Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1931 tot 1935 van 11897
Nummer
1915, nr. 82, 11 oct. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 (foto's M. M. Couvée) drie stadsgezichten van klinkenberg. (Met toestemming van Goupil & Cie.) De gezichten op Rotterdam, waarvan wij afbeeldingen geven op onze voorpagina en hierboven, behooren tot Klinkenberg’s werk uit den laatsten tijd. Onder de hedendaagsche schilders neemt Klinkenberg een geheel afzonderlijke plaats in. Leerling van Christoffel Bisschop en tijdgenoot van de meesters der Haagsche School, heeft hij zich, vrij van eenigen invloed, een eigen weg weten te kiezen. Hij is de schilder der Hollandsche steden, waarvan hij niet de moderne geweldigheid zoekt, doch de historische intimiteit der vergeten hoekjes. Het langzaam en overdacht tot stand gekomen werk van dezen nooit met zichzelf tevreden kunstenaar krijgt, naast zijn artistieke beteekenis, hoe langer hoe meer geschiedkundige waarde. Wie in de komende eeuwen het beeld der Oud-Hollandsche Stad te bestudeeren wenscht, zal zich in de eerste plaats tot Klinkenberg’s schilderijen dienen te wenden. niet ongerust. Laat den motor stilstaan. Jansen en Vlierstra — hier jullie. Doodstil zijn. Neem je sabel in je hand ! Neen, neen,— ik zal niet schieten, wees maar niet bang! Vooruit nu 1” De drie mannen slopen voorwaarts, den hond na. Voor de sloot beraadslaagden ze. „We kunnen omloopen, meneer,” zei een der veldwachters. EEN HEUGLIJK FEIT. Ter herinnering aan het 50-jarig jubileum van de afd. „Kraamvrouwen” der Liduinavereeniging (zie de foto op pag. 14), heeft het bestuur der afd. besloten aan de kraamvrouwen, die bij dè vereeniging voor steun zijn ingeschreven en die op 6 October of een der eerstvolgende dagen bevallen, een prachtige wieg met toebehooren te schenken. Wij beelden hier het tweetal wiegen af, welke het bestuur voor de gelukkige moeders bestemde. Maar dat vond Timotheus Blok niet heldhaftig en romantisch genoeg. Hij nam een raar, schutterig aanloopje, en sprong niet over, maar in de sloot. Toen de twee mannen hem er hadden uitgevischt was hij wel veel natter, maar volstrekt niet minder strijdvaardig. Nu slopen ze stil, bukkend, naar het boschje. De hond blafte niet meer. „Hij heeft de bende zeker al gevonden”, siste heesch meneer. Nu trokken ze nader. „Omloopen jij, Jansen. Ga jij met mij mee, Vlierstra. Als ze willen vluchten, hak je er op in, op mijn verantwoording !” Timotheus Blok scharrelde nu, moeizaam bukkend, terwijl hij zijn buikvel in pijnlijke rimpels voelde hobbelen, om het boschje heen, en betrad ’t smalle paadje. „Daar zitten ze op een bank, meneer 1” fluisterde Vlierstra. We kunnen net achter ze komen. Neemt u de vrouw maar voor uw rekening.” Ze naderden omzichtig. Voor de vage gestalte op de bank lag de hond uitgestrekt, den grooten kop op de voorpooten. De selfmade detective kroop op handen en knieën voort, kroop over ’t natte gras, kroop achter de bank, verhief zich in zijn volle lengte, klauwde zijn hand in de kraag van een der zigeuners .... „In naam der wet neem ik je gevangen I” zeide hij, schor van emotie. „Jasses pa — wat maakt u me aan ’t schrikken 1” hoorde hij de stem zeggen van zijn dochter, met het woedend lachen van de twee veldwachters en den klaterenden lach -- een hatelijken lach — van Gozewijn Derksen. „Arresteert u je eigen dochter, meneer Blok ?” vroeg deze heer. „Zeker een grap ?” „Natuurlijk een grap! Jansen en Vlierstra — lach jullie niet zoo als ezels, als stómme ezels. Begrijp jullie nu niet eens, dat ’t een grap was — dat ik — hier heb jullie ieder een achterwiel, als jullie je mond houdt — dat ik héél goed wist, dat ik hier mijn dochter — en — en d’r verloofde zou vinden ? Haha — hij is eenig 1 Dat stuk goed haha — was van den omslagdoek van mijn dochter — kijk maar — ’t paste er precies bij — en gaan jullie nu maar DE „TÊXELSTROOM” VERGAAN. Het s.s. „Texelstroom” van de Hollandsche Stoomboot-Maatschappij, dat ter hoogte van Sheerness, in ’t gezicht der Engelsche kust, is gezonken. Het ongeval had plaats in de buurt van de plek, waar de „Koningin Emma” eenige weken geleden zonk. Volgens de berichten is de geheele bemanning gered. weer naar huis. Wij — wij drieën zullen nu den auto noodig hebben !” EEN DDEAAL=ECHTöENOOT. Ie bedrijf. V.l.n.r.: Ina Kaminska — Mrs. Chevely; Dirk Verbeek — Sir Robert Chiltren. OSCAR WILDE. - „DIE HAGHESPELERS”. JPïit stuk, dat verleden week door „Die Haghespelers” te ’s-Gravenhage vertoond is, is een LV der meesterwerken van den grooten Engelschen dichter Oscar Wilde. Het werd geschreven enkele maanden voordat de droeve wending, de groote rampspoed in het leven van den schrijver kwam. Dit verklaart dan ook de luchtige paradoxen, den parelenden spot en den geestigen humor, waardoor dit stuk zich kenmerkt en waardoor het zich onderscheidt van de werken, welke na de droeve periode in zijn leven geschreven werden. — Onze foto hierboven geeft een scène weer uit het eerste bedrijf. Op den voorgrond, in de bekende volgorde: Dirk Verbeek Sir Robert Chiltren; Catherine de Maex Countess of Bassildon; Jacqueline Koning — Mrs. Marchmont; Ina Kaminska — Mrs. Chevely; Ph. la Chapelle— The Earl of Caversham ; Enny Vrede — Miss Mabe! Chiltren ; Eduard Verkade Lord Goring. Op den achtergrond, zelfde volgorde: Alida Tartaud-Klein — Lady Chiltren; M. Schmidt Crans — Lady Markby. 3e bedrijf. V.l.n.r.: Eduard Verkade —Lord Goring; Adolf Engers — Phips. (foto's Couvée), NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 83, 14 oct. 1915
Blad
01
Tekst
No. 83 (16a) 14 OCT. 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7*/2 CENT / Geïllustreerd-weekblad ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 A . W . S IJTH OFF ' S UITGE.N/ER.S MAATSCHAPPIJ - LEIDErs HET JACHTSEIZOEN GEOPEND De goede dagen voor den jager „in hart en nieren” zijn met de opening van het jachtseizoen weder aangebroken; overal, in veld en duin ziet men nu weder groepen vrooïijke jagers er op uittrekken tot het beoefenen van deze opwekkende en gezonde sport. Op onze foto ziet men een dergelijk groepje een duin aldrijven: een spannende bezigheid, daar ieder oogenblik een stuk wild onder schot kan komen. (Fotos V.F.B.) Nimrods zonen aan de lunch. Na afloop der jaagpartij brengen de drijvers den buit bijeen.
PDF
Nummer
1915, nr. 83, 14 oct. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 (Vervolg) ge kapitein trad de loge binnen, waarin reeds een dame gezeten was. Voor hij op zijn plaats ging zitten maakte hij even een buiging voor zijn buurvrouw die hem een oogenblik met de uiterste verbazing aanzag. Dan schoof zij een weinig terug in haar hoek en keek weer naar het tooneel. Heinersdorff steunde met zijn arm op den logerand en luisterde naar de muziek die hem dadelijk als in een zachten mantel hulde. Hij hield van de ,,Tosca'1, meer dan van de andere opera's van den meester. Hij hield van deze mengeling van wierook en bloeddorst met gloeiende zinnelijkheid. Doch vandaag stoorde en verontrustte die zwoele muziek Heinersdorff op een merkwaardige wijze. Ook de door-, dringende, verdoovende odeur van zijn buurvrouw prikkelde hem. Waarom nu sommige dames zich zoo onuitstaanbaar parfumeeren, dacht hij bijzichzelf en keek de vrouw naast zich vijandig aan. Zijn verstoordheid verdween daarbij langzamerhand. Zij had eeninteressant profiel; dat was niet te ontkennen. Haar gezicht was bleek, strak en iets mager van omtrek, en zij had onnatuurlijk roode lippen die als een bloedende wonde in het bleeke gelaat deden. De oogen, waarboven lange wimpers, staarden onafgebroken op het tooneel. De dunne vleugels van haar smallen neus trilden nu en dan. Het scheen Heinersdorff als had hij nooit een gelaat gezien dat zich zoo geheel en zonder schaamte, met hartstochtelijke extase aan de muziek overgaf, zonder zich om iets te bekommeren. Heinersdorff wendde zich met een, gevoel van onbehagen af, daar hij zich ergerde aan de overgave waarmee die vrouw de muziek genoot. Maar, na eenige oogenblikken kon hij ’t toch niet nalaten haar nog eens gade te slaan. Hoe smal was haar hals die door een snoer groote, matte parelen omsloten was ! Hoe doorzichtig waren haar ooren, die zacht te ademen schenen! Het scherm daalde. De zaal straalde op in het licht. Wederom keek de dame met een uitdrukking van de grootste verbazing naar Heinersdorff. Daarna sprak zij hem aan, met een stem die eenigszins schor klonk. „Excuseer me, mijnheer, zoudt u zoo beleefd willen zijn mij te willen zeggen op welke manier u eigenlijk in het bezit is gekomen van het biljet voor die plaats ?’’ Het 75-jarig bestaan der Hollandsche Uzeren Spoorweg-Maatschappij. afbeeldingen daarvan op de tableaux zouden moeten voorkomen. De eerste tegel (bovenste foto) toont dan ook het vertrek van den eersten trein naar Haarlem. Men ziet het versierde stationnetje en het primitieve treintje, de juichende menigte; op den achtergrond den bekenden molen. De tijd stond toen nog niet in het teeken van verkeer: men was van ouder tot ouder gewend geweest aan uiterst primitieve vervoermiddelen en stelde dus zijn eischen niet bijster hoog. In ’t buitenland, voornamelijk in Engeland, was men reeds tot het nieuwe middel van verkeer: den spoortrein, overgegaan — Nederland mocht niet langer achterblijven. De namen R. Ie Chevalier, L. J. J. Serrurier en W. C. Brade, de eerste directeuren der Maatschappij, worden met eere genoemd: hun namen mochten op het herdenkingstableau niet gemist worden. Toen brak een nieuwe tijd aan: het nieuwe vervoermiddel, eerst met achterdocht beschouwd, won allengs het vertrouwen van het reizend publiek, het gebruik nam toe, nieuwe lijnen werden geopend, nieuw en zwaarder materieel verving het oorspronkelijke. Zoo is het 75 jaar lang voortgegaan en wat thans bereikt is, toont het tweede tableau (onderste foto). Daarop zien wij den geheel modernen trein in al zijn imponeerende grootheid. — Maar niet alleen deze trein toont de ontwikkeling van het bedrijf: de Maatschappij moest ook op andere wijze in de eischen van het moderne verkeer voorzien: de Harwichboot, die het verkeer tusschen het vasteland en Engeland onderhoudt; de stoompont, die het mogelijk maakt dat goederenwagens zonder overlading van Noord-Holland naar Friesland worden overgebracht; de stoomtram Bergen—Alkmaar en ten slotte de bekende electrische tram Den Haag—Rotterdam, zij leggen getuigenis af van het rusteloos streven naar volmaking en terecht vonden ook deze middelen van vervoer een plaats op het herdenkingstableau. In de randversiering van de beide tableaux vinden wij op gelukkige wijze verwerkt het symbool van het verkeer: het Gevleugeld Wiel; de provinciewapens toonen welke gedeelten des lands door de Hollandsche Spoor bereden worden, terwijl wij verder in de ornamentvulling aantreffen emblemen, als signaalhoorn, telegraafdraad, signaalvlaggen en -armen. Het geheel is ontworpen door den artist Burgess, in dienst van de firma Heystee, Smit en Co. te Amsterdam en op hare plateelbakkerij Delft te Hilversum, uitgevoerd. Heinersdorff antwoordde verbluft: „Ik kocht het van een opkooper in den foyer, mevrouw." „Dat is vreemd !’’ zeide de dame en haar groote, blauwe oogen schitterden daarbij als in koorts. „Ik hoop dat u mij gelooven wilt ?’’ „O, natuurlijk," zij strekte haar arm uit, als wilde zij iets afweren, „alleen vind ik ’t zoo vreemd !’’ „Mag ik vragen waarom u dat zoo vreemd vindt, mevrouw ?’’ „U heeft zelfs ’t recht daartoe," antwoordde zij met een glimlach. „Mijn neef kocht vandaag twee plaatsen voor deze opera. Een ervan gaf hij aan mij en de andere behield hij zelf omdat hij later zou komen. U begrijpt dus dat ik erg verbaasd was toen ik, inplaats van hem, u hier binnen zag komen." „Ja, dat is inderdaad vreemd," meende de kapitein en bekeek nog eens nieuwsgierig en wat aarzelend zijn plaatsbewijs. „Het biljet is toch in orde," zeide hij en reikte het aan zijn buurvrouw over, die het ook nauwkeurig bekeek. „Ja, ’t is goed. Ik begrijp er niets van." Zij keek een weinig bezorgd en Heinersdorff meende haar te moeten troosten. — „Misschien komt uw neef toch nog, Mevrouw." „Ik hoop ’t. ’t Zou er slim voor mij uitzien als hij wegbleef." De zaal werd weer donker. De tweede acte begon. Heinersdorff wist niet wat hij van zijn buurvrouw denken moest, die nu weer in een zalig vergeten verzonken naar de muziek luisterde, ’t Geval met den neef, wiens plaatsbewijs hij had, was duister en geheimzinnig. „Wat gaat mij per slot van rekening de geschiedenis aan", dacht hij, en keerde zich naar het tooneel. „Na ’t tweede bedrijf ga ik weg." Hij bleef echter zitten. De dame zeide bezorgd : „Mijn neef komt niet. Ik weer niet wat ik daarvan moet denken." De kapitein zweeg. „Hoe laat is ’t eigenlijk ?" „Het is over negenen, mevrouw." Zij keek hem zoo angstig en smeekend aan, dat hij er niet toe kwam weg te gaan. Ze spraken over muziek en in ’t bijzonder over Puccini. Ondertusschen begon de derde acte. Gedurende dit bedrijf was de dame onrustig en zenuwachtig. Ze gaf zich niet meer zoo over aan de muziek, maar keek meermalen naar de deur der loge, die gesloten bleef. Heinersdorff werdaangestokendoor de onrust van zijn buurvrouw, en zei zacht: „Uw neef schijnt niet te komen, Mevrouw." Zij fluisterde: „Wat moet ik nu beginnen ?’’ Op het tooneel werd Tosca’s geliefde doodgeschoten. Hetscherm ging neer. De dame stond op. Zij was lang en slank. Bijna zoo lang als Heinersdorff. Zij herhaalde radeloos : „Wat moet ik nu beginnen ? Ik ben geheel vreemd hier in Weenen." Heinersdorff zeide beleefd : „Maak u niet ongerust. Wanneer u het permitteert breng ik u naar uw huis." Een vriendelijke trek overtoog haar gelaat. • „Hoe moet ik u daarvoor bedanken ?’’ De kapitein stelde zich voor : „Baron Heinersdorff.’’ Zij reikte hem haar hand. Hij hielp haar met haar mantel en verliet aan haar zijde de loge. Het plasregende toen zij uit het operagebouw kwamen. Zij moesten een heelen tijd wachten voor de portier hun de deur van een leege taxi kon openen. De dame gaf haar adres op. Zij woonde Arenbergring. Gedurende den snellen rit spraken zij geen woord met elkaar. In de kleine ruimte was ’t verstikkend zwoel. Het parfum drukte op Heinersdorff als een zware last. Hij dacht : ik wilde dat we er al waren. Daarna ergerde hij zich : Waarom moest ik eigenlijk den ridder spelen ? Zij had best alleen den weg naar huis kunnen vinden. De taxi stopte. DE OORLOG IN HET —DUISTER----- — ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
PDF
Nummer
1915, nr. 83, 14 oct. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA De dame zei : „Ik weet werkelijk niet hoe ik u moet bedanken”. Hij antwoordde hoffelijk : „O maar mevrouw, ’t is immers niet de moeite waard”. „Zegt u dat niet. U heeft mij heusch een grooten dienst bewezen, en ik moet u dankbaar zijn.” Hij opende het portier. Zij vroeg heel rustig: „Wilt u misschien nog een kop thee bij mij gebruiken ?” Hij weifelde een seconde, 't Begon geducht op een galant avontuur te gelijken en hij was waarlijk niet in een stemming om veroveringen te maken. Hij keek zijn begeleidster onderzoekend aan maar schaamdezich dadelijk voor zijn wantrouwen, toen hij haar zoo zelfbewust, als ’n dame, in het rijtuigje zag zitten. „Nu?” vroeg ze en glimlachte even. „Ik neem uw uitnoodiIN BÊSLAG GENOMEN WAPENS VAN GEÏNTERNEERDE MILITAIREN. Tot de plichten van een neutralen staat, die volgens de tractaten krijgsvolk, van oorlogvoerende mogendheden moet interneeren, zoo spoedig dat de grenzen van zijn rijk overschrijdt, behoort ook het ontwapenen van deze militairen en het in beslag nemen en opbergen van alle krijgsbenoodigdheden, die zij met zich over de grenzen brengen. Aan deze plicht heeft_ natuurlijk ook de Nederlandsche Staat voldaan. Onze foto’s brengen dit in beeld: zij stellen de interneering voor „ergens in Holland” van de in beslag genomen goederen, welke de geïnterneerde militairen bij zich hadden. De afbeelding links vertoont de Belgische voertuigen, die gediend hebben voor het transport van genees- en verbandmiddelen; op de rechter foto ziet men een Belgische gepantserde mitrailleur. Een aantal dezer voertuigen zijn in de magazijnen aanwezig. ging aan, mevrouw”, antwoordde Heinersdorff en boog. Hij hielp haar bij het uitstijgen en betaalde den chauffeur. Zij woonde op de eerste étage. Nadat zij de deur had geopend, betraden zij een lange smalle voorkamer. „Doet uw jas uit, als ’t u belieft.” Daarna volgde hij haar in de eetkamer die zeer smaakvol was gemeubeld. De tafel was gedekt en met bloemen versierd. Hij vroeg verbaasd : . „Wacht u gasten, mevrouw ?” „Hoe dat zoo?” Hij wees naar de tafel waarop schotels met koude spijzen, alsmede vruchten en flesschen gereed stonden. Zij glimlachte : „Ziet u niet, dat maar voor één persoon is gedekt ? Die persoon ben ik. Ik had niet kunnen vermoeden dat ik vanavond nog een gast zou krijgen.” Zij nam van het buffet nog een couvert en noodigde Heinersdorff te gaan zitten. Hij zeide : „Ik ben eigenlijk maar voor een kop thee geïnviteerd, mevrouw !” '„Die komt later. Alstublieft, bedient u zich”. Zij schonk twee glazen voluit 'n ronde, ommande flesch en De aan onze kust aangespoelde en onschadelijk gemaakte mijnen van verschillende herkomst, wier aantal nog gestadig vermeerdert, {foto's „Rembrandt") Belgische geïnterneerden, in een der Nederlandsche militaire werkplaatsen bezig met het schoonhouden en repareeren hunner in beslag genomen geweren vroeg: „Drinkt u een glaasje likeur ?” Hij wilde bedanken. „Toe, probeert u die likeur eens. Ik heb ze meegebracht uit San Francisco. U kent die zeker niet. Het is Coeur df Ysette” Hij dronk. De likeur smaakte naar viooltjes en bittere amandelen en naar Chineesche Gember. „Dat smaakt eigenaardig”, zeide hij. „Ik drink die likeur hartstochtelijk graag”, antwoordde zij en schonk zich nog een glaasje in dat ze heel langzaam uitdronk. Haar bleek gelaat kleurde- zich een weinig, en haar pupillen glansden sterker. Al etende moest Heinersdorff er voortdurend aan denken hoe zonderling ’t was dat hij daar nu zoo aan tafel zat met iemand van wie hij zelfs den naam niet wist en van wier bestaan hij drie uur geleden geen flauw denkbeeld had. Wie was zij ? Waarschijnlijk een cocotte eerste rang, die een tournée naar den Balkan ondernam. Hij zou het souper wel contant moeten betalen. Een dure grap ; maar de avond was er mee omgegaan. „Drinkt u rooden of witten wijn ?” Heinersdorff schrok op uit zijn gedachten, „Roode wijn, alstublieft mevrouw.” „Op uw gezondheid!” Zij klonken samen en hij dronk zijn glas leeg. Het was een zachte, milde wijn die als olie door de keel ging. „Ik moet u nu toch vertellen waarom ik zoo dankbaar was dat u mij naar huis hebt gebracht, Een verzameling Belgische geweren in magazijnen opgelegd, onder toezicht van Nederlandsche militaire geweermakers. meneer Heinersdorff.” — „Welnu?” —Zij begon te lachen : „Ik had geen sou bij mij en zonder u had ik te voet naar huis moeten gaan in dien stroomenden regen !” Neen, dacht hij, zij schijnt toch geen cocotte te zijn. Hij begreep er niets meer van. Zou hij als hij wegging geld achter laten voor het fijne souper ? Of zou hij zich daardoor belachelijk maken ? Zij stond op en ging naar het raam. Haar tred was als die van een vorstin. „Het regent nog steeds. U moet mij nog wat gezelschap blijven houden, of u wilt of niet.” „Ik blijf graag nog even, mevrouw, wanneer ik u niet hinder.” — „U hindert mij volstrekt niet.” Zij zag hem aan. Haar staalblauwe oogen maakten hem onrustig. Hoe raadselachtig was dat gelaat! Hij had nog nooit zoo iets gezien. „Mag ik u nog een glas Pommard inschenken ?” „Neen, dank u zeer.” „Maar een glas champagne zult u toch niet weigeren !” Vóór hij kon antwoorden nam zij een flesch uit den ijsemmer en schonk hem in. Het was een droge, krachtige soort. „Drinkt u altijd zulk een krachtigen wijn, mevrouw ?” „Ik houd niet van dat zoetegoedje.” Zij dronkhaar kelk uit en zette het glas zoo hard neer dat de voet brak. „O, dat beteèkent geluk.” Zij steunde haar hoofd op haar handen en staarde in het licht alsof zij geheel alleen was. Heinersdorff durfde zich niet verroeren en bestudeerde haar onafgebroken, als wilde hij het raadsel van dit gelaat doorgronden. Zijn oogen vsoegen Plotseling zeide zij : „U pijnigt uw hersenen met de vraag wie ik ben, niet waar ?” Hij antwoordde verbluft: „Hoe komt u daarbij, mevrouw ?” „Ik voel het.” Zij leunde achterover in haar stoel en keek hem vlak in ’t gezicht. „Ik ben een Amerikaansche. Dat is al bijna een beroep en een legitimatie.” Hij beantwoordde haar blik rustig. „Maar wilt u mijn naam ook weten ? Ik zou u dan een of anderen valschen naam kunnen opgeven, opdat uw gemoed rust heeft.” Hij glimlachte:. „Ik ben hoegenaamd niet onrustig.” Zij reikte hem ongedwongen haar hand : „Vergeef me, ik ben wat zenuwachtig.” Hij kuste haar sidderende vingertoppen. „We zullen nog een glas champagne drinken nietwaar, om het goed te maken ?” „Neen, dank u, heusch mevrouw, ’t Wordt tijd”, antwoordde Heinersdorff. Hij wilde niet meer drinken. Hij voelde dat ’n lichte verdooving zijn gedachten verlamde. Het was alsof een sluier hem omhulde, die steeds dichter werd, en dien hij niet verbreken kon. Hij hoorde het bloed aan zijn slapen kloppen. „Mag ik ’n sigaret opsteken, mevrouw ?” „Natuurlijk, gaat uw gang, ik rook mee.” Ze stond op en haalde een doos met sigaretten. „Wilt u er een van de mijne probeeren ?” Hij gaf haar vuur en stak dan zijn sigaret aan. Die smaakte zoet en zwaar en als in opium gedrenkt. Men geraakte er dadelijk door aan het droomen. Hij zeide kortaf : „Die sigaret bevat veel opium.” „Ik merk 't niet meer, ik ben daaraan zoo gewend. Maar als u de sigaret niet smaakt, legt u haar dan gerust neer.” (Wordt vervolgd) Wie ben je ? 83 (16a)
PDF
Nummer
1915, nr. 83, 14 oct. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 MOTORTOCHT LEEUWAR DEN-BEETSTERZWAAG. Ter gelegenheid van de sluiting van het seizoen zijn door de Friesche Motorclub en den „A.N.W.B.” eenige welgeslaagde feesten georganiseerd. Er werd o.a. een clubtocht gehouden van Leeuwarden naar Beetsterzwaag, waarvoor de belangstelling zeer groot was. Links: Een aardig stelletje, dat aan den tocht deelnam. Midden: Aan het déjeuner te Beetsterzwaag. Rechts: de heer D. H. Pasman (X), van Steenwijk, met de eenige dame, die den tocht op den bagagedrager medemaakte. {foto's v. d. Pei/l.) Een mislukte Grap grap werd natuurlijk uitgedacht || door het vruchtbare, vindingrijke jfe brein van Louis Duinstee en was, || even natuurlijk, bestemd om Ka- ..................." rel Harmans een hak te zetten. 0eze twee waren steeds in de weer elkander belachelijk te maken, hoofdzakelijk met het' doel hierdoor ten koste van het slachtoffer een glimlach te tooveren op het bekoorlijke gelaat van juffrouw Greta Beernink. Juffrouw Beernink was de eenige dochter van een gefortuneerden vader. Dit vereenigd met het reeds vermelde feit dat ze bekoorlijk was en bovendien geestig en lieftallig, is voldoende om het elkeen duidelijk te maken dat ze vele bewonderaars had.- Onder de talrijke motten, die vlogen rondom de vlam van haar aantrekkelijkheden waren Duinstee en Har-' mans de meest bevoorrechten. Beide jongemannen mochten zich verheugen in het genot van een flink inkomen, doch terwijl Harmans hiervoor dagelijks van tien tot Vier uur in een zeer verantwoordelijke positie aan een groote Amsterdamsche bankinstelling werkzaam was, was Duinstee steeds bevrijd geweest van de noodzakelijkheid door arbeid in eigen onderhoud te voorzien, doordat de oude heer Duinstee zoo voorzienend was geweest bij zijn dood een aanzienlijk vermogen aan zijn zoon na te laten. Louis Duinstee kon zich hierdoor de weelde veroorloven te gelooven dat hij artistiek talent had, waaraan hij verplicht was een ruim en luxueus ingericht atelier te bezitten, alwaar hij allerlei impressionnistische meesterstukken fabriekte, tot groot vermaak van zijn talrijke vrienden. ,,Die jonge Duinstee is een uitstekende partij,” merkte de heer Beernink op in een gesprek met zijn vrouw. „Hij is knap van uiterlijk, beschaafd enne.... gefortuneerd, maar toch zou ik als schoonzoon Harmans prefereeren, iemand die wat hij is door eigen kracht geworden is, een hardwerkende knappe ,kop1 Maar —■ Greta moet zelf kiezen 1” Groep „Maak je daarover niet moeilijk,” WANDELTOCHT DEN HAAG HOEK VAN HOLLAND EN TERUG. Door de Haagsche Sportvereeniging „Steeds Voorwaarts” is verleden week een wandeltocht georganiseerd van den Haag naar Hoek van Holland en terug, waaraan van de ruim 50 inschrijvers 44 deelnamen. De geheele afstand, ruim 40 K.M., werd in ongeveer 6 uur volbracht. Hierboven een groep der deelnemers, {föto Hifmans.) EEN PADDENSTOELEN-EXCURSIE. van deelnemers aan de Zondag j.1. door de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging gehouden paddenstoelen-excursie naar het Gooi. {V.F.B.) was het antwoord van zijn vrouw. „Ze zal dat wel doen, als ’t haar tijd is. Er is geen haast bij !” En zoo ging het duel tusschen de mededingers voort, zonder dat een der partijen voordeel behaalde en terwijl de bevallige oorzaak van dezen kampstrijd lachte en praatte en danste met beiden en weigerde van eenige voorkeur blijk te geven. Harmans’ critiek op Duinstee’s kladwerk amuseerde haar, maar dat deden ook Duinstee’s opmerkingen op Harmans’ bedaarde, methodische wijze van doen. Onderwijl had er niets bijzonders plaats, tot de Beerninks besloten een gemaskerd bal te geven. Deze gebeurtenis deed de grap ontstaan ! Louis Duinstee zat op een namiddag, een veertien dagen voor het bal, in zijn atelier. Op den vloer rondom hem lagen schetsen in alle stadiën van wording; de groote vraag van het kostuum voor het aanstaande bal hield zijn geest bezig en ridders, misdadigers, cowboys en dergélijke schilderachtige personen lagen rondom verspreid. Daar werd op de deur geklopt. „Binnen 1” riep hij. — „O, zijn jullie ’t!” ging hij voort, toen een paar blondharige jongelieden binnentraden. „Wel, waarmee kan ik de tweelingen een genoegen doen ?” „Met niets bijzonders. We dachten: laten we eens binnenloopen en zien waar hij nu aan bezig is. Is ’t dat ?” „Neen, dat is ’t!” antwoordde Louis, naar een groot doek op een ezel wijzende. „Wat denk je dat het voorstelt ?” De tweelingen namen een plechtige houding aan. Het was een luchthartig paar, aan Duinstee verbonden door menige nooit terugbetaalde kleine geldleening en verscheidene gezellige feestjes. Ze werden nooit afzonderlijk gezien en waren deswegen bij hun vrienden bekend als Scylla en Charibdis. „’t Is fijn !” merkte Scylla op, na een pauze, „’t Lijkt wel een stormachtige zee — op doek.” „Een stormachtige zee !” lachte zijn broeder, „ben je dwaas, ’t is ’t Vondelpark!” „Beiden mis!” zei de artist. „’t Is—da’s te zeggen, ’t moet worden : de Dam bij nacht”. De tweelingen gierden het uit van de pret. „Is dat’ Naatje?” vroeg er een. „Neen, dat is een politieagent,” legde Louis uit. „Wees voorzichtig 40 JARIG BESTAAN DER DEVENTER CRICKET- EN VO ÉTBA L.C LU B ,,U. D.” Hierboven eenige foto’s genomen tijdens den op Zondag 10 October gespeelden cricketwedstrijd ter herdenking van het 40-jarig bestaan der Deventer Cricket- en Voetbalclub „U. D.” Links: het door de dames Lugard en Ankersmit aan het bestuur aangeboden bloemstuk Rondom het vaandel een groep van leden en oud-leden. Rechts: een aantal op den voorgrond tredende personen, die den wedstrijd bijwoonden. Van links naar rechts: W. J. Lugard, Red. v. d. „Kampioen”; C. B. Vervoort; G. J. Lugard; J. Ankersmit; J. H. Ankersmit; St. Coldeweij, voorzitter „U. D.’’; M. Peereboom, uitgever Dev. Courant; Mevr. Ankersmit; H. H. Lugard; Mr. H. P. Marchant, lid der Tweede Kamer; Mevr. Lugard; Dr. Goossen
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1931 tot 1935 van 11897