Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1956 tot 1960 van 11897
Nummer
1915, nr. 86, 25 oct. 1915
Blad
01
Tekst
No. 86 (17b) 25 OCT. 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7*/2 CENT ABON- . NEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.50 A . W . SIJTHOFF'S U ITGEVERS M AATSCHAPPIJ ~ LEI DEN (Zie de foto's en het artikel op pagina 12). (Foto M. M. Couvée). J. K. Leurs, - Aan den Slootkant,
PDF
Nummer
1915, nr. 86, 25 oct. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 De accijns op bracht nu op: 271/2 millioen. SUIKER en ZOUT 1 jaar daarvoor 2973 millioen. —= ©e..—-.. ■■ ftyksmiddelen in ’t Oorlogsjaar : en daarvoor : Óen „geïllustreerde statistiek'* tengevolge van nimmer-gedachte toestanden op handels- en economisch gebied, allerlei verontrustende berichten en overzichten een waarlijk angstwekkend beeld gaven van de ontwrichting ook in ons land. Toen scheen het of de inkomsten van den staat, van de groote naamlooze vennootschap of liever: coöperatieve vereeniging, die „het Rijk” heet, een gevoeligen klap gingen krijgen, die onherstelbaar leek. Maar nu, na een jaar, POST en TELEGRAAF: 24.3 millioen Aug. 1914-Aug. 1915. 24.8 millioen Aug. 1913-Aug. 1914. e begrootingsdiscussies naderen... Er zal weer worden gesproken over een post voor dit, een rede zal worden gehouden voor een bedrag voor dat... Wij, publiek, zullen het met belangstelling volgen. De rijks-uitgaven voor diverse instellingen, subsidies, tractementen, toelagen, zullen we leeren kennen. We zullen het tekort met schrik vernemen en denken aan den toch al duren „mobilisatie-tijd.” We denken aan verhooging der directe belastingen en nieuwe belastingbiljetten ... Alsof dat het eenige middel van den staat is tot dekking der uitgaven. We vergeten dat het rijk ook andere inkomsten heeft, die we niet zoo direct voelen: rechten op invoer, accijns op suiker, zout, geslacht, gedistilleerd, rechten op zegel en van successie, inkomsten aan de post en telegraaf, enz. We vergeten die middelen óók, omdat ze bij een begrooting, als zijnde inkomsten, minder besproken worden dan de uitgaven. En als we ze niet vergeten, dan beginnen we als vaststaand aan te nemen dat In ’t eerste oorlogsjaar ruim 13 mill. De INVOERRECHTEN verminderden met */4 ongeveer. In ’t jaar vóór den oorlog 17 millioen. het met die middelen in deze tijden wel droevig gesteld zal zijn . .. Die pessimistische gedachte is nog een onwillekeurige nawerking van de eerste maanden van den oorlog, toen WIJN-ACCIJNS f 1.556.000 f 1.434.000 Aug. ’13-Aug. Aug. ’14-Aug. 1914. 1915. BIER-en AZIJN-ACCIJNS f 1.563.000 f 1.538.000 Aug. ’13-Aug. Aug. ’14-Aug. 1914. 1915. GEDISTILLEERD-ACC1JNS f 29.000.000 f 28.000.000 Aug. T3-Aug. Aug. ’14-Aug. 1914. 1915. In De DIRECTE BELASTINGEN brachten op: ’t eerste oorlogsjaar: 56.8 millioen. In ’t jaar daarvoor: 54.3 millioen heeft de ervaring die pessimistische gedachten, althans betreffende de middelen, niet bewaarheid. Zeker, er is werkloosheid, er is stilstand van zaken, er is duurte van levensmiddelen, er is ellende ...maar de staten van de rijksmiddelen toonen aan, dat de welvaart van de gemeenschap- in- haar- geheel, niet aan een zóó- danigen achteruitgang heeft blootgeAccijns op GESLACHT: f5.900.000 Aug. 1913-Aug. 1914. f7.200.000 Aug. 1914-Aug. 1915. De INDIRECTE BELASTINGEN (zegel-, hypotheek-, registratie-,successie-rechten) verminderden met ruim 1/3. Ruim 251/2 millioen tegen 341/2 millioen anders. staan, als waarover men zich verontrust had. En toch is de algemeene gedachte, dat het met ’s rijks inkomsten bedenkelijk gesteld is. In de eerste plaats is dit een onbewust idee-zonder-rekenschap. En in de tweede plaats vindt dit idee ingang, omdat inkomsten, uitgaven, leening, crisis-uitgaven enz., hopeloos verward worden. Het is daarom dat we omtrent den financieelen grondslag van den staat, d.w.z. „de middelen”, cijfers verzameld hebben en die cijfers in beeld hebben gebracht; want cijfers zijn wel nuttige dingen en men spreekt wel van „sprekende cijfers”, maar meermalen spreken ze lang niet duidelijk en doet een „illustratieve vergelijking” het duidelijker. Die vergelijking gaat over een normaal jaar n.L, Aug. ’13—Aug T4., tegenover het eerste oorlogsjaar Aug. ’14—’15. * * ♦ Gaan we in de eerste plaats de directe belastingen na. Alles tezamen: grond, personeel, bedrijf, vermogen. Deze toonen een bevredigende uitkomst. Een afspiegeling van den economischen toestand in de crisis zijn zij echter niet, omdat de heffingen grootendeels gebaseerd zijn op den toestand, welke voor de crisis bestond. Ook zijn de opcenten op bedrijfs- en vermogensbelasting verhoogd. Toch kan het tot tevredenheid stemmen dat in hef oorlogsjaar zonder nieuwe belastingen f 56.855.000 werd opgebracht tegen ruim 54 millioen in het jaar daarvoor. Dat is dus ruim 2l/2 millioen méér! Anders is het met de indirecte belastingen waaronder de hypotheek-, zegel-, registratie- en successie-rechten gerangschikt worden. De laatste leenen zich, als te wisselvallig middel, niet tot vergelijking. De drie eerste ondervonden ernstig den druk der tijden. De inkomsten dier rechten toch zijn gebaseerd op verkoopingen van onroerend goed, op hypotheek-plaatsing en overdracht, op processen enz. En dit alles is in dezen tijd belangrijk minder, vooral b.v. de effectenhandel! Geen wonder dus dat deze groep van 34,6 millioen terugging op 25,6 millioen of wel 9 millioen minder werd. Een zoo beduidende vermindering toonen ook de in v oerrechten, al is door de N.O.T, die vermindering niet zoo bedenkelijk, als ’t zich liet aanzien. Maar de belemmerde handel, de gevaarlijke scheepvaart, de contrabande-verklaringen, de beperking van invoer en uitvoer zijn toch De BELOODSING DER SCHEPEN was ongeveer */3 van andere jaren, n.1. l!/6 millioen en anders 33/4 millioen!
PDF
Nummer
1915, nr. 86, 25 oct. 1915
Blad
03
Tekst
PANORAMA DEFENSIE, (Marine en Oorlog): Nu 254 millioen, tegen plm. 54 millioen in rustig, gewoon oorzaak dat het bedrag in t oorlogsjaar ruim 13 millioen was, tegen ruim 17 millioen in ’t normale jaar. Naar verhouding was die teruggang om dezelfde redenen nog sterker bij de loodsgelden, die inplaats van f3.747.000 slechts f 1.177.000 in de schatkist brachten. Anders staat het met de a c c ij n z e n, de gelden, die het rijk heft als recht op verschillende verbruiksartikelen. In totaal zijn zij vrijwel gelijk gebleven. Toch houdt dit feitelijk per hoofd een teruggang in. Immers, de bevolking in ons land is zeer toegenomen. Spreekt men niet van 700.000 Belgen ? Het gebruik van artikelen als vleesch, zout, suiker, azijn, enz., is dus ook vermeerderd. De rijkskas trekt dus ook voordeel uit de gastvrijheid aan onze naburen verleend, De „accijns op het geslacht’’ is zelfs beduidend vermeerderd en wel van bijna 6 millioen geklommen tot ruim 7 millioen. De voeding der soldaten, die voor velen meer vleeschhoudend is dan thuis, zal ook daaraan wel hebben bijgedragen. Suiker en zout verminderden. Echter niet veel. Van bijna f 29,/2 millioen opbrengst daalden deze middelen tot 2772 millioen. Dat er ondanks den verhoogden suikerprijs (waarvan de accijns niet afhangt, wel van de hoeveelheid), toch nog bijna evenveel verbruikt is, schreef een officieel verslag omstreeks St.-Nicolaas o.a. toe aan de aanwezigheid van veel Belgen ! En ’t gedistilleerd ging evenmin jaar’ veel achteruit! Hoe zou dat ook kunnen ? Laten we niet spotten ... een wodka- of absint-verbod is hier nog niet noodig! Inplaats van ruim 32 millioen werd er nu bijna 31 millioen ten bate van de schatkist uit de alcoholische dranken gedistilleerd. Van de overige middelen ondervonden domeinen, staatsloterij en acten weinig invloed van de mobilisatie-tijden. Wel de post en telegrafie. De eerste schoot te kort; de tweede sprong bij. Door vermindering van handelscorrespondentie en zeker ook wel door port-vrijdom voor militairen, bleven de posterijen ruim 3 millioen achter bij andere jaren. De telegraaf ging echter bijna evenveel vooruit, wat relatief een grooten sprong beteekent. Te danken is dat aan zekerder en daardoor grooter gebruik van telegraaf en telefoon toen de post onzeker werkte en aan de aanwezigheid van veel buifenlandsche journalisten, die vanuit Holland aan hun bladen lange berichten seinen. Echter is de telegrafiebate als rijks-inkomsten geflatteerd, omdat hierin is opgenomen de opbrengst van veel regeeringsfelegrammen door het rijk zelf betaald. Rest ons tenslotte de belasting op gouden en zilveren werken. Een klein middel. Als rijks-bijdrage onbelangrijk. In normale tijden slechts 5 ton. Nu 287.000 gulden. Als afspiegeling van uitgaven voor luxe, interessant! Zooals men ziet ongeveer de helft minder’ Doch nog meer interessant is dit middel om de opleving in de laatste maanden, zoodat er b.v. in Augustus en September méér werd opgebracht dan in die maanden, niet van verleden jaar, doch van 1913! * * * Waren de inkomsten dus over het algemeen niet hevig verontrustend, de abnormale omstandigheden eischten enorme buitengewone uitgaven. Daar is in de eerste plaats „de mobilisatie.” Vatten we marine en leger samen als defensie, dan blijkt dat b.v. over 1913 besteed werd plm. 55 millioen. Nu in ’t oorlogsjaar bijna 255 millioen. Dat is veel! Op ’t eerste gezicht verbijsterend veel! Maar ’t is weinig, als we denken wat een oorlog zou kosten. Daargelaten nog de diepe ellende . . . Dan zijn er als „crisis-uitgaven” de bedragen uitgetrokken tot steun van de zwakkeren. Sommen we op: Bijdrage Steuncomité: f2.250.000. Beschikbaarstelling van levensmiddelen: f 17.000.000 Bijdragen werkloosheidsverzekering: f 1.000.000. Belgische vluchtelingen : f 7.5000.000. Hef ligt voor de hand, dat dit alles uit de gewone inkomsten niet bestreden kan worden. En een staat is te veel coöperatief om dergelijke bedragen zoo maar beschikbaar te hebben. Vandaar de groote leening van f 275.000.000. Vergelijken we nu tenslotte den stand van ’s rijks kas einde Juli 1915 met dien van einde Juli 1914. dan blijkt, dat in 1914 de vlottende schuld bedroeg f61.400.000. Hierin is begrepen voor Indië f52.900.000, zoodat voor het moederland bleef f öl/2 millioen. De handen die zich uitstrekken om STEUN, n.1. die van werkloozen, vluchtelingen, geïnterneerden, om levensmiddelen enz., kosten het Rijk in het eerste crisisjaar bijna f28 MILLIOEN. In 1915 was die vlottende schuld f72,4 millioen. De leening verhoogde de schuld dus tot f 347.400.000 waarin begrepen is f 62.300.000 voor Indië, zoodat op Nederland alleen nu een schuld rust van f 285.100.000. De delging van die schuld alleen reeds zal ons op hooger lasten brengen. En dan komen de wettelijk besloten uitgaven voor maatschappelijke doeleinden (onderwijs, fracfementen-onderwijzers enzoovoorfs). De millioenen-nota geeft dan ook op den ge- .wonen dienst belangrijke tekorten voor 1916: b.v. 22 millioen... Ongetwijfeld zullen dus in de komende jaren de inkomsten van den staat belangrijk moeten verhoogen, ook in den vorm van belastingen. Aan gemopper daarover zal hef niet ontbreken. 3 gulden voor een Verkade-voorsfelling, een daalder voor een voetbalmatch . . . ce n est rien. Maar een paar gulden meer belasting doet al reclameeren. Het ware te wenschen dat er wat meer besef van den ernst en den last der tijden bij hef publiek ingang vond. Van bezuiniging merkt men na de rage der eerste weken vrijwel niets. V. 86 (17b) DE MAANDERBUURT IN DE OMGEVING VAN EDE.
PDF
Nummer
1915, nr. 86, 25 oct. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 J. K. LEURS, — Weidende schapen. J.K. Leurs /e weten het niet precies meer, maar we meenen, dat het Jacob Maris was, die, toen men hem eens over de moeilijkheden van het schilderen polste, moet geantwoord hebben: „O, schilderen, dat is heel gemakkelijk. Je zet maar de juiste kleur op de juiste manier op de goeie plaats.’* Het is even verrassend van eenvoudigheid als kostelijk van humor, en menige schilder die er van hoorde zal mees ­ muilend de juistheid van het recept erkend hebbent maar tevens begrepen hebben, welk een verachting er uit sprak voor de vele roemzuchtigen en ijdelen die het nooit verder brengen dan een schromelijk dilettantisme. Leurs heeft de moeilijkheden van het vak juist op het atelier der Marissen leeren kennen en overwinnen. Vooral Willem Maris, die zijn groei met veel interesse en vriendschap volgde, is voor zijn kunst van beteekenis geweest. De Marissen waren uiterst streng in hun critiek, al uitte die zich in een welwillenden vorm en het is bekend genoeg dat zij meermalen de juistheid van hun oordeel metterdaad bewezen door zelf den kwast ter hand te nemen en den verrasten jongen schilders in een kwartiertje wondermooi voor oogen te tooveren, datgene waarnaar zij dagen, weken ja maanden lang vergeefs gezocht en gepoogd hadden. Doch deze buitenkansjes vielen den toevalligen gelukkigen meer te beurt vóór Leurs’ tijd. Maar toch zullen de Marissen hem nog in de overtuiging gesterkt hebben, dat een schilderij werkelijk een schil derij moest zijn, een niet alléén door de lijst van de omgeving afgesloten iets, dat in een geheel van harmonisch geëquilibreerde composifie-lijnen een afgerond beeld der natuur vormde. Want niet alleen ontwikkelde zich de toen nog jonge Hagenaar, die zich vol moed in den picturalen struggle for life had geworpen, mettertijd tot iemand die door de makkelijkheid waarmee hij penseel en teekenstift hanteert zich een echt schilder toonde, maar ook deed hij zich kennen als iemand die een mooie compositie in elkaar wist te bouwen en die een nauwgezette studie der natuur aan een vlotte fantasie verbond, welke hem vaak in staat stelde het simpelste gegeven tot een boeiend onderwerp te ontwikkelen. Hij heeft zich niet als zoovelen tot de aanvaarding van de uiterste consequenties van het impressionisme laten vervoeren. Al is zijn opvatting die der Haagsche impressionisten, zijn gemoed als het hunne gevoelig voor de wisselende stemmingen der natuur, voor het mouvement van machtig boven het water en landschep zich welvende wolkenluchten, zijn stijl is er daarom niet minder „teekenachtig” J. K. LEURS. — Drinkende schapen. (foto’s M. M. Couvêe) om. Hij is uit. niet minder dan zij het waren, op een mooi geval, een boeiend spel van licht en donker, maar in de teekenachtige makelij van zijn vlot en deugdelijk geschilderde landschappen, zijn riviergezichten met zeilende tjalken en oevers met grazend vee, zijn hei- en bosch-zoomen met schapen, zijn open boschplekken met houtladende boeren openbaart zich toch meteen een gevoel voor het karakteristieke, het bij uitstek typische, de pikante lijn van een geval. Hij weet het bijkomstige onderdanig te maken aan het hoofdmotief, zijn landschapplans rustig te ontwikkelen en te laten uitvloeien in den mijmerenden toon der Hollandsche verschieten en, zoo noodig, te bekronen met het frappante licht en donker van een boeiend wolkenspel. Leurs werkt veel in de omgeving van den Haag en het Dekkersduin. maar ook in de buurten van Renkum. Wageningen en Rhenen en overal elders in het Hollandsche heide-, rivier- en waterlandschap waar hij z’n schilder- en teeken-achtig mooi vandaan haalt en waar zijn schildershart nooit genoeg van kan vertellen. DE GELUKSBOOM DOOR PIET VERSCHUUR ijn vriend Bartelsman en ik deden ons..tegoed aan een heerlijk diner, dat hij betaalde. Ik was zoo in mijn nopjes als een man met een leege beurs en een dito maag dat aan een welvoorziene tafel wezen kan. Bartelsman was niet in zijn nopjes, hoewel daar absoluut geen reden voor was, want hij had juist, wat hem al meer gebeurd was, een kleine erfenis ontvangen; dezen keer was ’t vijfduizend gulden. „Wat doet nou een ondernemend man met zoo’n schijntje 1” mopperde hij : „Absoluut niets. Het is net genoeg om hem al zijn lust in werken te ontnemen! Hoe gauwer ik het kwijt ben, hoe beter, dan kan ik weer denken over dingen waar ik juist aan bezig was, toen ik het geld ontving I” Bartelsman had altijd groote plannen, plannen waarbij vijfduizend gulden niets beteekenden; waarbij alleen het tiendubbele eenig gewicht in de schaal had kunnen leggen. Die plannen hadden al zijn kleine erfenissen opgeslokt en opdat dit ook niet met de laatste gebeuren zou, besloot hij het zoo spoedig mogelijk op te maken. Je kunt je dus zijn onaangename stemming verklaren. „Waarom zou ik er nou niet ereis een lekker leventje van nemen ?” zei hij op zwaarmoedigen toon. Ik was het volkomen met hem eens, terwijl ik me rijkelijk bediende van een overheerlijkemayonnaise, om die dadeiijk daarop met Haute Sauterne weg te spoelen. Aangezien mijn tafelgenoot zoo droevig gestemd was, maakte ik het hem niet lastig met vragen. Tusschen de gerechten door keek ik de Duitsche en Oostenrijksche soldaten, kranten.eens in. Ik beP, K. DOMMISSE. T Tc Vlissingen overleed de heer P. K, DOMMISSE, emeritus predikant bij de Ned. Herv. Gemeente. De overledene was ridder in de Orde van OranjeNassau en lid van het Zeeuwsch Genootschap voor Wetenschappen. — De heer B. A. H. LENDERINK, Commissaris van Politie te Zutfen, waar hij 25 jaar als zoodanig in functie was, heeft wegens een ongeneeslijke oogkwaal, zijn eervol ontslag gevraagd en verkregen. Hij was vooral bekend door den ijver, waarmee hij de belangen der Nederlandsche Politie-OrganU satie voorstond en bevorderde. WAT DE DUITSCHERS VINDEN . . „ bezig met het opruimingswerk in een door de teruggetrokken Polen. De naam der plaats was door de censuur geschrapt. paalde me uitsluitend tot ’t binnenlandsch nieuws, de oorlogsberichten zorgvuldig mijdende. Waarom zou ik mijn eetlust bedervên ? Ik had juist de laatste hand geslagen aan een „darne de saumon en gelée”, toen een bericht dat ik las oorzaak was. dat een deel van de heerlijke zalmmoot het verkeerde keelgat inging. Bartelsman keek boos op. „Wat scheelt jou opeens?” vroeg hij. Ik had hem blijkbaar in het ontwerpen van een grootsch plan gestoord. Ik veegde de tranen uit mijn oogen. „Luister, vriend,” zei ik, toen mijn hoesten bedaard was. „Er staat hier een correspondentie uit Delden, die je van belang zult vinden.” En toen las ik : „Een zeer merkwaardig voorval heeft hier in het dorp „plaats gehad. Een boerenarbeider, Janus Grup, in „dienst bij Teunis Barnhoorn, boomkweeker alhier, viel „bij het vruchtenplukken uit een appelboom. Ofschoon hij „van een hoogte van bijna zeven meter viel, had hij zich „niet in ’t minst bezeerd. Dit gebeurde drie dagen ge- „leden. Doch stel je zijn verbazing en vreugde voor, toen hij „gisteren thuis komende „vernam dat op zijn lot „in de Staatsloterij de „hoogste prijs gevallen „was en dat die prijs „was uitgekomen op den „dag dat hij uit den „boom gevallen was. „Dit voorval staat „niet op zichzelf. Bij nader onderzoek” (schrijft de correspondent verder) „is mij gebleken, „dat twee andere personen op verschillende „tijdstippen uit denzelf- „den boom gevallen wa- „ren zonder zich te be- „zeeren en dat beide „keeren dit ongeval ge- „volgd was door een ge- „luk. Twee jaar geleden „viel Barnhoorn zelf uit „den boom en kreeg (hij „was sinds jaren stokdoof) onmiddellijk zijn „gehoor terug. Een jaar „geleden viel een jon- „gen, Peter Klomp, die „aan het appels stelen „was uit denzelfden Russen verwoeste stad in Russisch- „boom, zonder eenig „letsel te bekomen. Ou B. A. H. LENDERINK.
PDF
Nummer
1915, nr. 86, 25 oct. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA EEN BOEKWINKEL OP EEN OORLOGSSCHIP. Dat ook aan boord der oorlogsschepen het bekende gezegde: De mensch zal van brood alleen niet leven, van kracht is, blijkt uit bovenstaande foto, die ons een primitief ingerichten boekwinkel vertoont op een Engelsch oorlogsschip, dat dienst doet op de Noordzee. Allerlei lectuur, tot kranten toe, is er voor de matrozen voorhanden. Heel eigenaardig heeft men het winkeltje: „Een Noordzee-boekenstalletje 1914-1915” gedoopt. OP WEG NAAR DE DARDANELLEN. Een zeldzame foto, door een Hollander genomen vanaf het Nederlandsche stoomschip „NieuwAmsterdam” en voorstellende het Engelsche transportschip „Francinia”, dat met5000 Canadeezen aan boord op weg is naar de Dardanellen. (V.F,B.) „weg naar huis vindt hij een portefeuille met drieduizend gulden, die „nimmer is opgeëischt geworden. Het „is geen wonder dat het laatste voor- „val. hetgeen op denzelfden datum „als de beide vorige plaats greep, „een groote opschudding in den om- „trek heeft veroorzaakt en dat men „algemeen den boom als behekst „beschouwt.” „Die vent is een gruwelijke leugenaar,” zei Bartelsman, toen ik ge­ ëindigd had. „Of ’t is een werkelijke geluksboom !” beweerde ik. (PASStB CENSOR) mem „Zeven-dertig!” zei hij. „Schiet op, Piet. We kunnen hem nog net halen! Kellner, hoeveel?” „Maar waarvoor dient toch die drukte?” vroeg ik nu. Ik haat alle overhaasting, vooral als de eerste gerechten van een copieus diner je tongen verhemelte gestreeld hebben. „Eenige verklaring zou, dunkt mij . . . „Ik ga dien boom koopen !” fluisterde hij mij trotsch toe. „Boom koopen . . . ?” herhaalde ik, van verbazing mijn vork latende vallen. „Zeker . . . HOE DE ZUIDAFR1KAANSCHE CENSOR ZIJN WERK VERRICHT. In enkele geïllustreerde bladen is voor eenige dagen een afdruk verschenen van een nummer van het „Nieuws van den Dag”, waarin * de Egyptische censor een staaltje van zijn bekwaamheid als „vakman” had tentoongesteld. Wij geven direct toe, dat het optreden van dien censor „veelomvattend” is geweest, maar toch gelooven wij met bovenstaande afbeeldingen te kunnen bewijzen, dat de Zuidafrikaansche censor zijn Egyptischen collega nog overtreft. De foto’s toch vertoonen de overblijfselen van ’n brief, dien ’n „warme” Zuidafrikaansche nationalist aan een vriend in Holland geschreven had. Het begin en het einde van het schrijven zijn op een vel papier geplakt door den censor en verder is alles weggeknipt, zelfs de plaats van afzending en de datum. Onze journalistieke nieuwsgierigheid niet kunnende bedwingen, hebben wij ook eens gekeken wat er aan de achterzijde der opgeplakte strookjes stond... en toen was het qeval ons duidelijk. De brief scheen namelijk te handelen over binnenlandsche aangelegenheden, er werd tenminste gesproken over drie duizend vyfhonderd Duitschers. En dit mag niet, daar de Botha-regeering absoluut niet weten wil, hoe de stemming in Zuid-Afrika is. De afbeelding links vertoont den brief zooals deze door den geadresseerde ontvangen werd, de foto rechts vertoont de achterzijde der opgeplakte strookjes. NA HET FRANSCHE OFFENSIEF. Gezicht op een (gewezen) bosch ten Noorden van Perthes, na het jongste offensief der Geallieerden. Hoé hevig en dicht de regen van granaten geweest is, toont meer dan woorden, de omwoelde grond en kaalgeschoten stammen der weinige staande gebleven hoornen. SIR EDWARD CARSON, die als lid van het Engelsche ministerie is afgetreden. (V.F.B.) ,, Drommels !” riep Bartelsman uit, na een oogenblik in gepeins verzonken te zijn geweest. „Jij zegt ’t goede woord, Piet, ’t is een geluksboom ... of... hij zal ’t worden 1” Ik dacht dat ons diner nauwelijks begonnen was en daar roept Bartelsman den kellner al. ..Wanneer gaat de eerstvolgende trein ?” vroeg hij. „Welke richting, mijnheer?” — „De staatsspoor, richting Utrecht 1 Gauw !” Hij wendde zich tot mij. „Dit is een kans, vriend ! Schitterend ! Grandioos I Er zit een fortuin in en de helft is voor jou !” Voordat ik eenige inlichtingen vragen kon, kwam de kellner met een spoorboekje. Bartelsman rukte het hem haastig uit de handen en begon te zoeken tot hij vond wat hij hebben moest. Zijn vinger gleed langs de bladzijde. VAN HET MOEILIJKSTE G EV EC HTSTE R R EI N . De terreinrnoeilijkheden van het gevechtsfront aan de Oostenrijksch-ltaliaansche grens, zijn reeds meermalen door ons in beeld gebracht. Bovenstaande foto, waarop men Oostenrijksche soldaten bezig ziet zwaar geschut tegen een berghelling op te werken, toont nog eens weer welke bijna onoverkomelijke bezwaren het terrein hier aan de krijgsoperaties in den weg legt. (V.F.B.) M. NICOLAS PASHITCH, de Servische minister-president, wiens zware taak het is het thans door hevige „stormen” bestookte Servische schip van staat in veilige haven te brengen. „En ik maak een fortuin,” ging hij even fluisterend voort. „Maar niemand behoeft dat te weten I” „Ben je gek geworden, Janus?” vroeg ik. „Ik heb de vijf beter bij elkaar dan jij,” was het weinig complimenteuse ant woord. — Toen betaalde hij den kellner. „Eet nu eerst af,” adviseerde ik, „en vertel me je idee.” —• „We zullen den trein missen !” „Een oogenblik, Janus. Wat wil je met dien boom uitvoeren?” — „Er een hek om plaatsen !” — „Een .... wat?” stotterde ik. „Een hek er omheen zetten,” herhaalde hij. „ïk spreek toch geen Spaansch ?” — „Neen, maar je praat als een idioot 1” antwoordde ik geërgerd. „Veronderstel dat de eigenaar hem niet verkoopen wil ?” — „Dan huur ik hem ! „En als hij hem ook niet verhuren wil?” — „Dan plant ik er een boom tegenover!” VAN HET SERVISCHE GEVECHTSTERREIN. Het weghalen en begraven door Oostenrijksche soldaten van de lijken van bij een stormaanval op een Oostenrijksche loopgraaf gesneuvelde Serviërs. Duidelijk is op de foto te zien, hoe de gevallenen in de prikkeldraadversperringen voor de loopgraven zijn verward geraakt, en zoo in den vijandelijken kogelregen den dood gevonden hebben
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1956 tot 1960 van 11897