Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1976 tot 1980 van 11897
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA „Wie is ieder man, die hierheen komt ?” was de cynische wedervraag. „Alles wat we van Carlton wisten, was, dat hij hier kwam met een vriend en zij beiden de claim kochten. Het waren stille menschen, die zich met niemand inlieten en weinig bemind waren. Op een dag kwam Carlton’s Vriend bij ons en zei dat ze beiden getwist hadden en dat Carlton daarop heengegaan was. Dat is alles wat we ooit van hen gehoord hebben. Zooals ik zei; geen mensch hield van hen.” „Hoe lang is dat geleden?” „O, ongeveer twee jaar en sedert dien tijd heeft Carlton’s claim een slechte reputatie gekregen. Er is nooit meer in gewerkt. Ze zeggen: het spookt er !” Krone werd door deze mededeeling niet van zijn aanvankelijk plan afgebracht. Integendeel, hij was vastbesloten de verlaten claim te koopen, die sedert de verdwijning van den geheimzinnigen Carlton en diens vriend verlaten was. Hij wist Jim Rogers te bewegen hem te helpen en de beide mannen, verschillend zoowel in uiterlijk als door beschaving, werkten te zamen in hun nieuw eigendom. Op een morgen het kamp verlatende om zich naar zijn claim te begeven, bleef Krone opeens staan, verwonderd over iets wits in de verte, iets dat zich bewoog en toch geen dier kon zijn, dat hij kende. Hij versnelde zijn pas, terwijl ' zijn adem hijgde bij de gedachte aan de legende dathet inde claim spookte. Toen hij evenwel nader kwam, bleef hij opeens staan, ten hoogste verbaasd, want de witte geest was — een kind; een klein wezen van vleesch en bloed, dat hem aanstaarde met groote bruine x oogen, die hem herinnerden aan een meisje in zijn geboortestad, dat hem met zoo’n zelfden blik had heengezonden. Het kind scheen overigens in het geheel niet bevreesd, maar kwam met uitgestoken handen op hem af. „Oom kommen voor mij ? kommen voor ’t meisje?” Krone nam haar teeder in de armen; zijn wangen, gebrand door de Australische zon, kleurden van emotie, toen de kleine haar armpjes om zijn nek sloeg. Het was al zoo lang geleden, dat hij zoo iets schoons en onschuldigs in zijn armen gehouden had, dat hij sprakeloos was. Hij had geen woorden kunnen vinden om zijn geluk te uiten. Een zeldzame beroering welde in zijn ziel op. Herinneringen aan lang-vervlogen dagen stegen in hem op, herinneringen aan tijden waarin hij zijn mènsch-zijn had kunnen toonen: waarin hij zijn liefde gegeven had aan een meisje, dat zijn halve leven toen was geweest. Wat kwam hem zijn leven hier nu armzalig voor, hoe leeg en zonder doel. Waarvóór leefde hij dan eindelijk ? Was het alleen om ’s avonds de zon te zien ondergaan en ze ’s morgens te zien opkomen? Was dan het leven alleen een HÉT NIEUWE GEBOUW VAN DEN KRIJGSRAAD. Een intérieur van het nieuwe gebouw van den krijgsraad. Links op den voorgrond de getuigenbank, rechts die der beklaagden; vóór den schoorsteen de plaats van den advocaat; meer naar achteren de tafel voor de pers. Achter in de zaal bevindt zich de publieke tribune (Foto's Hijmans) De eerste zitting van den krijgsraad auditeur-militair; Gep. Kapitein D. Vinkhuyzen; Gep. Ie luit. L. G. A. H. Teber; 2e Reserve luit HET NIEUWE GEBOUW VAN DEN KRIJGSRAAD. in zijn nieuwe gebouw aan de Casuariestraat te ’s-Gravenhage. Zittend Gep. Kolonel Jhr. v.l.n.r.: Mr. G. M. Palthe Wezenhagen, Dr. C. P. Zaayer, president; Gep. Maj. P. J. Kouwenberg ; v.l.n.r.: v. Kampen, provoost geweldige en Kampf,conciërge. zucht naar goud en naar rijkdom? Bestonden er geen hoogere, meer verheven dingen, waarnaar te streven ’s menschen roeping en bestemming was? Lang en aandachtig keek hij het meisje in de heldere oogen. Van wie zou het zijn en hoe kwam het hier? ’t Was bijna zeker, dat het met voorbedachten rade op de claim was neergelegd. Wellicht door een slechte moeder. Neen, dat kon niet. Hoe zou een moeder het over haar hart kunnen krijgen, van zoo’n lief en onschuldig kind afstand te doen? Misschien was er hier wraak in het spel en was het kind ontvoerd en had men het, wellicht uit vrees voor ontdekking, op de claim gebracht. Een beweging van het kind in zijn armen deed hem zijn bespiegelingen afbreken. Hij droeg zijn last voorzichtig naar zijn maat, die niet tegenwoordig was geweest bij het vinden van het „spook”. „Jim,” riep hij snel. „Kijk eens wat ik gevonden heb 1” „Wat is ’t?” vroeg Jim, die druk aan den arbeid was. „Een nieuwe ader?” „Neen, geen goud, maar een kind 1” zei Krone rustig, „kijk eens hier, een kind op onze claim. Wat moeten we daarmee doen ?” Roger floot van verwondering, terwijl hij naar het kind keek, dat Krone op zijn arm droeg. „Wel heb ik van mijn leven ! Een kind op Carlton’s claim ! Dat lijkt wel tooverij ! Is het niet?” „Hoe kan ze hier gekomen zijn?” vroeg Krone verbaasd. „Ze lijkt niet ouder dan vier of vijf jaar. Ze moet toch aan iemand toebehooren 1” Roger haalde de schouders op en zei onverschillig : „Achtergelaten 1” „Achtergelaten?” herhaalde Krone veront wa ardigd. „Hoe zou iemand het hart hebben zoo’n liefwezentje achter te laten? Da’s ónmogelijk!” „Niets is onmogelijk op de Gele Heuvels 1” was het lakonieke antwoord. „In allen geval, het kind is gevonden op onze claim. Wat zullen we er mee doen ?” vroeg Roger haastig. „Haar niet achterlaten, da’s zeker,” antwoordde Krone. „Het eerste wat we doen moeten is de moeder terugvinden. Zij moet het kind terug hebben.” „Zij niet I” lachte Roger. „Vrouwen verlangen geen kinderen terug, die ze verwaarloozen. We zullen het naar de naaste stad moeten sturen, waar het in een weeshuis kan worden opgenomen.” Krone zette het kind op den grond en op een steen plaats nemende, zette hij het kind op zijn knie. „Vertel me eens wie je bent, kleine meid!” zei hij vriendelijk, terwijl hij met zijn ruwe hand over haar zacht haar streek. „Ik geen kleine meid, ik ben kindje,” antwoordde de kleine, terwijl ze de beide mannen beurtelings aanzag. „Kindje ! En wat nog meer?” vroeg Krone, meer en meer belang gaande stellen in haar herkomst. L. A. P. Six; Mr. Mr. P. Boelmans ter Spill. Staande, DE HAAGSCHE GEMEENTERAAD IN DE VERBOUWDE RAADZAAL. Een intérieur-opname, gemaakt tijdens de eerste zitting van den Haagschen Gemeenteraad in de verbouwde Raadzaal. Aan de bestuurstafel, v.l.n.r.: Weth. Mr. J. D. Verbroek; weth. H. de Wilde; Gem. Secr. Jhr. Mr. M. v. Reenen; Burgem. Jhr. Mr. Dr. A. H. van Karnebeek; Weth. J. E. Jansen; Weth. J. Jurriaan Kok; Weth. Mr P. Drooglever Fortuyn. (foto Couvêe)
PDF
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14- GEMEENTELIJKE VLEESCH DISTR 1 BUTI E TE BERLIJN. in verband met de hooge prijzen der levensmiddelen in Duitschland. waardoor het voor minder-bedeelden bijna onmogelijk is geworden, om zelf in hun levensonderhoud te voorzien, is er in verschillende plaatsen het besluit genomen om van gemeentewege brood en vleesch beschikbaar te stellen voor de geringere klasse der bevolking. De foto die wij hierboven reproduceeren, werd genomen tijdens een gemeentelijken vleeschverkoop te Berlijn. (V.F.B,} Zij schudde het hoofd, zoodat de blonde krullen in de zon glinsterden als ’t goud dat Krone en zijn maat aan ’t zoeken waren in de claim van Carlton. „Ja kindje! Nietmeer!” ging de kleine voort. „Kindje moe! Kindje wil eten!” En de laatste eisch werd gevolgd door een luid geschrei. De beide mannen keken elkander wanhopig aan. „Sst!” zei Krone sussend, terwijl hij in zijn zak zocht naar een stuk beschuit. „Huil niet, kleintje!” en uit zijn zak een ouden zilveren penhouder opdiepende : „Daar! Dat is voor jou, als je zoet bent!” De storm bedaarde, en de bruine oogen glinsterden weer door de tranen heen, terwijl ze den penhouder tusschen de kleine vingers klemde. „Wat moeten we doen ?” vroeg Krone weer. Ze moet toch aan iemand toebehooren?” De andere haalde de schouders op. „De bedoeling zal wel geweest zijn ’t kind te verlaten, en ’t zal daarom op een verlaten claim zijn gebracht. Het beste is, zooals ik zei. het naar de naaste stad te zenden, dan kan de politie onderzoek doen naar de ouders. Wij hebben ’t niet noodig.” „Het lijkt me erg hard voor de kleine,” mompelde Krone. Het zachte lieve gezichtje en de lispelende stem hadden gedachten bij hem wakker geschud aan tijden, lang geleden, toen hij stond naast een bevallige jonge vrouw, wier lach een vloek, in plaats van een zegen voor hem was geweest. En haar oogen, de groote bruine gazelle-oogen — hij zag ze terug bij het gevonden kind. Plotseling werd hij opgeschrikt door een uitroep van vreugde. Ze had uit de diepte van zijn zakken allerlei dingen te voorschijn gehaald en daarbij was iets, wat Krone zooveel mogelijk verborgen hield: het medaillon, dat hij kortte voren verloren had. Hij kleurde een weinig en trachtte voorzichtig het medaillon uit haar kleine vingers te nemen. „Neen, neen! Kindje wil ’t! Kindje moet ’t, oom !” Krone’s lippen krulden zich tot een grimmigen lach, terwijl hij toegaf aan het verzoek van de kleine en zich afvroeg wat het origineel wel zeggen zou, als zij wist dat haar portret en het medaillon dat zij hem gegeven had het eigendom was van een vondeling. Doch wat hinderde dat, niemand zou ’t weten ! Cuthbert Krone, voorheen luitenant bij de cavalerie, de verloofde van Vera Harlant en erfgenaam van uitgestrekte landgoederen, had niets gemeen met „De Krullebol” uit de Gele Heuvels, mijnwerker van beroep. In het kamp kon niemand eenig licht verschaffen omtrent de raadselachtige aanwezigheid van het kind op de Carlton’s claim. Degene die haar daar gebracht had, hetzij man of vrouw, moest daar goed den weg kennen. En waarom had men het kind juist naar Carlton’s claim gebracht, die jarenlang verlaten was geweest ? Niemand wist het. „De claim is mijn eigendom,” zei Krone, terwijl ze ’s avonds rookende rondom het kampvuur zaten, „en ik ben niet van plan de eerste „vondst” die ik gedaan heb, van mij weg te zenden. Ik neem de kleine als mijn dochter aan en als Rogers en ik fortuin gemaakt hebben, zal zij mijn eigendom met mij deelen.” Een koor van uitroepen werd gehoord, sommige spottend, andere goedkeurend, doch geen enkele verwonderd, want Krone was bekend als een goedhartige kerel, maar iemand met een sterken wil, en geen der aanwezigen durfde het wagen den toorn van dezen man op te wekken. „Krone’s kind zullen we het meisje noemen, hè?” lachte er een. „Waarom verander je den naam van de claim ook niet, nu ze van jou is ? Noem ze naar het kind, Krone.” Krone stond op en ging het meisje halen. Hij had in een der houten barakken, die als winkels dienst deden, een vrouw gevonden, die voor de kleine zorgen wilde. Er waren er weinigen in de kleine colonie die den knappen „Krullebol” geen plezier wilden doen, vooral onder de vrouwen. Hij nam de kleine tusschen zijn knieën en keek haar aan met een eigenaardigen lach. De groep mannen beschouwden glimlachend het paar. DE „PRINZ ADALBERT” GETORPILLEERD. De Duitsche kruiser „Prinz Adaibert” is ter hoogte van Libau door een Engelsche duikboot getorpilleerd. De „ Prinz Adaibert” is de 8ste die Duitschland verloor der 13 schepen van dit type, die het bij het uitbreken van den oorlog in dienst had. (Y.F.B.) „Wie ben je, kleine?” vroeg Krone vriendelijk. Het kind keek hem vol vertrouwen in de oogen ; ze had zich reeds gehecht aan den grooten man met het vriendelijke gelaat en het krullende haar. die altijd zoo lief tegen haar sprak en geleerd zijn naam te lispelen. HET EILAND CYPRUS. Een blik op het eiland Cyprus, dat Engeland aan Griekenland heeft aangeboden, indien het onmiddellijk met alle kracht Servië wilde steunen tegen de Bulgaren. Daar Griekenland gemeend heeft Servië niet te moeten helpen, is de voorwaarde waarop het aanbod werd gedaan, niet vervuld en daardoor het aanbod vervallen. {V.F.B.} „Ik Krone’s kindje!” antwoordde ze. Krone stemde in met den lach, die opsteeg. Hij trok de kleine naar zich toe en drukte het blonde hoofd teeder tegen zich aan. „Zoo is ’t, kind ! Je bent nu Krone’s meisje!” II. „Coo-ee ! Coo-ee!” riep een heldere vroolijke stem, wier eigenares zich met een kleine bruine hand de oogen tegen het zonlicht beschermde, terwijl de andere rustte op den kop van een grooten dog. „Waar is hij nu, Nero?” vroeg ze halfluid aan den hond, die haar vergezelde. „Waarom antwoordt hij niet ? ’t Is tijd dat de mannen thuis komen en hij antwoordt altijd zoo prompt.” Juist op dat oogenblik klonk ver verwijderd een zwak geroep en de oogen onder de kleine hand blonken van blijdschap. „Coo-ee! Coo-ee!” Een oogenblik later verscheen de flinke gestalte van een man, die haastig op het meisje en den hond toeliep. „Hallo, kleintje! Hallo, boy!” riep hij vroolijk. Maar opeens werd hij- ernstig, toen hij de uitdrukking zag op het gelaat van het meisje. Ze keek hem naden kend aan en ze scheen iets op ’t hart te hebben. Krone, die slechts weinig ouder leek dan twaalf jaar geleden, sloeg den arm om haar hals en trok haar naar zich toe. De rol van pleegvader van het meisje dat hij op zijn claim gevonden had, toen hij drie en twintig jaar was, was geen sinecuur voor hem geweest. Maar sinds het kind van vijf jaar gegroeid was tot een slanke maagd met een massa van goudblond haar en mooie bruine oogen, had Krone nimmer het oogenblik betreurd dat hij het bekoorlijke kind, dat zich „Krone’s kindje” genoemd had, als zijn pleegdochter had aangenomen. Voor- en tegenspoed hadden elkander opgevolgd, maar het geluk, geprofeteerd toen Carlton’s claim herdoopt werd in „Krone’s kind” had de overhand gehouden. Jammer genoeg had zijn helper, Rogers, hem voor een groote som aan goud bestolen. Dat was nu vijf jaar geleden en hij had sedert hard gewerkt en met succes, zoodat het hem gelukt was zijn claim te vetkoopen aan een syndicaat. „Wat is er, kindlief?” vroeg hij bezorgd. „Wat is er gebeurd?” „Een bezoeker!” lachte ze, terwijl ze haar arm door dien van Krone stak. Ze begaven zich langzaam naar hun eenvoudige woning, terwijl de dog hen op de hielen volgde. „Een bezoeker?” vroeg Krone, verwonderd. „Wat brengt een bezoeker naar de Gele Heuvels!” Zij schudde het hoofd. „Dat weet ik niet, vadertje! Maar hij is zoo’n knappe man en zoo netjes gekleed en zijn handen zijn wit en zacht, niet ruw en bruin als de uwe....” zei ze, terwijl ze over zijn hand streek. „Vroeg hij naar mij?” viel hij haastig in, met iets van schrik in zijn oogen. „Ja! Hij zei: woont mijnheer Krone hier? En toen ik zei „ja”, zei hij dat hij u moest spreken over een belangrijke zaak. En dat hij heelemaal uit Engeland gekomen was om u te ontmoeten. Verbeeld je, vadertje, heelemaal uit Engeland.” „Heelemaal uit Engeland,” herhaalde Krone in gedachten verzonken. „Weet u wat het is ?’\ „Neen, lieve! Dat weet ik niet. En ’t kan mij niet schelen, zoolang ik jou bij mij kan hebben, kleine! Spoedig, als we rijk zijn, zullen we naar Europa terugkeeren en zal ik je dingen laten leeren, die je hier niet leeren kunt.” „Vadertje-lief, ik zou graag met u reizen, maar je hebt me alles geleerd wat ik weten moet.” zei ze trotsch. „Ik kan paard
PDF
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA PRESIDENT WILSON EN ZIJN VERLOOFDE. President Wilson van Amerika, die zich onlangs geëngageerd heeft met Mrs. Norman Galt, gekiekt tijdens een autotocht met zijn verloofde en haar moeder. / V.F.B.) DE BEWAPENING VAN AMERIKA. Amerika gaat steeds voort zich meer en meer te wapenen. Op verschillende strategische punten aan de kust worden versterkingen aangebracht en batterijen opgericht. Onze foto brengt een dergelijke batterij in beeld, met een 12-inch-kanon, een wapen, waarvan de uitwerking niet minder hevig is dan van de vermaarde 42-cms. (V.F.B.) rijden, zwemmen, schieten, koken, naaien, lezen en schrijven, ik behoef niets meer te leeren.” Krone glimlachte. „Niets meer ? Kind, er zijn nog honderden dingen te leeren om een jonge dame te zijn.” 1 „Jonge dame !” lachte zij. ,,Ik weet genoeg om u gelukkig te maken, dus vermoei daar uw hoofd maar niet mee.” Toen zij den bungalow bereikt hadden, die hun bescheiden woning was, trad er een heer uit te voorschijn. Het was een lange, man met een koud, cynisch gelaat, waarop een wrevelige trek verscheen, toen hij de intieme verstandhouding bemerkte tusschen het jonge meisje en haar begeleider. „Mijnheer Krone?” vroeg hij. „Zoo is mijn naam,” antwoordde Krone rustig. „Wat verschaft mij de eer van uw bezoek ?” „Dat zal ik u cnmiddellijk zeggen,” was het antwoord. Toen, met een snellen blik op het jonge meisje, dat nog steeds aan den arm van haar pleegvader hing, ging hij voort: „Twaalf jaar geleden werd door u een kind gevonden, dat op een claim was achtergelaten, die door u juist gekocht was. Ze heette toen Carlton’s claim.” Krone, die gedurende deze woorden den vreemdeling in verbazing had aangestaard, maakte zacht zijn arm los uit den krampachtigen greep van het meisje en fluisterde: „Ga in de andere kamer, lieve!” Zij wilde gehoorzaam doen, wat haar pleegvader haar zei, toen de vreemdeling tusschenbeide trad. „Ik geloof dat het beter is, als zij hoort wat ik te zeggen heb. Het betreft haar.” Krone schrikte en instinctief sloeg hij beschermend den arm om het meisje heen. „Wel,” zei hij kortaf. „Wat is er met het meisje dat ik op Carlton’s claim vond ? Zij behoort mij nul” Er was een dreigende klank in zijn stem, die den vreemdeling niet ontging. „ik vrees, mijnheer Krone,” antwoordde hij zoetsappig, „dat er iemand in Engeland is, die een wettelijk recht op uw pleegdochter heeft.” „Wien meen je?” vroeg hij somber. „Achttien jaar geleden,” ging de vreemdeling voort „waren VERDWIJNEND STADSSCHOON. Het „Huis te Hoorn” te Rijswijk fZ.-H.), dat bestemd is binnenkort te worden afgebroken. Het gebouw, dat reeds dateert uit het begin der 16e eeuw. vertoont duidelijk het spoor der sinds zijn stichting vervlogen eeuwen. Geoffrey Carlton en zijn vriend Felix Strong verliefd op dezelfde vrouw. Carlton trouwde haar en kort daarna wist Strong onder den schijn van vriendschap zijn vriend te bewegen een goudmijn hier te gaan exploiteeren. Een jaar later keerde Strong terug met de mededeeling aan Carlton’s vrouw, dat haar man gestorven was.” Hij zweeg en keek naar het meisje aan Krone’s zijde. DE OOSTERHOUTSCHE LIEDERTAFEL ,,AURORA”. Een groep van leden der Oosterhoutsche iiedertafel „Aurora”, genomen ter gelegenheid van het zilveren jubileum van haar Directeur, den heer Dorrenboom, die ais dirigent een internationalen naam heeft. (K.F.Ö.y Ze zag hem aan met wijde, verwonderde oogen, waaruit hem bleek, dat zij van zijn woorden niets begreep, maar Krone begreep hem des te beter en den vloek die op de verlaten claim gerust had, als werd ze bezocht door Carlton’s geest, voelde ook hij zich ten offer vallen en wat eens een mysterie geweest was, werd nu een gruwelijk feit. „Eenigen tijd later,” ging de vreemdeling voort, „huwde Strong de weduwe van zijn vriend en reisde met haar en Daisy, het dochtertje van Carlton, naar Melbourne, Op zekeren dag, toen het kind ongeveer vijf jaar oud was, werd ze vermist. De moeder heeft haar kind nooit teruggezien en algemeen werd aangenomen, dat het gestolen was.” Krone drukte het sidderende meisje nauwer tegen zich aan. „Kort geleden stierf mevrouw Strong en haar man bekende haar kort voor heur dood, dat hij het kind in het geheim had meegenomen en naar de mijn gebracht had, waar hii den vader gedood had. Hij beloofde zijn stervende vrouw eenigszins goed te maken wat hij misdaan had en stelde werkelijk een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. dat hij gehaat had als den vader. Het onderzoek bracht aan het licht, dat het kind uw pleegdochter is, mijnheer Krone 1” Krone slaakte een diepe, smartelijke zucht. „Die man, wiens agent u is. kon toch niet meenen haar van mij te nemen, na al die jaren ?” riep hij woest uit. „Hij beloofde het op haar moeders verzoek,” was het antwoord, „en hij vermaakte het meisje zijn geheele vermogen, d,och juist toen hij de tijding kreeg, dat het kind hier gevonden was, stierf hij plotseling.” „Dood 1 Dan blijft ze hier 1 Dan heb ik de meeste rechten „Het spijt mij u te moeten teleurstellen, mijnheer Krone,” ging de bezoeker voort. „Als zaakgelastigde van den heer Strong, heb ik order Daisy Carlton met mij naar Engeland te nemen, anders verliest zij de geheele fortuin haar door haar stiefvader nagelaten.” „Engeland!” riep het meisje verwonderd uit. „Naar Engeland gaan en vadertje verlaten ? O, neen dat kan ik niet! Zeg dien vreeselijken man, dat ik dat niet doen wil, vadertje 1” Ze staarde haar pleegvader met smeekenden blik aan. ,Ik geloof niet dat de heer Krone u hierin helpen zal, juffrouw Carlton !” zei de zaakgelastigde op koelen toon. „Het zou verkeerd wezen als hij zijn invloed aanwendde om u een fortuin te doen wegwerpen, en u over te geven aan de liefdadigheid van een man, die geen bloedverwant van u is.” Het meisje zag hem aan met vlammende oogen en haar lippen beefden, terwijl ze trotsch zei: „Het is geen HeMadigheid. Hij heeft mij noodig, omdat hij mij liefheeft. Is ’t niet, vadertje?” Krone beet zich op de lippen. „Hij heeft mij noodig. omdat hij mij liefheeft!” God alleen wist. hoe waar deze woorden waren. De onschuldigheid in haar woorden trilden smartelijk in hem door. Waarom zou hij haar niet bij zich houden ? Zij was zijn eigendom door de wettep der liefde en dankbaarheid. Hij behoefde slechts te zeggen „neen” en ze bleef bij hem. Ze zou hem niet verlaten voor het gewetensgeld van den man die haar vader vermoordde. Maar was dat niet zelfzuchtig ? Mocht hij haar berooven van alle genot en gemakken, die de be schaafde wereld den gefortuneerden aanbiedt en haar doen blijven in het ruwe mijnwerkerskamp met geen ander gezelschap dan het zijne? Hij nam haar handen in de zijne. „Het is beter dat je gaat, lieve! Ik zal beter kunnen werken als ik geen kleinen last hier meer heb.” Gedurende de dagen die volgden, was Krone onafgebroken aan het werk. Dag en nacht vocht hij tegen den demon der wanhoop die hem tegengrijnsde als hij dacht aan de lange, eenzame jaren die voor hem lagen. Eindelijk was alles klaar en vertrok zij na een smartelijk afscheid.... Een week later terugkee-. rende van de Kronekind-mijn zag hij, zijn woning naderende, iets wits fladderen in de deuropening, iets dat hem den adem deed stokken in de keel. Hij strekte de armen uit. — ’t Was’t kindje. „O, vadertje, vadertje ! Ik kon niet gaan ! Ik kon je niet alleen laten. Ik ging tot de stad, gaf mijnheer Sharpe zijn afscheid en rende terug naar jou waar mijn hart is.” „Kind! Heb je alles opgegeven? Al dien rijkdom om naar de Gele Heuvels terug te keeren ?” „Ja! Ik ben Krone’s kind. wat ik altijd was. en altijd blijven wil.” —„Krone’s kind !” fluisterde hij, „Vertel me, lieveling, wil je Krone’s vrouw zijn?” „Ja Krone F” zei ze eenvoudig en oprecht. VAN ONS KRANIG VLIEGERCORPS. De bekende Nederlandsche vliegenier, luitenant M. van Meel (in burger) met zijn zelf geconstrueerd watervliegtuig, verpakt op een auto. Naast den vliegenier staat zijn monteur; de twee andere personen zijn militaire helpers. De opname werd gemaakt in het vliegkamp Gilze-Rijen.
PDF
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 DE ROEPSTEM DES LEVENS Hierboven enkele tooneelijes uit het bekende tooneelspel van Arthur Schnitzler: „De Roepstem des Levens”, dat met zeer veel succes door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap wordt opgevoerd. Links: een scène uit het tweede bedrijf. V. 1. n. r.: Mevrouw Chrispijn, mevrouw Tartaud, Louis Chrispijn. Rechts: een scène uit het derde bedrijf. V. 1. n. r.: mevr. Tartaud, Else Mauhs, Verstraeten. (foto’s Berssenbrugge}. Illustraties uit: Jan van Beek. J. B. SCHUIL, Uit den kostschooltijd van Jan van Beek; geïllustreerd door Jan Sluijters. J. B. SCHUIL, De Katjangs; geïllustreerd door O. Geerling. — Amsterdam, H. J. W. Becht. 'pegen den St.-Nicolaastijd willen wij nog eens met genoegen en met nadruk de aandacht vestigen op de twee hierboven genoemde jongensboeken: misschien wel de voortreffelijkste in hun soort, die sedert jaren verschenen zijn. In hooge mate onderhoudend, knap geschreven en fijn gevoeld — ziedaar een karakteristiek waarmee veel. doch niet te veel is gezegd. Voor de jeugd in alle opzichten geschikt', boeiend en zoo stilletjes weg leerzaam. De ouders echter moeten ze vooral lezen, en wie na de lezing niet erkent dat de schrijver hem beter en wijzer heeft gemaakt, dien moeten we als een hopeloos geval beschouwen. — De plaatjes zijn uiterst vermakelijk. C. JOH. KIEVIT, Uit het notulenboek van Dorus; geïllustreerd door Joh. Braakensiek. - Amersfoort, Valkhoff & Co. JC en boek van Kievit heeft geen aanbeveling meer noodig. Zooals ’t daar ligt, zeer mooi uitgegeven : letter, papier, band — alles zoo uitstekend verzorgd alsof er geen dure tijd bestond, lokt het tot koopen en lezen uit. De honderden jongens en meisjes die van „De Club van zessen klaar” en „De Club op reis” genoten, zuilen zeker naar dit boek grijpen als zij hooren dat Dorus er weer een BERICHT Abonné’s die klachten hebben over de bezorging van ons blad, gelieven deze met opgaaf van den boekhandelaar, bij wien zij geabonneerd zijn, rechtstreeks te richten tot de: Administratie van PANORAMA, DOEZASTRAAT 1-3-5, LEIDEN. Illustraties uit: Uit het Notulenboek van Dorus. hoofdrol in speelt. Wij kunnen dit boek met een gerust hart aanbevelen: het is met evenveel opgewektheid als eenvoud geschreven, zoo recht uit het hart. En uit het hart van iemand, die de jongens en meisjes die hij beschrijft door en door kent. Geen opwindend boek vol romantische onwaarschijnlijkheden, maar een boek van -menschen en dingen uit onze dagelijksche omgeving: spannend en in den besten zin humoristisch. Niemand minder dan Braakensiek gaf er uitmuntende illustraties bij. BOEKENIER. NIEUWE SOLDATEN KRI BBEN. Bovenstaande foto’s brengen een nieuw model soldatenkribben in beeld, zooals deze reeds in enkele barakken, die voor den landstorm zijn opgericht, werden, in gebruik genomen. Het voordeel dezer kribben is voornamelijk gelegen in de groote geriefelijkheid; zij nemen zéér weinig plaats in en zijn bovendien op eenvoudige manier tot andere meubelstukken te metamorphoseeren. Onze foto’s toonen dit op duidelijke wijze. Links ziet men de kribben, zooals ze voor slaapgelegenheid dienst doen, terwijl op den voorgrond de kribben zijn ópgeslagen, waardoor op de kamer de noodige ruimte kan worden verkregen. Rechts ziet men de ledikanten veranderd tot tafels en banken. Op deze wijze verkrijgt men van éen krib 4 slaapplaatsen, terwijl bovendien aan het hoofdeinde nog plaats is voor uitrusting enz., of 1 tafel met 2 banken. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN. ONZE BOEKENTAFEL
PDF
Nummer
1915, nr. 89, 4 nov. 1915
Blad
01
Tekst
No. 89 (19a) 4 NOV. 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7'/2 CENT VERSCHIJNT 2. MAAL PER WEEK ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS t' 1.50 A . W . SIJTHOFF'S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ - LEI DEN I» VAN HET MOEILIJKSTE GEVECHTSTERREIN. Een Italiaansch officier op een observatiepost in de Tella-vallei, vanwaar hij de bewegingen in de vijandelijke linies tegenover zich kan gadeslaan, —Meer dan woorden het zoudeq kunnen doen, geeft deze toto de reusachtige hindernissen weer die een veldtocht in deze streek, welke in den wereldoorlog door haar ontzettende terreinmoeilijkheden langzamerhand berucht wordt, met zich brengt.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1976 tot 1980 van 11897