|
PANORAMA 6
DE BELGEN IN ONS LAND.
Groep van onderwijzers die les geven in het Belgisch Interneeringskamp te Zeist. In ’t midden zittend de heer Buysse uit Brussel, directeur van de gezamenlijke scholen. (foto Coerdès en Smeets).
en dat het beest in ’t geheel niet gesproken had. Zoo iets
was trouwens ook ónmogelijk......... Er werd gescheld,
drie maal werd er heel nijdig op de electrische bel gedrukt
en nog eens toen ik op weg was naar de deur. Ik deed
open en een vreemdsoortig mannetje stond voor mij,...
De man had een eivormig hoofd, zijn puntige kruin
was onbedekt en geheel kaal, alleen rond den schedel was
een rand lang haar, dat zoo vuil was dat er de oorspronkelijke
kleur niet meer van te onderscheiden viel. Zijn
gezicht had veel overeenkomst met een pas beploegd land,
zóo veel rimpels waren er op. Op zijn neus, die veel te lang
was voor zijn smal gezicht, droeg hij een bril met groote
ronde blauwe glazen, waarachter zijn oogen vreemd glansden.
Zijn lichaam was ook niet in evenredigheid
met zijn hoofd, het was veel te klein,
terwijl zijn armen te lang en zijn beenen te
kort waren. Zijn kleeding was haveloos en
beslist vies.
„Ik ben professor Walker van Mariahof. .
Ik ben een experiment kwijt” zeide de man
heel snel met hooge, harde, eentonige stem.
Laat ik u even zeggen wat Mariahof is, voor
ik verder vertel. Mariahof is een landhuis,
dat drie kwartier loopen van mijn villa afstaat
en waarvan de zonderlingste verhalen in omloop
zijn. Dit komt hoofdzakelijk, omdat het
huis achter hoog geboomte ligt en de boomen
bovendien nog omringd zijn door een zeer
hoogen muur ; terwijl geen der menschen uit
den omtrek ooit iemand uit of in Mariahof
heeft zien gaan. Dit is alles wat ik van het
landhuis wist op het oogenblik dat ik met
den bewoner ervan in kennis kwam.
„Zoo”, snauwde ik de onsympathieke verschijning
toe, „ik heb met jouw experiment
niets te maken.”
Professor Walker scheen door mijn antwoord
geïrriteerd te zijn en streek met zijn groezelige
handen voortdurend door zijn weinige
haren terwijl hij antwoordde : „Maar ’t is hier,
want volgens de logica der psychische eigenschappen
van ’t huisdier moet m’n experiment
hier zijn, daar jouw huis’t dichtst bij Mariahof
gelegen is 1”
Er ging mij een licht op. Van de geleerde
phrase had ik alleen begrepen, dat hij een
huisdier zocht en daar een kat onder deze
categorie van dieren gerekend wordt, zou het
niet onwaarschijnlijk zijn dat hij m’n spookkat
met zijn experiment bedoelde.
„Zoek je een kat?”
De professor lachte en schudde zijn vreemden
kop snel op en neer.
„Kom dan maar binnen . . . !” Ik besloot
voorloopig niet tegen hem te zeggen dat het
beest dood was ; ik wilde eerst het mijne er van weten.
Met een verfijnde wreedheid genoot ik van het vooruitzicht
hoe de kerel zou schrikken als ik hem zeide dat zijn experiment
niet meer leefde, want hij moest een groote waarde
aan de kat hechten, daar hij, toen ik hem binnenliet, onmiddellijk
zeer geagiteerd begon te roepen „Minka, Minka”.
„Zeg, ga eerst wat in de zijkamer zitten om uit te rusten.
Je zal wel moe zijn . . .”
Ongaarne ging hij zitten en rusteloos keek hij langs den
grond. Opeens voegde hij me toe: „Zeg, jij hebt krabben
op je gezicht 1 zeker van Minka.” Toen begon hij te lachen
als een idioot. ,,Ja — het dier liep in den regen en toen
ik het wilde oppakken heeft ’t mij gekrabd”.
DE GASFABRIEK TE ZAANDAM.
ïn tegenwoordigheid van het dagelijksch bestuur der gemeente, de commissie voor de bedrijven,
de ambtenaren, werklieden en een groot aantal genoodigden is Vrijdag 1 October
te Zaandam op eenigszins feestelijke wijze het feit herdacht, dat deze gemeente de aldaar
bestaande gasfabriek in eigen exploitatie heeft genomen. (V.F.B.)
EEN AFSCHEID.
De heer H. Harms (x), die den leden van het Amsterdamsche brandweercorps gedurende 23
jaar les gaf in de verschillende vakken van het lager onderwijs, heeft met ingang van
1 October den dienst der gemeente Amsterdam verlaten. Bij. zijn vertrek werd hij door
den commandant der brandwacht op hartelijke wijze toegesproken. (V.F.B.)
„Zeer merkwaardig ; even opteekenen,” merkte de professor
op, terwijl hij een smerig schrijfboekje uit zijn zak
haalde en iets opschreef; „’t is beslist nog een gebrek, dat
voldoende demonstreert dat de weefsels van dieren- en menschenhersenen
niet sympathiseeren .... Die storing moet
ik weg maken ...”
Hij vertelde mij nog een hoop geleerdheid op een toon
van groote zelfingenomenheid. Aanvankelijk dacht ik er
niet veel bij na, maar later begon ik van dien vent te walgen,
waarvan ik echter nog niets liet merken toen ik hem
hem in de rede viel:
„Je Minka spreekt tóch, dat is al een groot resultaat.”
,,Ja . . . Ja. Mijn experiment kan met enkele woorden zijn
wenschen en emoties zeggen ... Maar nu je
’t toch weet, wil ik je zeggen, dat jij de eenige
gelukkige sterveling bent, die het resultaat
van mijn dertigjarige studie gezien hebt. . .
Dertig jaar heb ik er naar gestreefd om dieren
met een menschelijk denkvermogen te begieten.
In breede trekken zal ik je m’n creatie beschrijven,
détails laat ik achterwege, je zult
ze toch niet snappen .... Kijk, het is zóó
gegaan: toen Minka een paar dagen oud was,
nam ik het dier mede naar het ziekenhuis,
waar juist een landlooper gestorven was aan
een verwonding .... Ik nam een klein deel
van de hersenen van den „gezonden” doode
en bracht dat met behulp van electriciteit in
functie. Den schedel van de kat opende ik
en nam er een even groot volume uit, plaatste
de menschelijke hersenen in de vrij gekomen
ruimte en sloot den schedel weer. Nu bracht
ik een fusie in de functie van beide weefsels
tot stand en kreeg het resultaat dat zich naast
het dierlijk instinct ook menschelijke gedachte
formeerde. Ik moet het zóó ver krijgen
dat . . .”
Gedurende dat walgelijke verhaal, zat de
kerel zoo zelfvoldaan en arrogant te lachen,
dat ik mijn woede niet meer meester kon
blijven en hem in zijn kraag pakte, naar de
kamer sleurde waar de doode kat lag en terwijl
ik zijn kop op ’t cadaver drukte, schreeuwde
ik: „Daar ligt je experiment — Ik heb
het dood geslagen, monster I”
Den kerel liet ik los, hij trilde over al zijn
leden, toen hij de doode kat opraapte. Verwilderd
staarde de professor mij een oogenblik
aan, en gilde toen: „Jij hebt al mijn arbeid
van dertig jaar ineens ongedaan gemaakt....
Dat heb jij gedaan ....!”
,,En jij, monsterachtige geleerde, hebt in één
nacht m’n haar wit laten worden en van een
oer-gezonden kerel een zenuwlijder gemaakt...
En ruk nou uit, verachtelijk individu . . . .”
BURGEMEESTERS EN SECRETARISSEN IN ZUID-HOLLAND.
Onder voorzitterschap van den heer A. R. Zimmerman (x), burgemeester der gemeente Rotterdam, vergaderde Zaterdag
2 October in het sociëteitsgebouw der Rotterdamsche diergaarde de Provinciale Vereeniging van burgemeesters en
secretarissen in Zuid-Holland. Hierboven een groep der vergaderden. (V.F.B.)
EEN 25-JARIG JUBILEUM. (V.F.B.)
De onderlinge Brandweerclub te Rotterdam herdacht verleden week onder vele blijken van belangstelling
van de zijde der Rotterdamsche burgerij den dag waarop zij voor 25 jaar werd opgericht.
|