|
PANORAMA 2
(Vervolg)
ge kapitein trad de loge binnen, waarin
reeds een dame gezeten was. Voor hij
op zijn plaats ging zitten maakte hij
even een buiging voor zijn buurvrouw
die hem een oogenblik met de uiterste
verbazing aanzag. Dan schoof zij een
weinig terug in haar hoek en keek weer naar
het tooneel.
Heinersdorff steunde
met zijn arm op
den logerand en luisterde
naar de muziek
die hem dadelijk als
in een zachten mantel
hulde. Hij hield van
de ,,Tosca'1, meer
dan van de andere
opera's van den meester.
Hij hield van
deze mengeling van
wierook en bloeddorst
met gloeiende zinnelijkheid.
Doch vandaag
stoorde en verontrustte
die zwoele
muziek Heinersdorff
op een merkwaardige
wijze. Ook de door-,
dringende, verdoovende
odeur van zijn
buurvrouw prikkelde
hem.
Waarom nu sommige
dames zich zoo
onuitstaanbaar parfumeeren,
dacht hij
bijzichzelf en keek
de vrouw naast zich
vijandig aan. Zijn
verstoordheid verdween
daarbij langzamerhand.
Zij had
eeninteressant profiel;
dat was niet te ontkennen.
Haar gezicht
was bleek, strak en
iets mager van omtrek,
en zij had onnatuurlijk
roode lippen
die als een bloedende
wonde in het
bleeke gelaat deden.
De oogen, waarboven
lange wimpers, staarden
onafgebroken op
het tooneel. De dunne
vleugels van haar
smallen neus trilden
nu en dan. Het scheen
Heinersdorff als had
hij nooit een gelaat
gezien dat zich zoo
geheel en zonder
schaamte, met hartstochtelijke
extase aan
de muziek overgaf,
zonder zich om iets
te bekommeren. Heinersdorff
wendde zich
met een, gevoel van
onbehagen af, daar
hij zich ergerde aan
de overgave waarmee
die vrouw de muziek
genoot. Maar, na eenige
oogenblikken kon
hij ’t toch niet nalaten
haar nog eens gade
te slaan. Hoe smal
was haar hals die door
een snoer groote, matte
parelen omsloten
was ! Hoe doorzichtig
waren haar ooren, die
zacht te ademen
schenen!
Het scherm daalde.
De zaal straalde op
in het licht.
Wederom keek de dame met een uitdrukking
van de grootste verbazing naar Heinersdorff. Daarna
sprak zij hem aan, met een stem die eenigszins
schor klonk.
„Excuseer me, mijnheer, zoudt u zoo beleefd
willen zijn mij te willen zeggen op welke manier
u eigenlijk in het bezit is gekomen van het biljet
voor die plaats ?’’
Het 75-jarig bestaan der Hollandsche Uzeren Spoorweg-Maatschappij.
afbeeldingen daarvan op de tableaux zouden moeten voorkomen. De eerste tegel (bovenste foto) toont dan ook het vertrek van den eersten trein naar Haarlem. Men
ziet het versierde stationnetje en het primitieve treintje, de juichende menigte; op den achtergrond den bekenden molen. De tijd stond toen nog niet in het teeken
van verkeer: men was van ouder tot ouder gewend geweest aan uiterst primitieve vervoermiddelen en stelde dus zijn eischen niet bijster hoog. In ’t buitenland,
voornamelijk in Engeland, was men reeds tot het nieuwe middel van verkeer: den spoortrein, overgegaan — Nederland mocht niet langer achterblijven. De namen
R. Ie Chevalier, L. J. J. Serrurier en W. C. Brade, de eerste directeuren der Maatschappij, worden met eere genoemd: hun namen mochten op het herdenkingstableau
niet gemist worden. Toen brak een nieuwe tijd aan: het nieuwe vervoermiddel, eerst met achterdocht beschouwd, won allengs het vertrouwen van het reizend
publiek, het gebruik nam toe, nieuwe lijnen werden geopend, nieuw en zwaarder materieel verving het oorspronkelijke. Zoo is het 75 jaar lang voortgegaan en wat
thans bereikt is, toont het tweede tableau (onderste foto). Daarop zien wij den geheel modernen trein in al zijn imponeerende grootheid. — Maar niet alleen deze
trein toont de ontwikkeling van het bedrijf: de Maatschappij moest ook op andere wijze in de eischen van het moderne verkeer voorzien: de Harwichboot, die het
verkeer tusschen het vasteland en Engeland onderhoudt; de stoompont, die het mogelijk maakt dat goederenwagens zonder overlading van Noord-Holland naar
Friesland worden overgebracht; de stoomtram Bergen—Alkmaar en ten slotte de bekende electrische tram Den Haag—Rotterdam, zij leggen getuigenis af van
het rusteloos streven naar volmaking en terecht vonden ook deze middelen van vervoer een plaats op het herdenkingstableau. In de randversiering van de beide
tableaux vinden wij op gelukkige wijze verwerkt het symbool van het verkeer: het Gevleugeld Wiel; de provinciewapens toonen welke gedeelten des lands door de
Hollandsche Spoor bereden worden, terwijl wij verder in de ornamentvulling aantreffen emblemen, als signaalhoorn, telegraafdraad, signaalvlaggen en -armen. Het
geheel is ontworpen door den artist Burgess, in dienst van de firma Heystee, Smit en Co. te Amsterdam en op hare plateelbakkerij Delft te Hilversum, uitgevoerd.
Heinersdorff antwoordde verbluft:
„Ik kocht het van een opkooper in den foyer,
mevrouw."
„Dat is vreemd !’’ zeide de dame en haar groote,
blauwe oogen schitterden daarbij als in koorts.
„Ik hoop dat u mij gelooven wilt ?’’
„O, natuurlijk," zij strekte haar arm uit, als
wilde zij iets afweren, „alleen vind ik ’t zoo vreemd !’’
„Mag ik vragen waarom u dat zoo vreemd
vindt, mevrouw ?’’
„U heeft zelfs ’t recht daartoe," antwoordde zij
met een glimlach. „Mijn neef kocht vandaag twee
plaatsen voor deze opera. Een ervan gaf hij aan
mij en de andere behield hij zelf omdat hij later
zou komen. U begrijpt dus dat ik erg verbaasd
was toen ik, inplaats van hem, u hier binnen zag
komen."
„Ja, dat is inderdaad vreemd," meende de kapitein
en bekeek nog eens nieuwsgierig en wat
aarzelend zijn plaatsbewijs.
„Het biljet is toch in orde," zeide hij en reikte
het aan zijn buurvrouw over, die het ook nauwkeurig
bekeek.
„Ja, ’t is goed. Ik begrijp er niets van."
Zij keek een weinig bezorgd en Heinersdorff
meende haar te moeten troosten. — „Misschien
komt uw neef toch nog, Mevrouw."
„Ik hoop ’t. ’t Zou er slim voor mij uitzien
als hij wegbleef."
De zaal werd weer donker. De tweede acte
begon.
Heinersdorff wist niet wat hij van zijn buurvrouw
denken moest, die nu weer in een zalig vergeten
verzonken naar de muziek luisterde, ’t Geval met
den neef, wiens plaatsbewijs hij had, was duister
en geheimzinnig.
„Wat gaat mij per slot van rekening de geschiedenis
aan", dacht hij, en keerde zich naar het
tooneel. „Na ’t tweede bedrijf ga ik weg."
Hij bleef echter zitten.
De dame zeide bezorgd :
„Mijn neef komt niet. Ik weer niet wat ik
daarvan moet denken."
De kapitein zweeg.
„Hoe laat is ’t eigenlijk
?"
„Het is over negenen,
mevrouw." Zij
keek hem zoo angstig
en smeekend aan, dat
hij er niet toe kwam
weg te gaan.
Ze spraken over
muziek en in ’t bijzonder
over Puccini.
Ondertusschen begon
de derde acte.
Gedurende dit bedrijf
was de dame onrustig
en zenuwachtig. Ze
gaf zich niet meer
zoo over aan de muziek,
maar keek meermalen
naar de deur
der loge, die gesloten
bleef. Heinersdorff
werdaangestokendoor
de onrust van zijn
buurvrouw, en zei
zacht:
„Uw neef schijnt
niet te komen, Mevrouw."
Zij fluisterde: „Wat
moet ik nu beginnen
?’’
Op het tooneel werd
Tosca’s geliefde doodgeschoten.
Hetscherm
ging neer.
De dame stond op.
Zij was lang en slank.
Bijna zoo lang als
Heinersdorff.
Zij herhaalde radeloos
:
„Wat moet ik nu
beginnen ? Ik ben
geheel vreemd hier in
Weenen."
Heinersdorff zeide
beleefd :
„Maak u niet ongerust.
Wanneer u
het permitteert breng
ik u naar uw huis."
Een vriendelijke
trek overtoog haar
gelaat.
• „Hoe moet ik u
daarvoor bedanken ?’’
De kapitein stelde
zich voor :
„Baron Heinersdorff.’’
Zij reikte hem haar
hand. Hij hielp haar
met haar mantel en
verliet aan haar zijde
de loge.
Het plasregende
toen zij uit het operagebouw
kwamen. Zij
moesten een heelen
tijd wachten voor de
portier hun de deur
van een leege taxi
kon openen.
De dame gaf haar
adres op. Zij woonde
Arenbergring.
Gedurende den snellen
rit spraken zij
geen woord met elkaar. In de kleine ruimte was
’t verstikkend zwoel. Het parfum drukte op Heinersdorff
als een zware last. Hij dacht : ik wilde dat
we er al waren.
Daarna ergerde hij zich : Waarom moest ik eigenlijk
den ridder spelen ? Zij had best alleen den weg
naar huis kunnen vinden.
De taxi stopte.
DE OORLOG IN HET —DUISTER----- — ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
|