Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1946 tot 1950 van 11897
Nummer
1915, nr. 84, 18 oct. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA FOTO’S VAN HET WESTELIJK FRONT. Links: Een Duitsche opslagplaats van pompen en looden pijpen, die voor de watervoorziening door de Verbondenen worden gebruikt aan het front in Rusland. Dergelijke opslagplaatsen treft men thans in België en Noord-Frankrijk veelvuldig aan, in verband met de onlangs door de Duitschers gehouden metaal-requisities. Rechts : Requisities van metaal in de buurt van Anizy. waarin ze alles schreef, eiken dag, hoe ze zich voelde, waarin ze precies haar stemmingen weergaf, en waarin ze uitklaagde, onbeschroomd, en volkomen eerlijk, haar intense verdriet, en haar bijna onduldbaar verlangen naar Dick. Toen haar Moeder weggegaan was, was ze er mee begonnen.... Ze liet zich lenig van den divan glijden. Wat had Dick vaak haar lenigheid en gratie bewonderd ! . . . Loesje speelde nog steeds met haar poppen, en even hurkte ze bij het blonde kindje neer. „Mammy moet nog even schrijven, en dan gaan Mammy en Loesje en al de poppekindertjes gezellig theedrinken hoor 1 En Loesje mag theeschenken uit haar eigen serviesje.” „Hè ja, Mammy,” zei Loesje verrukt. „Je schrijft niet lang hè?” „Nee kindje.” — „Schrijf je aan Paps?” — „Ja lieveling.” Toen wendde ze zich gauw af, om de opkomende tranen te verbergen en ze haalde uit haar schrijfbureau het dagboek, waar ze boven geschreven had in haar flink, zelfbewust schrift: „Voor mijn man.” — II. Eenige dagen daarna kwam ze voorbij Dicks kantoor, en een ingeving van het oogenblik volgend, naar binnen. De oude procuratiehouder, die haar zelden op kantoor gezien had, was verwonderd de vrouw van zijn chef, die op het heele kantoor voor „ontzettend trotsch” doorging, zoo kalm te zien binnenkomen. En toen ze ging zitten in een van Dicks gemakkelijke clubstoelen, en van onder den grooten, zwarten hoed naar hem opkeek'met haar mooie, blauwe oogen en vroeg : „En vertelt u mij nu eens mijnheer Mulder, hebt u het druk nu mijn man weg is ?” —, toen ontging hem wel, hoe ze als een liefkoozing „mijn man” uitsprak, maar niet ontging hem de -groote charme, die van haar geheele verfijnde, elegante persoonlijkheid uitging. En in zichzelf mompelde hij : „Met zoo’n vrouw zou ik nooit alleen naar Indië gegaan zijn, als ik mijnheer geweest was.” En toen ze rondkeek en overal de strenge degelijkheid zag die Dick zoo kenmerkte, toen was het alsof ze opeens in zijn sfeer overgeplaatst werd, en dieper schitterden haar oogen, toen ze plotseling zei: „Weet u wat, mijnheer Mulder, ik heb zooveel vrijen tijd, nu mijn dochtertje naar school is, ik kom ‘s middags eens een paar uurtjes helpen,” en terwijl ze met haar parasol figuurtjes trok op den parketvloer, vervolgde ze : „Ik heb me altijd zeer voor .den handel geïnteresseerd.” Toen ze weg was, haalde mijnheer Mulder zijn schouders op, en zei, alsof hij tegen de brieven sprak, die hij teekende : „Hm, de bevlieging van een charmante vrouw.” Maar het was geen bevlieging, want eerst kwam ze ’s middags en later ook ’s ochtends werken. Ze liet zich alles uitleggen en telkens weer bewonderde ze de zakenkennis M. BROEKHUIZEN, t P. J. MEERBURG, t J. v. d. WAERDEN. Te Amsterdam is overleden de heer M. BROEKHUIZEN, een zeer bekend ingezetene der hoofdstad, directeur van verschillende bierbrouwerijen, oprichter van „De Kroon”, het „Rembrandt-Theater” en de „Nieuwe Karseboom”. — Op 64-jarigen leeftijd is te ’s-Gravenhage overleden de heer P. J. MEERBURG, in leven oud-directeur van het Post- en Telegraafkantoor te Scheveningen. — De heer J. v. d. WAERDEN, Hoofdingenieur bij de Staatsspoor in Nederl. Indië, is benoemd tot directeur van Bouw- en Woningtoezicht te Amsterdam. 25-JARIG BESTAAN ..KLEIN COLLEGE” TE ROERMOND. Het „Klein College” (een R. K. onderwijsinrichting) te Roermond, bestond Woensdag 13 October 25 jaar, welk feit met veel luister is gevierd. Onze foto geeft het onderwijzend personeel met in ’t midden den directeur, den heer Cals, vereenigd voor het versierde schoolgebouw. {Foto C. G, Weers) van Dick, die ze overal ontmoette, en met bewondering las ze de duidelijke, heldere zakenbrieven, die geregeld uit Indië binnenkwamen. En het was, alsof ze nooit nader O DUIN EN DAL O XA enig Hagenaar meent ’t Haagje door en door te kennen, als hij er eigenlijk nog niet veel meer dan een vreemdeling in is. Voor hoeveel Hagenaars toch zijn de omstreken van hun schoone stad vrijwel onbekend. Zoo hij eens een wandeling in de natuur wil maken, gaat hij naar; het „onvolprezen lustwarand”, het Haagsche Bosch, of naar de lieve Scheveningsche Boschjes. — Nu, deze bosschen zijn mooi! Doch schooner is de wandeling naar de omgeving van de vlakte van Waalsdorp. Hier kan men wanen in Gelderland te zijn. Ware, echte natuur rondom ons, waarheen wij ook gaan! Op de duinen, die hier vrij steil en hoog zijn, waarheen men zijn blik ook wendt, prachtige vergezichten. ‘Aan den voet der duinen schoon opgaand geboomte. Zelfs een mooi dennenbosch, waar het heerlijk rusten is. Beneden in ’tdal, een allerliefst gelegen theetuin, zeer eigenaardig „Duin en Dal” geheeten. De hiernevens staande foto’s trachten een beeld te geven van het schoone dat er te genieten valt. Trachten, merken wij op. Want de groote schoonheid' der vergezichten is van zoo’n kleurrijke pracht dat elke weergave er van, verre beneden de werkelijkheid moet blijven. tot Dick gestaan had dan nu, het was alsof ze nooit beter zijn persoonlijkheid, zijn flinkheid, zijn ernst, ja zelfs zijn heerschzucht had gewaardeerd dan op zijn kantoor. En hèel spoedig had ze mijnheer Mulder geheel voor zich gewonnen. En toen ze met haar liefste lachje zei: „We schrijven niets aan mijn man mijnheer Mulder,” en even later vervolgde: „Het moesteen verrassing blijven hoor!” toen begreep hij weer niet, hoe over die vrouw zooveel gesproken en gefluisterd was. En ze had zich vlug ingewerkt. Ze had goed geleerd, had een helder verstand en een taai doorzettingsvermogen. Ze wist zoo gauw het voordeel in een zaak te zien, gaf soms zulke heldere, scherpziende wenken, dat mijnheer Mulder bewonderend uitriep : „Mevrouw, ik wou dat mijnheer hier was en u hoorde.” En dan boog het charmante gezichtje zich dieper over de brieven, die behandeld werden, om den plotselingen blos van blijdschap te verbergen, die haar naar de wangen steeg, en haar heel jong en kinderlijk deed lijken. Zoo gingen weer vier maanden voorbij, en Dick was nu acht maanden weg. Nog altijd schreef ze ’s avonds in haar dagboek, nog altijd vertrouwde ze haar intiemste, innigste gedachten toe aan het boek, waar ze boven had geschreven : „Voor mijn Man.” Nu ze geregeld werk had, en met plezier zich inleefde in de zaak, die van Dick was, voelde ze hoe krachtig ze werd, hoe alle ziekelijke ideeën verdwenen waren, hoe ze zoo gezond tegenover het leven stond, als ze er misschien nooit tegenover gestaan had. Haar jaloezie op Emma Faessen leek haar nu belachelijk. Ze wist nü, dat er nooit iets geweest was tusschen Emma en Dick, en zelfs, als er iets geweest zou zijn, dan kon ze het nu vergeven in haar groote levenskracht. En ze dacht er reeds over het dagboek weg te sturen, dat één groote bede was tot Dick, om terug te komen. Ze voelde zich zóó gelouterd door den smartelijken tijd, die voorbij was, toen Loesje ziek werd. Loesje kwam moe en hangerig van een kindervisite thuis. Daar begon het mee. ’s Nachts nog werd de koorts onrustbarend hoog, en den geheelen nacht waakte ze, en als het ijlende kinderstemmetje riep : „Paps, ik wil Paps hebben”, dan wist ze, dat ze zich nooit genoeg kon verwijten, dat ze Dick had laten gaan. En toen de dokter, die ze ’s nachts weer liet halen, kwam, en Loesje de heete koortshandjes naar hem uitstak en zei: „Ben jij daar Paps ?” toen huiverde ze opeens van angst, dat Loesje Paps nooit terug zou zien. En veel dagen streed ze alleen om het behoud van Loesje. Ze wilde geen verpleegster, ze wilde geen vreemde om haar te helpen in den strijd Loesje te behouden voor Dick.
PDF
Nummer
1915, nr. 84, 18 oct. 1915
Blad
08
Tekst
16 DE „ZEEAREND” !N DE MAASHAVEN OMGESLAGEN. Het lichten van het s.s. „Zeearend”, dat met een lading riet aan boord, in de Maashaven te Rotterdam, is omgeslagen. Op de linker foto ziet men het schip half gelicht, terwijl men bezig is de lading te bergen. De rechter afbeelding toont de electrische pomp in werking, waarmede het water uit het schip werd gehaald. Deze pomp verwerkt per uur 250.000 M3 water. PANORAMA In verloren oogenblikken, als Loesje onrustig sliep, schreef ze in haar dagboek al haar wanhoop, al haar angst; en soms snikte ze het uit op de beschreven bladen : ,,O God, het kan toch niet, het mag toch niet, dat Loesje niet beter wordt. Ik voelde me zoo goed, zoo goed. En waarom moet ik nu zóo gestraft worden.........” Maar dan richtte ze zich op methaarherwonnen veerkracht en ging weer kalm bij Loesje’s bedje zitten en legde de koele hand op het gloeiende koortshoofdje en wachtte, wachtte, of de koorts nu eindelijk niet af zou nemen, of dat .... en dan drukte ze haar tanden in de onderlip, om toch vooral niet weer te huilen. Toen tien lange, bange dagen voorbij waren, begon de koorts af te nemen. Langzaam knapte Loesje op en toen de kleine meid voor het eerst weer opzat, schreef ze den laatsten zin in haar dagboek. En daaronder liet ze Loesje met groote, kromme potloodletters schrijven : „Paps, kom je asjeblieft gauw bij Mammy en Loesje terug?” En zoo verzond ze het! Na twee weken was Loesje weer de oude, dartelden de vlugge voetjes weer door het huis, schalde het zangerige stemmetje eiken dag: „Komt Paps nu vandaag, Mammy?” „Vandaag nog niet, Loesepoes.” „Maar toch gauw, hè Mammy ?” „Ja kindje, heel gauw hoor!” — „En gaat Paps dan nooit meer weg ?” — „Nee, nooit meer, hoor lieveling.” Toen Loesje weer naar school ging, hervatte ze haar werk op kantoor. — „We hebben u gemist Mevrouw”,* zei mijnheer Mulder hartelijk. Bleeker dan vroeger, het gezichtje smaller geworden, dook ze weg in den clubstoel, waar ze het eerst in gezeten had, maar haar oogen glansden bij hetJdee, dat ze straks Loesje zou halen uit school, dat Loesje haar te gemoet zou springen, en aan haar arm gaan hangen en vertellen honderd uit over de juffrouw en de vriendinnetjes. Langzaam en aandachtig las ze de correspondentie van maanden door, en ze gaf zich met haar geheele hart aan de zaak, om toch-vooral op de hoogte te zijn van alles, als Dick terug was. Als Dick terug was........... Den volgenden dag kwam er een telegram : „Ben op de terugreis Koningin Emma.” — Dién dag kon ze niet werken, ging ze wandelen ver buiten de stad, kwam ze Loesje van school halen met gloeiende wangen en stralend gezicht. — „Wat ben je mooi, Mammy” zei Loesje verrukt. En toen juichte ze bijna : „Loesepoes, nu is Paps gauw bij ons hoor!” — Het eerst keek ze ’s morgens de scheepsberichten na. Hij kwam dichter bij, eiken dag dichter. Maar wat duurde het nog lang ! Ze werkte energiek naast mijnheer Mulder voort, speelde thuis veel met Loesje, luisterde met onuitputtelijk geduld naar Loesje’s gesnap over Paps, hoe ze met Paps zou spelen en wandelen, en dat haar Paps toch veel liever was dan die van Marietje, of Zus, of Catootje. Dan lachte ze en soms danste ze met Loesje door de kamer, om uiting te geven aan haar verlangen en haar geluk. Ook bezocht ze de kennissen, die haar het sympathiekst geweest waren, toen Dick er nog was. En als haar stralend, elegant persoontje binnenkwam, zoo geheel verschillend van de grillige, trotsche nerveuze vrouw van een jaar geleden, dan verwonderden velen zich over die groote verandering. En altijd dieper glansden de oogen, en altijd gelukkiger lachte haar gezichtje, wanneer ze voor de zooveelste maal herhaalde: „Ja, Dick komt met de Koningin Emma terug. Ik verwacht hem nu met een dag of tien” — En als er eens een stem ironisch zei: „U zult wel verlangen zeker?” dan antwoordde ze zoo spontaan-gelukkig : „Of ik verlang? O Mevrouw, ik verlang ontzettend,” dat de aangesprokene geheel ontwapend dacht : „Zouden we ons zóo in haar vergist hebben ?” En eindelijk kwam de dag, dat zij en Loesje bloemen gingen bestellen. Een weelde van bloemen moest ze in huis hebben. En samen met Loesje versierde ze de kamers, ’s Avonds om 6 uur zou Dick aankomen, en om 5 uur ging ze zich kleeden ; buiten gierde de wind, en vielen de EEN SLEEPBOOT GETAKELD. Een hoogst interessante foto genomen tijdens het aan boord van het s.s. „Kambangan” brengen van de sleepboot „Hector”, die bestemd is voor Indië. Het aan boord hijschen geschiedde met een der reusachtige kranen van de Nederlandsche Scheepsbouwmaatschappij te Amsterdam. (V.F.B.) herfstbladeren neer in den tuin. Maar binnen was alles zomer en licht en warmte. — Loesje danste al rond in haar witte jurkje, de vlugge blauwe strik springend op en neer in haar blonde krullen. „O Mam, wat een mooie japon, Mammy,” schalde ze aldoor bewonderend. Ja, het was een mooie japon, een, die ze voor vandaag had laten maken. Schitterend kleedde haar de groene Liberty-zij, met de breede ceintuur en den rijken kanten kraag. „Mam, die is voor u, die moet u dragen”, vleide Loesje, en lachend stak ze, staande voor den hoogen spiegel, de bloem van Loesje in haar ceintuur. Ze wist het, dat ze Dick zou charmeeren met haar uiterlijk, en ze wist het ook, dat Dick haar veranderd zou vinden, heel, heel veel veranderd . . Toen nam ze Loesje bij de hand en gingen ze naar beneden, waar ze met verrukking rondkeek in de kamers vol bloemen, en steeds nog iets te verschikken vond, opdat alles toch nog maar mooier en schitterender zou zijn. Plots hield een auto stil. . . Ze hield Loesje, die weg wou hollen, stevig bij de hand vast, en toen ging de deur open. en daar stond Dick, groot, flink, gebruind. Ze hoorde Loesje’s stemmetje : „Paps, Paatje.” En toen voelde ze zijn sterke armen om haar heen en ze kon niets doen dan huilen, snikken van blijdschap met haar gezicht tegen zijn schouder. En zoo zacht en teer fluisterde zijn stem : „Vrouwtje, m’n eigen lieve vrouw,” dat ze opeens vond, dat dat geluk haast te groot was........... Maar Loesje dwong om Paps, en ze kon zich langzaam herstellen. Aan tafel kon ze niet eten en ze keek hem maar aan met haar glanzende, blijde oogen en als hij haar over tafel heen toeknikte met z’n innigen blik, dan glimlachte ze terug, lief en vól overgave .... Toen Loesje naar bed was, bleven ze samen in de geurige kamer vol bloemen, en^heel dicht leunde zijn donkere hoofd naast haar blonde kopje in de divan-kussens. „Dick?” vleide haar stem zacht. — „Ja vrouwtje?” „Je bent nu niet bang meer voor de toekomst met mij, hè ? — Ik zal heusch heel erg mijn best doen hoor !” Hij lachte en kuste de heldere oogen dicht. Maar ze richtte zich weer op. „Ik moet toch nog iets zeggen Dick. Ik . . ik was al lang niet meer jaloersch op Emma Faessen, hoor ! En ik zou haar graag eens weer willen ontmoeten. En ik ben veranderd hoor Dick, heusch.” „Lieveling, je dagboek heeft me immers alles gezegd. Toen heb ik je zoo goed begrepen. En je weet toch, dat ik direct weggegaan ben, toen ik het gelezen had. Ik heb alle verdere zaken in Indië maar schriftelijk afgedaan, om toch maar gauw, gauw bij je te zijn.” „O Dick I” en de fijne handen drukten de zijne. „En toen ik las hoe ziek Loesje geweest is, toen vond ik je zoo’n dapper vrouwtje, omdat je dat zoo kranig alleen gedragen hebt.” „’t Was wel een wanhopige tijd, Dick.” „Maar het is nu voorbij, hè lieveling? En in ’t vervolg zullen wij altijd samen zijn, en zul je je man nooit meer laten gaan, hè ?” „Nooit meer Dick. En ik mag je in zaken blijven helpen, nietwaar? Ik vind het zóo heerlijk.” „Natuurlijk mag je dat. Ik heb nooit geweten, dat ik zoo’n business-vrouwtje had.” Even hing de innige stilte om hen heen. Toen zei zijn stem plotseling, heesch van ontroering : „God, wat hèb ik naar je verlangd, vrouw, vrouwtje ...” „O, en ik dan Dick . . .” De groote schemerlamp wierp haar zacht-rose schijnsel door de kamer, en verleende haar gezichtje een wondere bekoring ; de bloemen geurden en nijgden de kopjes zegenend, en terwijl ze zich oprichtte en zijn donkere hoofd innig tusschen haar handen nam, zei ze zacht: „Nu ben je gelukkig met me, hè Dick? Nu ben je gelukkig, hè?” .... en dan, weer door zijn sterke armen omvat: „O Dick........ ” RECTIFICATIE. De in ons vorig nummer gereproduceerde foto’s der Schilderijententoonstelling van Piet Rackwitsz, zijn niet van M. M. Couvée, zooals wij abusievelijk vermeldden, doch van de „Vereenigde Foto-Bureaux”. De panorama-Tournée met Ko Doncker’s Schimmenspel Een ridder, onledig met ’t steekspel. W ij hebben u reeds verteld dat wij met Ko Doncker en zijn Schimmenspel door Nederland reizen. Het is echter misschien niet overbodig u nogmaals te wijzen op de éenige gelegenheid die wij u thans aanbieden: als abonné op Panorama kost u de toegang tót de voorstelling slechts 50 cents. Let dus op den bon, dien ge in uw exemplaar zult vinden liggen zoodra het schimmenspel in de plaats uwer inwoning vertoond wordt. Ko Doncker’s schimmen, kunstig en smaakvol gesneden, hebben tevens een humoristischen kant, die nog sterker spreekt door den steun der muziek en de geestige declamatie van den teekenaar. Het is een eigenaardig genot naar zijn kunst te gaan zien en hooren ; nu eens zijt ge in stille bewondering voor de prachtige poëtische schim van het Japansche theehuis of de geweldige silhouet van de voorbijstormende Hunnen, dan weer moet ge het uitschateren om den droog-komieken tekst dien Doncker zoo leukweg voordraagt. — Vergeet vooral niet het tekstboekje te koopen ; ge kunt er Doncker’s verzen nog eens in nalezen en u verbazen welke groote effecten hij met eenvoudige middelen weet te verkrijgen. De schimmenspelen zijn niet alleen een allervermakelijkste tijdpasseering, zij zijn ook het werk van een begaafd kunstenaar dat voor de beroemde Parijsche silhouetten in den Chat-Noir niet onderdoet. Tijgers, door negers aan het zeel meegevoerd. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 85, 21 oct. 1915
Blad
01
Tekst
No. 85 (17a) 21 OCT. 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7 7, CENT Ar . W S IJTH OFF ’S UITGE.VER.S MAATSCHAPPIJ - LEID EM ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 De uitwerking van ’t Engelsche bombardement op de Belgische kust Een straat in Westende, die door het bombardement gedeeltelijk is verwoest Een door de beschieting geheel vernield huis te Westende. N og nimmer was het de geïllustreerde pers gelukt — ondanks alle moeite — de gevolgen in beeld te brengen van de beschieting der Belgische kust door de Gealliëerden. Om begrijpelijke strategische redenen werd fotografeeren in deze streek door de Duitsche militaire overheid ten strengste verboden. Eén onzer fotografen mocht er echter in slagen de schade, door de laatstleden beschieting aangebracht, op zijn gevoelige plaat te vereeuwigen. Dat de foto’s technisch minder goed zijn uitgevallen, komt geheel op rekening der moeilijke omstandigheden waaronder zij werden vervaardigd. De belangrijkheid — vooral ook uit een actueel oogpunt — deed ons dit echter over ’t hoofd zien.
PDF
Nummer
1915, nr. 85, 21 oct. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA DE VLUCHT UIT BELGIE IN BEELD GEBRACHT DOOR LEO GESTEL.. moet niet verwachten boudoirkunst onder de oogen te krijgen. De Vlucht *ooze stoeten trekken daar in de tentoonsfellingsAller oogen, hol van schrik, van moeheid, van (Vervolg) ze is heel goed/' — Zij zwegen en keken elkaar door den blauwen nevel der rookwolkjes onafgewend aan. Na een oogenblik zei zij: „Het regent nog steeds!” Hij gaf geen antwoord. Hij dacht er niet meer aan om weg te gaan. Een mat gevoel van welbehagen doorvloeide zijn geheele lichaam. Elke herinnering was uitgewischt. Tijd en ruimte bestonden niet meer. Hij zou gaarne altijd maar zoo hebben blijven zitten en haar aanstaren. Plotseling stond zij op en zeide: „Wil me een oogenblik verontschuldi • gen.” Zij ging naar een nevenvertrek. Hij rookte een tweede sigaret. Die leek hem lichter dan de eerste. Wat went men spoedig aan opium, dacht hij. In de deuropening verscheen zij weer. Zij droeg een donkerroode peignoir van de allerdunste zijde. Kalm zeide zij : „Het is zoo warm hier. Ik heb ’t mij een beetje gemakkelijk gemaakt. U neemt ’t mij zeker niet kwalijk ?” Heinersdorff wilde iets antwoorden maar zijn keel was als verdroogd. Zijn hart begon luid te slaan. De deur die naar de slaapkamer leidde, was open gebleven. De kapitein kreeg vaag ’t gevoel alsof hij nu een ruit moest stukslaan omfrissche, koude lucht in de kamer binnen te laten. Hij ging in een fauteuil zitten die in een hoek stond en kruiste de beenen. Het was heel stil. Men hoorde het zachte druppelen van den regen. Zij vroeg : „U is zoo zwijgzaam. Hindert u iets?” Zij stond op en kwam achter zijn stoel staan. Haar vingers streken zacht en langzaam over zijn haar. Een warme trilling ging door zijn leden. Hij sloeg zijn arm om haar middel en trok haar tot zich. Zij nam zijn hoofd tusschen haar handen, keek hem aan en langzaam naderde haar mond den zijne. Eindelijk vereenigden hun lippen zich in een langen kus. Plotseling stiet zij hem terug en riep: „Ga nu heen,-ga heen !” Zij wilde zich los maken. Hij hield haar in ijzeren greep omklemd. Smeekend herhaalde zij : „Toe, ga nu heen. . . .” Maar hij drukte zijn lippen op haar gelaat en bedekte het met kussen. ontbering,zijn in starre spanning opden horizon gericht, waarde grens is, de veiligheid. — öestel heeft slechts ’n enkelen keer, als de vluchtelingen in een Nederlandsch kamp bijeen zijn en dus de doodsangst te luwen begint, de wreedheid van zijn weergave met wat humor verzacht; overigens dragen deze teekeningen het merk van den afgrijselijken tijd waarin ze ontstaan zijn. Wie gewoon is zich wijs te maken dat de ellende niet bestaat wanneer je er niet naar kijkt, moet deze tentoonstelling maar voorbijgaan. {foto's Couvée) III. Het regende nog steeds toen Heinersdorff wegging. De koude wind die hem in het warme gelaat woei, deed hem langzamerhand uit zijn verdooving ontwaken. Wat was er eigenlijk met hem gebeurd ? Hij nam zijn hoed van ’t hoofd en begon terug te denken, maar hij stootte op een onwrikbaren nevelmuur. Het leek hem toe alsof de gebeurtenissen van den nacht heel ver reeds lagen, in een ander leven. Hoe laat kon ’t eigenlijk zijn? ’t Schemerde reeds. Hij keek op zijn horloge. Het was vijf uur. Hij begon sneller te gaan als iemand die vlucht en een gevaar ontloopen wil. Hoe meer hij de frissche ochtendkoelte inademde, des te meer verbrokkelde en verzonk de nevelmuur die zijn geheugen omringd had. Hij kwam langzaam weer tot zichzelf. Wat was dat voor een dwaze roes geweest ? Hij had zich laten vangen als een jonge vaandrig. Maar wat was ’t doel van alles geweest ? Hij greep onwillekeurig naar zijn portefeuille. Die was nog op haar plaats. Een oplossing van het raadsel vond hij niet. Dan kwam, zeer langzaam, het berouw en kroop in zijn hart en vergiftigde zijn bloed. Hij zag Hedwig Buschgart voor zich, voelde den rustigen blik van haar reine oogen op zich rusten, en hij kon dien blik niet verdragen. Hij verbaasde zich toen hij plotseling op het Stefansplein stond. Als in een droom ging hij het Café de 1’Europe binnen om een kop koffie te drinken. Het was er ondanks het vroege uur zeer vol met menschen. Het was hier het laatste station van alle beroepsspelers en -wedders, van alle gestranden, die hier met vale gezichten de balans van den nacht opmaakten. In een hoek zat de eerste-luitenant Vidakovitch, als gewoonlijk aangeschoten en in gezelschap van vier of vijf dametjes. Wat een' schande, dacht Heinersdorff, en dronk snel zijn koffie. Hij nam een auto en reed naar huis. Toen hij zijn woning bereikte was het reeds klaar dag. De regen had opgehouden. Heinersdorff betrad zijn werkkamer en opende een raam. Het water dampte in den ochtendnevel. Door de Prinsenallee reden twee officieren in korten galop. Hij benijdde hen. Daarna ging hij in zijn badkamer en liet het bad volloopen. Toen hij uit den doffen slaap zonder droomen wakker werd, was de middag voorbij. Zijn hoofd was na weer helder; hij at met smaak en ging daarnaaan zijn schrijftafel zitten. Hij had lust in zijn werk. Hoe interessant waren die dienstregelingen, die gemaakt waren voor een eventueelen oorlogstijd. Hij zag de eindelooze reeksen spoorwagens rollen, volgepropt met Oostenrijksche soldaten, die uittrokken om hun vaderland te verdedigen. De nood van het vaderland had hen één gemaakt en tot een volk van broeders gevormd. Dat waren niet meer Polen, Stijriërs, Tzechen, Karintiërs Tirolers, nu waren ze allen — Oostenrijkers, Ieder wist waarom het ging. Ieder zou vechten voor zijn stukje eigen land, voor zijn eigen huis, voor den vrede van zijn geboortegrond. En wie nog weifelmoedig was en traag van hart, werd door de anderen meegesleept. Heinersdorff lachte melancholiek. Ik zal dat nooit beleven, dacht hij. Oostenrijks verheffing is ’n droom waarvan de vervulling is weggelegd voor latere geslachten. Een knecht kwam binnen en diende den majoor Töschtük-Bey aan. „Verzoek den majoor binnen te komen.” Töschtük-Bey was geheel in ’t zwrart, een geleerde met een gouden bril op. Hij kwam zoo zacht binnen als de avondschemering. Bijna schuw vroeg hij: „Stoor ik?” Heinersdorff sprong op en reikte hem de hand. „In het geheel niet, waarde Bey. Ik ben zoo juist met mijn werk ge reed gekomen. Het doet mij genoegen dat u gekomen bent. Werkelijk veel genoegen.” Hij beval den knecht thee te brengen en een Turksche pijp en sloot zijn papieren in zijn lessenaar. Toen ging hij naast zijn vriend zitten. Zij dronken thee en rookten. De avondschaduwen vielen de kamer binnen. „Zal ik ’t licht aansteken, Bey ?” „’t Is zoo aangenaam om te schemeren”, was het antwoord. Daarna zweeg de majoor weer en staarde voor zich uit. DE OORLOG IN HET —-----DUISTER------ - ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
PDF
Nummer
1915, nr. 85, 21 oct. 1915
Blad
03
Tekst
3 De kapitein kende die gewoonte van den Turk soms een half uur te zitten en fatalistisch te zwijgen. Het was goed zoo met hem samen te zijn. Men werd er rustig en sterk door. Hij keek naar het onbeweeglijk gelaat van zijn vriend en dacht telkens: wat ben ik blij dat je hier bent. De vriendschap dateerde van de eerste kennismaking, hoewel de Turk teruggetrokken van aard was en zijn gevoelens niet licht uitte. Heinersdorff had den Turk leeren kennen in Fischamend. Vóór dat hij bij den generalen staf kwam had hij den vliegcursus gevolgd met goeden uitslag en examen gedaan als militair vlieger. Eens was majoor Töschtük op het vliegterrein gekomen. Hij had een jaar verlof gekregen naar Weenen om de vliegkampen van het Oostenrijksche leger te bestudeeren en Heinersdorff was hem als begeleider toegewezen. In dien tijd begon hun vriendschap. Heinersdorff herinnerde zich een lenteavond in Fischamend. Hij had Töschtük op zijn eerste vlucht meegenomen. Nadat ze geland waren, zaten zij voor „Oaar heb je wat”. K. HOOGEBOOM, Haarlem. de loods en bewonderden het prachtig avondlandschap waarover de zon onderging. Toen vertelde Töschtük voor den eersten en laatsten keer van zich zelf. Waarschijnlijk had de roes van het hoog vliegen zijn tong losgemaakt. Hij vertelde van de bloedeed der Jong-Turksche officieren op het slagveld van Kossovo, voor het statige graf van Sultan Murad Chudavendigjar en van de wilde gevechten om de oasen van het door den gloed verteerde Tripolis. Daarna had hij het .met zeldzaam somberen ernst over den Russisch-Japanschen oorlog en over de strategische lessen w van den veldslag aan de Yalu. Heinersdorff had er vol spanning naar geluisterd. Hij vroeg nu plotseling: „Weet je wraaraan ik nu denk, Bey?” De Turk glimlachte. „Ik weet ’t niet.” „Ik denk aan dien avond in Fischamend toen je over den slag aan de Yalu sprak.” „Ach”, antwoordde Töschtük en maakte met zijn hand een afwerend gebaar. „Heusch, ik denk daaraan dikwijls en vooral aan wat je over die Russische soldaten zeide.” „Wat heb ik toen gezegd ?” vroeg de Turk aarzelend. „De Russen zijn dapper, zei je, maar nog steeds, zooals in G. Kemeling. M. KOCH, „Herder, laat je schaapjes gaan”. Roermond. Bovenstaande foto werd door de jury van onzen kinder-fotowedstrijd bekroond met een vijfden prijs. De overige op deze pagina gereproduceerde inzendingen, kregen een troostprijs. de dagen van Pleuna, dom en stompzinnig als dieren. Zij liggen op den grond en schieten. Zij begrijpen hoegenaamd niet waar het eigenlijk om te doen is. Ze vechten omdat het hun bevolen is en omdat zij bang zijn voor hun officieren. Wanneer echter één den moed heeft om terug te loopen, gaan de anderen ook mee.” Na eenige oogenblikken zei de Turk: „£)e kleinste Amateur”. H. den Drijver, Den Haag „De minste soldaat moet weten waarvoor hij vecht, anders wordt hij laf en zelfzuchtig en denkt te veel aan zijn armzalig leven. De Osmanen, vooraf gegaan door Mahomeds banier, wisten altijd waarom 't ging. Daarom kunnen wij niet altijd onderworpen zijn, daarom zullen overwinningen onze nederlagen uitwisschen.” Heinersdorff stond op en schreed een paar maal door de kamer. „Ook wij zullen eenmaal weten waarvoor wij vechten”, zeide hij en zijn woorden klonken bijna als onderdrukte ijverzucht. .Het ‘Indianenhamp’ PANORAMA „Ik ben er van overtuigd”, verklaarde Töschtük hoffelijk. De kapitein ging weer zitten en stak een nieuwe sigaret aan. Zij zwegen weer geruimen tijd. In de kamer was het bijna donker geworden. Töschtük begon te praten : „Je was gisteren in deOpera.” „Ja. Was jij er ook ? Ik heb je niet gezien.” „Ik was er niet.” „Hoe weet je dat dan, Bey ?” „Een bekende van me zag je.” Heinersdorff meende dat dit onderwerp nu uit was. De Turk ging behoedzaam door : „Je was, neem me niet kwalijk, in gezelschap van een dame.” „Dat komt uit”, antwoordde de kapitein eenigszins verwonderd. „Ken je die dame meer van nabij ?” Heinersdorff voelde dat hij een kleur kreeg. Het is goed dat ik geen licht gemaakt heb, dacht hij. „Neen. Ik ken ze niet”, antwoordde hij, en hij geloofde dat hij waarheid sprak. „Weet je hoe zij heet ?” „Neen.” „Bij het aanhleeden?’ Mevr. PAUL TlLMAN, Den Bosch. Hij verademde. Nu sprak hij de waarheid. „Ik kan je zeggen hoe zij heet.” Zijn stem klonk volkomen onverschillig. „Zij heet Sofia Nikolajewna Golubjèw.” Het hart van den kapitein hield op te kloppen. Een rilling ging door zijn leden. Hij begreep nu alles. De andere behoefde hem niets meer te zeggen. „Zij is de knapste spion van Rusland!” zeide de Turk langzaam, Heinersdorff wilde roepen: genoeg, genoeg, maar zijn stem stokte. De Turk vervolgde kalm onverbiddelijk : „Zij werkte tot kort voor het uitbreken van den laatsten oorlog in Adrianopel. Wij hebben haar te laat ontdekt en herkend. Zij heeft ons groote schade berokkend. Een kapitein van het Erteroquel-Regiment, een vriend van mij,, schoot zich voor haar dood.” De woorden vielen als knodsslagen op Heinersdorff neer. Hij schaamde zich over zijn domheid en zijn onvergeeflijke lichtzinnigheid. Aan welk een gevaar was hij door Töschtük ontsnapt! De Turk besloot zacht en. vriendelijk : „Je was niet voorzichtig genoeg, Heinersdorff!” (Wordt vervolgd). 85 (17a)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1946 tot 1950 van 11897