|
15 PANORAMA
HET KONINKLIJK PALEIS TE ROME INGERICHT ALS HOSPITAAL.
Het Quirinaal te Rome (paleis van den Koning van Italië), gelegen op een heuvel van dien naam, is geheel ingericht als RoodeKruishospitaal.
Om vijandelijke vliegers op de bestemming van het gebouw te wijzen, zijn op de daken en het binnenhof RoodeKruisteekens
aangebracht (zie foto rechts). Op de linker afbeelding ziet men de^balzaal v. h. Quirinaal ingericht tot ziekenzaal. (V.F.B.)
den winkelier in een toestand
van volslagen onthutsing
achterlatend.
Het liep tegen den
avond. In den huize Blok
was, het stil. Suze was
ongemerkt verdwenen.
Mevrouw Tilda liep met
schampere opmerkingen,
betrekking hebbend op
„de nieuwste krankzinnigheid”
van haar broeder,
de avondsfeer telardeeren.
Voor het huis ronkte de
motor van den kleinen
auto, dien de villabezitter
een jaar te voren had
aangeschaft. Tyras, de
groote Ulmerdog, blafte
uitgelaten van vreugde
ovér het te wachten
toertje.
Aan ’t tuinhek praatten
ik
Van de inbrekers ontbreekt
tot dusverre iéder
spoor”;
„Wel, wat zeg je daarvan
?”
,,lk zeg dat ik ’t benauwd
vind, Tim. ’t Is
vlak bij ons in de buurt.”
„Wat gaat U doen,
Pa?” vroeg Suze, toen
haar vader met een ruk
opstond, zijn stoel achteruit
schoof en op zijn
horloge keek.
„Er werk van maken
natuurlijk. De veldwachters
zijn hier zoo laks—”
„Bedenk alsjeblieft wat
je gaat doen, Tim 1”
maande zijn vrouw hem.
„Er is laatst al zoo om je
gelachen, en —”
„Om mij gelachen ? Om
mij ? Ja, door ezels, door
bekrompen snuiters, die me benijden. Maar wie ’t laatst lacht
ga er op uit, direct naar Hufman.”
Twee minuten later schreed de heer Blok met driftige schreden naar
’t huis van den bestolen hoedenwinkelier, die hem met een zuurzoet
gezicht ontving.
„Meneer Hufman,” viel Timotheus Blok met de deur in huis, „ik kom
je mijn diensten aanbieden, geheel belangeloos, dat moet je wel begrijpen.”
„Och meneer Blok — geeft u dat nu niet te veel moeite ?”
„Heelemaal niet, mijn beste man, hoegenaamd niet! ’t Is mijn lust
en mijn leven om voor andere menschen achter ’t gespuis aan te zitten,
’n Gave, waarde heer, ’n gave. Wijs me nu maar eens even die keukendeur,
§n de ladder en de geforceerde winkeldeur, en je gestolen petten —
ik bedoel natuurlijk : van diezelfde petten als je ontstolen zijn.”
Hij liep peinzend achter den zachtjes mompelenden winkelier aan,
bekeek aandachtig de wanden, betastte hier en daar een deurklink. Voor
de keukendeur bleef hij staan, wrong het dikke hoofd moeizaam, schuins
naar boven.
„Is dat ’t tuimelraam ?”
„Jawel, meneer.”
„Hm 1 Nog al flink wijd 1 Daar kan dus alleen een kerel van grooten
omvang doorgekropen zijn.”
„Zoudt u denken? Ik dacht dat als er een dikke man door kon, dat
er dan ook een magere —”
„Jawel, jawel, zéker, Hufman. Dat kan ook wel. Ha — wat hebben we
hier ? Zeker een stuk dat bij ’t inklimmen uit de kleeren van een der
boeven is gescheurd?”
„Nee meneer, da’s de keukendweil.”
„O-ó-ó. Kan ook zijn — kan ook zijn. Hm, maar eens naar voren
gaan. Jawel — ik zie ’t al. De deur opengestoken,
dat zie ik direct aan ’t beschadigde slot.
Ik dank je, Hufman, ik dank je — ik ben al ingelicht.”
„Zou u al weten — ?”
„Ik weet. A propos — er hebben hier drie
dagen lang zigeuners rond gezworven, hè?”
„Jawel, meneer, in een woonwagen.”
„Juist. Nu, let op mijn woorden : de inbraak
is gepleegd door twee zigeuners en een vrouw.
Een van de kerels loopt mank. De andere heeft
roodhaar, en riekt sterk naar teerzeep. De vrouw
is tusschen de 16 en 40 jaar, groot van stuk, en
mankeert twee snijtanden in de bovenkaak.
Adieu, Hufman, adieu — je hoort nader van
me.”
Hiermee stapte de heer Timotheus Blok voort,
VLAAMSCHE
TOON EEL-ARTISTEN
IN HOLLAND.
Tot de Vlaamsche tooneel-artisten
die door de oorlogsomstandigheden
naar 'Holland zijn uitgeweken, behoort
ook de heer KAREL VAN
RIJN, wiens portret wij hierboven
plaatsen. Karei van Rijn is een der
beste Vlaamsche acteurs, die vooral
uitmunt in het komische genre. Hij
is voor den tijd van twee jaar aan
het gezelschap v. d. heer Rooyaards
verbonden, waar hij ongetwijfeld gelegenheid
zal hebben zijn onbetwistbaar
talent te doen waardeeren.
Karei van Rijn is bovendien blijspelschrijver
van groote verdienste.
de heer des huizes en zijn vrouw.
„Zou je ’t nu heusch wel doen,
schraal.”
„Vrouw, ’t is mijn plicht. Ik heb vanmiddag een zeer belangrijke vondst
gedaan, ik heb een stuk goed langs den weg gevonden, dien de zigeuners
— je weet wel ? — gisteren zijn gevolgd. Toen ik het aan Tyras liet
ruiken, ging hij als bezeten te keer. Ik moét ze vanavond nog vinden.”
„Neem dan iemand mee !”
,Jk heb twee onbezoldigde rijksveldwachters bij me, die diep ik onderweg
op. Adieu — en wensch me geluk.” •
„Dat wil ik graag doen, Tim — maar kom toch alsjeblieft gauw terug.
Ik zit zoo in angst, als jij zoo iets begint. Chauffeur, zul je voorzichtig
rijden ?”
De man tikte aan zijn pet, haalde de mise-en-marche over, en met
een kleinen ruk schoot de auto in beweging, den violetten avondweg op,
terwijl Tyras onbedaarlijk blafte, naast zijn baas gezeten.
Bij de voornaamste herberg laadde de auto de twee veldwachters in.
Mystérieus gaf mijnheer zijn instructies: „Jansen en Vlierstra — letten
jullie nu goed op. Ben je gewapend ? Neen ? Da’s ook wat, als ordebewakers
niet gewapend I O, heb jij ten minste een sabel ? Mooi — ik
heb mijn revolver. Zien jullie dat stuk doek ? Dat is Zigeuners?goed, zooals
je ziet. Watte? Een gewone damesomslagdoek? Kom, kom, Jansen
— vertel mij nu, wat ik je bidden mag, niet wat Zigeuners-goed is en
wat niet. Tyras heb ik er lucht van gegeven, en die . . .”
Plots beklopte meneer zich het vette voorhoofd.
„Hoe kon ik dat vergeten! Als we den hond in den auto hebben — haha —
hij is goed ! Hoe kan men zoo verstrooid zijn ! Als wij hem ïn den wagen
houden, dan kan hij den weg niet wijzen ! Haha ! Om niet te gelooven !
Braaf zoeken, zoete hond !”
Het reusachtige dier blafte dol en rende
dadelijk den weg af. De auto schoot weer in
vaart, ’t Was een buitengewoon fantastische
tocht, en de heer Blok voelde er ’t romantische
van : de wagen op den stillen weg aanjachtend
achter den reusachtigen Ulmerdog.
Maar ineens schoot de hond van den weg af,
joepte licht over de sloot en galoppeerde in
groote sprongen op een groep akkermaalshout
af, voorloopster van ’t bosch, waarin hij, luid
blaffend, verdween.
Mijnheer voelde, dat het oogenblik van handelen
was gekomen. Hij liet den auto stoppen.
„Jij wacht hier met den wagen, John”
fluisterde hij heesch. „Straks komen we denkelijk
met drie gemaskerde bandieten terug. Maak je
Tim ? de avonden zijn nog zoo
gelokt, en... rats... daar had hij den grappenmaker alweer geknipt. Nog net bijtijds, want Fuca heeft zich al
op het edele voetbalspel geworpen; maar ook dit duurt niet lang en reeds zien we hem weer aan de Romeinsche
ringen zich ongelijkarmig opzetten, om bijna gelijktijdig (zoo gauw gaat het) ook aan de trapéze rond te zwaaien
tot groot vermaak van de kinderen. Een oudere collega van hem, de chimpansee Kokkie, is zoo bedaard als Fuca
tierig en plezierig is. Kokkie zit maar te kijken, geeft af en toe geluiden, die ik niet kan verstaan al zit ik in zijn
mond schoenen te lappen, maar hij zet er een gezicht bij met iets van „Schep nou niet zoo op”, of „maak je
niet dik, dun is de mode.” Ook Mina, een mooie orang, bezondigt zich niet noemenswaardig aan kouwe drukte ;
ze zit meestal stilletjes te kijken naar de lolletjes van Fuca met de kinderen, en vindt blijkbaar dat ze al meer
dan genoeg doet, wanneer ze zoo haar mooie roode, langharige automobilisten-pels bewonderen laat, die ze van
Onze-lieve-Heer present heeft gekregen, hoewel ze eigenlijk nooit in een auto zit. Dan hebben we Lankie nog, ook
een alleraardigste pierewiet om naar te kijken, met zijn vermakelijke gebaren en houdingen. Maar de grapjas bij
„ArtSs”=kSekje.
H
et weer werkt, zooals dat heet, niet erg mee, ja, je kunt wel zeggen,
dat het vierkant tègenwerkt. Maar toch, zoo nu en dan is er eens een
mooiweersdag, althans een deèl van een mooiweersdag. En als ik dan
maar éventjes kan, tippel ik naar „Artis”. Want ik ben van dien Amsterdamschen
„beestenboogaard” een allemachies groot vriend en vereerder;
er is maar één ding, dat ik er op tegen heb, en dat is den naam... Wat
deksel, hoe ter wereld komt het een mensch in zijn kersepit om den
naam van het Zoölogisch Genootschap „Natura Artis Magistra” (de natuur
is de meesteres der Kunsten) af te korten tot Artis, en niet tot „Natura”
of ^Magistra”, wat nog iets geleken had, — al is het ook niet veel. Maar
laat ons den naam, den naam laten, immers „What is in a name?” Dit
laatste is een citaat uit een tooneelstuk van een zekeren heer Shakespeare,
of volgens de Franschen Jacques Pierre, en doet, eerlijk gezegd, niks
niemendal ter zake, zoodat ik er genoeglijk over had kunnen zwijgen, maar
het staat er nu eenmaal; enfin, niet uitvlakken, niet achter je zien, maar
steeds voorwaarts. Wat er staat, staat er, behoort tot het verleden, onze
aandacht richten we dus op wat we verder te vertellen hebben, en ook
uwe aandacht wordt daarvoor bij dezen gevraagd, lezeressen, lezers. «
Ik steek van wal. Bij mijn laatste bezoek aan „Artis” dan, heb ik me
een aap gelachen. Een aap, ja. Om een aap. Om een aap van een aap,
want als het een jongen was, zou je zeggen: een aap van een jongen. Om
het grasveld voor het groote apenhuis staan hoopjes joelende en lachende
kinderen, en over hun hoofden kijkend, ontwaar ik de oorzaak van hun
plezier. Op het grasveld zit een groote Chimpansee op een stoel, en kijkt
ernstig voor zich uit alsof hij over de dwaasheden van de menschen
practizeert met zijn chimpansee-hersens. Het was een treffend gezicht, en
omdat wij niets dan kinderen in de omgeving opmerkten, en er dus geen
volwassen abonnees van „Panorama” aanwezig waren, lieten wij dadelijk
den fotograaf dit tafereel aan de vergetelheid ontrukken. En hij ontrukte
het heelendal; overtuigt u maar. En bij die kiek bleef het niet, want toen
Fuca, zoo heet het gezellige beest, even later in een kruiwagen ging zitten
daar op een trommel roffelde, werd de fotograaf opnieuw naderbij
uitnemendheid is en blijft die Fuca, zie je. Die gaat zoo af en toe de rijen van het kinderpubliek af, geeft den
jongens en meisjes de hand, wat allen een heele pret, ja een heele eer vinden; als hij een horlogeketting ziet,
haalt hij het horloge voor den dag, luistert naar het tikken aan zijn oor, en stopt het weer netjes in het zakje. Ik
geloof niet dat Fuca op de klok kan kijken, wat je noemt, en toch, geloof me, „hij weet hoe laat of het is”. Het
is een gladde jongen, hoor, dat verzeker ik u. Zijn hoofd zit vol malligheidjes. En die malligheidjes vallen gewoonlijk
in goede aarde, dat weet Fuca wel. Maar met dat al is hij zoo gehoorzaam als zijn oppasser maar
wenschen kan; hij mag b.v. niet snoepen, want zijn maag is gauw van streek, en denk nu maar niet dat hij het
doet ook; de kinderen mogen hem nóg zulke lekkernijen voorhouden, Fuca kijkt er niet naar óm. „Hij weet wel,
dat hij het niet hebben mag”, zegt de oppasser met zekerheid — „en daarom neemt hij het vast niet.” , Wat een voorbeeld, zeg ik maar, — wat'een voorbeeld voor de kinderen, hè? Die mogen in dat opzicht dezen
aap gerust naapen. Of niet? KYF-KYF.
De foto's bij dit artikel zijn van den heer Bern. F. Filers.
|