Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1941 tot 1945 van 11897
Nummer
1915, nr. 84, 18 oct. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 rnhem, onze toch reeds zoo aantrekkelijke Geldersche hoofdstad, zal de eerste plaats in Nederland zijn, waar de meester-beiaardier, de heer Jef Denyn uit Mechelen, zijn vermaarde en in België zoo populaire concerten zal geven. Dat de Arnhemsche St. Eusebius de eerste waarlijk „zingende’* toren van ons vaderland zal worden, danken we aan de gevolgen rijke samenwerking van ons gemeentebestuur met Baron van Heemstra als burgemeester en de krachtige vereeniging V. V. V. Immers, toen er hier en daar stemmen opgingen voor een meerdere waardeering van onze nationale klokkenspelen, begreep onze V.V.V., dat het op haar weg lag den heer Denyn uit te noodigen naar hier te komen om zich persoonlijk te overtuigen van de deugdelijkheid onzer door de gebroeders Hemony en andere voortreffelijke kunstenaars gegoten klokken en de leiding op zich te nemen van de aan te brengen herstellingen, waardoor de muzikale beteekenis van het carillon veel grooter dan thans wordt. Op het congres van den Nationalen Bond van Vreemdelingenverkeer, dat op 3, 4, en 5 September j.1. hier ter stede is gehouden, werd het onderwerp breedvoerig besproken en het plan opgevat onze carillons mede dienstbaar te maken aan de bevordering van het vreemdelingenverkeer. Thans, ongeveer een maand later, hebben we het voorrecht den wereldberoemden meester-beiaardier Jef Denyn uit Mechelen in ons midden te zien, en konden we onzen gast op Donderdag j.1. op eenvoudige doch treffende wijze huldigen. Als in latere tijden over heel Nederland de beiaardkunst is ontwaakt, we op den Groningschen St.-Martinitoren zoowel als op den Middelburgschen „Lange Jan” de carillons hooren bespelen door vaardige carillonneurs, ... als Vincent te Amsterdam en Van Zuylen te Gouda door hun spel van heinde en verre de menschen weten te verzamelen aan den voet hunner „zingende torens” en over de stille wateren der Zuiderzee de klanken verglijden, die een Van Meyll weet te ontlokken aan het gerestaureerde Nijkerksche carillon, dan zal toch voorzeker in de beschavingsgeschiedenis van ons volksleven aan Arnhem de eer gegeven worden deze in het Zuiden zoozeer bloeiende, maar bij ons op slechts enkele plaatsen bescheiden gediende kunst, nieuw leven gegeven te hebben. Gewis zal men dan ook hulde brengen aan het Arnhemsche initiatief, dat den grooten naam van Jef Denyn te verbinden wist aan de herstelling van den Arnhemschen beiaard, zoodat hij van den stoeren St. Eusebius de aera kon inbeieren, waarin niet alleen bij feestenen heuglijke gebeurtenissen, doch ook op stille zomeravonden het in menige vaderlandsche stad zal heeten......... Dan zal de beiaard spelen Van alle torentransen. Terecht hebben we in deze droeve tijden ingezien, dat we het vaderlandsche bezit onzer schoone carillons niet als een doode gave van louter archeologische beteekenis mochten aanvaarden, maar dat we verplicht zijn recht te doen aan de bestemming, welke mannen als de Gebr. Hemony, als Gerard van Wou en Melchior de Haze gaven aan de door hen gegoten klokkenspelen. Thans zullen onze torens — te lang zwijgende, althans niet bezielde getuigen van ons grootsche verleden en ons ernstig heden — weer gaan meeleven met het lief en leed van ons volk, zullen onze kostbare beiaards weer worden .„de machtige stem van het geweten der gemeente”. Op een der herfststilte dagen, die begin October ons geschonken heeft, heb ik met den meester een bezoek gebracht aan de klókken, die zoo veter belangstelling genieten. Met rustigen, gelijkmatigen tred bestegen we de steile hardsteenen wenteltrappen tot we kwamen in de kamer, waarin het groote uurwerk staat opgesteld. Dit zeer omvangrijke mechanisme, dateerend van 1652, in Jurrien Spraeckel uit Zutphen zijn maker eerend, verkeert in een zeldzaam goeden staat, dank zij de voortdurende zorg van den stadsuurwerker, den heer Gort. Denyn gaf dan ook zijn groote ingenomenheid te kennen en beschouwde, met een goedkeurend oog den grooten speeltrommel. Alles glom en blonk of het pas de werkplaatsen verlaten had en toch heeft dit uiterst nauwkeurig werkende instrument al meer dan twee-en-een-halve eeuw voor Arnhem en omstreken den voortdurenden gang der uren aangegeven. Tot 1889 geschiedde dit met behulp van een slinger, die de respectabele lengte van 5.13 M. bezat; na dien tijd werd deze door een electrische installatie vervangen. Hooger klimmend langs smalte trapjes komen we bij de drie oudste en zwaarste klokken, waarvan de grootste 5500 K.G. weegt. Deze is een geschenk van den in onze gewestelijke geschiedenis zoo overbekenden hertog Karei en werd na diens dood in 1539 door zijn geschutgieter Willem Tolhuis gegoten. Wel is waar hoorde de heer Denyn bij de keuring eenige zweving, wat hem de opmerking deed maken, dat de toon niet vast was, maar toch klonk deze klok goed samen met de beide andere Gezicht op den Arnhemschen klokketoren. — Op den voorgrond het Gemeentehuis. respectievelijk van 3400 en 2400 K.G. en gegoten in 1477 door Mr. Gerrit van Wou en Gobellinus Moer. Tusschen de zware eikenhouten gebinten van de klokkestoelen gingen we nu naar een wenteltrap, verborgen in een der zware torenpeilers. Spoedig bereikten we nu den eersten omgang, waar we het beiaardhuisje vonden met het klavier voor de carillonbespeling. Dit carillon zelf is een meesterwerk der gebroeders Hemony, die in 1652 zoo zeer tot tevredenheid van den Arnhemschen magistraat de klokken hebben afgeleverd, dat men aan de vrouw van Fran£ois een zilveren beker ter waarde van 50 daalders in zilver schonk. In 1661 werden er nog 6 nieuwe klokken bijgegoten, terwijl in 1734 het carillon uitgebreid werd met 7 klokken van Jean Baptiste Le Vache en in 1887 met twee kleine gegoten door A. H. van Bergen te Heiligerlee. Volgens den heer H. Portheine Jr., die als architect van de groote kerk een zeer uitvoerige en gedocumenteerde studie over den St. Eusebius heeft geschreven, bestaat het carillon uit 45 klokken, waarvan de zwaarste 4000 pond weegt. Het gezamelijk gewicht van de door Hemony gegoten klokken bedraagt 25045 pond, slechts 98 pond meer, dan men in de oorspronkelijke opdracht gevraagd had. Het onderzoek, dat de heer Denyn instelde, viel zeer bevredigend uit, want de klokken zelf werden van een goeden klank bevonden en de tegenwoordige dispositie kan behouden blijven. Immers toen bij de torenrestauratie ook de klokken werden nagezien, hing men deze niet cirkelvormig, doch in rijen op, wat voor de beiaardbespeling aanmerkelijke voordeelen bezit. De voornaamste verandering, die echter geen schade zal doen aan de historische waarde van het geheel, moet het klavier ondergaan, dat in zijn tegenwoordigeri toestand vrijwel onbespeelbaar is. Bij een lichte drukking der toetsen moet reeds klank verkregen worden, thans is zulks dikwijls alleen bij hevig slaan mogelijk. Ook de drie bovengenoemde groote klokken moeten in het carillon worden opgenomen, daar ze in het meer volmaakte beiaardspel, zooals de heer Denyn zich voorstelt dit te geven, niet gemist kunnen worden. Een van de voornaamste eischen, die gesteld dient te worden is, dat de verbinding tusschen klepels en klavier zoo eenvoudig mogelijk zij. De beiaardier moet de klokken gemakkelijk beheerschen. Ook bleek, dat verschillende klepels, vooral die der kleinere klokken te licht waren, zoodat een 20—24 stuks nieuw moeten worden aangemaakt. Tenslotte dienen overal springveeren te worden aangebracht terwijl ’n bijzondere klepelbevestiging volgens Denyn’s uitdrukking „vast maar toch vloeiend” tegenover de affirmatieve kracht van den beiaardier de negatieve der springveeren moet stelten. Toen we zoo het een en ander samen hadden gezien, lieten we den meester op zijn verzoek alleen tusschen zijn geliefde klokken, waar hij een uurtje wilde droomen van al het schoone en ontroerende, wat de bronzen klokken hem in zijn teven gebracht hebben. Of ?ijn gedachten — daar toevend hoog op den Arnhemschen St.-Eusebiustoren — ook teruggegaan zijn naar de hem tot nog toe trouw gebleven onverzettelijk-stoeren St. Rombouts? Of hij er heeft gepeinsd over het droevig lot, dat over zijn geliefd Belgenland is gegaan ? Och, ik heb het den grijzen vriend van Vlaanderens volk niet durven vragen, maar ik begreep, dat Jef Denyn temidden van onze, hem nog zoo vreemde klokken, weemoedig gestemd zal zijn geweest en dat hij alleen wilde zijn met zijn klokken en zijn leed over de matelooze ellende die de wreede oorlog gebracht heeft over zijn bloeiend en lachend land van belforts en beiaards. — Maar gewis zal de gastvrije ontvangst, door Arnhems burgerij den meester een hoopvollen blik op de toekomst doen richten. Want plannen, die door den oorlog niet ten uitvoer konden worden gebracht, zulten thans hier hun verwezenlijking komen. Denyn zal toch hier na de restauratie het volgende jaar beiaardconcerten geven en ook wordt er reeds gesproken van de oprichting eener beiaardierschool onder leiding van den meester aller beiaardiers. Dat besluit zal blijken veredelend te werken op de volksopvoeding en het zal niet het minst de aantrekkelijkheid van ons landseigen verhoogen, dat zeer bijzondere eigen, dat vreemdelingen van alle landen der wereld naar ons Nederland lokt. Hoe droevig ook de reden moge zijn, dat een kunstenaar als Jef Denyn thans als vluchteling buiten zijn vaderland moet vertoeven, laat het onze Zuidelijke broeders een voldoening zijn, dat hun grijze meester-beiaardier hier in Arnhem een goed werk verricht, dat hij in Noord-Nederland aan de ingeslapen en verwaarloosde carillons de bezieling schenkt zijner eigen Vlaamsche beiaards. Arnhem, 8 Oct. 1915. naderbij O) Een uitgezocht plekje voor het aanhooren der toekomstige Arnhemsche beiaardconcerten. De binnenplaats van het vermaarde duivelshuis waar eens Maarten van Rossem gewoond heeft Jef Denyn aan het klavier van het carillon op den Arnhemschen St.-Eusebiustoren (V.F.B.) Het prachtig onderhouden speeluurwerk in den Arnhemschen klokketoren, dateerend van 1652. De Meester-Beiaardier Jef Denyn te Arnhem, door d. j. van der ven.
PDF
Nummer
1915, nr. 84, 18 oct. 1915
Blad
03
Tekst
PANORAMA DE UITSLAG VAN ONZEN FOTOGRAFIEWEDSTRIJD W ij hebben het genoegen onzen lezers op deze pagina den uitslag van onzen Foto-Wedstrijd mede te deeien, zooals deze door de jury is vastgesteld. Dat deze beslissing langer op zich heeft doen wachten dan wij gedacht hadden, is voor het grootste gedeelte te wijten aan de inzenders zelf: aan een zoo groot aantal inzendingen als wij ontvingen, hadden wij niet durven denken, ai lag het succes van den jongsten wedstrijd nog versch in ons geheugen. Ook het gehalte der inzendingen was veel beter dan den vorigen keer, wat de taak der jury niet weinig bemoeilijkte. Maar hoe zwaar deze arbeid was, kunnen onze lezers zelf zien, bij het beschouwen der op pagina 12 en 13 gereproduceerde en bekïoonde inzendingen. Dit zijn echter nog niet alle foto’s, welke een prijs verwierven; plaatsruimte belette ons er meerdere op te nemen. In een volgend nummer hopen wij evenwel de overige te plaatsen. Hieronder vinden de gelukkige inzenders (-sters) hyn namen met de hun toegekende prijzen vermeld. Hun foto’s blijven, met het reproductierecht, het eigendom van onzen uitgever. De inzenders, wier werk niet is bekroond P. Klijngeld. 11 kunnen worden, ontvingen hun foto’s reeds terug of zullen deze een dezer dagen terug ontvangen. Dat hun geen prijs kon worden toegekend, ligt niet zoozeer aan hun foto’s als aan het feit, dat andere inzendingen nog beter waren. Daarom: niet versagen, doch volhouden. Een volgend maal nog beter. En nu de uitslag, die luidt als volgt: „EZELTJERIJDEN.” Rotterdam. . . Ie prijs f25. . . 2e „ -15. . . 3e „ - 10. Panoramaprijs” - 10. . 4e prijs - 5.~ J. G. J. Veldman, Tilburg . W. J. van ’t Pad, Den Haag. R. Cockx,. Roosendaal . Irma v. Loon, Steenbergen. J. Bouman, Amsterdam . I. E.M. Simons, Den Haag . . . . 4e „ - 5.— A’ van Rooyen, Alfen a. d. Rijn, . . 4e ,, - 5.— T. Backer, Nijmegen.... 5e „ 3.— M. Koch, Roermond.... 5e - 3.— André Loyens, Breda ... 5e - 3.— Alex. Rofezza, Den Haag . . 5e ,, - 3.— Mevr. M. Smeele, Den Haag . 5e - 3.— TROOSTPRIJZEN (een fraai boekwerk) aan: A. van Broek, Schiedam. H. den Drijver, Den Haag. Faubel, Den Haag. G. Herwig Amsterdam. K, Hoogeboom, Haarlem. G. Kemeling, Den Haag. P. Klijngeld, Rotterdam. Ter Poorten, Den Helder. Mevr. Paul Tilmam, Den Bosch. Wijnand Goyarts, Tilburg. EEN AANVAL.. Italiaansche infanteristen ondernemen een stormloop op een vijandelijke stelling. (V.F.B.) THEOPHJLE DELCASSÉ, die als Fransch minister van Buitenlandsche Zaken is afgetreden. Inplaats van brons en zilver geld, waarvoor het materiaal ontbreekt, worden thans in België zinken munten in omloop gebracht, zooals ze hierboven zijn afgebeeld. (V.F.B.) EEN VERLATEN STELLING. Foto van een stelling, nadat deze door de daarin opgestelde batterij na een hevig artillerieduel is verlaten. De boomen, die als dekking dienden, zijn voor ’t grootste gedeelte weggeschoten, terwijl de grond door ’t granaatvuur is doorploegd. (V.F.B.) TOEN HIJ WEG WAS Schets door CISSY MARXVELDT ammy, wanneer speel je nu weer met me ?” — ,.Straks hoor kindje. Mammy moet nu rusten. Mammy is moe.” „Mammy is altijd moe,” pruilde kleine, blonde Loesje. Ja Mammy was altijd moe, nadat Paps weggegaan was. Voor dien tijd kón ze nog zoo echt prettig met Loesje spelen, en leuke spelletjes verzinnen, en wanneer Paps dan eens meedeed, dan was het pas écht dol. Paps was zoo groot en sterk, die tilde Loesje zoo maar hoog boven 'fcjjn hoofd, en droeg haar dan door de lange gang, alsof zé een klein Baby-kindje was. En toch was Loesje toen al vijf jaar. Maar nu Paps weg was, al zoo hèel lang, nu was Mammy niets vroolijk meer. Loesje’s levendige blauwe kijkers zagen veel, en de kleine, rosé oortjes hoorden meer dan Mammy dacht. — Loesje wist nog hèel goed, hoe vervelend HET ROODE KRUIS INTERNATIONAAL. Een internationaal Duitsch en Fransch officier van gezondheid aan het bed van een Engelschen gewonde in Berlijn. ( V.F.B.) al die dagen geweest waren, voor Paps zoo ver wegging, heelemaal naar Indië, zei Mam. Toen lachte Mam al nooit meer, en zei ook nooit meer iets liefs tegen Paps. En Paps keek altijd41661 streng, en aan tafel durfde Loesje heelemaal nooit lachen. En toen ze zes jaar werd, waren al haar vriendinnetjes wel op visite geweest, maar Paps had geen een spelletje mee willen doen. Dat had Loesje erg naar gevonden. Maar toen ze ’s avonds naar bed ging, had Paps haar op z’n knie getrokken, en haar heel lang en stil tegen zich aangedrukt en Loesje meende, dat Paps tranen in z’n oogen had. Maar dat kon ze zich ook wel verbeeld hebben. En toen was Paps weggegaan en Loesje had heel lang gehuild, want Loesje hield veel van Paps, eigenlijk nog meer dan van Mammy, maar dat durfde ze alleen maar zacht tegen Hans, den negerpop, te zeggen, en tegen niemand anders. O, nu sliep Mammy zeker, Mammy lag zoo stil met de oogen dicht. En dus bleef Loesje in haar hoekje met haar poppenkinderen doorbabbelen, maar het meest vertelde ze toch aan Hans. Loesje had Hans immers van Paps gekregen. Hans verlangde ook naar Paps, TERUGKEERENDE VLUCHTELINGEN. Russische vluchtelingen, die naar hun haardsteden terugkeeren, gebruiken het middagmaal langs den weg.4 Crtrtcs^cttuitg ^cut,*djc4tagcêjcit»ng ijt ofctrmaï* bi» «mf te.it.rtï ncttcfcn atorbtn. DE„DEUTSCHETAGESZEITUNG” GESCHORST. De censuur in Duitschland heeft het verschijnen van de „Deutsche Tageszeitung” voor onbepaalden tijd verboden. Als gevolg daarvan verscheen de courant op zekeren dag, zooals zij hierboven is afgebeeld. (V.F.B.) TERUGKEERENDE VLUCHTELINGEN. De stroom van Russische vluchtelingen, die naar hun woonplaatsen terugkeeren, houdt steeds aan. Hoevelen zullen hun huis niet als ruïne terugzien ? 84 (16b)
PDF
Nummer
1915, nr. 84, 18 oct. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 ,De Eskimootjes .Benjamin Ter Poorten Den Helder. ,Zoo’n kleine Snoepster’ Aan ’t Strand’ J. G. J. Veldman J. Bouman, Amsterdam „De Zeven èndin Wijnand Goijarts. Onbezorgde Jeugd in Zonnig Indië Faubel, den Haag. Ida F.. M. Simons, Alex. Rofezza, den Haag. „Ons pret Irma van Loon, Stee Mevr. M. Smeele, den Haag. „Flip-Floep”. den Haag. „Jan Huigen idn e A. van Broek,
PDF
Nummer
1915, nr. 84, 18 oct. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA is prettigste Uurtje”, i Loon. Steenbergen (N.B.) (Buiten mededinging). .Hetty en haar vriendje (Buiten mededinging). H. Berssenbrugge Rotterdam ,Wie danst er mee”? .Bellenblazen André Loyens, in Huigen in de ton”. Broek, Schiedam : Zeven endinnetjes’ d Goijarts, .Bloemenplukstertje' ,Au!” Stoute Hans T. Backer, Nijmegen R. Cockx, Roosendaal B A. van Rooyen, Alfen a. d. Rijn, reda. „pax . Tilburg. Tilburg.
PDF
Nummer
1915, nr. 84, 18 oct. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 net zoo hard als zij verlangde, dat wist Loesje zeker. En terwijl Loesje sprak met haar poppen over den vader, die weg was, lag de Moeder stil op den divan, en dacht en dacht, zooals ze al zoovele weken en maanden gedacht had aan haar groote verdriet. Ze kón niet spelen met Loesje, zooals ze wel graag wilde, ze was misschien geen goede moeder, ze was ook geen goede vrouw geweest, zei de wereld. Ze had zichzelf leeren kennen in de maanden, dat haar man nu weg was, Paps, zooals Loesje altijd zei. ,,O Paps” kreunde ze zacht, en dieper drukte ze haar hoofd in de zijden divan-kussens. — Zij was altijd een verwend, heerschzuchtig persoontje geweest, en toen ze verloofd was met Dick, waren er ook al vaak onenigheden geweest. Maar ze dacht altijd, dat het wel beter zou gaan, als ze maar eens getrouwd was. Ze hielden toch immers van elkaar, o, ze hield dol, dol-veel van Dick. Maar toen ze getrouwd waren, ging het niet beter. Ze huiverde even, toen ze eraan dacht, hoe gauw ze ontdekt hadden, dat ze niet bij elkaar pasten. Zij met haar nonchalance irriteerde Dicks correctheid voortdurend, maar het ergste was, dat hun beider heerschzuchtige naturen voortdurend in botsing kwamen. Ze kón het optreden van Dick niet uitstaan, dan werd ze direct stuursch of driftig. En wat een scènes waren er al geweest ... En wat haar altijd doldriftig maakte, was, dat ze wist, dat Dick de sympathie van allen had, van hun kennissen-kring, ja, zelfs van haar ouders. Dick wist zich te beheerschen, toonde de wereld altijd hetzelfde rustige, kalme gezicht. Dick werd geprezen omzijn zakenkennis, om zijn ferm optreden in de zaak, om de gezonde ideeën, die hij had, en zij.. . zij werd overal excentriek, eigenzinnig, trotsch gevonden. O,ze wist het wel, dat de kennissen Dick beklaagden en haar veroordeelden. Hun ongelukkig leven was geen geheim gebleven, zooals Dick gewild had. En dat was haar schuld. Ze had zich nooit kunnen beheerschen. Na een scène thuis was ze in gezelschap óf opvallend stil, óf abnormaal vroolijk, óf ze flirtte met heeren, die haar totaal niets interesseerden, en Dick, Dick waar ze toch alleen van hield, negligeerde ze beleedigend. Toen Loesje geboren moest worden, ging het goed. Dick was lief en zacht en verdroeg al haar grillen en kwam tegemoet aan al haar buitensporige eischen. Maar toen Loesje er was, vervreemdden ze van elkaar. Dick hield dol van Loesje, die, toen ze grooter werd, veel meer met Paps babbelde, en vèel vertrouwelijker met Paps was dan met haar. O, ze voelde het wel dat Loesje veel meer van Dick hield, en als het heldere stemmetje zong: „Daar komt Paps” en de vlugge voetjes naar de deur holden om toch gauw bij Paps te zijn, dan werd ze jaloersch, jaloersch op de groote innigheid tusschen Dick en Loesje. Als dan later Loesje binnenkwam op Paps schouder, en de krulletjes zoo hèel dicht tegen het donkere, ferme gezicht waren aangedrukt, dan keek ze koud naar het lieve tooneeltje en knikte stuursch tegen Dick, ofschoon haar heele hart verlangde, er naar smachtte, om opgenomen te worden in hun groote vertrouwelijkheid, in hun groote liefde. En zoo was het langzamerhand gekomen, dat Dick en zij zoo ver, zoo ver van elkaar afstonden, dat de kloof niet meer te overbruggen scheen. En toen was die ander gekomen. Nerveus streek de slanke hand het haar uit de oogen, en woqlde in de schitterend gebloemde, zachte divan-kussens. O, die ander, die ouder was dan zij, die kalme, rustige persoonlijkheid, zoo geheel het tegendeel van haar. Ze logeerde bij kennissen van Dick en haar, waar zehaar ook het eerst ontmoetten. Dick sprak vèel met haar, dien eersten avond, en op weg naar huis zei hij enthousiast: „Vind je die Emma Faessen niet echt sympathiek ?” — „Ik vind haar leelijk en oud” had ze minachtend gezegd, en Dick BELGISCHE GEÏNTERNEERDE STUDENTEN AAN DE TECHNISCHE HOOGÊSCHOOL. Ongeveer een vijftigtal Belgische geïnterneerden, die in hun land technische studenten waren, zijn in de gelegenheid gesteld, de lessen te volgen aan de Technische Hoogeschool te - ...................... „Tent” in het Agnetapark aldaar, door de directie van de Gist- en Spiritusfabriek te hunner beschikking gesteld. Op onze foto ziet men dit gebouwtje rechts op den achtergrond. Delft. Zij zijn gehuisvest in de (foto ..Rembrandt.'*) had verder gezwegen. En tóch was ze jaloersch geweest, en de avondep wanneer ze met elkaar in aanraking kwamen, en ze Dick en die andere in rustig-vertrouwelijk gesprek zag, waren een marteling voor haar. Dan ging ze in *t oogloopend flirten om Dick te ergeren. Wat een onhoudbare tijd was dat geweest ! Tot de dag kwam, waaraan ze niet dan met een rilling terug kon denken, ’s Middags was ze boodschappen gaan doen, alleen, ze had zich verlaat, en haastte zich naar huis. Toen had ze opeens voor zich uit Dick en die ander zien loopen in druk vertrouwelijk gesprek. Eerst was ze blijven staan, omdat ze dacht niet verder te kunnen, toen had ze den eersten, den besten atax aangeroepen, en was zoo thuisgekomen. Ze had gèen gedachten meer. Ze zag alleen Dick en die ander, aldoor NEDERLANDSCHE BOND VOOR VROUWENKIESRECHT. Te 's-Gravenhage had op 13 dezer een Propaganda-kunstavond van dezen Bond plaats waarop een toepasselijk blijspel van de hand van ' ; „De Notabelen van Stikkum” door het dilettanten-Igezelschap „Fritomya” werd opgevoerd. Hierboven een kijkje in de goed gevude zaal. (foto „Rembrand?*}. haar jaarvergadering, VEREENIGING VAN NEDERL. WERKGEVERS. Dinsdag hield de Vereeniging van Nederl. Werkgevers in de „Harmonie” te Groningen die door een honderdtal leden bezocht was. Dick en die ander. En toen Dick, na wat haar een eeuwigheid scheen, thuiskwam, was ze uitgebarsten. Alles wat ze kon zeggen om Dick te kwetsen en te beleedigen, had ze gezegd, tot Dick opeens bruusk inviel: „Maar wat wil je toch van me ? Is dat nu alleen, omdat ik met Emma Faessen gewandeld heb?” „Gewandeld” ... ze had schamper gelachen, en toen opeens minachtend-kalm gezegd: „Het kan me feitelijk ook niets schelen, met wie je wandelt hoor! Het laat me koud, wat jij doet I” . „Meen je dat, meen je dat, zeg?” „Ja zeker. Wou je het nog eens hooren ? Het is me totaal onverschillig, wat jij uitvoert, hoor!” En tergend-kalm de bloemen verschikkend in een vaas, had ze herhaald, „totaal onverschillig.” — Den volgenden dag zei hij haar, dat hij naar Indië ging, om daar voor zijn zaak nieuwe connecties aan te knoopen. Toen hij het zei, koud, ongenaakbaar, had het hart haar in de keel geklopt van angst, dat hij weg zou gaan, voor goed. En bijna heesch had ze gevraagd: „Wanneer kom je terug?” — „Als je me noodig hebt?* Waaróm had ze toen niet gezegd dat ze hem noodig had, dat ze hem altijd noodig zou hebben, haar flinken sterken man, dat ze niets, niets was zonder hem ? Waarom had ze inplaats daarvan minachtend haar mondhoeken naar beneden getrokken, een gewoonte van haar, waarmee ze Dick altijd ergerde? Ze wist het niet, ze wist het niet, en weer zei ze zacht-verlangend : „O Paps” — En verder doorleefde ze alle bijzonderheden van die laatste dagen samen. Hoe de twee weken, die hij nog bleef, druk voorbij gingen met pakken en het in orde brengen van zijn zaken in Holland, hoe hij steeds vermeed met haar alleen te zijn. Tot twee dagen voor zijn vertrek. Toen was hij binnengekomen voor de thee, en was op den divan gaan liggen, waar zij nu lag, en had zijn zwarte hoofd gedrukt in de kussens, waarin zij nu haar verlangen uitsnikte, en had haar aangezien met zijn mooie, donkere oogen, lang en * ernstig. Waarom was ze tóen niet naar hem toegegaan, en bij hem neergeknield, en waarom had ze hem toen niet toegefluisterd, dat ze haar best zou doen, beter en liever voor hem te zijn, als hij maar bleef, bleef bij Loesje en haar. Ze was zoo nerveus geweest, dat ze de zilveren suikertang bijna fijn kneep in haar handen, en opeens, — het was of een ander het zei — had ze gezegd : „Ga je alleen?” „Hoe bedoel je ?”vroeg hij nog verwonderd. „Nu, ik dacht, dat je misschien je sympathie meenam.” „Bah, wat min”, was zijn eenig antwoord. En hij had haar alleen gelaten met het bewustzijn, dat ze haar kans tot verzoening verworpen had. En toen hij twee dagen daarna vertrok, had Loesje zoo gehuild, dat Paps wegging, dat hij zich opeens bruusk had omgekeerd, maar ze had nog wel zijn krampachtigen, drogen snik gehoord. Daarna wist ze heel weinig meer. Ze had heele dagen in volslagenapathie op den divan gelegen. Zich met niets bemoeiend. Haar Moederwas komen logeeren. Het had haar koud gelaten, en ze had zich stug in zichzelf teruggetrokken. Tot zijn eerste brief kwam, een kort, zakelijk schrijven, met alleen aan het slot eenige lieve woordjes voor Loesje. Eerst had ze den brief woest verfrommeld, en toen was de reactie gekomen, en had ze gehuild, gehuild, tot ze niet meer kon. En wat haar Moeder ook gedaan had om haar te kalmeeren, niets hielp, tot opeens de woorden tot haar doordrongen : „Ik zal Dick schrijven, dat hij terug moet komen, want zoo gaat het niet langer.” Toen was ze opeens kalm geworden, heel kalm, en nadrukkelijk had ze gezegd: „Wanneer .U dat doet, Moeder, dan ga ik direct weg, direct, en u ziet me niet terug.” En daarna was ze kalm geworden, had later met haar Moeder visites gemaakt, overal ingaand op de belangstellende vragen naar Dick. „Ja, het ging hem heel goed. De reis was schitterend.” „Wanneer hij terugkwam?” — „O, dat wist ze nog niet.” — „Of ze zich niet alleen gevoelde ?” — „Ja zeker, maar ze had toch altijd Loesje.” — En zoo gingen de dagen monotoon voorbij. Juffrouw Faessen bracht haar afscheidsvisite. Ze wilde eerst belet geven, maar ze bedacht zich en ontving haar vriendelijk. Ze kón het ook, want ze was niet jaloersch meer, op niemand. Ze voelde niets meer dan alleen een groeiend, steeds groeiend verlangen naar Dick. — Toen vertrok haar Moeder, en ze bleef over met Loesje, die aanhankelijk en lief was, maar een klein, gesloten natuurtje, dat weinig met haar over Paps sprak. En toch vaak was Loesje haar te druk, want het liefst lag ze op haar divan te droomen en te denken aan Dick. Nu was hij vier maanden weg en ze kreeg met elke mail zijn zakelijke brieven, met nooit een lief, teeder woordje voor haar, waarop ze steeds kort antwoordde, dat zij en Loesje het heel goed maakten. Maar.... en energiek richtte ze zich op.... in haarschrijfbureautje lag haar dagboek,
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1941 tot 1945 van 11897