|
PANORAMA 12
J. K. LEURS, — Weidende schapen.
J.K. Leurs
/e weten het niet precies meer,
maar we meenen, dat het Jacob
Maris was, die, toen men hem eens
over de moeilijkheden van het schilderen
polste, moet geantwoord hebben:
„O, schilderen, dat is heel gemakkelijk.
Je zet maar de juiste kleur op de
juiste manier op de goeie plaats.’* Het
is even verrassend van eenvoudigheid
als kostelijk van humor, en menige
schilder die er van hoorde zal mees
muilend de juistheid van het recept
erkend hebbent maar tevens begrepen
hebben, welk een verachting er uit
sprak voor de vele roemzuchtigen en
ijdelen die het nooit verder brengen
dan een schromelijk dilettantisme.
Leurs heeft de moeilijkheden van
het vak juist op het atelier der Marissen
leeren kennen en overwinnen.
Vooral Willem Maris, die zijn groei
met veel interesse en vriendschap
volgde, is voor zijn kunst van beteekenis
geweest. De Marissen waren
uiterst streng in hun critiek, al uitte
die zich in een welwillenden vorm en
het is bekend genoeg dat zij meermalen
de juistheid van hun oordeel
metterdaad bewezen door zelf den kwast
ter hand te nemen en den verrasten
jongen schilders in een kwartiertje
wondermooi voor oogen te tooveren,
datgene waarnaar zij dagen, weken ja
maanden lang vergeefs gezocht en
gepoogd hadden. Doch deze buitenkansjes
vielen den toevalligen gelukkigen
meer te beurt vóór Leurs’ tijd.
Maar toch zullen de Marissen hem
nog in de overtuiging gesterkt hebben,
dat een schilderij werkelijk een schil
derij moest zijn, een niet alléén door de lijst van de omgeving afgesloten iets, dat in een geheel van
harmonisch geëquilibreerde composifie-lijnen een afgerond beeld der natuur vormde. Want niet alleen
ontwikkelde zich de toen nog jonge Hagenaar, die zich vol moed in den picturalen struggle for life
had geworpen, mettertijd tot iemand die door de makkelijkheid waarmee hij penseel en teekenstift
hanteert zich een echt schilder toonde, maar ook deed hij zich kennen als iemand die een mooie
compositie in elkaar wist te bouwen en die een nauwgezette studie der natuur aan een vlotte fantasie
verbond, welke hem vaak in staat stelde het simpelste gegeven tot een boeiend onderwerp te ontwikkelen.
Hij heeft zich niet als zoovelen tot de aanvaarding van de uiterste consequenties van het impressionisme
laten vervoeren. Al is zijn opvatting die der Haagsche impressionisten, zijn gemoed als het
hunne gevoelig voor de wisselende stemmingen der natuur, voor het mouvement van machtig boven
het water en landschep zich welvende wolkenluchten, zijn stijl is er daarom niet minder „teekenachtig”
J. K. LEURS. — Drinkende schapen. (foto’s M. M. Couvêe)
om. Hij is uit. niet minder dan zij het waren, op een mooi geval, een boeiend spel van licht en donker,
maar in de teekenachtige makelij van zijn vlot en deugdelijk geschilderde landschappen, zijn riviergezichten
met zeilende tjalken en oevers met grazend vee, zijn hei- en bosch-zoomen met schapen, zijn
open boschplekken met houtladende boeren openbaart zich toch meteen een gevoel voor het karakteristieke,
het bij uitstek typische, de pikante lijn van een geval. Hij weet het bijkomstige onderdanig
te maken aan het hoofdmotief, zijn landschapplans rustig te ontwikkelen en te laten uitvloeien in den
mijmerenden toon der Hollandsche verschieten en, zoo noodig, te bekronen met het frappante licht
en donker van een boeiend wolkenspel. Leurs werkt veel in de omgeving van den Haag en het
Dekkersduin. maar ook in de buurten van Renkum. Wageningen en Rhenen en overal elders in het
Hollandsche heide-, rivier- en waterlandschap waar hij z’n schilder- en teeken-achtig mooi vandaan
haalt en waar zijn schildershart nooit genoeg van kan vertellen.
DE GELUKSBOOM
DOOR PIET VERSCHUUR
ijn vriend Bartelsman en ik deden ons..tegoed
aan een heerlijk diner, dat hij betaalde. Ik
was zoo in mijn nopjes als een man met een
leege beurs en een dito maag dat aan een
welvoorziene tafel wezen kan. Bartelsman
was niet in zijn nopjes, hoewel daar absoluut
geen reden voor was, want hij had juist, wat hem al meer
gebeurd was, een kleine erfenis ontvangen; dezen keer
was ’t vijfduizend gulden.
„Wat doet nou een ondernemend man met zoo’n schijntje
1” mopperde hij : „Absoluut niets. Het is net genoeg
om hem al zijn lust in werken te ontnemen! Hoe gauwer
ik het kwijt ben, hoe beter, dan kan ik weer denken over
dingen waar ik juist aan bezig was, toen ik het geld ontving
I”
Bartelsman had altijd groote plannen, plannen waarbij
vijfduizend gulden niets
beteekenden; waarbij alleen
het tiendubbele
eenig gewicht in de schaal
had kunnen leggen. Die
plannen hadden al zijn
kleine erfenissen opgeslokt
en opdat dit ook
niet met de laatste gebeuren
zou, besloot hij
het zoo spoedig mogelijk
op te maken. Je kunt je
dus zijn onaangename
stemming verklaren.
„Waarom zou ik er
nou niet ereis een lekker
leventje van nemen ?”
zei hij op zwaarmoedigen
toon.
Ik was het volkomen
met hem eens, terwijl ik
me rijkelijk bediende van
een overheerlijkemayonnaise,
om die dadeiijk
daarop met Haute Sauterne
weg te spoelen.
Aangezien mijn tafelgenoot
zoo droevig gestemd
was, maakte ik
het hem niet lastig met
vragen. Tusschen de gerechten
door keek ik de Duitsche en Oostenrijksche soldaten,
kranten.eens in. Ik beP,
K. DOMMISSE. T
Tc Vlissingen overleed de heer P. K, DOMMISSE, emeritus predikant bij
de Ned. Herv. Gemeente. De overledene was ridder in de Orde van OranjeNassau
en lid van het Zeeuwsch Genootschap voor Wetenschappen. —
De heer B. A. H. LENDERINK, Commissaris van Politie te Zutfen, waar
hij 25 jaar als zoodanig in functie was, heeft wegens een ongeneeslijke
oogkwaal, zijn eervol ontslag gevraagd en verkregen. Hij was vooral bekend
door den ijver, waarmee hij de belangen der Nederlandsche Politie-OrganU
satie voorstond en bevorderde.
WAT DE DUITSCHERS VINDEN . . „
bezig met het opruimingswerk in een door de teruggetrokken
Polen. De naam der plaats was door de censuur geschrapt.
paalde me uitsluitend tot ’t binnenlandsch nieuws, de oorlogsberichten
zorgvuldig mijdende. Waarom zou ik mijn
eetlust bedervên ?
Ik had juist de laatste hand geslagen aan een „darne de
saumon en gelée”, toen een bericht dat ik las oorzaak was.
dat een deel van de heerlijke zalmmoot het verkeerde
keelgat inging.
Bartelsman keek boos op.
„Wat scheelt jou opeens?” vroeg hij. Ik had hem blijkbaar
in het ontwerpen van een grootsch plan gestoord.
Ik veegde de tranen uit mijn oogen.
„Luister, vriend,” zei ik, toen mijn hoesten bedaard
was. „Er staat hier een correspondentie uit Delden, die
je van belang zult vinden.”
En toen las ik :
„Een zeer merkwaardig voorval heeft hier in het dorp
„plaats gehad. Een boerenarbeider, Janus Grup, in
„dienst bij Teunis Barnhoorn, boomkweeker alhier, viel
„bij het vruchtenplukken uit een appelboom. Ofschoon hij
„van een hoogte van bijna zeven meter viel, had hij zich
„niet in ’t minst bezeerd. Dit gebeurde drie dagen ge-
„leden. Doch stel je zijn verbazing en vreugde voor, toen hij
„gisteren thuis komende
„vernam dat op zijn lot
„in de Staatsloterij de
„hoogste prijs gevallen
„was en dat die prijs
„was uitgekomen op den
„dag dat hij uit den
„boom gevallen was.
„Dit voorval staat
„niet op zichzelf. Bij nader
onderzoek” (schrijft
de correspondent verder)
„is mij gebleken,
„dat twee andere personen
op verschillende
„tijdstippen uit denzelf-
„den boom gevallen wa-
„ren zonder zich te be-
„zeeren en dat beide
„keeren dit ongeval ge-
„volgd was door een ge-
„luk. Twee jaar geleden
„viel Barnhoorn zelf uit
„den boom en kreeg (hij
„was sinds jaren stokdoof)
onmiddellijk zijn
„gehoor terug. Een jaar
„geleden viel een jon-
„gen, Peter Klomp, die
„aan het appels stelen
„was uit denzelfden
Russen verwoeste stad in Russisch- „boom, zonder eenig
„letsel te bekomen. Ou
B. A. H. LENDERINK.
|