Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1966 tot 1970 van 11897
Nummer
1915, nr. 87, 28 oct. 1915
Blad
03
Tekst
PANORAMA dochter: „Thuis is ’t toch maar ’t beste, nietwaar, Hedwig?” ,,0, ja, vader/' antwoordde Hedwig, stralende van geluk, en keek Heinersdorff teeder aan. „Ik ben blij weer hier te zijn/’ Nadat de generaal een sigaar had opgestoken verzocht hij: „Nu moet jullie, om den dag te vieren, weer eens wat muziek maken, kinderen. Wil je?” „Graag vader,” zei Hedwig en stond op. „Maar als ik verzoeken mag, speel dan geen zware dingen, kinderen. Iets lichts en vroolijks.” Heinersdorff ging naar ’t klavier en riep lachend : „Ik weet ’t wel wat vader wil.” Hij sloeg een paar maten forsch en slepend aan en Hedwig begreep dadelijk wat, hij van plan was. Ze ging bij het klavier staan, in de houding van een volkszangeres en zei in het zuiverste dialect : „Een Weener lied !” De generaal riep: „Maak toch geen gekheid !” Maar Hedwig liet zich niet van haar stuk brengen. Ze zette den linkerarm op de heup, flonkerde met de oogen, alsof zij een heele zaal met toehoorders voor zich winnen wilde, en begon het oude lievelingslied van haar vader te zingen, half sentimenteel, half vroolijk, nu eens droevig-gevoelig, dan overbruisend-lustig. De generaal bromde zacht het refrein mede, maar riep na ieder couplet: „Schei toch uit met dien onzin !” Toen lachten allen. Hedwig zei overmoedig : „U wilde immers wat lichts en vroolijks hooren, vader.” „Zoo heb ik ’t toch niet gemeend, dat weet je heel goed, kleine plaaggeest.” „Wat dan vader ?” Heinersdorff kwam den generaal ter hulpe : „Mozart misschien ?” Buschgart knikte hem dankbaar toe. „Ja Mozart!” Hedwig haalde haar viool en begon die te stemmen. „Ik heb in zoo lang niet gespeeld,” klaagde ze. Heinersdorff troostte haar : „Het zal wel gaan.” Hedwig nam de viool onder de kin, en haar gezicht, dat tevoren zoo uitgelaten en overmoedig stond, werd zacht en stil. En zij speelden Mozart, zoo innig en met toewijding, zoo bekoorlijk-opgewekt en vol levensvreugd, als men Mozart maar kan doen hooren in dat oude, gele Hietzinger huisje met de groene vensterluiken, wanneer men jong en verliefd en in de lente is. y; Op een der volgende dagen, toen Heinersdorff van zijn bureau te huis kwam, zeide zijn knecht hem dat een dame op hem wachtte. Hij wist dadelijk wie de bezoekster was. „Waar is de dame ?” „In den salon, kapitein// Die salon was zijn werkkamer. „Je bent de grootste rhinoceros, die er geschapen is. Hoe dikwijls heb ik je niet gezegd dat, als ik uit ben, niemand in die kamer mag gelaten worden !” De knecht stond in de houding en doorstond rustig den toornigen blik van zijn meester. „Heb ik je dat niet x-maal gezegd ?” „Tot uw dienst, kapitein!” „Waarom heb je dat dan nu toch gedaan ?” „Tot uw dienst kapitein, maar de dame zeide dat zij voor gewichtige familieaangelegenheden kwam.” Heinersdorff kon slechts met moeite zijn opwinding bedwingen, die zich in onrechtvaardige, harde woorden aan het adres van den oppasser luchtte. „Hoelang is die dame al hier ?” „Sedert een half uur, kapitein.” Heinersdorff deed een paar stappen door de voorkamer om tot kalmte te komen. Hij moest geheel rustig en koel zijn, hij moest zijn zenuwen geheel meester worden voor hij naar de kamer ging waarin Sofia Nikolajewna Golubjew op hem wachtte. Hij was niet voorbereid op de ontmoeting waarvoor hij plotseling gesteld werd. Hij ging onvoorbereid ten strijde. „Ik ben nu voor niemand te spreken,” zeide hij tot den oppasser. „Goed begrepen ?” „Tot uw dienst, kapitein.” „Wanneer getelefoneerd wordt, zeg je dat ik niet thuis ben.” —- „Tot uw dienst, kapitein.” Heinersdorff opende met een snel besluit de deur en betrad de eetkamer die door een dikke portière afgescheiden was van den salon. Mevrouw Golubjew zat in een hoek, in elkaar gedoken in een lederen fauteuil. Toen de kapitein in de deur verscheen, stond zij op en keek hem afwachtend aan. „O”, zeide hij, den verbaasde spelende, „wat een verrassing !” IN HET BEZETTE WILNA. De arme bewoners van Wilna — een der belangrijkste plaatsen aan het Oostelijke front, dié onlangs door de Russen ontruimd is — worden door de Duitsche bezetting van levensmiddelen voorzien. Hij maakte licht. Zij trad aarzelend op hem toe en reikte hem haar hand die hij, snel besloten, niet afwees. Dan wees hij op den fauteuil waaruit ze opgestaan was en zeide vriendelijk : „Gaat u zitten.” Zij liet zijn hand los en ging gehoorzaam zitten. Zij was zeer bleek, nog bleeker dan dien avond, en om haar oogen lagen blauwe schaduwen. Haar gelaat leek hem nu minder blank, onbeschaamd dan toen. ’t Was alsof er een dunne sluier overhing. Maar de lippen schreeuwden brandend rood uit het witte aangezicht en riepen herinneringen op, die zijn hart met schaamte vervulden. Hij nam tegenover haar plaats en keek haar vragend aan. Zij zeide deemoedig en schuchter : PANORAMA VAN WILNA. Een vogelvlucht-foto van Wilna, de hoofdstad van het Russische gouvernement van dien naam. De stad heeft 162.633 inwoners en telt 37 kerken. „Vergeef me dat ik hier ben gekomen. Ik verlangde zoo naar je.” Wat een komediante, dacht hij met eenige bewondering. Een vrouw die werkelijk liefhad zou niet inniger kunnen spreken. Hij vroeg, steeds nog vriendelijk : „Hoe kwam u mijn adres te weten ?” Zij kromp ineen toen hij „U” tegen haar zeide. Ze zag hem vleiend aan en fluisterde : „Ben je boos op me ?” Ze verbeterde zich met : „Bent u boos op me ?” In haar lange wimpers hingen tranen. „Neen, volstrekt niet. Ik wilde alleen maar weten hoe u mijn adres te weten is gekomen.” „Dat was toch heel eenvoudig. Je — u noemde mij immers uw naam. Ik zocht het adres in het telefoonboek op.” „Ö, zoo. Ja. Natuurlijk.” Zij vouwde haar handen en keek vóór zich. Zooals zij daar zat, in een eenvoudig Engelsch costuum, zonder opschik, een eenvoudigen toque-hoed op, had men haar voor een onschuldige, verliefde burgervrouw kunnen houden. Hij keek haar een weinig onzeker aan, besluiteloos hoe hij een beslissenden slag zou kunnen slaan. Zij zei wederom nog inniger en zachter dan tevoren : „Ik verlangde zoo naar je.” Zij gleed van haar stoel, zonk voor Heinersdorff neer en legde haar hoofd op zijn knieën. Haar geheele teedere lichaam sidderde onder haar snikken. Hij was zoo verrast door die heftige gevoelsuiting dat hij hulpeloos en verlegen stamelde: „Maar, maar — kom nu .. . Tegen de tranen van een vrouw was hij niet bestand. „Kom, bedaar nu toch. Toe ... /’ Ze snikte steeds heviger. Op dit oogenblik dacht de kapitein een seconde lang aan de mogelijkheid dat TöschtükBey zich vergist had. Hij had deze vrouw in de loge niet gezien. Er kon hier een persoonsverwisseling zijn. Hij trachtte de knielende te doen opstaan. „Wees nu verstandig.” Hij richtte haar hoofd op. Twee smartelijke, met tranen gevulde oogen keken hem smeekend aan. Verward zeide hij : „Staat u op als ’t u blieft.” Zij stond op 'en ging weer zitten in den fauteuil. Dan nam ze een zakdoekje uit haar taschje en droogde zich haar oogen. En wederom dacht hij : wat een actrice ! Hij zou reddeloos ingegaan zijn op die meesterlijk gespeelde komedie wanneer Töschtük-Bey hem niet gewaarschuwd had. Zij zeide, nog steeds schokkend van tranenlooze snikken : „Vergeef me, alstublieft. Het is anders niet mijn gewoonte om te weenen. Ik huil nooit. En zeker niet ter wille van een man.” Het was moeilijk dien trotschen mond niet te gelooven! Hij vroeg spottend : „En om mijnentwille ?” Zij antwoordde met starren blik: „Om mijnentwil. Ik ween over mijn ongeluk. Ik ween erom dat ik je liefheb.” Zij brak in een hysterisch lachen uit, dat zijn zenuwen aangreep. „Ik en liefde, ik en liefde !” Zij stond op en liep als een gevangen roofdier door de kamer. Daarna ging zij voor hem staan, die rustig zitten bleef, greep hem bij de schouders en riep: „Begrijp je dat ? Ik heb je lief. Ik kan daaraan niets veranderen. Het is sterker dan alles. Ik heb je lief.” Hij dacht: Nu overdrijft ze op een onverantwoordelijke manier. Vol angst kreet ze : „Zeg dan toch iets ! Versta je mij dan niet ? Ik heb je lief !” Hij besloot aan het onverkwikkelijk tooneel een eind te maken. Hij stond op en zei koel en zonder hartstocht : „U moet mij inderdaad voor een volmaakten idioot houden, mevrouw Golubjew !” Zij deed een pas achteruit en staarde hem wezenloos aan. Hij nam gelaten een sigaret uit een kistje dat op tafel stond en stak die aan. „Ik moet zeggen dat het eigenlijk mijn ijdelheid kwetst, dat u mij voor zoo’n domkop houdt, mevrouw.” Zij hief haar handen, als bezwerend, omhoog en fluisterde heesch : „Ik heb je lief !” Hij lachte even. (Wordt vervolgd). 87 (18a)
PDF
Nummer
1915, nr. 87, 28 oct. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 VIJFENTWINTIGJARIG BESTAAN „PROVIDENTIA”, De feestelijke bijeenkomst in „Kras” te Amsterdam ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan der bekende vereeniging van Handelsreizigers „Providentia”. (V.F.B.) VEREENIGING VOOR LIJKVERBRANDING. De deelnemers aan de op 23 dezer te Amersfoort gehouden vergadering van de Vereeniging voor Lijkverbranding. (V.F.B.) DE BLIK VAN THEODOOR DOOR JOB STEYNEN et gebeurde een dezer dagen, dat ik, om eenige oude aanteekeningen op te sporen, den inboedel van mijn werkkamer zoo goed als binnenstebuiten en ondersteboven keerde, en temidden van den bajert van paperassen een kattebelletje vond van mijn vrind Theodoor. En aan dien, bijna vergeten, vrind was zoo’n plaisante geschiedenis verbonden, dat ik den lust niet wel betoomen kan, ze u hier te verhalen. Ik woonde nog te Brussel. Alle middagen werkte ik in de zoo uitnemend ingerichte bibliotheek achter de Place Royale, en wanneer de arbeid voor dien dag gereed was, spoedde Dr. dumba, de onlangs in de pers zoo veel besproken, voormalig gezant van Oostenrijk in de Vereenigde Staten van Amerika, gedurende zijn oponthoud in Nederland gekiekt, terwijl hij een bezoek brengt aan het Oostenrijksch gezantschap in den Haag. (foto Fewbrandt.) ik mij naar Onder vele blijken van belangstelling wij echter denabijeTa- nog een apé- verne du meente Amsterdam, Maandag 25 ritief gaan Globe om bii October den dag waarop hij vóór nemen. J 40 jaar zijn taak als zoodanig aaneen apéritief vaardde. In de Omen hoopjes sigaretten van den arbeid uit te blazen. Gewoonlijk vond ik daar dan eenige vrienden, waaronder de Spaansche dagbladschrijver Anito, een begaafd en tevens luchtig-levend man. Anito en ik vertrokken meestal gelijktijdig ; wij namen dan vóór het café afscheid, hij liet zich in tram of taxi naar het Quartier Léopold brengen, waar hij woonde, terwijl ik langs de Rue de la Montagne de la Cour naar de benedenstad kuierde om daar in een der vele goede en goedkoope restaurants te middagmalen. Het gebeurde op een middag, dat Anito juist wanneer wij voor de Taverne afscheid namen, op den schouder geklopt werd. Hij wendde zich snel om, en keek een jongen man in het gezicht. ,,Tiens, Théodore,” riep hij verrast uit. Na een even druk als kort gesprek traden beiden op mij aan. Anito stelde mij den hervonden vriend voor, en begeleidde deze ceremonie met een knipoog, waarvan de beteekenis niet veel afaders wezen kon dan een soort van overdracht van dien Théodoor met alle lasten en lusten, want hij gebaarde eensklaps of hij niet meer bij het gezelschap hoorde, en deed een aanijlende taxi stoppen. Alvorens in te slappen nam hij op zulk een volmaakt onverschillige wijze afscheid, dat ik voor een, plotseling ingetreden, stoornis zijner geestvermogens vreesde, welke vrees echter schier tegelijk weder van mij week bij een blik op Anito. Deze wierp mij namelijk vanuit het portier een tweeden knipoog toe, van ongeveer dezelfde strekking als de eerste. Een glimlach volgde. Een hand wuifde. Dan loeide de claxon, en de taxi vlood gelijk een projectiel. Het moet zonder twijfel zeer zot zijn geweest, zoo beduusd als wij den voortvluchtige nablikten. Wij gevoelden dit beiden en lachend zagen we elkander een oogenblik aan. Ik zei, dat ik Anito’s handelwijze vreemd vond, maar Théodoor haalde de schouders eens op, glimlachend. De man was heel niet gekrenkt, leek aan zulk een bejegening gewend. Intusschen was ik met hem opgescheept. Mijn lichte ergernis daarover werd echter getemperd door de redeneering, dat men, blijkens het daareven afgespeelde tooneel, al uiterst gemakkelijk van hem af kon komen ; daartoe zou het voldoende zijn hem aan een of anderen kennis voor te stellen. Welgemoed na deze overweging wandelde ik met mijn nieuwen bekende de steile straten naar de benedenstad af. Hij had mij zijn plan ontvouwd, daar ergens te gaan dineeren, en de onderstelling gewaagd, dat we heel wel samen konden eten, hier of daar, Ik vond het bovenstebest. Eerst zouden VREEMDE GASTEN. Abessiniërs, op reis van het park Hagenbeek te Hannover naar hun vaderland, verblijven tijdelijk in een der loodsen van de Maatschappij Nederland te Amsterdam, waar onze fotograaf hen kiekte. (V.F.B.) 35 K.M. WANDELTOCHT TE 'S-H ERTOGEN BOSCH. Zondag j.1. hebben, daartoe uitgenoodigd, de bekende Haagsche wandelaars Wm. Sutherland, v. d. Meer, Waerkens, v. Anraad en Veltman een wandeltocht in ’s-Hertogenbosch geleid, welke ook daar een groot succes is geworden. Een 5-tal dames o.a. volbrachten eveneens kranig den tocht. JUBILEUM „QUICK". De feestvergadering gehouden ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan der Amersfoortsche Voetbalvereeniging „Quick”. (V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 87, 28 oct. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA nium-bar in de Rue de 1’Ecuyer streken wij neer. Het ging er nogal druk toe. De niet groote, maar gezellige zaal was heelendal gevuld met groepjes menschen, die bij de steps en walsen, door het kleine orkest de wereld ingestuurd, zaten te neuriën en te lachen, te klabetteren en te gnuiven dat het een aard had. Temidden der min of meer luidruchtige heeren prijkten her en der ook bonte mammezellen met kuiven van paradijsveeren op den kop. De electrische lampen waren reeds aangestoken en in bet helle schijnsel blonken de kristallen kelkjes met drank in velerhande kleur. De oogen der menschen aan de tafeltjes blonken niet minder. Theodoor en ik vonden nog juist elk een plaats achterin het zaaltje. Van daaruit konden we gezellig het gansche gedoe van het cafétje overzien. Ik riep een kellner. „Chut,” zei Theodoor met een eigenwijs gelaat, ,,chut, niet roepen. De man zal wel voelen, dat mijn blikken op hem gevestigd zijn, en als hij dat voelt, vanzelf dadelijk hierheen komen.” Ik keek mijn gezel eens aan, en, eerlijk gezegd, zulks geschiedde niet geheel zonder een smalenden glimlach. I n het diepste fond van mijn ziel was de overtuiging geboren, dat deze jonkman een zoo geheeten opscheppei was, Doch, of het toeval was of werkelijk de kracht van ’s jonkmans blik : na eenige seconden keek de kellner onzen kant uit, en vlood als een torpedo op ons aan.* De borrels werden gecommandeerd en aangebracht. We dronken op onze ontmoeting. Ik bezag mijn man eens wat nauwlettender, en moest vlotweg erkennen dat hij beschikte over eene verwatenheid erger dan de derdedaagsche koorts. In het bleeke gelaat met een geweldigen Bourbon-neus, met den diklippigen mond, door een breeden knevel als door een treurwilg overscbaduwd, blonken de oogen, niet ongelijk aan schelle zoeklichten. Groote donkerbruine oogappels op zwart af. Het wit had een blauwen gloed als geglazuurd ijzer, en te meer kwam die donkere iris daarop uit. Hij had een zeer zonderlinge manier om deze oogen uit te _______ ______ _ zetten of in te krimpen, wat mij ze onwillekeurig met het licht verstelbaar diaphragma van een phototoestel vergeVAN DE DARDANELLEN De Engelsche generaal Birdwood, wiens naam in verband met zijn operaties aan de Dardanellen dikwijls genoemd wordt, vóór den ingang van zijn bomvrije hut. Links: Fransche officieren voor den ingang van een artilleriestelling, die geheel „granaatvrij” is gemaakt. Midden: Dokters van het Fransche Roode Kruis, op zoek naar gewonden, trachten zich door een prikkeldraadversperring te werken. Rechts: Fransche infanteristen, die zich in een veroverde vijandelijke stelling genesteld hebben. Foto’s van het Westelijke Front. lijken deed. Ik bleef eenige minuten naar dit eigenaardig gedoen van den jonkman kijken, en al spoedig bemerkte hij mijn aandacht. „ja, ja,” zei hij, en de toon van zijn spreken duidde op grenzenlooze zelfingenomenheid, „ik zou wel leeuwen kunnen temmen desnoods.” Wat met dit „desnoods” werd gemeend, ontging mij, en ik vroeg hem een verklaring ervan. „Uit bescheidenheid, mijn beste mijnheer,” antwoordde hij, „uit bescheidenheid voegde ik dat antwoord erbij. Want ik kan leeuwen temmen.” FREIHERR VON WANGENHEIM.t de Duitsche gezant te Konstantinopel, die deze week is overleden. PRINS JOACHIM VAN PREUSSEN en PRINSES MARIE AUGUSTE VON ANHALT, die zich verloofd hebben. „Jaaa?” deed ik wat ongeloovig. „Ik bèb het gedaan, mijnheer, eigenhandig, mijnheer. Met deze zelfde oogen .... Of eigenlijk was het niet zoozeer een leeuw........... Hij aarzelde lichtelijk, en de onsterfelijke strophe van den vaderlandschen dichter doorkliefde mijn geest : Doch zoo ik mij wel bezin Was hij het niet : het was de leeuwin. „Niet zoozeer ? Niet zoozeer ?” visehte ik. „Neen, niet zoozeer. Want het was geen leeuw, maar een beer,” dichtte hij op zijn beurt. Ik zei, dat dit ook al mooi was. „Dat zou ik meenen,” deed hij, „ik heb op de kermis een gedresseerden beer net zoo lang gefixeerd tot hij zijn bek wagenwijd openzette, en zonder aarzelen stak ik in dien open bek toen mijn . . „Hoofd,” viel ik ontroerd in. „Neen,” lachte hij fier, „niet zoozeer mijn hoofd, maar mijn hand.” TRANSPORT VAN VLIEGMACHINES. Het vervoer van Fransche vliegmachines aan de Dardanellen. De machines worden, in kisten gepakt, met transportschepen tot aan den mond der rivieren gebracht, waarna zij op vlotten verder het binnenland worden ingevoerd. Ik zei dat het ook al mooi was. „Dat zou ik meenen,” zei de jonkman, „ik ben ervoor bekend.” „Er is geld mee te verdienen,” beweerde ik, „’t eenige bezwaar is, dat men maar niet altijd een beer bij de hand heeft.” „Behoeft ook niet. Behoeft ook niet, op een mènsch kan men ook zijn macht toonen. Ik zal u dat straks wel eens laten zien. Den eersten den besten bezoeker, die hier nu binnenkomt, zal ik onmiddellijk zóó hévig fixeeren, dat ik hem dwing tot hier vlak vóór mij, in mijn macht, in mijn macht, mijn waarde mijnheer.” „Kom,” zei ik wat ongeloovig. „Ik zweer u dat ik het doe. U zult zien, sprak de zelfbewuste Theodoor, „laat hem maar komen. Laat hem maar komen. Ik dwing hem tot vlak vóór mij om hem dan door een afwenden van mijn blik op het laatste oogenblik te ontslaan.” Lezer, in gemoede, kunt U zich mijn zielstoestand op dit oogenblik indenken? Ik weet zelf niet meer — en mijn aanteekeningen, die ik overigens vrij volledig uitwerk, vermelden het ook niet — wat ik van dit zonderlinge personage naast mij denken moest. Was hij werkelijk, zooals de volksmond het zoo schoon en gelijk zoo karakteristiek weet uit te drukken, een opschepper? Waren zijn verstandelijke vermogens gekrenkt of. ... ja, waartoe zal ik verder gaan ? Ik zei U reeds dat ik zelf niet meer weet, wat ik van mijn vriend Theodoor dacht en hoe zou ik het dan van U willen te weten komen ? Dit alleen weet ik nog heel zeker, dat het mij zonderling te moede was, temeer waar de oogen van mijn nieuw gevonden vriend in werkelijkheid een zeldzame uitdrukking vertoonden, die bij mij een vaag vermoeden deden rijzen van zijn fixeer-kunst. Een zonderling, bijna angstig voorgevoel bekroop mij, een heimelijke vrees hoe of dit alles zou afloopen. Want dat er iets bijzonders gebeuren ging, was mij op dit uur haast een zekerheid. Maar laat ik mijn beschouwingen afbreken en U het verdere verloop der historie mededeelen. GRIEKENLAND EN DE GEALLIEERDEN. De Grieksche ex-minister-premier Venizelos (x), onderweg om een bezoek te brengen aan de Brifsche vloot, die in de Dardanellen opereert.
PDF
Nummer
1915, nr. 87, 28 oct. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 NEDERL, BURGER XI "NEDERL. MILITAIR XI CS 15. Zondag 24 Oct. werd op het H. V. V.-veld te ’s-Gravenhage de wedstrijd gespeeld tusschen het burger en militaire elftal. Hierboven het militaire elftal. Zittend. Ie rij. in de bekende volgorde: Van der Wolk, Houtkooper, Buitenweg. Vos. Kant. Middelste rij: Launspach" De Korver. Van der Nagel. Staand: Scheidsrechter Tromp, De Pauw, v. d. Weerd en Van Suchtelen.. van dit zijn slachtoffer. Doch tegelijk klonk een luide klets. De man, op gansch andere wijze dan verwacht werd op den onheschoften blik reageerend, had Theodoor een harden klap op de wang toegediend. Een paniek ontstond, en zulks niet ’t minst in den verschrikten geest van Theodoor, die met de beide handen voor het gelaat gedrukt zat te kreunen van pijn. Ik maakte als metgezel van den miskenden hypnotiseur een figuur als een zaag, en had den jonkman gaarne geloosd, indien ik maar iemand in dit zaaltje, ja, in de gansche wereld geweten had, aan wien ik hem in dit uur had kunnen voorstellen, m. a. w. overdoen. Toen hij wat bijkwam, vroeg ik of hij pijn had. „Neen, dat niet zoozeer,” kermde hij, „dat niet zoozéer.'. Tot zoover de herinnering aan mijn vriend Theodoor. © NEDERL. BURGER XI~NEDERL. MILITAIR XI C6~“1). Het Burgerelfta! (zie ook foto hiernaast): le rij, (v. I. n. r.): Rappard, De Jong, Van Lingen, Japikse, Buwalda. Staand: Denis, Bosschart, Van Herrsert, Bouwmeester, N. Bouvy en Maas. (Foto's Sijes). De schrikkelijke Theodoor oefende zich op de andere bezoekers in zijn nabijheid, en ik moest bekennen dat zulks lang niet mis was. De machtige oogen openden zich snel tot wijdsten diaphragma-stand, dan, roef! sprongen de oogleden als afsluiters ervoor. Het was alles nog een spek Maar straks . . . straks . . . Tot onze verontschuldiging moet ik hier even inlasschen, dat we intusschen beiden nog ettelijke apéritiefs hadden geplengd. Daar ging de deur open. Een stevige, gezonde kerel trad binnen. Hij droeg een bril. Onmiddellijk nam Theodoor hem onder vuur ; met oogen zoo groot als rijksdaalders fixeerde hij hem. De man bemerkte het, knipte even met de oogen, sloeg ze dan plotseling neer. „Ik hèb hem,” fluisterde Theodoor met opeengeklemde tanden. De man leek even te aarzelen, keek snel naar de oogen, die hem onafgebroken fixeerden, en trachtte ze te weerstaan. Tevergeefs. Hij moest den blik afwenden. Langzaam stapte hij voort, en werkelijk, ofschoon er nu ook elders plaats voor hem was geweest, hij kwam in de richting van Theodoor. „Daar komt hij. Er is geen ontkomen aan,” beet de menschentemmer mij toe. Nog meer naderde de man, doch zonder op te kijken naar de machtige oogen geschiedde dit. Langzaam maar gewis kwam hij naar den fatalen hypnotiseur. „Wat zeg je ervan ?” fluisterde deze zeer zacht. Ik zei er niets van, met ademlooze spanning tuurde ik naar den gefixeerde, die naderde, naderde, naderde. Hij was nog slechts een vijftal passen van de machtige oogen verwijderd. Dan nog slechts vier. Drie. Twee. Eén... „Ziezoo,” blies de machtige even zacht als hoovaardig, en gelijk de overwinnaar zijn knie» edelmoediglijk weder van den verslagene licht, zoo lichtte Theodoor als het ware den blik Z. D. H. Mgr. AUG. JOS. CALLIER, Bisschop van Haarlem, Assistent-Bisschop bij den Pauselijken troon, begeeft zich naar de kerk van den Heiligen Jacobus den Meerdere aan de Parkstraat te 's-Gravenhaae. Z. D. H. vertoefde een geheele week in de hofstad, om in verschillende kerken het Heilig Vormsel toe te dienen, (foto v. Tol.} O. M. DE MUNNICK.f Dr. L. v. DOESBURGH t Te ’s-Gravenhage is op den leeftijd van ruim 74 jaar overleden de heer O. M. DE MUNNICK, oud-gouverneur van Sumatra's Westkust. De overledene. die 9 Mei 1841 te Batavia werd geboren, was ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. — De heer dr, L. VAN DOESBURGH, een bekend en geacht ingezetene van Heemstede, is aldaar op 78-jartgen leeftijd overleden. JUBILEUM „EUDOKIA”. Verleden week werd het 25-jarig bestaan herdacht van de Rotterdamsche Ziekeninrichting „Eudokia”. Talrijke de burgemeester en diens vrouw, eenige wethouders enz., waren op de vergadering, die ter herdenking van dit wnnrdig. Onze foto geeft een groep der verpleegsters, verbonden aan deze belangrijke IhhhlhinHilHOhh!!h!nullilHOH{hhiiMHSHH|{h!ilhiRHUÜï!hlhlhhiHHillHhhOih=!iSiüill!Öhi!hhi»iSilf}hy!lhhll»Hi!HlllOhihlii-iin={illOOhhi)uHHlH:hHhhi;H«iSll!Üill^^ Een Miskende Liefdesapostel DOOR HENKIE , ^^^g^^j^enk er om, Betje, dat je daar nu niet in huis *' va|t ajs een 40jje koe>” zei Janus Huisman tegen zijn zuster, terwijl hij achterover geleund in zijn stoel, de beide duimen in zijn vestzakken stak. „Je zou op die manier alles bederven.” „Ik verzoek je die mooie vergelijkingen maar op jezelven toe te passen,” antwoordde juffrouw Betje. „Bovendien weet ik nog niet eens of ik wel ga.” „Je hebt niets anders te doen,” ging Janus voort, zonder aan de opmerking van zijn zuster de minste aandacht te besteden, „dan er iederen avond een visite te maken van een halfuur en dan heel vleiend over mij te spreken. Je zult spoedig indruk op haar maken. „Ik kan me niet begrijpen,” begin je, „dat mijn broer Janus nog niet getrouwd is. Hij kan aan iederen vinger een vrouw krijgen.” ” „Wat ’n schandelijke leugen 1” valt Betje oprecht maar oneerbiedig in. „Dat weet ik nog niet,” zegt Janus beleedigd. „Ik wel !” is het lakonieke antwoord. „Nou goed, noem ’t dan een leugen,” stemde Janus toe, „dat beteekent niemendak In de liefde, evenals in den oorlog, is alles geoorloofd. Je zult je verbeelding een beetje moeten laten werken, als je plan hebt om ’t goed te doen.” „Ik heb plan om niets te doen,” antwoordde juffrouw Huisman beslist. „Nou, je gaat er dan heen,” ging haar broeder onverstoorbaar voort, „en vertelt haar wat een beminnelijk humeur ik heb.” „Waarom zeg je ’t haar zelf niet ?” vroeg juffrouw Betje. „ . .En dan zeg je haar wat ’n verdriet het je doet, dat je niet altijd voor me kunt blijven zorgen. „De arme jongen,” zeg je dan, „wat zal hij het eenzaam hebben als ik weg ben. Hij is net de man om weg te kwijnen als hij niemand heeft om lief te hebben.” ” Juffrouw Betje keek eens even naar de omvangrijke figuur van haar broeder en veroorloofde zich een kort sarcastisch lachje. „Zeg ereis,” zei ze scherp, „als je voortgaat met zulken onzin uit te kramen, dan wil ik er niets mee te doen hebben. Laten we nou even gezond praten. Jij wilt Naatje Stuifzand trouwen ?” „Ja!” „En je hebt geen lèf genoeg om d’r zelf te vragen, omdat je bang bent, dat ze je zal afschepen ?” „J. . a. . a, —- zoo ongeveer!” bekende Janus. „En daarom wil je hebben dat ik af en toe eens bij haar vader aanloop,” ging Betje voort, „en een goed woordje voor je doe?” — „Niet te openlijk,” merkte Janus op. „Het moet niet in de gaten loopen. Ik zou willen dat je haar geest een beetje beïnvloedde, zonder haar te laten merken ...” „Ik zou willen dat je je eigen geest beïnvloedde en zelf je zaakje in orde bracht,” viel juffrouw Betje hem in de reden. „Zie je me soms voor een volslagen gek aan ?” „O, nee, nee !” protesteerde Janus, terwijl hij ostentatief het hoofd schudde. „Ik wou je maar eenige wenken geven.” „Ik heb geen wenken van jou noodig,” was het vinnige antwoord, „wat ik noodig heb is ....” Hier hield ze op en keek den kleinen corpulenten man met haar koele oogen aan. „Wel?” vroeg Janus, met eenigen angst in zijn stem. Zijn zuster beschouwde hem autoriteiten, o.w. dr. Abr. Kuijper, nOg eenige OOgenblikken Stiljubileum werd gehouden, tegen- ?. , ° instelling. (V.F.B.} zwijgend. EEN NIEUW STADHUIS. (V.F.B.) Het nieuwe, onlangs gereedgekomen stadhuis te Heeswijk, gebouwd door den heer Geressen, architect te 's-Hertogenbosch.
PDF
Nummer
1915, nr. 87, 28 oct. 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA EEN JUBILEUM IN DE JOURN ALISTÉN-WERELD. Door de redactie van de Groene Amsterdammer is ter gelegenheid van het verschijnen van haar 2000ste nummer in een der fraaie zalen van „Trianon” te Amsterdam een gezellige tea aangeboden aan de bekendste artistieke autoriteiten in Nederland. Hierboven de genoodigden, poseerend voor onzen fotograaf. (V.F.B.) beminnelijke Betje haar broer in de reden. ,,Jij betaalt m// zestig guldpn. Praat me niet van geen geld hebben, je hebt wel geld om Naatje te trouwen 1 Wat, als ik haar eens ging vertellen ...” „Een nieuwen hoed!” zei ze kort en droog. „O, zeker I” antwoordde haar broer met een gezicht of hem een kies getrokken werd, „ik dacht er juist zelf ook over. Ik...” „En een nieuwen mantel,” ging de dame voort. „E ..... wat?” riep Janus uit, en zijn gelaat gaf een afspiegeling van den schrik die zijn hart beving. „En een nieuwe boa !” ging de eischeres kalm voort. Janus Huisman sprong eensklaps op in zijn stoel als een ruiter, wiens paard onverwachts in galop overgaat. . wat ?” stotterde hij. antwoordde zijn zuster. Zoo’n ding van bont om „Een nieuwe . „Een boa!” „B—-o—a, boa. mijn nek. ’t Kan me niet schelen welk soort.” „Je maakt maar een grapje,” zei Janus op zwakken toon. „Zie ik er uit of ik grapjes maak ?” klonk het grimmig uit Betjes mond. „Ja!” antwoordde haar broer, met een zwakke poging om de zaak niet ernstig op te vatten. „Zoo ! — Nou, dan blijkt daaruit, dat je op het uiterlijk niet moet afgaan,” klonk het zuurzoet, „want ik meen ieder woord I” Janus keek hulpeloos naar het plafond, toen naar de pendule op den schoorsteen, om eindelijk zijn hardvochtige zuster weer aan te zien. „Dat kan me wel vijftig gulden kosten,” klaagde Janus met een snik in zijn stem. „Misschien wel wat meer,” antwoordde Betje beminnelijk. „Geef maar zestig en van hetgeen ik overhoud, koop ik een cadeautje voor jou.” Janus Huisman, met een gezicht als een oorwurm, stiet een geluid uit, dat het midden hield tusschen een vloek en een zucht. „Ik kan ’t niet betalen,” mompelde hij. Zijn zuster lachte spottend. „Klets 1” zei ze. „Wat? Je verdient geld als water met dien oorlog.” „Och, dat denk je maar,” kreunde haar broer, terwijl hij meewarig het hoofd schudde, „’t Is ellendig met den groentenhandel. Als ik jou vertelde wat ze me laatst durfden vragen voor Brusselsch lof, dan kreeg je bepaald een beroerte I” „Nou, vertel ’t me dan maar niet; ik vraag je er toch niet naar ?” „Ja, en dan de bloemkool,” ging Janus voort, „ordinaire rommel, daar betaalde ik verleden week toch ...” „’t Kan me geen lor schelen wat jij betaalde,” viel de T. MULDER. Th. C. SPIERING. C. L. A. v LEEUWENSTEIJN De heer T. MULDER, directeur der firma van Gend en Loos te Den Helder, vierde een dezer dagen zijn 50-jarig ambtsjubileum.— Verleden week herdacht de heer C. L. A. v. LEEUWENSTEÏJN, stationschef te Overveen, den dag waarop hij vóór 25 jaar in dienst trad bij de Hollandsche Ijzeren Spoorwegmaatschappij. — Den eersten November hoopt de heer Th. C. SPIERING te Amsterdam het feit te herdenken, dat hij vóór 50 jaar in betrekking kwam bij de firma C. A. Wolfman Elpers, Zeepfabriek aldaar. Als bijzonderheid worde nog vermeld, dat de vader van den jubilaris 46 jaar bij genoemde firma is werkzaam geweest DE NIEUWE BURGEMEESTER VAN KOCKENGEN EN LAAG NIEUWKOOP. De vorige week is de nieuwe burgemeester van Kockengen en Laag Nieuwkoop, de heer B. Collissendorff, op officieele wijze door de inwoners dier gemeenten gehuldigd. Op onze foto ziet men den nieuwen burgemeester (met ambtsketen om) temidden zijner famiiie en de leden der feestcommissie, (V.F.B.) Juffrouw Betje hield op en keek haar broer doordringend aan. „Ik zal het haar zeggen,” ging ze voort, „als je me op nog meer nonsens ont haalt.” Broer Janus, die wel begreep, dat zoo iets niet totde onmogelijkheden behoorde, gaf slechts eenig gebrom ten antwoord. „Je doet beter als je me nu dadelijk geld geeft,” suggereerde Betje, op de klok kijkende, „dan ga ik er dadelijk heen.” „M, .maar veronderstel dat je het niet goed aanpakt,” stamelde Janus, „veronderstel dat ze geen notitie neemt van je redenaties, en-. . „Die risico moet je op je nemen,” was het ijskoude ant woord. Janus Huisman, die de onverbiddelijkheid in zijns zusters oogen las, ging langzaam de kamer uit, de trap op naar boven en keerde binnen enkele minuten terug met een bankje van zestig. „Toen ik dit gisteren van de spaarbank haalde,” zei hij spijtig, „had ik niet gedacht . . „Daar zou ik maar niet over piekeren, als ik jou was,” zei zijn zuster, terwijl ze het bankbiljet opnam. „Kijk, ’t is nu acht uur, om negen uur ben ik terug, snij jij in dien tusschentijd brood en zet koffie.” Zoodra zijn zuster vertrokken was, sloot de dikke groenteboer zijn winkel, stuurde zijn knechtje naar huis en begon het avondmaal gereed te maken. Daarna zijn pijp opstekende, wachtte hij de terugkomst van zijn gezant af. Even over negenen kwam ze thuis. „Hoe ben je geslaagd ?” vroeg haar broer, terwijl ze haar hoed en mantel afdeed. „O, zoo-zoo 1” antwoordde ze nonchalant. „Wat zei je ?” vroeg hij weer. „Ik heb een heelen boel dingen gezegd, die allemaal leugens waren,” antwoordde juffrouw Bet, „en waarvoor ik hoop vergiffenis te krijgen,” voegde ze er zedig bij, terwijl ze plaats nam aan de tafel. „Hoe nam zij ’t op?” vroeg Janus verder. „Wel om je de waarheid te zeggen,” antwoordde zijn zuster, „ze nam er niet veel notitie van.” Janus’ gezicht werd aanmerkelijk langer. „Maar dat is minder,” zei de juffrouw, terwijl ze zich koffie inschonk. „Nou ik eenmaal met de zaak begonnen ben, zal ik ze voortzetten. Ik heb nog bijna een heele week voor me en geloof wel in staat te zijn indruk op haar te maken.” „Zou je. . zou je niet wat langer kunnen blijven tot de zaak geheel in ’t reine is?” waagde Janus op te merken. DE EERSTE R. K OPENBARE LEESZAAL IN LIMBURG. Te Heerlen is een R. K. Openbare Leeszaal geopend, die een eerste inrichting van dien aard in Limburg is. Onze foto’s geven links; éen kijkje in de keurig ingerichte, moderne leeszaal. Rechts’, gezicht op de tentoonstelling van middeneeuwsche en moderne platen, gehouden ter gelegenheid van de opening der Leeszaal. (Foto's Reihngarts).
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1966 tot 1970 van 11897