Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1926 tot 1930 van 11897
Nummer
1915, nr. 82, 11 oct. 1915
Blad
03
Tekst
11 PANORAMA DE HARINGVISSCHERIJ IN BEELD H et bekende drama aan boord van een Katwijksch visschersvaartuig, waarvan de bemanning in een aanval van godsdienstwaanzin drie harer makkers den dood inzond, heeft een onzer fotografen ertoe gebracht met de camera'eenige indrukken in beeld te brengen van het visschersbedrijf, meer in ’t bijzonder van den voornaamsten tak daarvan, de haringvisscherij. Wij drukken deze foto’s, die een volledig overzicht geven van een bedrijf, waarin duizenden een bestaan vinden, hier op deze pagina af en vertrouwen dat onze abonné’s ze met belangstelling zullen bezichtigen. — De foto hierboven vertoont de Scheven ingsche haringvloot, opgelegd aan een der kaden van de haven. Het uitladen der netten van de zolders, waar zij zijn geboet en hersteld. De slaap- en woonruimte in het vooronder van een bom. In een dergelijke beperkte ruimte heeft zich een deel van het vreeselijk drama aan boord van het Katwijksche vaartuig afgespeeld. Het drinkwater wordt in tonnen aan boord gebracht. Militairen inspecteeren de ruimen om te constateeren of er soms verboden waren worden meegevoerdf Een sleepboot brengt een haringlogger het ruime sop in. {foto's „Rembrandt") Het overstorten van de aangebrachte haring, voor zoover ze niet aan boord reeds in vaten is gepakt. 82 (15b)
PDF
Nummer
1915, nr. 82, 11 oct. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 DE MOBILISATIE VAN HET BULGAARSCHE LEGER. Een straattooneeltje in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije. De inwoners der stad brengen den troepen, die naar de grenzen vertrekken, geestdriftige ovaties. Het pad van den Roem Humoreske van F. HAGEMAN. et was vier uur. Toen de zon het dak van ,,Villa Excelsior” begon te belekken en er al fijne gouden straaltjes langs het zolderraam dropen, dat als een DE STRIJD IN HET OOSTENRIJKSCHITALIAANSCHE GRENSGEBIED. Met welke ontzettende moeilijkheden de strijdende legers in het Oostenrijksch-ltaliaansche grensgebied te kampen hebben, demonstreert bovenstaande foto, waarop men Oostenrijksche soldaten een steile rots op schitterende wijze ziet beklimmen. (V.F.B.) H blikkerend schild te stralen stond in den gevel van ’t nog nadommelende huis, ratelde gelijkvloers, met castagnetklappering, een jaloezie omhoog. Het geluid kletterde hard in de ochtendstilte. Daarna werden de raamhelften langzaam uiteengeslagen en kwam er een meisjesgezicht te zien, waarvan de oogen even knipten tegen ’t gouden licht buiten, en die dan vroolijk te lachen begonnen, toen ze de weelde opvingen van ’t zonnegestoei. Dan boog ’t hoofd van ’t jonge meisje voorzichtig naar buiten, draaide links en rechts. De oogen zochten het lange kiezelpad af, marmermat glanzend in den jongen dag, en waarlangs de spichtige boompjes diskreet ruischelden. Het was zeer stil. Een oneindige teederheid hield de nauw ademende heesters en bloemen rondom het buitenverblijf omvangen. De natte grassprietjes, gezellig bij elkaar in dichte gelederen rond de bloemperken gedrongen, HULDIGING VON HINDENBURG. Verleden week herdacht Von Hindenburg zijn 68sten verjaardag. Op dien dag heeft men te Berlijn voor het standbeeld van den grooten veldheer op de Köniqsplatz een betooging gehouden, die een zeer geestdriftig karakter droeg. (V.F.B.) negen met elegante buiginkjes tegen elkander, bewogen door den bries die zachtjes kwam aanzuchten. Vertrouwelijk fluisterden de pas ontwaakte bloemen elkaar haar weelderige droomen in. De boomen stonden stil te peinzen ; ze waren alle wijze, oude mannen, die de zon al duizenden malen zagen opkomen en ondergaan ; voor hen was het nieuws er af, maar de krokusjes en viooltjes, de anjelieren en goudsbloemen genoten, genoten. Het meisje keek nogmaals onderzoekend naar links en weer naar rechts. Zoo stond ze even, een wit, lief figuurtje tegen den wazig-duisteren • kamer-achtergrond, tot ze ineens recht schokte. In de laanverte klonk fijntjes het zilveren gepieng van een fietsbel. Snel verdween het meisje en terwijl aan het eind van de laan voor het huis een jonge, struische fietser kwam aanpeddelen, knarste de voordeur open en weer dicht. Het meisje stond buiten, een fiets aan de hand. Met een zwaai was de jongen van zijn rijwiel. ,,Daar ben ik, Suus. Toch niet te laat ?” GEWONDENVÈRVOER IN DE BERGEN. Welke, bijna onoverkomelijke, moeilijkheden het vervoer van gewonden in de bergen ondervindt, toont bovenstaande, eveneens in het OostenrijkschItaliaansche grensgebied genomen foto. Ze laat ons een Oostenrijksche patrouille zien, die een gewonden krijgsmakker meevoert. (V.F.B.) HET KAMP RUHLEBEN BIJ BERLIJN. Een kijkje tijdens een bokswedstrijd in het kamp te Ruhleben bij Berlijn, waar de in Duitschlana vertoevende burqers van landen waarmede dit rijk in oorlog is, zijn qeïnterneerd. (V.F.B.) DE EX-VORST VAN ALBANIË. De Prins Von Wied, (links), gewezen vorst van het „Koninkrijk” Albanië, in gesprek met aartshertog Leopold Salvator van Oostenrijk. (V.F.B.) HET KAMP RUHLEBEN BIJ BERLIJN. Een zonderling-uitziend bewoner van het civiel-interneeringskamp Ruhleben bij Berlijn. • (V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 82, 11 oct. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA DYNAMIET-ONTPLOFFING TE NEW YORK. Bij den aanleg van een nieuwe trambaan te New York heeft een dynamiet-ontploffing op 22 September groote verwoesting aangericht. Zeven personen werden gedpod; een tramwagen, (zie midden op de foto) die in de omgeving reed, werd totaal vernield. „Vijf volle minuten, menéér Gozewijn Derksen.” „Boos ? Geef me een zoen.” „Géén zoen, niet één, geen hand, geen vingerlid voor ik weet waarom je een kwartier te laat komt.” „Een kwartier, meisje? Verbeeld ik het mij, of was het daareven „Daareven vergiste ik me. Het is minstens een half uur.” „Pardon — neen waarlijk, duizendmaal pardon. Het is vier minuten na vieren.” „Je horloge deugt niet.” „Het is een chronometer. Pas dat onverdiende verwijt op de spoorwegdienstregeling toe, en ik geef je gelijk. Ik moest vijf minuten wachten voor den overweg. Krijg ik den zoen ?” Gozewijn Derksen kreeg hem. „En heb jij al wat gegeten, Suus?” „Ik heb wat beschuiten naar binnen gepropt, met een glas melk. Hier in mijn taschje heb ik sandwiches.” „Ik heb een half krentenbrood bij me.” „Hemel, Goos, we gaan toch niet naar Amerika? Denk er om, dat ik op zijn laatst om half acht weer binnen moet zijn — als pa iets merkte . .” Ze waren intusschen opgestegen en rolden tusschen de heesters en bloemen uit, die hen oogknippend nakeken, den witten grindweg op, zon en groen tegemoet. „Nog altijd onverzoenlijk, je vader?” „Meer dan ooit. Jij kent hem niet als ik. Hij is een beste, goeie man — maar hij heeft zijn fouten, als iedereen. Jij bent ook niet volmaakt.” „Zeker niet.” „Als je dat wèl was, had je er voor gezorgd, hem niet juist in zijn gevoelige zij te kwetsen.” „Ja maar kindje — toén ik dat deed — en werkelijk niet met al te boos opzet — toen wist ik niet dat ik verliefd op je zou worden.” „En je kende me al twee dagen?” Derksen lachte. PORT-SAÏD EN DE OORLOG. Gezicht op de haven van Port Saïd, een havenstad in Egijpte aan den mond van het Suez-kanaal. In het midden der foto een Fransch oorlogsschip ; meer naar links de installatie van een inrichting voor draadlooze telegrafie,. (V.F.B,) „Dat is waar, je was al wel twee heele dagen van je kostschool terug, en ik smeek je om vergeving, dat ik niet onmiddellijk voor je op de knieën ben neer gevallen. Ik ben nu eenmaal niet van een dergelijke constitutie. Maar als ik van iemand ga houden, dan doe ik het ook goéd, vast en innig.” Zijn bruine oogen keken haar Jiefkoozend aan, en zij streelde hem weer met haar blik. „’t Is wel heel jammer, Goos. Pa heeft me wel eens gezegd, dat hij je tot voor dien treurigen dag wel had mogen lijden ...” „Maar het verhaal van „Paolo, de Roode Bandiet” heeft me vernietigd.” „O, had het toen maar nooit in je blad laten zetten ! Pa was er woedend, woedend om. Hij herkende zich zelf dadelijk uit dien detective, die zooveel flaters begaat . . .” „Bewijs van zijn slecht geweten.” „Bewijs van jóuw groote onvoorzichtigheid.” HET OFFENSIEF DER GEALLIEERDEN. Een Duitsche loopgraaf, die na een hevig voorbereidend bombardement, in een stormaanval door de Franschen genomen werd. Op den achtergrond zijn de Fransche soldaten zichtbaar. VENIZELOS AFGETREDEN. (KF.S.) Venizelos, (links), de Grieksche minister-premier, is naar aanleiding van een meeningsverschil tusschen hem en koning Constantijn, afgetreden. De foto die wij hierboven reproduceeren, werd genomen tijdens zijn laatste verblijf te Weenen. „Kon ik weten, dat een goede vriend hem dat feuilleton zou toesturen ? Had ik je maar een paar maanden eerder leeren kennen, dan had ik het stellig in de pen gehouden.” „En nu is ’t te laat.” „O neen, — niets is te laat. Ik hou van je — ik laat je niet los, voor geen goud. We zullen geduld hebben. Je vader zal me eindelijk wel vergeven.” „Zie je wel, dat je hem niet kent? In geen jaren vergeeft hij je.” „Dan hoop ik op een wonder. Of ik doe een voetval. Of — of ik schaak je.” „Praat geen onzin. Ik hou dol van je, Goos — maar dat zou ’k nooit doen. Als ik alleen maar denk aan die lieve, goeie, zachte oogen van moes, hoe die dan zouden kijken, moes die je nog zoo graag mag zien — nee, nee — nooit meer zeggen, ook niet uit aardigheid.” Ze zwegen. De fietsen snorden over den weg, de wielen en kettingen zongen een monotoon wijsje, de banden sponnen. Heel in de verte doemde, overgoten met hel zonnelicht, het groenschemerend bosch voor hen op............... . * * * In de groote huiskamer van „ Villa Excelsior" stond een paar uur later de ontbijttafel gedekt, dicht bij één der wijdgeopende ramen. De buikige theepot troonde in effen witheid, als een bedaagd, dik menschje, op het comfoortje. In den broodbak scholen malsche kadetjes en knapperige geraspte broodjes bij elkaar. De kristallen beschuitdoos grinnikte vergenoegd in ’t zonnetje, dat leutig het rechtvouwige tafellaken beplaste. Naastboven de tafel kwetterde een luidruchtige kanarie. De kamér stond vol rijp zomerlicht, dat als een vloedgolf binnen gudste door de groote ramen, en te hoop stuwde rond de vroolijke ontbijttafel, waar druk te stoeien viel met allerlei plezierig glimmend gerij. Vier bordjes hielden elkaar gezelschap op de sneeuwige vlakte van ’t tafellaken. Naast een ervan lagen, opgevouwen en onder kruisband, DE STRIJD IN Een paar interessante foto’s van het woud van Champagne, zooals dit er thans né het jongste geruïneerd; de meeste boomen zijn totaal weggeschoten of ontworteld, van de overige zijn de CHAMPAGNE. offensief der Gealliëerden uitziet. Het eens om zijn natuurschoon bekende bosch is thans geheel takken bijna geheel van de stammen afgerukt, terwijl de grond omwoeld is door ’t granaatvuur.
PDF
Nummer
1915, nr. 82, 11 oct. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 „Le Matin”, en het plaatselijk blaadje „De Veldburger Bode”. Precies om half negen ging de deur van de kamer open en trad er een dame binnen, met felle zwarte oogen en bijna wit haar, dat in mooie gelijke boogjes geplet was tegen forsche slapen. De neus van deze dame was zeer groot, zeer scherp en zeer puntig. Hij leek een ploegschaar, waarmee de eigenaresse zich een weg sneed door de zaken des levens. De grijze dame richtte haar neus naar de ontbijttafel en volgde dit prominente lichaamsdeel met statigen tred, terwijl haar zijden japon plechtig ritselde. Daarop zette zij een stalen lorgnet te paard op de ploegschaar, bekeek critisch het Parijsche blad, snoof luidruchtig en zette zich rechtstandig neer op een der vier om de tafel staande stoelen, waar zij bleef zitten, roerloos, zonder zelfs met de oogen te knippen, tot de deur nogmaals openging en doorgang verleende aan den heer Timotheus Blok. Timotheus Blok was een zeer dik heer. Men zou hem zelfs buitengewoon dik hebben kunnen noemen. Er zat weinig contrast in den man. Zijn vormen vloeiden zonder overgang in elkaar, en als men bij de beschouwing van zijn lichaam nog meende bij armen en beenen te zijn, dan was men inderdaad reeds aan den romp bezig. Timotheus Blok bezat noch baard, noch knevel, ofschoon er voor deze mannelijke sieraden plaats in overvloed was. Zijn vaal haar hing in ruige guirlandes her en der om zijn hoofd, en vlak boven zijn voorhoofd schoot een formidabele clownskuif omhoog, als een bos prairiegras. „Dag zus — zit je er al ?” joviaalde de heer Blok bij zijn binnenkomen. „Ik zit hier zes en een halve minuut, Timotheus,” antwoordde de waardige dame in het zij. „Heere, ben ik over mijn tijd? Hoe laat is het ?” „Het is dus zes en een halve minuut over half negen. Het verbaast me van iemand die een horloge draagt èn criminalistisch heet te zijn aangelegd, dat hij naar den tijd informeert.” Mijnheer keek bedremmeld naar de kanarie. „Je bent toch — ben je — je bent, hoop ik, goed gehumeurd, Tilde ?” „Ik ben zoo goed gehumeurd als iemand zijn kan, die zes en een halve minuut moet wachten op familieleden die geen begrip van tijd schijnen te hebben. Waar zijn Margot en Suze?” „Margot is even in de keuken en Suze is bij de kippen. Er zijn vannacht —” mijnheers gelaat versomberde in zorglijke overdenking en zijn stem daalde naar geheimzinnig gefluister — „er zijn vannacht — je moet er niet van schrikken, Tilde — eieren gestolen. Ik heb zooeven voetstappen bij ’t hok gezien, versche voetstappen — van groote mansvoeten. Ze gingen in de richting van ’t huis — tot aan de mat kon ik ze volgen — en er mankeerden zes eieren ....” „Hier zijn ze,” kwam zijn zuster, en haar gelaat was zoo effen als een menschelijk gelaat maar zijn kan, toen zij zes eieren uit haar groote reticule haalde en op tafel legde. „Ik heb ze zooeven zelf gehaald. Die versche voetstappen van groote mansvoeten waren van mij. Gaat de barometer vooruit?” Timotheus Blok haastte zich naar den barometer, tusschen twee der ramen hangend, en begon een uitvoerige dissertatie over de weerkansen te houden, zeer verheugd dat hij op deze wijze zijn verlegenheid kon verbergen. Midden in zijn verwarde verhandeling traden Mevrouw Blok en Suze binnen. „Dag Tante!” „Dag Suze l” „Dag Til 1” „Dag MargotI” „Beetje laat, hè tante?” — „Negen minuten, Suze.” „Hindert niet erg, tante. Als we ’t leven zoo nauwkeurig inrichten, op de minuut af, hebben we er niets aan. Wel, pa?” „Ik zou ’t niet zeggen, kindje, ik zou het niet zeggen.” „Wat bedoel je nu eigenlijk, Timotheus?” vroeg zijn zuster bits. „Zou je niet zeggen, dat ’t wèl, of zou je niet zeggen, dat ’t niét zoo is? Duidelijkheid van uitdrukking is voor dé- tectives -en quasi-détectives hoofdzaak. Wordt hier vandaag ontbeten of is het de moeite niet meer tot koffiedrinken?” BELGISCHE KINDEREN IN ONS LAND. Een groep van Belgische kinderen, die dank zij den financieelen steun van het Amerikaansche Christian Herald Comité, door het R. K. Huisvestingscomité te Leiden uit België zijn gehaald en te Bolsward bij pleegouders zijn geplaatst door bemiddeling der Middenstandsvereeniging aldaar. Ds. J. H. WIERSMA. Dr. g. dornseiffen t D. J. VEEN. Ds. J. H. WIERSMA, predikant der Nederl. Herv. Gemeente te Amsterdam, herdacht 1 October den dag, waarop hij vóór 50 jaar zijn ambt als predikant aanvaardde. — Te Amsterdam overleed in den ouderdom van 54 jaar de heer Dr. G. DORNSEIFFEN, in leven directeur der Koepokinrichting aldaar en oud-secr, van den Geneeskundigen Kring. — Den lOden Oct. was het 40 jaar geleden, dat Ds. D. J. VEEN te Bergharen, zijn predikambt te Eist (Rhenen) aanvaardde. Ds. V. heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt met de publiceering zijner onderzoekingen ter vaststelling van het geboorte- en sterfjaar van Jezus v. Nazareth, waarover in verschillende Theol. tijdschr. artikelen van zijn hand werden opgenomen. Ds. V. komt tot de conclusie, dat de geboorte te Bethlehem plaats vond op25Dec. v.h. jaar 4 vóór onze jaartelling, zoodat wij thans 1919 n. Chr. zouden moet schrijyen, terwijl hij als sterfdatum stelt Vrijdag 7 April (15 Nisan) van het jaar 30 onzer jaartelling. Na deze vriendelijke vraag haastte zich de familie naaide ontbijttafel en dra klikketikten de messen, knisterden de knapperige broodjes en maalden de vleezige kaken van Timotheus Blok onverpoosd. Ondertusschen las hij met gretige aandacht in de „Matin”. „Ik kan me niet begrijpen hoe men zoo’n colportageblad prefereert 1” gaf mevrouw Tilda Blok als haar meening te kennen, nadat ze vergeefs getracht had, door het blad heen haar broeder met haar blikken te biologeeren. „Als EEN HEUGLIJK FEIT. Woensdag 6 October was het 50 jaar geleden dat de afdeeling „Kraamvrouwen” der Liduinavereeniging te ’s-Gravenhage, werd opgericht. Door de bijzondere tijdsomstandigheden werd dit jubileum zonder feestelijkheden herdacht en bepaalde het bestuur er zich toe een receptie te houden voor degenen die hun sympathie voor de Afd. wilden betuigen. Hierboven een foto van het Bestuur. Zittend van links naar rechts: Mevr. v.d. MeulenSauveur, penningm.; Mevr. v. Leeuwen-Meijknecht, pres. der afd. Kraamvrouwen.; Mevr. C. v. Vuuren-Timmerman, pres. der Liduinavereen. Staand, in dezelfde volgorde: Mevr. Cruyt-Franses, secr.; Mevr. M. Simonis-Jong, man en Mevr. Smit-Beccari. (foto Hijmans) ik rentenier was, als ik in een klein stadje als Veldburg woonde, waar ièdereen iedereen kent, en men zich dadelijk, om een wissewasje, onsterfelijk bespottelijk maakt, dan las ik om te beginnen niet de „Matin”, en ik plantte vervolgens kool en aardbeien, in plaats van mijn neus te steken in zaken die me niet aangaan, waar ik diets van weet en nooit iets van geweten heb !” Timotfieus Blok kéék naar dien neus en had een zeer vinnig antwoord op de lippen, dat hij bijtijds terughield en zorgvuldig wegsloot bij veel andere antwoorden dié haar niet bereikten. Hij zei in plaats daarvan, opgewekt doend : „Och — de één doet dit, de ander doet dat: ik houd nu eenmaal van nasporen, logisch redeneeren en combineeren. En dat ik er geen verstand van heb — och, dat valt óók nog te bezien, ’k Heb toch die zaak van Tijs Valk maar dadelijk doorzien, wat je noemt: doorzién, waar of niet, Margot?” Mevrouw knikte vaag. „Je ziet ’t. Jawèl, zeker — de justitie is tot dezelfde conclusie gekomen, maar na mij, na mij^ Ik had ’t flair zie je, zooals de Franschen ’t noemen.” „Iemand dien ik ken, noemde het in een van zijn feuilletons, als ik me niet sterk vergis „de hondenneus””, kwam mevrouw Tilda Blok. . Het was een knotsslag. Timotheus Blok werd er bleek van, en zijn vrouw keek met angstige bezorgdheid eerst Suze, die heel wit werd, en daarop haar man aan die integendeel vuurrood zag. De thee neuriede een tijdlang hoorbaar. „Die jóngen — die vlégel —” kon de beleedigde man eindelijk dof uitstooten — „is me niet waard dat ik een woord aan hem verspil.” „Maar Tim” — waagde mevrouw. „Stil vrouw — geen woord. Ik weet dat jij hem altijd voorspreekt, altijd de hand boven ’t hoofd houdt. Dat is schandalig genoeg —- en dat zijn eigen dochter, mijn eenig kind — dat zij dien rékel nog avances heeft gemaakt. . ik mag en ik wil er niet aan denken. Bespot en verguisd in een groot blad — ik, die heel wat rechercheurs van beroep in mijn zak stpp, ik, die hier nog geen drie weken geleden de justitie op ’t spoor heb gebracht van die inbrekers bij bakker van Drielst. „Een verkeerd spoor”, merkte mevrouw Tilda Blok op, terwijl ze een reepje brood in haar ei doopte. „Niet verkeerd I De politie heeft andere individuen gearresteerd dat weet ik, maar die had ze nooit kunnen- krijgen, als ik haar mijn meening omtrent de vermoedelijke, versta mij wel — de vermoedelijke daders niet had gezegd. Twee maanden geleden zaten ze met hun handen in ’t haar, toen met die ontvoering van dat minderjarige meisje .... ik ben er op uitgegaan, met Tyras, heb de heele streek afgezocht, overal onderzoek gedaan, voetsporen nagegaan, en toen ik terugkwam...” „Zat ’t kind thuis”, zeide Mevrouw Tilda Blok als terloops, terwijl ze haar vingers aan het servetje afdroogde. „Precies — je zegt het. ’t Kind had mij natuurlijk aan ’t werk gezien en begreep dat er geen ontvluchten mogelijk was, toen ik mij er mee ging bemoeien. Nu moet je hier dat geval in de „Matin” zien : driedubbele moord met inbraak. Denk je dat die lui, die de zaak onderzoeken, logisch redeneeren ? Geen idee — geen kwestie. Geen spoor van combineeren.” „Je bent je roepingmisgeloopen, Timotheus,’’ zei de zuster van dien heer, terwijl ze opstond. „Je had politie-agent moeten worden.” Met deze woorden verliet ze de kamer. „Politieagent!” schamperde meneer. „Iemand die de capaciteiten van een Sherlock Holmes in zich heeft! Och, ik zal maar denken : ’t mensch t weet niet beter !” Hij sloeg ’t plaatselijk blaadje open en begon de locale mededeelingen door te lezen. Plotseling werden zijn oogen ^kogelrond van verbazing en verstrakten zijn trekken van felle aandacht. „Is er wat bizonders, Tim?” vroeg mevrouw. „Wat bizonders, vraag je? Bagatel! Een groote inbraak bij Hufman ! Luister maar!” En mijnheer las met uitbundige klemtonen en zwaarwichtige uithalen het bericht voor, dat hem zoo had geschokt: „Brutale inbraak bij den heer Hufman. Hedennacht is in den winkel van den heer Hufman een zeer brutale inbraak gepleegd. Door middel van een ladder zijn de inbrekers — want het moeten er minstens twee zijn geweest — over den tuinmuur achter het perceel van den Heer Hufman geklommen en hebben • zich in diens winkel toegang verschaft door een tuimelraam boven de keukendeur, die op den tuin uitkomt. Eenmaal binnen zijnde, sneden zij een ruit uit aan de binnenzijde der keuken, kwamen zoo op de gang en staken het slot van de winkeldeur open, die op die gang uitkomt. In den winkel maakten zij zich meester van een geldkistje, hetwelk de heer Hufman anders meestal wegsloot, en van * een groot aantal hoeden en petten. Cp dezelfde wijze als zij gekomen waren, verdwenen de inbrekers weder. De heer Hufman verklaarde ons, dat het kistje voor minstens 200 gulden geld en geldswaar dige papieren bevatte.
PDF
Nummer
1915, nr. 82, 11 oct. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA HET KONINKLIJK PALEIS TE ROME INGERICHT ALS HOSPITAAL. Het Quirinaal te Rome (paleis van den Koning van Italië), gelegen op een heuvel van dien naam, is geheel ingericht als RoodeKruishospitaal. Om vijandelijke vliegers op de bestemming van het gebouw te wijzen, zijn op de daken en het binnenhof RoodeKruisteekens aangebracht (zie foto rechts). Op de linker afbeelding ziet men de^balzaal v. h. Quirinaal ingericht tot ziekenzaal. (V.F.B.) den winkelier in een toestand van volslagen onthutsing achterlatend. Het liep tegen den avond. In den huize Blok was, het stil. Suze was ongemerkt verdwenen. Mevrouw Tilda liep met schampere opmerkingen, betrekking hebbend op „de nieuwste krankzinnigheid” van haar broeder, de avondsfeer telardeeren. Voor het huis ronkte de motor van den kleinen auto, dien de villabezitter een jaar te voren had aangeschaft. Tyras, de groote Ulmerdog, blafte uitgelaten van vreugde ovér het te wachten toertje. Aan ’t tuinhek praatten ik Van de inbrekers ontbreekt tot dusverre iéder spoor”; „Wel, wat zeg je daarvan ?” ,,lk zeg dat ik ’t benauwd vind, Tim. ’t Is vlak bij ons in de buurt.” „Wat gaat U doen, Pa?” vroeg Suze, toen haar vader met een ruk opstond, zijn stoel achteruit schoof en op zijn horloge keek. „Er werk van maken natuurlijk. De veldwachters zijn hier zoo laks—” „Bedenk alsjeblieft wat je gaat doen, Tim 1” maande zijn vrouw hem. „Er is laatst al zoo om je gelachen, en —” „Om mij gelachen ? Om mij ? Ja, door ezels, door bekrompen snuiters, die me benijden. Maar wie ’t laatst lacht ga er op uit, direct naar Hufman.” Twee minuten later schreed de heer Blok met driftige schreden naar ’t huis van den bestolen hoedenwinkelier, die hem met een zuurzoet gezicht ontving. „Meneer Hufman,” viel Timotheus Blok met de deur in huis, „ik kom je mijn diensten aanbieden, geheel belangeloos, dat moet je wel begrijpen.” „Och meneer Blok — geeft u dat nu niet te veel moeite ?” „Heelemaal niet, mijn beste man, hoegenaamd niet! ’t Is mijn lust en mijn leven om voor andere menschen achter ’t gespuis aan te zitten, ’n Gave, waarde heer, ’n gave. Wijs me nu maar eens even die keukendeur, §n de ladder en de geforceerde winkeldeur, en je gestolen petten — ik bedoel natuurlijk : van diezelfde petten als je ontstolen zijn.” Hij liep peinzend achter den zachtjes mompelenden winkelier aan, bekeek aandachtig de wanden, betastte hier en daar een deurklink. Voor de keukendeur bleef hij staan, wrong het dikke hoofd moeizaam, schuins naar boven. „Is dat ’t tuimelraam ?” „Jawel, meneer.” „Hm 1 Nog al flink wijd 1 Daar kan dus alleen een kerel van grooten omvang doorgekropen zijn.” „Zoudt u denken? Ik dacht dat als er een dikke man door kon, dat er dan ook een magere —” „Jawel, jawel, zéker, Hufman. Dat kan ook wel. Ha — wat hebben we hier ? Zeker een stuk dat bij ’t inklimmen uit de kleeren van een der boeven is gescheurd?” „Nee meneer, da’s de keukendweil.” „O-ó-ó. Kan ook zijn — kan ook zijn. Hm, maar eens naar voren gaan. Jawel — ik zie ’t al. De deur opengestoken, dat zie ik direct aan ’t beschadigde slot. Ik dank je, Hufman, ik dank je — ik ben al ingelicht.” „Zou u al weten — ?” „Ik weet. A propos — er hebben hier drie dagen lang zigeuners rond gezworven, hè?” „Jawel, meneer, in een woonwagen.” „Juist. Nu, let op mijn woorden : de inbraak is gepleegd door twee zigeuners en een vrouw. Een van de kerels loopt mank. De andere heeft roodhaar, en riekt sterk naar teerzeep. De vrouw is tusschen de 16 en 40 jaar, groot van stuk, en mankeert twee snijtanden in de bovenkaak. Adieu, Hufman, adieu — je hoort nader van me.” Hiermee stapte de heer Timotheus Blok voort, VLAAMSCHE TOON EEL-ARTISTEN IN HOLLAND. Tot de Vlaamsche tooneel-artisten die door de oorlogsomstandigheden naar 'Holland zijn uitgeweken, behoort ook de heer KAREL VAN RIJN, wiens portret wij hierboven plaatsen. Karei van Rijn is een der beste Vlaamsche acteurs, die vooral uitmunt in het komische genre. Hij is voor den tijd van twee jaar aan het gezelschap v. d. heer Rooyaards verbonden, waar hij ongetwijfeld gelegenheid zal hebben zijn onbetwistbaar talent te doen waardeeren. Karei van Rijn is bovendien blijspelschrijver van groote verdienste. de heer des huizes en zijn vrouw. „Zou je ’t nu heusch wel doen, schraal.” „Vrouw, ’t is mijn plicht. Ik heb vanmiddag een zeer belangrijke vondst gedaan, ik heb een stuk goed langs den weg gevonden, dien de zigeuners — je weet wel ? — gisteren zijn gevolgd. Toen ik het aan Tyras liet ruiken, ging hij als bezeten te keer. Ik moét ze vanavond nog vinden.” „Neem dan iemand mee !” ,Jk heb twee onbezoldigde rijksveldwachters bij me, die diep ik onderweg op. Adieu — en wensch me geluk.” • „Dat wil ik graag doen, Tim — maar kom toch alsjeblieft gauw terug. Ik zit zoo in angst, als jij zoo iets begint. Chauffeur, zul je voorzichtig rijden ?” De man tikte aan zijn pet, haalde de mise-en-marche over, en met een kleinen ruk schoot de auto in beweging, den violetten avondweg op, terwijl Tyras onbedaarlijk blafte, naast zijn baas gezeten. Bij de voornaamste herberg laadde de auto de twee veldwachters in. Mystérieus gaf mijnheer zijn instructies: „Jansen en Vlierstra — letten jullie nu goed op. Ben je gewapend ? Neen ? Da’s ook wat, als ordebewakers niet gewapend I O, heb jij ten minste een sabel ? Mooi — ik heb mijn revolver. Zien jullie dat stuk doek ? Dat is Zigeuners?goed, zooals je ziet. Watte? Een gewone damesomslagdoek? Kom, kom, Jansen — vertel mij nu, wat ik je bidden mag, niet wat Zigeuners-goed is en wat niet. Tyras heb ik er lucht van gegeven, en die . . .” Plots beklopte meneer zich het vette voorhoofd. „Hoe kon ik dat vergeten! Als we den hond in den auto hebben — haha — hij is goed ! Hoe kan men zoo verstrooid zijn ! Als wij hem ïn den wagen houden, dan kan hij den weg niet wijzen ! Haha ! Om niet te gelooven ! Braaf zoeken, zoete hond !” Het reusachtige dier blafte dol en rende dadelijk den weg af. De auto schoot weer in vaart, ’t Was een buitengewoon fantastische tocht, en de heer Blok voelde er ’t romantische van : de wagen op den stillen weg aanjachtend achter den reusachtigen Ulmerdog. Maar ineens schoot de hond van den weg af, joepte licht over de sloot en galoppeerde in groote sprongen op een groep akkermaalshout af, voorloopster van ’t bosch, waarin hij, luid blaffend, verdween. Mijnheer voelde, dat het oogenblik van handelen was gekomen. Hij liet den auto stoppen. „Jij wacht hier met den wagen, John” fluisterde hij heesch. „Straks komen we denkelijk met drie gemaskerde bandieten terug. Maak je Tim ? de avonden zijn nog zoo gelokt, en... rats... daar had hij den grappenmaker alweer geknipt. Nog net bijtijds, want Fuca heeft zich al op het edele voetbalspel geworpen; maar ook dit duurt niet lang en reeds zien we hem weer aan de Romeinsche ringen zich ongelijkarmig opzetten, om bijna gelijktijdig (zoo gauw gaat het) ook aan de trapéze rond te zwaaien tot groot vermaak van de kinderen. Een oudere collega van hem, de chimpansee Kokkie, is zoo bedaard als Fuca tierig en plezierig is. Kokkie zit maar te kijken, geeft af en toe geluiden, die ik niet kan verstaan al zit ik in zijn mond schoenen te lappen, maar hij zet er een gezicht bij met iets van „Schep nou niet zoo op”, of „maak je niet dik, dun is de mode.” Ook Mina, een mooie orang, bezondigt zich niet noemenswaardig aan kouwe drukte ; ze zit meestal stilletjes te kijken naar de lolletjes van Fuca met de kinderen, en vindt blijkbaar dat ze al meer dan genoeg doet, wanneer ze zoo haar mooie roode, langharige automobilisten-pels bewonderen laat, die ze van Onze-lieve-Heer present heeft gekregen, hoewel ze eigenlijk nooit in een auto zit. Dan hebben we Lankie nog, ook een alleraardigste pierewiet om naar te kijken, met zijn vermakelijke gebaren en houdingen. Maar de grapjas bij „ArtSs”=kSekje. H et weer werkt, zooals dat heet, niet erg mee, ja, je kunt wel zeggen, dat het vierkant tègenwerkt. Maar toch, zoo nu en dan is er eens een mooiweersdag, althans een deèl van een mooiweersdag. En als ik dan maar éventjes kan, tippel ik naar „Artis”. Want ik ben van dien Amsterdamschen „beestenboogaard” een allemachies groot vriend en vereerder; er is maar één ding, dat ik er op tegen heb, en dat is den naam... Wat deksel, hoe ter wereld komt het een mensch in zijn kersepit om den naam van het Zoölogisch Genootschap „Natura Artis Magistra” (de natuur is de meesteres der Kunsten) af te korten tot Artis, en niet tot „Natura” of ^Magistra”, wat nog iets geleken had, — al is het ook niet veel. Maar laat ons den naam, den naam laten, immers „What is in a name?” Dit laatste is een citaat uit een tooneelstuk van een zekeren heer Shakespeare, of volgens de Franschen Jacques Pierre, en doet, eerlijk gezegd, niks niemendal ter zake, zoodat ik er genoeglijk over had kunnen zwijgen, maar het staat er nu eenmaal; enfin, niet uitvlakken, niet achter je zien, maar steeds voorwaarts. Wat er staat, staat er, behoort tot het verleden, onze aandacht richten we dus op wat we verder te vertellen hebben, en ook uwe aandacht wordt daarvoor bij dezen gevraagd, lezeressen, lezers. « Ik steek van wal. Bij mijn laatste bezoek aan „Artis” dan, heb ik me een aap gelachen. Een aap, ja. Om een aap. Om een aap van een aap, want als het een jongen was, zou je zeggen: een aap van een jongen. Om het grasveld voor het groote apenhuis staan hoopjes joelende en lachende kinderen, en over hun hoofden kijkend, ontwaar ik de oorzaak van hun plezier. Op het grasveld zit een groote Chimpansee op een stoel, en kijkt ernstig voor zich uit alsof hij over de dwaasheden van de menschen practizeert met zijn chimpansee-hersens. Het was een treffend gezicht, en omdat wij niets dan kinderen in de omgeving opmerkten, en er dus geen volwassen abonnees van „Panorama” aanwezig waren, lieten wij dadelijk den fotograaf dit tafereel aan de vergetelheid ontrukken. En hij ontrukte het heelendal; overtuigt u maar. En bij die kiek bleef het niet, want toen Fuca, zoo heet het gezellige beest, even later in een kruiwagen ging zitten daar op een trommel roffelde, werd de fotograaf opnieuw naderbij uitnemendheid is en blijft die Fuca, zie je. Die gaat zoo af en toe de rijen van het kinderpubliek af, geeft den jongens en meisjes de hand, wat allen een heele pret, ja een heele eer vinden; als hij een horlogeketting ziet, haalt hij het horloge voor den dag, luistert naar het tikken aan zijn oor, en stopt het weer netjes in het zakje. Ik geloof niet dat Fuca op de klok kan kijken, wat je noemt, en toch, geloof me, „hij weet hoe laat of het is”. Het is een gladde jongen, hoor, dat verzeker ik u. Zijn hoofd zit vol malligheidjes. En die malligheidjes vallen gewoonlijk in goede aarde, dat weet Fuca wel. Maar met dat al is hij zoo gehoorzaam als zijn oppasser maar wenschen kan; hij mag b.v. niet snoepen, want zijn maag is gauw van streek, en denk nu maar niet dat hij het doet ook; de kinderen mogen hem nóg zulke lekkernijen voorhouden, Fuca kijkt er niet naar óm. „Hij weet wel, dat hij het niet hebben mag”, zegt de oppasser met zekerheid — „en daarom neemt hij het vast niet.” , Wat een voorbeeld, zeg ik maar, — wat'een voorbeeld voor de kinderen, hè? Die mogen in dat opzicht dezen aap gerust naapen. Of niet? KYF-KYF. De foto's bij dit artikel zijn van den heer Bern. F. Filers.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1926 tot 1930 van 11897