Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1971 tot 1975 van 11897
Nummer
1915, nr. 87, 28 oct. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 8 „MET VUUR SPELEN.” Door de Kon. Vereen. „Het Nederlandsch Tooneel” wordt op ’toogenblik voor ’t voetlicht gebracht het tooneelspel van Strindberg „Met vuur spelen”, waarin de heer v. d. Horst, de oud-regisseur, voor ’t eerst optreedt als toneelspeler bij het „Nederlandsch Tooneel”. Onze foto’s geven, links, in de gewone volgorde: Mevr. ae Vos-Poolman - de Vrouw (Schoondochter); J. Timrott - de Zoon; Adr. van der Horst - de Vader; Mej. Sara Heyblom - de Nicht; Mevr. Schwab-Weiman - Moeder. Rechts, zelfde volgorde: j. Reule - de Vriend; Mevr. de Vos-Poolman - de Vrouw (Schoondochter); Mej. Sara Heyblom - de Nicht. (foto's Couvée) Zijn zuster schudde verontwaardigd het hoofd. „Nee, dat kan ’k niet,” was het nadrukkelijk antwoord. „Als ik Zaterdag niet terug ben, raak ’k mijn betrekking kwijt. Dan zou je mij voor goed in huis moeten nemen en dat zal je toch zeker niet aanstaan, wel ?” Niet in staat deze vraag bevestigend te beantwoorden verzonk Janus in droef gepeins. Juffrouw Betje had ondertusschen haar maal geëindigd en besloot naar bed te gaan. Ze verliet de kamer onder de verzekering dat ze morgen meer succes zou hebben. Zooals het meer profeten gaat, moest ze, den volgenden avond van haar visite terugkomende, bekennen dat de dochter des huizes niet de minste aandacht had geschonken aan haar loftuitingen op Janus. „Ik heb allerlei onzin uitgekraamd over het geluk van getrouwde menschen en het voordeel om een bezadigd man tot echtgenoot te hebben en meer van die ongerijmdheden,” verklaarde ze geërgerd, „maar juffrouw Stuifzand zat daar al dien tijd en deed geen mond open. Het was haar vader die mij te woord stond.” „Misschien denkt hij er wel aan te hertrouwen ?” merkte Janus op. „Hij 1” riep juffrouw Betje uit, met een verachtelijk neusophalen. „Ik zou niet weten wie hem zou willen hebben, dien roodneuzigen ouwen ezel1” „Misschien slaag je morgen beter,” vervolgde Janus. „Dat zal ik zeker,” verklaarde Betje. Ongelukkigerwijs was het resultaat van de volgende avonden al even gering. Hoewel juffrouw Huisman volhield, dat ze haar uiterste best deed, was ze niet in staat eenige mededeeling te doen aangaande de groeiende liefde van Naatje Stuifzand voor Janus. — „Je zult er . zelf op af moeten trekken,” zei Betje op Zaterdagmorgen, terwijl ze haar goed bijeenpakte in de kamer achter den winkel. „Als ze je niet hebben wil, dan weet je ’t in eens. Wat? Je het geld teruggeven, ja, dat kun je aan je hart voelen I Ik heb het dubbel en dwars verdiend !” Broer Janus stond op het punt in toorn uit te barsten tegen zijn postillon d’amour, toen hij iemand zijn winkel zag binnenkomen. Hij haastte zich dus de kamer uit. De bezoeker was niemand minder dan de papa van Naatje Stuifzand. „Ah ! Goeie morgen !” riep Janus hem verheugd te gemoet. „Ik heb u in langen tijd niet gezien. Waar kan ik u . . Hier brak hij plotseling af, want de heer Stuifzand deed De Rederijkerskamer „Zwolle” te Zwolle Fransche novelle van Gijp „PRULLETJE”. ga Donderdag 21 October de derde opvoering van „Prulletje”, spel in drie bedrijven, bewerkt naar een door den heer J. A. H. Abeleven (Jaha) te Kampen. Hierboven een groep der medewerkers. met een nijdigen slag zijn paraplu op'de toonbank valleru „Die zuster van jou is die nog hier?” vroeg hij aan den verbaasden groenteboer. „Nee . .en !” stamelde Janus geheel confuus. „Zoo ! Dan zal ik jou de boodschap maar geven !” bulderde Stuifzand, wiens houding allesbehalve vredelievend scheen. „Ja ... je kunt ’t haar zelf wel zeggen,” bracht Janus uit, die zich van zijn verwondering herstelde. „Ze is ... ze is . .” „’t Kan me niet schelen,” ging de heer Stuifzand dreigend voort, terwijl hij opnieuw met zijn paraplu op de toonbank sloeg. „Zeg jij haar maar, dat het mis is.” ,,Mis is?” echo-de Janus. „Je kunt haar zeggen,” schreeuwde Stuifzand, terwijl hij een blik wierp op de deur, waarachter Betje met alle aandacht luisterde, „dat ik me niet laat vangen met haar praatjes over „eenzame vrijgezels” en „gelukkige huwelijken.”” „Gelukkige huwelijken ?” herhaalde Janus weer. „Dat komt me daar lederen avond vervelen met d’r kletserijen en maakt me belachelijk voor mijn dochter. Als ze een man wil hebben, laat ze dan in een advertentie er een vragen, liefst een blinde; bij zoo een heeft ze de meeste kans.” Janus wilde hem den mond stoppen, doch de bezoeker ging voort: „Zij met haar minnende harten,” en de paraplu daalde weer met kracht neer. „Ze zal bij mij geen minnend hart meer vinden ; ik heb alleen nog maar een lever.” „Wat...” begon Janus. „Sta me daar nou niet zoo idioot aan te gapen,” ging de heer Stuifzand wellevend voort. „Als jullie denken dat ik onder een hoedje te vangen ben, dan heb je ’t mis, glad mis ! Eén keer was ik zoo stom mij door een weduwe te laten inpakken, maar ik heb gezworen dat het de laatste keer zou zijn. Ik had mij voorgenomen als er weer eens een het spelletje zou willen herhalen, dat ik ze de waarheid zou zeggen en dat heb ik nu gedaan. Als je me-soms niet begrepen hebt, is ’t je eigen schuld. Nou, goeie morgen, mijnheer Huisman !” Zijn paraplu over zijn hoofd zwaaiende stoof de weduwnaar als een wervelwind den groentewinkel uit. Janus Huisman stond een oogenblik als wezenloos hem na te staren ; toen de kamer achter den winkel binnentredende viel hij over zijn zuster, die bewusteloos op den grond was neergezegen. „GENADEBROOD”. De Koninklijke Vereeniging „Het Nederlandsch Tooneel” vertoonde Zaterdag j.1. de eerste opvoering van „Genadebrood”, een drama van den Russischen boerenstand van Iwan Turgenieff. De vertaling is van E. Couperus, de regie van A. v. d. Horst. Onze linker foto brengt ’t le bedrijf in beeld. V. l.n. r.: Fernantzen - Trembinzki; M. van Warmelo - Ivan Ivanoff; Piotz - Huijsmans; Louis Bouwmeester (hoofdrol) - Vassili Semenitch Kusofkin; J. Reule - Tropatchef; J. Timrott - Nicolaisch Jeletzki. Foto rechts: Mevrouw de Vos - Poolman inde rol van Olga Petrovna. (foto's Couvée). „DE VIOLIERS.” Onder de uitstekende leiding van de welbekende actrice Mevrouw Cecile Spoor—Carelsen, is te Batavia door een groep dilettanten met groot succes opgevoerd het bekende tooneelspel van Willem Schürmann „De Violiers”. Onze foto brengt de medespelenden in beeld. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPiJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
01
Tekst
No. 88 (18b) 1 November 1915 AFZONDERLIJKE ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.50 NUMMERS 7'/2 CENT W VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEER A . W . SIJTHOFF'S UI TG E\/ ERS M AATSCH APPIJ - LEIDEN DE DUITSCH-OOSTENRIJKSCHE AANVAL OP SERVIË Duitsche en Oostenrijksche officieren slaan den overtocht der verbondene troepen over den Donau gade. De eerste troepen der Verbondenen worden in pontons over den Donau gezet. 4 Duitsch-Oostenrijksche loopgraven en ver sterkingen op Servisch gebied. Oostenrijksche. arbeiderstroépen trekken een rivier op Servisch grondgebied over. Een afdeeling Duitsche Berg-mitrailleurs op een Servischen landweg. Requisitie van paarden door de Duitschers in Servië. Het Servische jongetje op den voorgrond, wilde zelf het van zijn vader opgeëischte paard wegbrengen. Oostenrijksche soldaten doen inkoopen in een veroverd Servisch plaatsje. Een Servische boer levert in een Duitsch bergkamp tegen een „bon” zijn schapen af.
PDF
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 Ge cursus in oorlogs-economie aan het Glbany-^nstiluie, Wie het kleine niet eert, is het groote niet weerdi Internationale Zuinigheid kom juist uit Duitschland terug, na tevoren een week in Engeland te zijn geweest. Beide reizen deed ik in opdracht der regeering, die cursussen in zuinigheid aan ’t voorbereiden is. Maar daarover hóórt ge later wel officieel, en ik mag er trouwens nog weinig of niets van vertellen. Zelfs over de enkele dingen die ik hier opteeken, zou ik niet eens gesproken hebben als ik niet door een toeval van Berlijn naar Leiden met ’n foto graaf vanPanorama gereisd had, welk gezelschap in Bentheim nog uitgebreid werd tot het goede getal van drie, doordat ik daar den hoofdredacteur van hetzelfde blad ontmoette, die uit Servië terug kwam met een voorraad interessante foto’s. Laat me u daarvan even iets vertellen. Zooals bekend genoeg is, dragen de Panorama fotografen een in goud geborduurde P op den rechter bovenarm. Ik wist dus dadelijk met wien ik te doen had, toen er te Berlijn een heer bij me in de coupé stapte, die z'n kodak in ’t net legde en tot mijn verbazing bij het electrisch licht van den uitmuntend ingerichten D-wagen zijn foto’s begon te ontwikkelen. „Ja, een donkere kamer hebben wij niet meer noodig”, zei hij, als in antwoord op mijn verwonderd kijken. „Dat is een omslachtige, verouderde methode’'. De hoofdconducteur stond glimlachend toe te kijken. „Das fünfzigste Mal dass wir zusammen reisen”, zei hij tot den fotograaf, en deze liet mij een prachtige kiek van het Oostelijke front zien, waar hij zoo juist vandaan kwam. In Bentheim veroorzaakte hij een kleine opschudding. Het bleek dat er aanteekeningen op een van zijn manchetten stonden; dat kleedingstuk werd hem afgenomen en hij moest voor een hooggeplaatst officier verschijnen, die hem een streng verhoor begon af te nemen. Intusschen behandelde men mij, die de beste aanbevelingsbrieven had, met groote voorkomendheid; men sloeg mijn naam op in een alfabetisch register, en tot mijn groote verrassing bleek men een uitstekend portret van mij te bezitten, dat aandachtig met het origineel vergeleken werd. „Ja, wir wissen hier alles!” zei de beambte ’n beetje gewichtig, maar vriendelijk. Ik maakte mij wat ongerust over mijn evenwel zeer kalm blijvenden reisgenoot, en toen wilde ’t toeval dat daar de hoofdredacteur van „Panorama” kwam aanstappen, goedgemutst en zeker van zijn zaak als altijd. Hij sprak even met den officier, bedaard en beslist, zooals ik hem dat gedurende den oorlog al menigmalen in Londen, in Parijs, in Brussel heb zien doen, en vijf minuten later zaten we met z’n drieën weer in den trein, alsof er geen moeilijkheden geweest waren. Ik vertelde iets van mijn indrukken. In Duitschland neemt men het ernstig met de zuinigheid. Geheimrat Jancke, van ’t ministerie van binnenlandsche zaken, die belast is met de leiding der zuinigheidsbeweging, bekende mij dat de Duitschers wat laat begonnen waren met beperkende bepalingen aangaande de voeding. „Wir hatten uns den Krieg ein wenig kürzer gedacht,” zei hij. Maar nu was de zaak krachtig aangepakt. „En het is een van de zegeningen van den oorlog,” vervolgde de heer Jancke, „dat ons volk nu leert zuinig te eten. Het heeft zelfs in goede tijden zooveel voedsel niet noodig als het gewoon is tot zich te nemen. Weet u wel dat men zeer goed leven kan van niets dan grof brood ën aardappelen, mits men er voldoende vet bij neemt? Leest u daar het boek van den Deenschen dokter Hindhede, „Moderne Ernahrung”, eens op na, dat ook in Holland verdiende gekend te worden. Voor 72 pfennig per dag kan een volwassen man zich zeer goed voeden. Als men dat maar wist! En hebt u wel eens bedacht dat. als iedereen in Duitschland per dag éen pfennig op zijn eten bespaart, daardoor per jaar een kapitaal van 140 milli'oen mark beschikbaar zou komen? Cijfers zijn welsprekend, niet waar?” „Maar wordt er bij u hoofdzakelijk op de voeding bezuinigd?” vroeg ik. „Neen, ook op andere dingen. Maar zoo strikt noodig is dat niet. U zoudt u verbazen als u onze voorraden in Ge cursus in oorlogs-economie aan het TTlbany-^nstitute. —- Werpt geen oude kleeren weg, eer gij nieuwe hebt! getallen hoorde uitdrukken. En weet u waarvan we nog ’t meeste bezitten?” Ik knikte bevestigend, en zuchtte. „Van munitie”, zei ik. De Geheimrat wreef zich vergenoegd, de handen en antwoordde: „Juist. En voor wat er nu minder gegeten wordt, zullen we des te meer munitie kunnen aanschaffen.” Ja, de Duitschers hebben ’t wel goed ingericht. Met den indruk dat de staatsmachine in hun land voortreffelijk, geruischloos en onfeilbaar werkt, verliet ik Berlijn. Hoe geheel anders waren mijn indrukken van de Engelsche organisatie geweest. Ook in Engeland had ik wel gezien dat men van den ernst der toestanden volkomen doordrongen was, en ofschoon de stemming er luchthartiger leek. minder vast en energiek dan in Duitschland, kreeg ik er toch ook de overtuiging dat men zich voorgenomen had met taaie volharding door te zetten tot het bittere einde. Alleen, men legt zich daar minder zware Ge cursus in oorlogs-economie aan het TPlbany-Tristitute, TFardappelschillen aijn ook brandstofI offers op, eischt niet zooveel van zichzelf, dwingt zich niet zoo licht tot vrijwillige ontberingen. Het schijnt dat men in Engeland zoo ten volle vertrouwt op den grooten rijkdom en de on uitputtelijke hulpbronnen van dat machtige organisme, dat het inzicht omtrent de eindigheid daarvan slechts langzaam doordringt. Toch vond ik, bij mijn onderzoek, reeds vele teekenen dié er op wijzen dat ook het Engplsche volk de noodzakelijkheid van bezuinigingen gaat inzien. ïk bezocht ook het Albany-Institute, waar „oorlogseconomie” onderwezen wordt. Daar houdt men een cursus voor vrouwen, om haar te leeren hoe zuinig gekookt kan worden, met een minimum brandstof en een minimum voedsel - materiaal, zonder dat daardoor de nationale gezondheidstoestand wordt geschaad. Ook ziet men er gedemonstreerd hoe oude kleedingstukken hersteld en opgekalefaterd kunnen worden, hoe hetmo - gelijk is polsmoffen uit versleten kousen te maken, een jongensbroek uit ’n afgedragen mansjas, mutsen voor meisjes uit oude truien. En menige thans ontbeerlijke baljapon verandert er in twee daagsche kinderjurken. Voorzitster van het ïnstitute is de Hertogin van Albany, die persoonlijk den goeden gang van het werk leidt en juist een bezoek aan de verschillende klassen kwam brengen toen ik er mijn notities zat te maken. Ik had het voorrecht aan de hertogin te worden voo.rgesteld, die, zooals men weet, ons land meermalen als gast van een koninklijk bloedverwant bezocht heeft. Zij toonde zeer goed op de hoogte te zijn van ons doen en laten en deed vele belangstellende vragen. Over de wijze waarop wij onze neutraliteit handhaven, sprak zij zeer waardeerend. Tenslotte schonk zij mij drie foto’s, door haarzelf in het ïnstitute opgenomen. Wat mij, evenals in Duitschland, sterk trof bij de gesprekken met hooggeplaatste personen als bijvoorbeeld deze hertogin, is dit: zij zijn door den oorlog nader tot het volk gekomen. Moge hiervan de heilzame invloed ook na den oorlog gevoeld worden! Terwijl ik deze ondervindingen aan den „Panorama”- redacteur vertelde, waren wij het station Leiden genaderd. Daar nam ik afscheid van mijn vriendelijk reisgezelschap om spoedig daarna mijn woonplaats, de residentie, te bereiken. . JCHANNA T; RSTRAAT.
PDF
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
03
Tekst
11 PANORAMA % riezoo, we zitten er maar weer middenin, in den herfst, en de winter is op komst. De menschheid. (ons welbekend, want we hooren er allen toe, lezeressen, lezers, uit- , gevers, tof schrijvers en schrijfsters), — de menschheid begint met te grasduinen in kast en koffer en haalt de warmer kleedingstukken te voorschijn en keurt en herkeurt die eens. De jassen en pakken van den echtgenoot en vader en die van den zoon kunnen er, op een uitzondering na. nog wei mee door. De kwaliteit wasgoed, de snit min ol meer „neutraal” gehouden, zoodat je niet merkt dat hef uit A het vórige winterseizoen stamt. Maar met de bullen van ma en dochters is het anders gesteld; die zijn „uit de mode”. Weet u wal dat zeggen wil, „uit de mode” te zijn ? Dat is een van de miserabeiste, meest kleineerende oordeelvellingen, die men over iemand uiten kan. Ik heb een gróót dichter gekend, die zich tot in alle eeuwigheid met iemand brouilleerde, omdat die iemand hem in een gezelschap had toegevoegd, dat hij „uit de mode” was.... De mode. de nieuwheid dus.. . Wie kent het oude wijsje niet: Ah, madame la Nouveauté. Demeurez dans nofre patrie, J^yPlus que 1 esprit et la beauté yJVous V serez toujours chérie. Het niéuwe, als zoodais iets aantrekkede eerste 'Os' (/ nig, uiflu.r, ,a lijks, ■ F plaats ook al omdat hef niét banaal is. OM < rn •'7 ceintuur is van zwart fluweel. De rok heeft breede zwart fluweelen banen en maakt daardoor een zeer rijken, voornamen^'? indruk. Het kraagje is versierd met een goudborduursel en in de borsfopening is het veel gedragen lint verwerkt, dat ook tot de nieuwste modesnufjes behoort, van taffetas met picof rand. Een schuin gezette fluweelen baret doét er verdienstelijk bij. — Op onze tweede kiek ziet men een allergeestigst wit avondpakje, de rok is van mousseline de soie, en origineel versierd met zilveren lintlusjes, de ceintuur is van hetzelfde zilveren lint op eenvoudige wijze samengesteld. Onder den mousselinen rok is een eveneens witte onderrok van taffetas; ook de taille is van sober verwerkte witte taffetas; aan de ingehaalde korte mouwen zijn nabij den elleboog een paar rosé rozen aangebrachf. Het geheel van onze derde opname lijkt ons al zeer goed geslaagd. Het is een costuum van zwarte faille met een „tablier* en „bas de la taille” van zwart velours, omboord met een goud borduursel. Het fraaie bont van skuriks en de gracieus gedragen hoed — een donkerzijden canofier met fluweel omboord. en eenvoudig met een strik om den bol opgemaakt, — voltooit dit werkelijk bekoorlijk toilet. — De zelfde jongedame in haar witte mousseline de soie avondjapon heeft een donker satijnen avondmantel, met skunks. P kraag en manchetten omgeworpen, en zag er toen zöö aardig uit, dat de camera er weer bij te pas moest komen, en zij één twee drie door daarvan ziet ib A 1 Km \\ D i'-'x.Zy » > > e kijk- en koopgrage dames drentelen langs de trottoirs, neuzen voor de vitrines ^//y der groofe magazijnen, gaan naar binnen en oriën- * AA \7Z y* tecren zich met hulp van hef. al of niet, vriendelijk yA • *, 'L ' personeel. In dergelijke gevallen geniet de fea bij Hirsch • V? & Co., de fea met mode-revue, zeker de voorkeur bij A onze dames. Wat toch is practischer dan een nieuwe mode eerst eens door een ander te zien dragen, alvorens je zelf je moet wagen aan een proel „aan den lijve”. Waf toch is genoeglijker dan in een keurig milieu van hef Hirschgebouw gezellig met honderden te ziften theedrinken, gebakjes eten, en zoo k 2 genoeglijk koutend de voorstelling bij te wonen, . .. niet van verzen-voordracht, theaterstuk of muziekprogramma, maar van iets veel dierbaarders: van de nieuwste vX creaties op modegebied. De mannequins maken II aan F % het schrikken, de schok is fè hevig. Wie even bedenken wil, dat de rok, eens zoo nauw als de pijp van een middelmatige heerenpantalon, nu mateloos wijd is. Je beeft ervan. Niets meer of niets minder. Op mijn vraag, hoeveel die weidsche wijdheid, in cijfers uifgedrukt, dan wel bedroeg, vernam, ik dat die soms . . . 7 M. beliep. Daarbij zijn de nieuwe modellen der rokken kórt, zeer korf. Maar in dat handbreedtetje goed, dat het verschil fusschen een langen en een korten rok uitmaakf, zit hef hem niet; dat mag geen naam hebben, tegenover de massa stof. die in de wijdte wordt besteed, en daar nu vanzelf de mantels over die wijde rokken ook wijd zijn, voelt iedereen, die maar even koopman is, (mag ik ook koopvrouw zeggen ?) dat de sfoffenfabrikanfen, door de modes van de vorige seizoenen, de nauwe nesterige rokken, waaraan nauwelijks een paar duimbreed stof ging, — tot verzet gedwongen, nu hun schade eens eventjes dubbel en dwars inhalen. — We kiekten eenige der jonge dames, die ons op de revue met hun nouveauté s aan den lijve verheugen kwamen. Zie me eens op onze eerste kiek de ampelheid van wat de jonge dame draagt. Het gelijkt een draperie in opfima forma. De stof ervan is zwarte faille, eenvoudig maar x . (of liever: dus) smaakvol afgezef iz /Vl_. met zwart fluweelen strooken aan —- schouder en polsen en ook de As 0 de gretige lens werd gepakt. Hef resultaat U op onze vierde kiek. — En eindelijk kunnen wij 11 nog een mantelcostuumpje laten zien. dat, eerlijk bekend, ons zelf het water in den mond doet komen. Zie me eens hoe fraai die bruine, soepele stof neerhangt. Hef is velours de laine, en niets went zich dan ook juist zoo uitmuntend voor * dergeiijke pakken als deze stof. Bemerk eens wat een aardige mouwen, kraag, zakken. En de uitgeschulpte rok . . . het is een lieve lust om te zien. Aan het hoedje van zwarte panne hangt de nieuwe soort voileffe, die iets op de maskers der bijenteelers lijkt, vindt IS) jifeysenie,? y o haar Zoo hebber, wij u, lieve lezeressen, thans weer n overzicht gegeven van hetgeen de Mode, de Koningin, die over de meeste en trouwste onderdanen regeert, in voorzienigheid heelt uitgedacht aan fraaiigheid'en doelmatigheid voor het komende najaar. Wij twijfelen niet, of haar smaak zal ook de uwe worden en mocht u in hef begin waf „vreemd” tegenover deze nieuwe mode staan, bedenk dan slechts dat hef „nieuwe’’ — wij bedoelen natuurlijk wat vorm en snif betreft, er gauw genoeg afgaat en u zich er spoedig op zult betrappen, dat u er al zoo aan gewend is, dat u hef oudere, hef vroegere, leelijk gaaf vinden. Waf de kleuren betreft,. . men draagt een verscheidenheid, niet om op te noemen. Maar w ij d, w ij d dat is hef parool; alleen de tailles zijn nauw. Bij de wandelcostuums worden geen lage schoenen meer, doch uitsluitend laklaarzen gedragen. De Mode is niet zoo onhebbelijk, ze weet van „leven en- laten leven”, en bevoordeelt zoo naast de lakenfabrikanten ook de leèrfabrikanten. Ze is nu eens voordeelig voor dezen dan voor genen, en als wij weten hoe we met haar moeten omspringen, is ze voor ons ook voordeelig, doet ze ons wat men noemt „voordeelig uitkomen”. (De foto’s bij dit artikel zijn van den heer Bern. F. Eilers). W1LY, a 88 (18b) Najaarsmode
PDF
Nummer
1915, nr. 88, 1 nov. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 Krone’s pleegkind I. K rone trok lang* zaam aanz’n pijp terwijl hij daar zat, stilzwijgend tusschen de groep mannen, die in allerlei houdingen rondom ’t kampvuur lagen. Het was een groep ruwe mijnwerkers, gebronsd en gehard in stoeren arbeid, aan wie weinig was bijgebleven van de beschaving der wereld, waarvan ze eenmaal deel hadden uitgemaakt, de wereld waarin sommigen hunner geleefd hadden als ,,heeren” in den meest ongunstigen zin van het woord; want wanneer mannen met de onmiskenbare teekenen van beschaving en opvoeding als ,,mijnwerker” in het mijnwerkersdistrict van Australië verschijnen, is het zoo goed ais zeker dat hun verschijning aldaar haar oorzaak vindt in handelingen die hun vertrek uit het vaderland noodzakelijk maakten. Dit was ook het geval met Krone, een knappe en forsche figuur, die, ondanks zijn plotselinge verschijning in het kamp UIT HET SERVENLAND. Een Servische bagagecolonne, op weg naar het front, trekt door een verwoest maïsveld, aan de Gele Heuvels, eerst kort geleden, door zijn vroolijk humeur en nobel hart spoedig de meest populaire man geworden was in deze kleine weinig geciviliseerde wereld. Ofschoon hij nimmer over zichzelven gesproken had of er maar op gezinspeeld had dat hij tot een anderen stand behoord had, dan men van een mijnwerker zou kunnen verwachten, werd het algemeen als vaststaand aangenomen, naar was. — ,,Zeg, Krullebol, wraar peins je over?” vroeg Jim Rogers, een der mannen, die met hem in dezelfde claim werkte. ,,Ik geloof dat er een keer komt in mijn lot,” antwoordde Krone, zijn pijp stoppende en de stille Australische lucht vullende met een schel gefluit. De andere mannen keken hem verwonderd en nieuwsgierig aan. Men was zoo gewoon, dat Krone vroolijk was, dat men zijn woorden met eenige verbazingvernam. ,,Vertel op, man,” zei een ander. „Heb je een nieuwe ader ontdekt, hè?” Krone knikte. „Zoo is ’t, Jack. Ik had mij al eenigen tijd afgevraagd of mijn vermoeden juist was, maar nu ben ik overtuigd, dat er goud zit in de claim, die Carlton verlaten heeft en daarom zal ik ze koopen als ik kan.” „Wat?Carlton’s claim? Onzin, geen cent waard 1 Carlton is sedert geruimen tijd verdwenen en er is gemompeld, dat zijn maat aan die verdwijning niet vreemd is. In allen geval, de claim wordt als waardeloos beschouwd.” „Wie was Carlton ?” vroeg Krone, VAN HET WESTELIJKE FRONT. Generaal Joffre inspecteert een naar het front vertrekkende compagnie Fransche infanteristen. DE NEDERL. AMBULANCE TE PARIJS. Een der fraaie, voortreffelijk ingerichte zalen van het gebouw, waarin de ambulance gevestigd is. dat de „Krullebol”, (zoo werd hij genoemd naar zijn krullenden haardos) een man was met een verleden, dat hij nu begraven wilde in de wildernissen van Australië. Over dat verleden sprak Krone nooit, maar op zekeren dag was door een der maats na afloop van het werk, een klein medaillon gevonden; het was open en bevatte het portret van een mooi blond meisje. Het medaillon ging van hand tot hand, tot eindelijk bleek dat Krone de eigeM r. L.. H. W. REGOUT, t tijdelijk en buitengewoon gezant van onze regeering bij Z. H. den Paus te Rome, is op Woensdag 27 October overleden. DE N EDERLAN DSCH E AMBULANCE TE PARIJS. Nog een tweetal fraaie kieken van de Nederlandsche ambulance te Parijs, welke instelling, onder leiding van Dr. Bierens de Haan, de algemeene sympathie heeft. Links: een wandeling met het personeel in den tuin; rechts: gezicht op de zaal waar de genezende patiënten verpleegd worden.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1971 tot 1975 van 11897