig, gevuld, met bruine wangen, die rosé getint waren, en met donkere oogen, die als vurige kolen fonkelden. Hij gaf ze ten huwelijk aan de zonen van twee Servische zakenvrienden die, evenals hij, varkenskooplui waren. De huwelijksfeesten duurden acht dagen. Acht dagen lang werd er gegeten en gedronken en gespeeld en gedanst dag en nacht. Honderd mijl in den omtrek was in die dagen geen mensch nuchter. Nu nog vertelt men in de buurt met bewondering en eerbied van het huwelijk van Milena en Rufina Vidakovitch. De zaak van den ouden Milan bloeide. Het was een eenvoudig bedrijf. lederen Maandag stond hij aan de grens, naast zijn goeden, besten vriend, den veearts Székely Zsiga. Aan de andere zijde van de grens stonden de Servische boeren met hun varkens. Wanneer allen aanwezig waren, dreven zij de varkens over de grens naar de groote waag. De wakkere Székely Zsiga zette een blauw lorgnet op zijn rooden neus en bekeek de dieren nauwkeurig, zóó nauwkeurig, dat zijn oogen soms dichtvielen. Nu en dan fluisterde hij dan: „Alles in orde/’ Vidakovitch hield bij de waag de wacht en lette er op dat niet bij vergissing te veel gewicht werd opgeschreven. Er werd nooit te veel gewicht opgeschreven. Wanneer de arme, bange boeren het soms waagden schuchtere, deemoedige opmerkingen te maken tegen de weeguitkomsten, dan behoefde de oude Milan maar een weinig met den zak te schudden, waarin de goudgele dukaten rinkelden. De heldere klank van het rammelende goud miste nooit zijn werking en verstikte onfeilbaar elke poging tot verzet. Vidakovitch betaalde altijd met mooie oude dukaten. Hij kreeg de varkens een derde goedkooper wanneer hij den boeren een handvol goudstukken onder de neuzen hield. Zij wraren verzot op goud. Het hypnotiseerde en verlamde hun wil. Ze beschouwden alleen goud als geld. Als men hun met papiergeld betaalde, waren zij wantrouwig en argwanend. Heel dikwijls dreven zij liever hun varkens een dag langer naar huis in den stal terpg, dan dat zij papier aannarrièn. Of zij vroegen zulke hooge prijzen, dat de handelaar van den koop moest afzien. Maar Milan Vidakovitch kende zijn boeren. Hij betaalde met echte, dikke randdukaten, evenals de Keizer. Als de varkens waren afgewogen weerden zij in wagons geladen en naar Weenen verzonden. Daarmee was de heele zaak klaar. De oude Vidakovitch verdiende vijftig percent op elk varken, en niet te krap. Het was een eenvoudige maar goede handel. Intusschen groeide de jonge Ilija Vidakovitch op als een wild veulen. Toen hij twaalf jaar oud was kon hij nauwelijks lezen en slechts gebrekkig schrijven. Maar daarentegen reed hij elk paard als een Pandoerenoverste, en liep de meisjes na. Hij was de trots van zijn vader. Maar toen de jongen zijn dertiende jaar bereikt had, begon de oude Milan na te denken en peinsde dikwijls ’s avonds, als hij met zijn pijp voor zijn huis zat, over de toekomst van zijn zoon. Daar hij zich zelf niet schrander en wereldwijs genoeg achtte — hij had immers zijn leven lang alleen met varkens te doen gehad — riep hij op een avond zijn geleerde vrienden bijeen om hen over Ilija te raadplegen. Zij kwamen allen: de candidaat-notaris, de 3 schoolmeester, Székely Zsiga, de veearts, Sow?a Gruitsch, die in een grensplaatsje regiment-wachtmeester was en nog verscheidene anderen. Zij kwamen graag, want bij den ouden Vidakovitch was ’t altijd lekker eten en goede oude wijn. De groote, welvoorziene tafel stond midden in den tuin, wrant het was in Augustus en de nachten waren zwoel. Allen gingen welgemoed aan tafel en begonnen vroolijk te smullen en te drinken. De jonge Ilija zat ook bij den raad der ouden, en dronk dapper mee. Plotseling kwamen de Zigeuners ; niemand wist van wraar ze gekomen waren, maar nu stonden ze daar als waren ze uit den grond opgeschoten en begonnen te fiedelen. En opeens waren er bruine, vurige meisjes, en sneller dan ge denken kunt, had zoo’n meisje u van de tafel der notabelen weggetrokken, en wervelde u rond in den dans en trok u in een donkeren hoek, DE TROPEEËN v. h. FRANSCHE OFFENSIEF IN CHAMPAGNE KOMEN TE PARIJS AAN. Het krijgsmateriaai, dat de Franschen gedurende hun jongste offensief in Champagne op de Duitschers veroverd hebben, komt per trein te Parijs aan. om daar met u uit te rusten. De sterren fonkelden en gloeiden. De Zigeuners fiedelden als gold het hun leven. Plotseling rukte de oude Vidakovitch den aanvoerder de viool uit de wilde handen en riep : „Genoeg!” De Zigeuners verdwenen en de bruine meisjes ook, en opeens stond ook weer een behoorlijke notabelen-tafel midden in den tuin. Allen hadden hun plaatsen gevonden en zaten daar eerbaar en waardig, zooals notabelen betaamt. Alleen Ilija ontbrak. En dat was goed zoo......... De oude Milan liet nieuwen wijn inschenken en begon toen : „Waarde vrienden ! Ik heb u vandaag niet tot een feestmaaltijd uitgenoodigd, maar tot een ernstigen beraadslaging”. De notabelen zagen hem verwijtend aan, als wilden ze verzekeren : dat behoeft ons niet gezegd te worden ! „Gij zijt allen wijze en geleerde mannen/’ —de heele tafel dronk hem toe — „daarom wil ik uw raad hooren.” „Ge zult hem hebben, broertje,” riepen de notabelen eenstemmig. —- „Ik vraag je, beste vrienden : wat moet mijn zoon worden!” PANORAMA Een geweldig leven ontstond. Allen wilden tegelijk spreken, ’t Was als in het parlement. De oude Milan liet ze uit rumoeren, totdat zij hun kelen hadden schor geschreeuwd en zei toen gemoedelijk : „Zoo kunt gij mij geen raad geven, beste broeders. De een na den ander.” Zij werden langzamerhand rustig en begonnen nu om beurten te spreken. De candidaat-notaris verklaarde dat het volkomen vanzelf sprak dat de zoon van zulk een rijken man jurist moest worden. De rechtsgeleerdheid was het edelste beroep. Als jurist kon men alles worden : advocaat, schoutafgevaardigde, minister en de hemel wist wat nog meer. Vidakovitch hoorde instemmend toe en keek alleen nu en dan naar den ouden schoolmeester, die daar als een onschuldig lammetje zat. Székely Zsiga, de veearts, stond op en hield een oppositie-redevoering, die herhaaldelijk door hevig hikken werd afgebroken. „Geloof hem niet, Milan, de juristerij is de grootste vuiligheid.” De candidaat-notaris was een kleine zwakke man en deed alsof hij plotseling doof was geworden. „Wanneer iemand Ilija Vidakovitch heet, behoeft hij niet in de rechten te studeeren. Wanneer je mijn raad volgen wilt, laat hem dan veearts worden. Je hebt voor je varkens altijd een .veearts noodig. Wanneer je een veearts in huis hebt, kan je niets kwaads meer o verkomen.” De oude Milan was niet bijzonder onder den indruk van de beweringen van dezen vriend. Het beroep van veearts scheen hem voor zijn eenigen zoon! niet voornaam genoeg. Hij keek den schoolmeester aan en vroeg : „Wat meent u er van, schoolmeester ?” De meester stond gehoorzaam op en zeide benauwd: „Ik geloof, beste vriend, dat gij uw zoon niet moet laten studeeren. Hij heeft een zwak hoofd.” Vidakovitch doorboorde hem met woedenden blik. „Ik wil daarmee zeggen,” verbeterde de schuchtere schoolmeester zich snel, „dat hij geen zin heeft tot leeren. Hij kan niet stilzitten. Hij gaat niet gaarne naar de school.” Hij stotterde zoo lang voort totdat de oude Milan zich over hem erbarmde en hem toeriep : „Ga zitten meester!” Een pijnlijke stilte ontstond. Toenstond Sowa Gruitsch, de wachtmeester, op, draaide zijn dikken snorbaard op en verklaarde: „Ik zal je wat zeggen, broertje. Wanneer je zoon Ilija niet leeren wil, laat hem dan soldaat worden. Hij is sterk, hij is mooi, hij kan rijden als een huzaar ; geld heb je ook ; laat hem officier worden.” Dit voorstel beviel Vidakovitch beter dan elk ander. Hij kuste den wachtmeester op beide wangen en riep geroerd : „Lang zult gij leven en gezond blijven, broeder Sowa !” Dan kropen weer de Zigeuners tevoorschijn en ook de wilde, bruine meisjes, en ze fiedelden en dansten tot den ochtend. Maar de jonge Ilija Vidakovitch wrerd naar een cadettenschool gestuurd. Het leven ging voort. lederen Maandag stond de oude Vidakovitch met zijn vriend Székely aan de grens, rammelde met de dukaten en kocht voor weinig geld zware, vette, Servische varkens. Maar toen kwam een. ongelukkige, zwarte Maandag, dien Milan niet vergeten zal, zoolang hij leeft. De geheele grens was door soldaten bezet. Aan één kant stonden Vidakovitch en de veearts ; aan den anderen kant de Servische boeren mei hun varkens, maar tusschen hen glinsterden de punten*der bajonetten op de geweren. (Wordt vervolgd). 89 (19a)
PDF
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 EEN KAMP MET TENTOONSTELLING Op Zaterdag 30 October is van 2—5 uur ’s namiddags door troep I., pioniers der Nederlandsche Padvinders-Organisatie, afd, den Haag, een kamp met tentoonstelling gehouden op het terrein Bezuidenhout 557, Onze foto’s geven, links: Gezicht op het kamp met uitzichttoren; rechts: padvinders presenteeren thee aan de genoodigden {foto's „Rembrand?'} PAUL. HERVIEU. f AUG. LE GRAS. I PAUL HERVIEU. de bekende Fransche schrijver, die een dezer dagen overleden is. — Te Laren is 1 November overleden de bekende Gooische kunstschilder AUG. LE GRAS. 21 Febr. 1864 geboren, begon hij zijn studie aan de Academie onder Allebé en Wijnveld, orn daarna een reis te maken naar Algiers, het land dat hem gansch zijn leven boeide. Als ik eens vraag met me te gaan wandelen of zoo iets, hij heeft nooit tijd, en de gezellige manier waarop hij vroeger kon gaan zitten praten, heeft hij niet meer. Je kunt je voorstellen hoe ik daaronder lijd ... Hier hield Truus even op, en den beenen penhouder tusschen de tanden nemende, peinsde ze een oogenblik, en ging toen weer in denzelfden toon verder, Eensklaps sprong ze op. „Dat ’s waar ook, de melk staat op, en Rika is boven en vergeet het zeker weer.” Vlug liep ze naar de keuken — juist bijtijds om te ontdekken, dat de melk zou overkoken. Haastig tilde ze de pan van het vuur, toen eensklaps een breede straal van het kokende vocht over den rand en langs haar rok-op den vooruitgestoken linkervoet stroomde. Met een gil van pijn en schrik liet ze de pan weer op ’t fornuis vallen en viel op den eersten den besten stoel neer. Rika kwam dadelijk op den schreeuw naar beneden gehold. „O Mevrouw 1 Mevrouw! Wat is er gebeurd ? Al die melk? O, heb u je gebrand? Och! Och!” Truus bukte zich, om te trachten de pantoffel uit te trekken, maar kreunend van pijn, staakte ze haar poOs. W. H. OOSTEN Eerw. heer A. B. DIEVENBACH. A. B. DIEVENBACH. Dinsdag 9 November a.s. hoopt de pastoor der Oud-Katholieke gemeente te Aalsmeer, voorheen te Zaandam, zijn 25 jarig priesterjubileum te vieren. — Verleden week herdacht de heer Ds. W. H. OOSTEN, predikant te Scheveningen, den dag waarop hij vóór 25 jaar zijn ambt aanvaardde. De jubilaris is daarvan 10 jaar te Scheveningen voorganger en leeraar. daarvóór 8 jaar als zoodanig bij de Geref. Gemeente fe Enknuizen geweest en ving zijn dienstambt aan te Middelburg. DE BRIEF DOOR M. M. 'n hoe het mij ook spijt het te moeten zeggen, Marie, ik denk, dat ons huwelijk een vergissing geweest is. Geloof me, ik heb het lang genoeg vóór me gehouden, en zelfs mijn moeder vertelde ik nooit iets van m’n verdriet. Maar nu ! Ik moet iemand heb ben, wien ik’het vertellen kan, en jou vertrouw ik. Toen je den laatsten keer bij me was, heb je toch de helft gezien en de andere helft begrepen. Johan gaat vooral den laatsten tijd zoo geheel en al in zijn zaken op, dat hij mij nauwelijks ziet, en ik kan me haast niet meer voorstellen, dat hij nog iets om me geeft. Alles wat ik doe of probeer om hem ’s avonds in huis te houden, faalt. DE GROEP VAN DEELNEMERS (KEF.) gingen. Rika, goedig als ze was, begon dadelijk héél voorzichtig de pantoffel uit te trekken. Met een -schaar knipte ze toen de kou3 eerst aan twee kanten van den voet open en toen de kous verwijderd was zei ze meewarig : „Nu die voet zoolang in ’n bakje met lauw water, dan doet het geen pijn en zal *k dan even den dokter roepen van hierover? Ik weet niet wat ik er op moet doen.” „Ja, dat is goed.” Met de handen onder de linkerknie, den voet wat opgetrokken, bleef Truus alleen achter. Door de tamelijk wijde pantoffel en de dunne kous was de melk dadelijk dóórgetrokken tot aan de randen van den voetzool en Truus voelde wel, dat er geen sprake van was, den gebranden voet te kunnen gebruiken. Zij zou dus een paar dagen zéker stil moeten blijven liggen. Wat zou dat vervelend zijn. Hoe zou ze het dóórkomen ! De dokter, die een goede kennis was, kwam dadelijk met De eenige vrouwelijke deelnemer aan den tocht, mej. Ch. Buis van Willigen uit Halfweg, {foto „Rembranat") DE VELDRIT IN DEN HAAG T e ’s-Gravenhage is op Zondag 31 October een veldrit gehouden, die in alle opzichten volkomen geslaagd mag heeten. Alles werkte daartoe mee: het fraaie herfstweer, de talrijke deelneming en de uitstekend verzorgde regeling. Precies om 1 uur startte de lange stoet van 137 personen van de oprijlaan te Clingendael. Eerst moest een ronde over het zware gras volbracht worden, waarbij eenige hindernissen werden genomen. Daarna werden eenige prestaties van wielrijkunst in de duinen vertoond. Binnen de twee uur waren 133 v^n de 137 deelnemers het eindpunt — den watertoren — gepasseerd, wat werkelijk een enorme prestatie heeten mag. — Het viertal foto's dat wij hierbij reproduceeren, behoeft bij de onderschriften geen nadere toelichting. _.... . _ - ......... ... .......... . I i Moeilijke oogenblikken: het nemer, van de hindernis, (foto „Rembrandf'b Aankomst van den prijswinner R. v. d. Wiel. die den tocht deed in één uur en 55 seconden, (foto „Rernbrant'').
PDF
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA VAN HET ITALIAANSCH E LEGER Een Italiaansche legerafdeeling trekt met behulp van een veerpont de Isonzo over. — De Isonzo is ’n rivier in het graafschap Görz, hetwelk tot de Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie behoort. Zij ontspringt uit de Trentabeek en de Sadincza aan den Tergiou en stroomt' met talrijke kronkelingen door een eng dal, totdat zij bij Monfalcone de Adriatische Zee bereikt Alleen nabij haar mond is zij bevaarbaar. Generaal GALLIENI, Minister van Oorlog. Belangrijke personen uit het nieuwe Fransche Kabinet VIVIANI, Vice-President van den Ministerraad en Minister van Justitie. olie en zalf, verbond den voet zorgvuldig en zei toen lachend : „Dat is een poosje kamerarrest mevrouwtje. U moet den voet zooveel mogelijk rust geven. Maar dat behoef ik eigenlijk niet te zeggen. Zal ik u even helpen naar binnen te gaan ?” Mevrouw dacht aan den brief, die nog open op het schrijfbureau lag, en zei, met iets angstigs in haar stem: „Nee, nog niet 1” „Waarom niet ? Is het zóó pijnlijk”, vroeg de dokter. „Bent u zoo van streek door den schrik ?” „Ja”, zei ze toonloos, „ik geloof het wel.” Hij zag, hoe ze zat te beven,en voelde den pols. „U bent wat zwak. Hebt u veel last van zenuwachtigheid, zeker?” —- „Ja, den laatsten tijd.” „Wil ik u eens wat zeggen? U moet niet op de sofa gaan liggen, maar u liever dadelijk ontkleeden en dan te bed gaan. Rika kan u wel helpen hé, ik schrijf u een recept voor, en dan kunt ge er wel op rekenen nog een poos geduld te moeten hebben éér u weer heelemaal de oude bent.” Na nog naar enkele bijzonderheden te hebben gevraagd en met een „Nu, dus u hebt geen hulp meer noodig, en kun t het met uw dienstbode wel af op ’t oogenblik ?” vertrok de dokter met de vraag: „Hoe laat komt Van Staveren thuis ?” „Om half één.” „Vraag of hij dan dadelijk even bij me aankomt, wilt u ? Om één uur heb ik al weer spreekuur.” En met een hartelijken handdruk, en een „nu dadelijk gaan liggen hoor 1” stapte hij de ziekenkamer alias keuken uit en ging naar buiten. Met behulp van Rika en op den rechtervoet en linkerhiel loopend, ging Truus naar dé slaapkamer. Eenmaal ontkleed en gereed om in bed te gaan, dacht ze weer opeens aan den brief, en maakte een beweging om naar haar schrijfbureau in de aangrenzende kamer te gaan. „Mevrouw, wat gaat u nou doen ?” „Even opruimen op ’t bureau 1” „O, dat zal ik wel doen 1” „Nee Rika — een brief, waar ik aan bezig ben ....” „O, hé, Mevrouw, ik zal niks lezen hoor, dat moet u niet denken.' Op het postkantoor staan ze zoo dikwijls briefkaarten te schrijven aan soldaten, weet u, maar ik lees het nooit als ik er langs kom.” „Nee, dat geloof ik wel,” zei mevrouw ietwat ironisch. „Maar laat het RIBOT, Minister van Financiën. dan maar. Dan kan mijnheer het beter doen, als hij thuis komt. Laat de deur maar open.” Vijf minuten later was Rika beneden, en wilde Truus aanstalten maken, om naar het schrijfbureau te BOURGEOIS, Staatssecr. zonder portefeuille. DE STRIJD AAN HET ITALI AANSCH-OOSTEN RiJ KSCH E FRONT Italiaansche soldaten bezig met het herstellen van een door de Oostenrijkers verwoeste brug, die de verbinding tusschen twee bergtoppen tot stand bracht. gaan. Maar in de heerlijke rust het telkens weer even uitstellende, vergat ze het eindelijk en hoorde ten slotte half-sluimerend de klok half één slaan. Nu kon haar man elk oogenblik thuis komen, en was het dus geraden stil te blijven liggen. Hij kwam toch zelden in die kamer en nog minder aan haar schrijfbureau, dus voor het oogenblik kon het geen kwaad. Kort daarna kwam haar man binnen. „Ja, ik heb het al van Rika gehoord in de gang. Een heel verhaal, er kwam geen eind aan. Is het heel erg vrouwtje ?” „Och, het deed veel pijn. Ik moet in bed blijven voor den dokter, en hij vroeg of jij nu dadelijk even bij hem wou komen.” — „Nou? Waarom?” „Dat weet ik niet.” „Dan zal ik maar even gaan. Ik ben gauw genoeg terug.” Onderweg liep hij er over te peinzen, wat dokter Verlaan wel van hem zou willen, maar hoe verbaasd was hij, toen hij hoorde, wat de kwestie was. „Kerel, je vrouw is ziek, waarom heb je me niet allang eens geraadpleegd ?” „Waarom ?” vroeg van Staveren onthutst. „Wat scheelt ze dan ?” „Wat ze scheelt? Alles — en niets. Ze is heel zwak, eet véél te weinig en is ontzettend nerBRIAND, Minister-President en Buitenlandsche Zaken. CLEMENTEL, Minister van Handel. DOUMERGUE, Minister van Koloniën. Heb je dat dan nooit opgemerkt?” „Ja, nou je het zegt! Maar — ik heb haar nooit ergens over hooren klagen.” „O zoo ? Moét dat dan ? Wou je dus liever een vrouw die klaagde ? Dan was je eerst recht te feliciteeren. En bovendien: denk je dan dat iemand niet lijden kan zonderteklagen? ’t Is tochaitijd niet noodig dat we ons verdriet overal rondvertellen? Neen man, juist die in stilte lijden, lijden ’t hevigst, ’t Is niet ieders natuur om met zijn nooden en grieven te koop teloopen. Vooral een vrouw is daartoe te fijngevoelig van aard en dikwijls ook te ... trotsch. Een vrouw vraagt geen medelijden,’nvrouw vraagt slechts liefde, omdat dat haar recht is, wijl zij zelf ook liefde geeft. Wil ik eens wat vertellen, ik heb het al veel eerder gedacht, maar we zien elkaar den laatsten tijd zoo weinig: ik vind dat je je moest schamen, nu het zoo duidelijk blijkt, dat je je vrouw, en dan zóó’n vrouw, zoo totaal verwaarloost.
PDF
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA Ja, dat is het woord 1 — Niet weten, dat ze onder geneeskundige behandeling had gemoeten. En dan : Als jij je plicht had gedaan, was dat niet noodig geweest, je moet, als je vrouw nu weer op mag, maar eens veel met haar gaan wandelen, en haar niet zooveel alleen laten. Weet je, waar ik aan denken moest van morgen, toen ik haar zag ? Aan een plant die te weinig zonneschijn heeft. Dit is alles wat ik je zeggen wou, als dokter en als vriend, maar vooral als vriend 1” Verlaan had in één adem doorgeredeneerd, zoodat Van Staveren, die wat verbluft was, er niets tusschen kon zeggen en toen de dokter eindelijk ophield, stak hij zijn vriend de hand toe tot afscheid, alsof de kwestie was afgehandeld en de ander — doordrongen als hij was van de vriendschappelijke bedoeling zijner woorden — drukte zwijgend de hem toegestoken hand, en ging toen naar huis terug. Ja, Truus zag er den laatsten tijd wel minder goed uit en nu met dien voet — hij zou wel wat vriendelijker tegen haar zijn. „Rika, kun je niet op de slaapkamer dekken?” vroeg hij. „Bij mevrouw? O ja, mijnheer, dat zal ik doen.” Toen ging hij naar Truus en legde de hand op haar hoofd. „Wat zie je bleekjes,” zei hij. „Heb je nog veel pijn ?” „Nee, niet meer”, en in een plotselinge behoefte aan teederheid nam ze zijn hand, en drukte er zacht een kus UITBREIDING KWEEKSCHOOL VOOR ZEEVAART TE LEIDEN. Het bezoek van den Minister van Marine aan de Kweekschool voor Zeevaart te Leiden, ter gelegenheid van de belangrijke uitbreidingen, die een dezer dagen voltooid zijn. V.l.n.r.: Vice-admiraal Naudin ten Cate(in uniform); Z.Exc. de Minister van Marine; Prof. Dr. P. Th. L. Kan, hoogt te Leiden; Jhr. Mr. Dr. N. C. de Gijselaar, burgemeester van Leiden; de heer De Jager, luit. ter zee, adj. van den minister van Marine; de heer C. L. van Buuren. comm. v. d. Kweekschool. (V.F.B.} op. Toen boog hij zich tot haar over, en met zijn wang tegen den hare zei hij: „Ik blijf hier bij je zitten koffiedrinken, anders is het zoo kort, want om halftwee moet ik weer weg, maar dan kom ik vanmiddag vroeg thuis hoor. Dan duurt de dag niet zoo lang voor je I Is ’t goed ?” „O ja, erg prettig!” Haar stralende oogen en gelukkige glimlach zeiden hem meer, dan woorden hadden kunnen doen. En toen hij een half uurtje later weer wegging, was het met ’t gevoel van iemand die een weldaad heeft verricht. Maar Van Staveren had bij al zijn goede hoedanigheden het gebrek, dat hij moeilijk iets aan anderen kon overlaten, doch alles zelf wilde doen. Zóó had hij van lieverlede lange werkdagen gemaakt en nu weer eenmaal op kantoor en in zijn haastige werkijver, verdwenen zijn goede voornemens van daarstraks. Hij kon toch zijn werk niet laten loopen omdat zijn vrouw wat ongesteld was. Dokter Verlaan had eigenlijkschrikkelijk overdreven, en hij zou hem dat bij gelegenheid wel eens zeggen. En zoo kwam het, dat hij dien middag weer even laat thuis kwam als gewoonlijk. Van Rika hoorde hij al VOOR ONZE SOLDATEN. Een verzameling van spelen, door den heer C. Prince uit Driebergen vervaardigd ten gerieve van onze gemobiliseerde soldaten. Alles wat men op onze foto ziet als dam- en schaakborden, dobbel- en dominosteenen, enz. enz., is op zeer vernuftige en smaakvolle wijze gemaakt uit wat men in ’t dagelijksch leven gewoon is afval te noemen. dadelijk, dat zijn vrouw lag te slapen. „Maar mevrouw heeft vanmorgen gezegd, dat u het schrijfbureau op zoudt ruimen, daar lag nog een brief, en mevrouw zei . . . .” „O ja, dat is goed, zal ’k wel doen 1” Eerst ging hij even naar Truus en toen hij zag, hoe rustig ze sliep, vond hij weer dat Verlaan hem wat had willen wijsmaken. En nu had hij zich nog wel voorgenomen zoo lang zijn vrouw ziek was, ’s avonds thuis te blijven. Zou hij dat eigenlijk wel doen ? Peinzend liep hij door de kamer. „Wat vervelend,” dacht hij, .„thuis te komen en je vrouw slapende te vinden. Niemand die wat tegen je zegt.” Hij had nooit gedacht dat hij haar zoo dadelijk missen zou. Als het maar niet lang duurde, dat ziek liggen. Opeens zag hij het schrijfbureau en dacht er aan, wat Rika hem gezegd had, en er heenloopend viel zijn oog dadelijk op den halfgeschreven brief. Onwillekeurig las hij de paar regels op het laatste zijdje .... „Mijn dagen kruipen in verveling voorbij, en vooral de avonden ben ik altijd zoo ontzettend eenzaam dat ik soms al half slaap als Johan eindelijk thuis komt. Ik ben dan zoo vriendelijk mogelijk tegen hem, en doe mijn best gezellig te zijn, maar ik merk wel, dat hij dan te moe en te afgetrokken is, om ergens schik in te hebben en vaak denk ik als ik er eens niet was, dat hij me dan misschien niet eens missen zou.” Eenmaal nieuwsgierig geworden, las Johan den brief van 't begin tot het eind. Het was hem als een openbaring. Een openbaring die hem het bloed naar de wangen joeg van schaamte. Dat was zijn vrouw, die zoo schreef — en over hèm ! Dat zou nu over een paar dagen haar vriendin hebben geweten. En waarlijk, hij moest zeggen, ze had hem nog gespaard. Niets overdreven. Niets onwaars verteld. Eér had ze hem nog wat verschoond. Hij mocht wèl tegen Verlaan zeggen: „Ik heb haar nooit ergens over hooren klagen.” Hij moest nu ook opeens denken aan wat Verlaan had gezegd over bloemen en zonneschijn. Nu begreep hij dat pas duidelijk, en nu zag hij ook, dat de dokter met zijn menschenkennis, de dingen goed gezien en raak gezegd had. Nog geruimen tijd stond hij, door zelfverwijt gekweld, in gebogen houding over het bureau, toen hij plotseling weer tot de werkelijkheid kwam. Hij zou zijn bloem wat meer zonneschijn geven 1 Ja, dat zou hij ! Maar zij mocht nooit weten, dat hij dien brief gelezen had. Hij zou wel maken, dat die brief gauw verdween, en nóóit verzonden werd. Heel voorzichtig ging hij naar Truus, die nog steeds sliep. Hij luisterde naar haar rustige ademhaling, VEREENIGING VOOR CHRISTELIJK VOLKSONDERWIJS. Een groep der deelnemers aan de op 28 October in de Nieuwe-Zijdskapel te Amsterdam gehouden vergadering van de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs, ter gelegenheid van haar 25-jarig bestaan. (V.F.B.) keek naar den nog half-glimlachen den mond. Zou zijn kleine vriende lijkheid van dien middag haar zóó goed hebben gedaan ? O, wat hield hij nog zielsveel van haar, en wat hoopte hij, dat ze spoedig weer geheel hersteld zou zijn. Toen ging hij naar buiten. Bij den bloemist op den hoek der straat zocht hij wat prachtige rozen uit. „Mijn vrouw is ziek. Ik wou ze gelijk meenemen” zei hij — en ’t kwam er als een verontschuldiging uit. Een kwartier later had hij de bloe men in een vaas op de tafel gezet, en zat stil op een stoel voor het bed van zijn vrouw. Spoedig sloeg zij de oogen op en keek blij-verrast haar man aan. — „Heb je nou lekker geslapen ?” vroeg hij. „O ja, en ben je al lang thuis ? Is ’t al zoo laat ?” „Wel, ik zou immers vroeg komen, ik . ...” „O,” onderbrak ze hem opeens, „Wat mooi 1 Rozen 1 Geef ’s hier, wil je ?” Hij hield haar de bloemen voor. „Heerlijk. Van wie ?” vroeg ze plagend. „Ja,” zei hij, ietwat verlegen, ’t Was voor hem zoo ongewoon geworden, zoo’n attentie. „Van wie zullen ze zijn ?V — „Misschien wel van jou ?” „O, dat zou wel kunnen ! Misschien !” „O, ik dank je, schat! Ik ben er zóó blij mee 1” — Ze stak den arm naar hem uit, en hem naar zich toe halend, kuste ze hem op den wang. Hij legde zijn arm onder haar (KRÖ.) DE „GERMANIA” DER FIRMA KRUPP. De „Germania”, het jacht van de Duitsche firma Krupp, dat bij het uitbreken van den oorlog door de Engelschen werd geconfisqueerd terwijl het aan de groote zeilwedstrijden deelnam, is thans buitverklaard en verkocht. (V.F.B.) schouders en begon toen : „Je weet toch, dat ik vanavond bij je blijf ?” — en op haar : „wat lief van je, Joh — hoe komt het, dat je nu . . .ging hij vlug verder: „omdat jij nu ziek bent. Anders heb je hier altijd je bezigheden, zoo goed als ik op ’t kantoor, maar nu dacht ik, wat zul je je vervelen, en toen ik daarstraks thuis kwam, en ik hoorde je stem niet, toen vond ik dat zóó onplezierig...” „Werkelijk?” vroeg ze verrast. „Miste je me?” „Of ik je miste ? Wel kind, ik zou geen dag zonder je kunnen. Dat weet je toch wel!” „Och, maar ik dacht, omdat je altijd zooveel weg bent, dacht ik, dat.. . „Nou — wat dacht je?” „Ik weet het eigenlijk niet. ’t Was verkeerd van me.*’ „Hoor eens Truus, als ik ’s avonds moe ben, en weinig zeg — of als ik des middags thuiskom en haast geen tijd heb, dan wéét je toch wel, dat ik tóch altijd blij ben, je weer te zien. Dat voel ik juist zoo, nu je ziek bent ....” Ze bleven nog een poosje doorpraten en het gesprek kwam op de dienstbode, toen Johan — alsof hij zich plotseling iets herinnerde, dat hij had vergeten, uitriep: „O ja, toen ik thuis kwam, zeiRika, datje vroeg, of ik het bureau op wou ruimen. Dat heb ik ver geten, doordatik de bloemen ging halen. Wil je ’s even zeggen, hoe …
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1981 tot 1985 van 11897