|
7 PANORAMA
„DE DUIVEL IN DE DOOS”.
Een aardige voorstelling van „De Duivel in de Doos”, gegeven door de leerlingen van de Gooische School te Laren, ter gelegenheid van
(V.F.B.)
moet uw medewerking
vragen bij de
uitoefening van mijn
last !”
„Wat kan ik voor
u doen ?” vroeg mevrouw,
terwijl haar
hoepelrok trilde van
de agitatie.
„Niets,” antwoordde
de inspecteur, „dan
u rustig houden en
mij niet hinderen.”
Hij wenkte met de
hand en twee politieagenten
kwamen in
ernstige houding aanstappen.
De dans was in
vollen gang, nochtanswierp
menig paar
nieuwsgierige blikken
op de drie zwijgende
politiemannen aan de
deur. Eindelijk was
de dans ten einde
en begaf de menigte
zich naar de restauratiezaal.
Op dat
oogenblik stapte
Duinstee naar voren
en plaatste zich in de deuropening tusschen de beide
zalen.
Dit was een kritiek oogenblik. Als hij herkend werd door
een der gasten, was de grap uit. Hij stond daar onbeweeglijk,
streng. Daar naderde Greta met haar toreador; ze
keek den inspecteur nieuwsgierig aan. Deze zag haar
blijkbaar niet, maar vestigde een doordringenden
blik op haar cavalier. Ze sidderde onwillekeurig. Nu
stapte de inspecteur vooruit.
„Karei Harmans?” vroeg hij op zachten maar
duidelijken toon, terwijl hij met de hand naar hem
wees.
„Die ben ik !” antwoordde de toreador, bleek wordende.
Greta hing aan zijn arm.
„Het spijt me, onaangenaam te zijn,” zei de inspecteur,
„maar ik heb bevel u in hechtenis te nemen!’
„Waarvoor ?” stamelde Harmans.
„Wegens diefstal!” luidde het antwoord. „Mijn
mannen wachten in de gang, wilt u goedschiks volgen
?”
„’t Is een vergissing 1” riep Greta uit. „Wie beschuldigt
hem ?”
„De directie der Bankinstelling, waaraan hij verbonden
is,” zei de inspecteur weer. „Wilt u ons volgen,
mijnheer?”
De toreador stond een oogenblik bewegingloos.
Hij staarde naar de hand op zijn arm als in een
droom, rilde en strompelde voorwaarts. De inspecteur
wenkte, de beide politieagenten traden binnen en
voordat een der verbaasde gasten goed begreep wat
er plaats greep, had de treurige groep de zaal verlaten.
Het geheele voorval was in enkele minuten afgespeeld.
Buiten stond een rijtuig, de vier mannen stapten in, de
deur sloeg dicht en voort ging het.
„Wanneer werd het ontdekt ?” vroeg opeens de beschuldigde
met zwakke stem.
De gewaande politieagenten keken verbaasd op.
„Ik moét u waarschuwen,” zei de inspecteur, „dat al
wat u zegt, tegen u zal worden aangevoerd.”
LYDIA LYTA.
Verleden week gaf de intelligente kunstenares, Lydia
Lyta, onder leiding van het internationaal Concert- en
Theaterbureau De Haan en Co., een klassieken dansavond
in „Diligentia” te 's-Gravenhage. Het talrijke publiek
was zeer enthousiast gestemd over haar bijzonder expressieve
dansen, (/otg H. Bickhoff)
het 10-jarig bestaan dezer inrichting.
„Ik weet ’t,” kreunde de gevangene, „’t Is me onverschillig.
Ik zal bekennen ! Ik walg van alles !”
In de duisternis van het rijtuig heerschte een drukkende
stilte. Voor een oogenblik hoorde Duinstee niets dan het
EEN BEETHOVEN-HUIS.
Model voor een Beethoven-huis, ontworpen door den bekenden architect H. P. Berlage.
Het ontwerp is ten geschenke gegeven aan het Nederl. Museum voor Geschiedenis en Kunst
te Amsterdam, waar het thans is tentoongesteld. (V.F.B.)
kloppen van zijn eigen hart. Zwak kon hij de gelaatstrekken
onderscheiden van de tweelingen, verwrongen onder hun
helmen door den onverwachten keer dien de zaak nam.
Doch Harmans begon weer met droeve eentonige stem,
terwijl de anderen die luisterden, sprakeloos waren door
den gruwelijken ernst van het geval.
„Ik wist dat het moest uitkomen. Ik hoopte nog alles
te kunnen herstellen, maar nu is ’t te laat. O, wat ben ik
een dwaas geweest! Ik wist niet dat de directie mij wantrouwde!” — „Greta!” mompelde
hij.
Charibdis boog zich voorover. „Om ’s hemelswil, laat hem ophouden, Lou !” fluisterde hij.
Duinstee hoorde niets. Droevig keek hij naar de ineengedrongen figuur naast zich.
„Hoe kan ik hem nu alles uitleggen,” dacht hij. „Wat moet ik doen ?”
Harmans praatte weer, blijkbaar in zichzelf. „Het is alles Duinstee’s schuld,” mompelde
hij. „Hij was altijd zoo royaal en ik wilde niet voor gierig gehouden worden, Toen ging
,,MIJNHEER SERJANSZOON."
Een scène uit het door de N. V. „Het Tooneel" opgevoerde tooneelspel „Mijnheer Serjanszoon”.
V. 1 n. r.: Julia de Gruyter — Petite Cousine ; Willem Royaards — Mijnheer Serjanszoon ;
Marie Verstraete — Filmeele.
MAGDA JANSSENS
als Clotilde in „De Parisienne”, dat op het
oogenblik door de N. V. „Het Tooneel” wordt
ten tooneele gebracht, (foto's Couvée).
ik speculeeren, verloor
; begon weer en
verloor weer. O, wat
een gek, wat ’n gèk
ben ik geweest.”
Duinstee veegde
zijn voorhoofd af.
Hij haatte zichzelf
voor de rol die hij in
dit drama speelde. Al
zijn lichtzinnigheid
had hem verlaten ;
schaamte en verdriet
vervulde hem.
Het rijtuig naderde
Duinstee’s kamers.
Het oorspronkelijke
plan was geweest de
politie-uniformen
voor een ander kostuum
te verwisselen
en met Harmans terug
te gaan naar het
bal, nadat de grap
was uitgelegd. Toen
het rijtuig stil hield,
sprong Duinstee er
uit.
„Kom mee,” zei hij
tot Harmans en deze
stapte gedwee uit.
Ook de tweelingen wilden volgen doch Duinstee sloeg het
portier dicht.
„Jullie gaat naar huis,” zei hij gejaagd, „trekt die vervloekte
pakken uit en gaat naar bed. En denk erom : je
mond houden, geen woord tegen geen mensch !”
„Maar ...” begon Scylla.
„Loop naar den duivel!” viel de ander in.
„Laat mij met hem alleen ! ’t Was mijn grap,” voegde
hij er woest bij. Het rijtuig reed weg. Duinstee
keerde zich tot den ongelukkige, die daar naast
hem stond, onbeweeglijk, de kin op de borst.
„Volg me!” zei Duinstee kort. Hij trad het huis
binnen en begaf zich naar zijn atelier. Harmans
volgde. De kamer was in ’t duister. Hij draaide het
electrisch licht aan. „Ga zitten !” Harmans viel in
een stoel neer. Duinstee keek hem nadenkend aan.
Eindelijk richtte de ander ’t hoofd op ; ’n uitdrukking
van verrassing kwam op zijn gelaat. Hij streek met
de hand over de oogen en keek den gewaanden inspecteur
aan. „Dit is de kamer van Lou Duinstee,”
zei hij aarzelend. De imitatie-inspecteur knikte. „Ik
ben Lou Duinstee !” zei hij kortaf, terwijl hij baard
en pruik afwierp. Harmans stond langzaam op en
keek hem aan met starenden blik.
„Jij!” hijgde hij.
„Ik. . . deed het. . . voor een grap !” zei Duinstee
hortend. Harmans viel weer in zijn stoel neer. „Een
grap !” mompelde hij. „Ik .... ik begrijp niet. . .
die andere politiemannen . . . .”
„Het waren geen politieagenten ! Het waren de
tweelingen. Het was mijn idee ! Ik drong ze om mee
te doen.” — „Wel,” zei hij eindelijk, „wat verder ?”
Duinstee antwoordde niet, maar stapte in somber gepeins
de kamer op en neer. Eindelijk bleef hij voor Harmans
stilstaan. „Vertel op,” riep hij uit. „Om ’s hemelswil, vertel
mij alles!”
Harmans aarzelde.
„Ik heb je gezegd,” begon hij eindelijk nederig, „ik hoopte
alles te hebben goedgemaakt voor het was uitgekomen.
|