Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1916 tot 1920 van 11897
Nummer
1915, nr. 81, 7 oct. 1915
Blad
01
Tekst
No. 81 (15a) 7 OCT. 1915 AFZONDER. LIJKE NUMMERS 7‘/2 CENT Gei llustreerd-weekblad ABONNEMENT PER KWARTAAL 26* NUMMERS f 1.50 A’.W SIJTMORP'S U I T G EB. \7 EZ R. S MAATSCHAPPIJ- LOD E Boschgezicht in de omgeving van Renkum
PDF
Nummer
1915, nr. 81, 7 oct. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 Wfadat wij een gedeelte van ons nieuwe feuilleton „De Oorlog in het Duister** op den omslag van ons tijdschrift hadden doen afdrukken, ontvingen wij tallooze verzoeken om dit feuilleton, evenals „Het zwarte Boek van ’n Telegrafist”, in het blad zelf te doen verschijnen, daar deze wijze van publiceeren onzen lezers aangenamer is. Wij voldoen gaarne aan dezen wensch en beginnen daarom in dit nummer opnieuw met „De Oorlog in het Duister”. leneraal von Buschgart verliet gezamenlijk • met den kapitein van den Generalen Staf Baron Heinersdorff het Ministerie H van Oorlog. Een tijdlang gingen zij zwijgend door de tomrTmrnoÜ knen yan de Ringstraat te Weenen, waarvan de boomen reeds knoppen vertoonden, hoewel ’t nog in Maart was. De zon scheen met voorj aarswarmte aan den helblauwen wolkenloozen hemel en de luwe, zachte lucht rook naar viooltjes en naar vochtige aarde. Heinersdorff stapte bedaard naast den zwijgenden generaal en had behagen in de voorj aarsteekenen. Eindelijk verbrak de generaal het stilzwijgen : „Komt ge vandaag bij me eten, Heinersdorff ?” „Gaarne, excellentie.” „Maar Hedwig is nog niet terug.” De generaal glimlachte daarbij even .... „Maar excellentie . . . .” „Nu, goed dan,” zeide Buschgart vriendelijk, ,/t zal mij aangenaam zijn wanneer ge me vandaag een beetje gezelschap houdt.” Het tweetal officieren was gekomen bij het station van de stadsbaan. De generaal woonde in Hietzing. Toen zij in den coupé zaten, merkte Buschgart op: „De volgende week is Hedwig er weer.” „Ja excellentie. Zij schreef het mij.” „Ik ben blij dat ze terugkomt. Als zij er niet is, voel ik mij zeer eenzaam.” Heinersdorff keek den generaal eens aan als walde hij vragen : waarom vertel je me dat eigenlijk ? De generaal begreep dien blik van zijn aanstaanden schoonzoon en verontschuldigde zich door te zeggen: „Ge moet ’t mij niet kwalijk . nemen, Heinersdorff, maar iedereen is, per slot van rekening, een beetje egoïst. En vooral nu’ ben ik dat en wat jaloersch daarbij ook nog, nu ik weet dat je mij in dezen herfst het meisje zult afnemen.” Heinersdorff trachtte hem wat te troosten: „Eigenlijk is het geen wegnemen en geen scheiding, excellentie. Wij blijven toch dicht bij u.” De generaal antwoordde goedig: „Natuurlijk. Dat weet ik wel. Trek je de kuren van een ouden egoïst maar niet aan. Ik ben al tevreden als mijn eenig kind haar geluk bij jou vindt.” De kapitein zag in gedachten de slanke gestalte van zijn aanstaande bruid en hij voelde den rustigen blik van haar lichtgrijze oogen op zich rusten. Zijn hart trilde van geluk. Toen de twee officieren te Hietzing waren uitgestapt en over het Kerkplein gingen waarop het beeld van den ongelukkigen Keizer Maximiliaan van Mexico staat, moest Heinersdorff er aan denken hoe dankbaar hij kon zijn voor het lot dat hem beschoren was. Reeds jong was hij bij den staf geplaatst en had een prachtige loopbaan voor zich. Hij was gezond, rijk en onafhankelijk en had een meisje als Hedwig Buschgart gevonden die hij liefhad en als zijn aanstaande vrouw7 mocht begroeten. Het was bijna te veel geluk. De kapitein keek omhoog. Geen w7olkje stoorde het blauw7 van den voorjaarshemel. De heuvelen van het Weenerwoud, reeds zonder sneeuw’, lagen te baden in het zonnelicht. Het gladde, dichte geboomte op de bergen volgde elke ronding van de glooiingen en diepten en w7erd lichter w7aar de boomen den horizont naderden tot ze onmerkbaar in het hemelblauw7 overgingen. De heeren wandelden langzaam de Maxingstraat op die onmerkbaar maar gestadig bergopwaarts leidt, tot ze rechtstreeks — zoo ziet het er althans in ’t begin uit — in den hemel uitkomt. Maar als men boven is, ligt er slechts een kerkhof. De Generaal bew7oonde een oud, geelgekleurd huisje met groene vensterluiken dat reeds lang familiebezit w7as. Het huis had maar een verdieping met een klein balcon, wzaarop men over de lage muren van het Schönbrunnerpark in de mooie groene boomen van de Keizerlijke tuinen kijken kon. Tegenover het huis, in den muur van het Keizerlijk park, w7as een klein, onaanzienlijk poortje. Door dat poortje kwam BEZOEK VAN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. Verleden week bracht H. M. de Koningin-Moeder een bezoek aan het Kinderherstellingsoord „Hoog Blaricum” te Blaricum. Zooals te begrijpen is, verwekte dit bezoek onder de kleine patiënten een onvergetelijke vreugde, temeer daar elk der verpleegden van de Hooge Bezoekster een klein aandenken kreeg in den vorm van een aardig plaatje, eenige bloemen of iets dergelijks. Op de bovenste foto ziet men H. M. op de zaal voor jongens; op de onderste afbeelding onderhoudt Zij zich op de meisjesafdeeling met een der patiëntjes. {foto's V.F.B.) dikwijls, in den vroegen morgen, vóór vijf uur, de oude Keizer naar buiten. Hij ging dan stil en eenzaam een wandeling doen naar de bergen, den weg omhoog die steeg of hij in den hemel aitkwam. Hedwig had ’t eens aan Heinersdorff verteld met een ontroering, alsof ze hem daarmee een (liep geheim verried. „Sedert ik ’t weet”, had zij er bijna beschaamd bijgevoegd, „w7ord ik eiken ochtend om vier uur wakker. Ik kan dan niet in bed blijven waanneer ik er aan denk, dat de oude Keizer al op is en mijn vensters voorbijgaat terwijl ik nog slaap.” De generaal zeide : „Zoo bergopgaande krijg je ’t al aardig warm.” ,/t Is alsof het reeds Mei is,” antwoordde Heinersdorff, Zij w7aren bij het huis van den generaal gekomen en traden door het kleine tuintje de vestibule binnen, die versierd w7as met een paar gew7eren en met eenige oude gravuren. Men zag daarop den Keizer toen hij den vuurdoop ontving bij SantaLucia, Aartshertog Albrecht bij Custoza, den roemrijken zeeslag bij Lissa, den ouden Radetzky en den veldmaarschalk Benedek voor wie generaal Buschgart een groote bewondering koesterde. Zij gingen de eetkamer binnen, die door hooge ramen w7erd verlicht waardoor men den grooten, langen achtertuin kon zien. In Mei, als alle boomen in hun dichten bladerentooi stonden, was daar, in die kamer, steeds een matgroen licht, zoodat men zich kon verbeelden midden in een bosch te zitten. De officieren tafelden niet lang. De generaal was een weinig zenuwachtig en ongeduldig en kon zijn prikkelbaarheid slechts met moeite bedwingen. Heinersdorff bemerkte w7el dat zijn gastheer de een of andere zorg kw7elde maar het was niet zijn gewoonte naar dingen te vragen die men hem niet vrijwillig en ongevraagd meedeelde. De heer des huizes zei eindelijk : „De koffie moesten wij maar in mijn kamer nemen, wanneer ge dat goedvindt, mijn waarde.” „Zooals u wilt, excellentie,” antwoordde de kapitein en stond op. De werkkamer van den generaal was een klein, licht vertrek met groote boekenrekken langs de muren. Bij het raam stond een groote schrijftafel waarop een paar fotografieën in eenvoudige lijsten pronkten: de Keizer en Kroonprins Rudolf. De heeren gingen zitten, staken sigaretten op, dronken hun koffie en bewaarden eenigen tijd het stilzwijgen. Generaal Buschgart nam, als toevallig, het portret van den Kroonprins in de hand, dat een eigenhandig geschreven opdracht droeg, en bekeek ’t langen tijd opmerkzaam alsof hij ’t voor het eerst zag. Dan zeide hij, peinzend en zwaarmoedig : „Ik geloof dat dit het grootste ongeluk is dat ons vaderland in de laatste vijftig jaar getroffen heeft.” „Wat, excellentie ?” „Dat wij den Kroonprins hebben verloren.” En hij vervolgde na een oogenblik : „Je hebt hem niet gekend, Heinersdorff. Je kunt’t niet begrijpen wat wij aan hem hebben verloren. Niemand voelde zooveel voor het land als hij. Hij was Oostenrijker ; hij was mensch.” De stem van den generaal stokte. Heinersdorff zei ernstig: „Wij moeten niet terneergeslagen blijven maar voorwaarts zien met vertrouwen op de toekomst.” De generaal antwoordde: „Zeker. Je hebt gelijk, Heinersdorff. Men moet vooruit. Men moet het vertrouwen in de toekomst niet verliezen, maar het tegenwoordige is troosteloos en ondraaglijk.’’’ Hij wierp zijn sigaret weg en riep opgewonden : „Ik zal je ééns wat zeggen', Heinersdorff, ik moet het je zeggen want ’t drukt mij zeer erg. Bovendien is het ook geen geheim meer, want morgen of overmorgen zult ge het toch officieel hooren.” Hij dempte zijn stem als voelde hij zich in zijn eigen huis niet veilig. „Het geheele plan van X is verraden, waarde vriend !” De kapitein verbleekte en zag den generaal strak aan. „In hemelsnaam, hoe is dat mogelijk, excellentie ?” De oude officier antwoordde schouderophalend: „Met geld is alles mogelijk, amice.” Heinersdorff stond op en schreed een paar maal door de kamer. Dan bleef hij staan en vroeg: „Weet u ’t wel heel zeker ?” „Er valt niet meer aan te twijfelen”, antwoordde de generaal bitter. „Onze informatiedienst werkt in dat opzicht onfeilbaar. Wij w7eten altijd heel zeker wat verraden en wat gestolen is. Maar dat is ook alles. Wij zijn immers te edeldenkend en te grootmoedig om zoo zonder gew7etensbezw7aren te spion neeren als de geëerde tegenpartij dat doet.” DE OORLOG IN HET - ----- DUISTER------- ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
PDF
Nummer
1915, nr. 81, 7 oct. 1915
Blad
03
Tekst
PANORAMA „Zijt gij vóór spionnage, excellentie ?” vroeg Heinersdorff een beetje verbaasd. „Ik ben voor oorlog”, zei de generaal, „maar daar wij dien oorlog, die onvermijdelijk is, dien wij noodig hebben als de lucht die wij inademen, niet beginnen zoolang er nog een vonkje goede kans is, zoo ben ik voor spionnage.” „Bij ons denkt men daarover anders”, merkte Heinersdorff met tegenzin op. „Natuurlijk ! Wij zijn immers te ridderlijk ! Wij kijken rustig en geduldig de zaak aan, terwijl de vijand het eene plan na het andere in den zak steekt en wij wachten met er op los te gaan en ALS DE SLAG IS UITGEWOED... het een met ’t ander te vergelden. De kerels hebben bovendien bijna alles wat ze noodig hebben. En wat weten wij ?” Heinersdorff haalde de schouders op. „Kijk eens, mijn waarde, daarom ben ik vóór spionnage. Het bespaart geld en bloed. Maar ik zal er wel voor oppassen om hardop die meening te zeggen, want wij willen immers den vrede.” .........„Wanneer ’t den boozen buurman niet bevalt” — citeerde Heinersdorff. De generaal stak een nieuwe sigaret aan en blies den rook omhoog. Na een poos zeide hij : „Wij hadden juist zooveel geld in die vesting zitten en een halfjaar daarna is alles verraden! Het is juist zoo alsof je dat goeie geld in het water gooide.” Heinersdorff dacht aan den herfst, toen hij met zijn chef in de vesting was om de nieuwe gedeelten te inspecteeren. Hoe ijverig werkte men toen aan de voltooiing! Menige arbeid werd alleen ’s nachts gedaan, om elk verraad te voorkomen. Welke voorzorgsmaatregelen werden er genomen toen men de grondmijnen legde ! Van den chef-ingenieur tot aan den eenvoudigen sappeur was iedereen door werklust bezield. Iedereen was er van doordrongen dat het in het voorjaar zou gaan spannen. Eindelijk ! Eindelijk ! Maar het voorjaar kwam en het bleef vrede. Een lange, onzekere, kankerende vrede; een vrede die doodelijker en giftiger was dan elke oorlog. Het voorjaar kwam met den vrede, maar de vesting was verraden. „Nu kunnen we weer aan 't verbouwden gaan,” bromde de generaal en zijn snor trilde van opwinding. „Wij moeten weer nieuwe millioenen uit de ramen gooien, voor niets, vergeefs, want over een paar maanden is toch weer alles bespionneerd. En dat gaat dan zoo door, jaar-in jaar-uit, tot wij op een dag niet verder kunnen. Dan trekken we de sabel om voor de rust en den vrede van het vaderland te strijden, maar dan zal het misschien te laat zijn.” Heinersdorff keek strak voor zich heen. Hij was ontroerd door toorn en smart. De toestand van zijn vaderland drukte hem zwaar op het hart en hij hoorde de stem van den ouden soldaat als door een dichten nevel. „Ik wilde aan dat alles maar liever niet denken, want ’t maakt mij van streek. Ik wou dat ik dood was en van niets meer wist.” Het werd donker in de kamer. Toen zeide Heinersdorff: „Toch moeten wij de hoop op de toekomst niet verliezen. Misschien is het nog voor ons weggelegd uit dit oude Rijk, met zwaard en ijzer, uit dit oude Rijk, een nieuw' sterk vaderland te scheppen !” II. Toen Heinersdorff het huis van den generaal verliet, schemerde het. De hemel was grauw'en een fijne motregen viel onophoudelijk neer. Waar was de lente gebleven ? Op het Kerkplein stond, nat en melancholiek, de arme Keizer van Mexico, en staarde moe en hopeloos naar het paleis waarin zijn doorluchtige broeder woonde. De kapitein bleef voor het beeld staan en dacht bedrukt: Welke droomen zijn hier tot steen geworden ! Heinersdorff reed per stadsbaan naar huis. Hij woonde in de laatste villa van de Valeriestraat, midden in het Prater. Vanuit zijn werkkamer zag hij alleen grasvlakten en boomen, en in de verte, hoog opstijgend uit het groen, den koepel van de Rotonde. Men kon wanen ergens buiten te komen. Van den kant der Donau kwam steeds frissche koelte en dikwijls zong zelfs n vogel dicht bij de ramen. De nachten waren geluidloos en donker; dok het huis zelf was rustig en stil. Heinersdorff bewoonde de tweede verdieping van de villa, terwijl beneden hem een Engelsche jockey gehuurd had, die met zijn jonge, blonde vrouw een teruggetrokken leven leidde. Toen de kapitein thuis kwam deelde hem zijn knecht mede dat in den namiddag majoor Homan had aangescheld. Hij had geen boodschap achtergelaten maar wel gezegd dat hij nog eens zou telefoneeren. Heinersdorff herinnerde zich dat* hij met den majoor afgesproken had dien avond naar de opera te gaan. Hij was nu echter niet bijzonder in de stemming om muziek te hooren. Veel liever was hij thuis gebleven, om te werken. Werk had hij waarlijk genoeg. Wel was ’t den volgenden dag Zondag, maar hij hield er van om onaangename EEN MASSA-GRAF, WAARIN HONDERDEN LIJKEN TEZAMEN BEGRAVEN WORDEN. De op deze pagina gereproduceerde foto’s werden ons door een onzer correspondenten aan het Oostelijk front, toegezonden. Wij onthouden ons ervan, het gevoel, dat ons beheerschte bij het beschouwen dezer afbeeldingen, in woorden weer te geven. Wellicht, neen, zeker waren we te scherp geworden, want wie zou zich kunnen beheerschen bij het aanschouwen van zooveel ontzettends ? Doch waartoe zouden woorden hier ook dienen ? Vertoonen deze foto’s in al hun stilzwijgendheid en soberheid, niet welsprekender en schrijnender de ontzettende gruwelijkheid van den oorlog, dan woorden dit zouden kunnen doen? Slechts één vraag: Wat zal het nageslacht zeggen, als het déze uiting van onze huidige beschaving ziet? Wat zal het zeggen van een maatschappij, waarin een gebeuren kon plaats vinden, zóó ontzettend, zóó wreed en zóó menschonteerend, dat de weerga ervan in de wereldgeschiedenis niet is aan te toonen? of vervelende opdrachten steeds zoo spoedig mogelijk af te doen. Hij trok een huisjasje aan en zette zich aan zijn schrijftafel. Het wilde echter niet vlotten met het werk ; zijn gedachten kon hij niet bijeenhouden en hoe hij ook staarde op de papieren die vóór hem lagen, hij kwam niet verder. Hij had verscheidene militaire-treinregelingen te onderzoeken, maar ’t scheen hem of hij een nutteloozen arbeid had te verrichten. Wat zou dat alles baten — dacht hij — nu X toch verraden is ? Het was niet anders alsof de sterke vesting reeds in het bezit van den vijand was. Met één handgreep, zonder vechten en zonder bloedvergieten Heinersdorff pakte de papieren weer bij elkaar en sloot ze zorgvuldig weg. Vandaag kon hij niet werken. Majoor Homan telefoneerde : „Amice, ik wil je even zeggen dat ik vanavond niet mee kan naar de opera. Ik heb dienst en ben bij den generaal ontboden”. „De vestingplannen”, dacht Heinersdorff. „Ik ben echter vanavond waarschijnlijk in het Café,” voegde de majoor er aan toe, „en als je daar voorbijkomt, kijk dan even of ik er alben. Adio.” Heinersdorff hing de telefoon op en begon door ALS DE SLAG IS UITGEWOED... de kamer te loopen. Het speet hem wel dat Homan het afgezegd had, want hij zou vanavond graag met hem samen geweest zijn. Hij kon den heelen avond niet alleen blijven, ’t Was te droefgeestig hier binnen en de regen tikte onophoudelijk tegen de ramen. Hij besloot dan maar alleen naar de opera te gaan en later den majoor op te zoeken. Hij schelde en beval den oppasser zijn burgerkleeding gereed te leggen. Buiten diensttijd stak Heinersdorff zich bij voorkeur in politiek daar hij zich dan ongedwongen en minder opgemerkt kon bewegen. De uniform van den Generalen staf had, hoe eenvoudig en bescheiden ook, toch steeds iets opvallends en bijzonders. In de oogen van menigen kameraad bij den troep kon hij nu en dan een tikje afgunst lezen als hij in uniform er een ontmoette en menige burger keek naar hem als verwachtte hij iets extra’s van den stafofficier en alsof hij wilde vragen : ,,Nu, hoe staat ’t er mee ? Zullen we spoedig er op los slaan?” Toen Heinersdorff aan de bureaux der opera kwam, vernam hij dat alle plaatsen reeds verkocht waren. Hij verwijderde zich ontstemd en overlegde wat hij nu doen zou. Terwijl hij nog besluiteloos in den foyer stond, die al geheel leeg liep, daar een bel het begin der voorstelling aangekondigd had, trad een man op hem toe en vroeg hem met zachte, kleurlooze stem: „Wilt u een plaatsbiljet ?” Heinersdorff keek den man aan die er eigenlijk niet als een gewone opkooper uitzag en antwoordde een weinig aarzelend : „Ja.” De man reikte hem een biljet over en zeide, even zacht als te voren : „’t Is een logeplaats eerste rang.” De kapitein nam het biljet aan en vroeg: „Wat kost ’t ?” De man noemde den prijs die niet hooger was dan die aan het plaatsbureau. Heinersdorff verwonderde zich daarover en vroeg, terwijl hij het geld gaf : „Hoe komt ’t dat dit biljet zoo goedkoop is ?” De man antwoordde, als moest hij zich verontschuldigen : „’t Is immers al laat. Over vijf minuten koopt niemand mij dit biljet meer af.” Heinersdorff begreep ’t. Hij keek den man weder aan en moest er later nog dikwijls aan denken hoe zonderling het was dat hij zich dat gelaat in ’t geheel niet meer kon herinneren. (Wordt vervolgd) 81 (15a)
PDF
Nummer
1915, nr. 81, 7 oct. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 Buitengewone Botterwedstrijd op de Zuiderzee. Zondag 3 October is op de Zuiderzee door de Zeilvereeniging „Het Y” te Amsterdam, een buitengewone Botterwedstrijd gehouden ter herdenking van den 25sten Botterwedstrijd door deze Vereeniging uitgeschreven. Foto links: Gezicht op het promenadedek der volgboot ’s morgens bij de afvaart aan de De Ruyterkade te Amsterdam; rechts: In de Oranjesluizen. |at een vreeselijk gebeuren ... Wanneer ik aan dien nacht terugdenk, danworden m’n handen en voorhoofd nat van het angstzweet.... Nu nog houd ik het soms voor een droom, want alles gelijkt zoo onwaarschijnlijk en toch is het gebeurd in m’n klein landhuisje op de heide . . . Ik lag in m’n bed, het voeteneinde van mijn ledikant was onder de vensterbank van het raam, dat door een tullen gordijn bedekt werd. De maan scheen in m’n slaapkamer en alles wat erin was, was met blauwig bleek licht overgoten... ’t Was er benauwd warm en er dreigde een onweer uit te breken . . . Een dikke, inktzwarte wolkenmassa kwam als een legioenen-leger op de maan af. De grillig gevormde wolkenrand werd hel verlicht en stak scherp en vreemd af tegen het diepe zwart. Nu en dan zag ik een flikkering van een bliksemstraal, die heel ver weg was en een tijd later hoorde ik het dof gerommel van den donder. Ik kon niet slapen van de warmte en keek naar de maan, die als het ware langzaam door een groote zwarte wolk werd opgeslokt. Het „start-schot” (teeken van afvaart) wordt gelost. Eindelijk was ze geheel verdwenen en was het overal duister. De temperatuur scheen snel te stijgen .... Plotseling hoorde ik hoe de boomen in mijn tuin wild heen en weer slingerden en hoe dikke regendruppels op de vensterbank vielen. De egale zwarte massa voor m’n venster geleek te barsten en onmiddellijk weer te sluiten om heel even te laten zien welk een vuur daarachter brandde, ’t Bliksemde in het Noorden, Oosten en Westen te gelijk, lichtgele en vuurroode stralen kruisten elkaar, en de donder rolde als zware ijzeren kogels over een houten vloer. Even bedaarde ’t weder en in die vreemde, plotselinge stilte, na het ontzettend lawaai van donder, regen en storm, hoorde ik een heel fijn, zacht klagend stemmetje om hulp roepen. Ik dacht dat het verbeelding was en luisterde aandachtig. Het geroep werd herhaald en ’t kon niet anders dan van een heel klein kind zijn, zoo teer en zwak klonk de stem. Een felle bliksemstraal verlichtte m’n kamer . . . Ik schrok. . . . voor m’n venster zag ik het silhouet van een kat.... De donderslag die hu volgde was zoo hevig, dat door het dreunen een paar portretten, die ik tusschen den spiegelrand gestoken had, op den grond vielen. „Help !” klonk het buiten. Ik sprong m’n bed uit, schoof het /aam open en voor ik er op verdacht was, wipte de kat naar Het vertrek uit de Oranjesluizen. binnen. Ik stak m’n hoofd buiten het venster en luisterde, maar hoorde niets anders dan het gonzen van den regen. Recht tegenover me sloeg de bliksem in den grond; ’t was een straal van blauwe vonken, die gevolgd werd door een slag zoo hevig alsof er wel honderden kanonnen tegelijk werden afgeschoten. Het raam wierp ik snel dicht, sprong in bed en trok de dekens tot over m’n ooren .... Nauwelijks lag ik zoo, of ik hoorde weer de klagende stem, snaar nu in m’n kamer, terwijl op hetzelfde oogenblik de kat in m’n bed sprong, op m’n voeten ging zitten en miauwde. Door m’n beenen heen- en weer te zwaaien trachtte ik het beest weg te jagen. Weer een felle bliksemstraal, de kat kroop in elkaar en de stem riep: „Help . . . Help. Bang I” Er was geen twijfel meer aan : de stem kwam nu van mijn bed. Ik sprong er uit.. . Ik, een kerel, die met zware gewichten weikte, die laatst in een duisteren nacht op de heide drie zigeuners van m’n lijf heb gehouden, liep nu in de kamer rond met een angst als van een klein kind, dat in donker zijn moeder is kwijtgeraakt. De kat was me gevolgd, ik wilde het dier een trap geven en toen ik m’n been oplichtte riep het „Help.........Bang”. Lach niet... ’t is geen sprookje . . ’t Ondier had een menschelijke stem ! Het monster ging op tafel zitten, belikte zich zooals een gewone kat, knipte daarna met zijn oogen en riep . . „Heb. . . dorst.” Ik stond in een hoek van de kamer tegen den muur gedrukt van angst ... oh, de angst, In volle zee tijdens den wedstrijd. dien ik uitgestaan heb, moet erger zijn geweest dan ooit een soldaat heeft gehad bij het hevigst gevecht. ’t Bovennatuurlijk monster moest weg, den nacht van regen en donder weer in. . . Met m’n electrische lantaarn belichtte ik het dier, en voetje voor voetje^ met m’n rug tegen den muur gedrukt, schoof ik naar de verandadeuren. . . Ik wierp ze open, een krachtige windvlaag sloeg ze weer dicht, waardoor een ruit brak en de glasscherven rinkelend op den grond vielen . . . Tegelijkertijd werd de kamer hel verlicht door een bliksemstraal, het beest sprong van tafel en sloop met zijn buik langs den grond. Een zware donderslag volgde op den bliksemstraal en m’n angst veranderde in razernij. Ik viel op het beest aan, greep het in zijn nek, en voelde het warme vel en de zenuw-trillingen van het monster tusschen m’n vingers. Ik hief het op ; en het schreeuwde „help . . . bang. . . help . . pijn”; ik zwaaide het woest rond, liet het lichaam los, dat daarna tegen den muur smakte en neerviel met een doffen plof. Ik gaf een schreeuw, . . . bleef luisteren, maar hoorde niets meer, .... vluchtte in bed en trok weer de dekens over m’n hoofd........... Of ik bewusteloos ben geraakt of door uitputting in diepen slaap ben gevallen, ik weet het niet, maar toen ik de oogen weer opende, scheen de zon in mijn slaapkamer Vóór de startlijn. en de rand van het bosch teekende zich donker af tegen de blauwe lucht en de bruine heide. Al m’n ledematen deden pijn, in m’n achterhoofd had ik een gevoel alsof er een ijzeren band om gesmeed was, die steeds nauwer en nauwer werd .... Ik stond op, keek in den spiegel, en vluchtte van schrik weer in bed. M’n gelaat zat vol krabben, en mijn haar en wenkbrauwen waren in dien spook-nacht spierwit geworden. En ondanks alles wilde ik nog eens het gebeurde in alle finesses nagaan en kon ik het niet gelooven . .. Ik stond op, ging naar de plaats waar ik het doffe neerploffen gehoord had en ja: daar lag een doode grijze kat. ’t Lijf was uitgerekt en bij den bek lag een plas geronnen bloed. Ik had het dier tegen den wand doodgeslagen. * * * Ik kleedde mij aan en ging in een crapaud op de veranda zitten om * nog eens over het geval na te denken. Hoe meerik er over nadacht, des te grooter werd m’n overtuiging dat ik aan hallucinaties geleden had, (Zie vervolg op pag. 6). MG.inka A. DIETERLÉ.
PDF
Nummer
1915, nr. 81, 7 oct. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA DE STRIJD IN HET WESTEN. Gezicht in de groote zaal van een in de strijdlinie in Noord-Frankrijk gelegen Kasteel. Den vloer der kamer heeft men met boomstammen en zware steenen, „granaatzeker’’ gemaakt, daar in den eronder gelegen kelder soldaden gehuisvest zijn. SLACHTOFFERS VAN DEN OORLOG. In Engeland is thans een inrichting geopend, waar in den oorlog verminkten soldaten geleerd wordt te „leven” met kunstledematen. Op onze foto ziet men een soldaat, wiens rechterarm tot aan het lichaam is afgerukt, onderricht krijgen in het schrijven met een linker kunsthand. VAN ’T OOSTEN RIJ KSC H-ITALI AAN SC H E FRONT. Een door een Italiaansche patrouille bij verrassing genomen Oostenrijksche kruittoren. De plaats waar deze foto is genomen, was door den Italiaanschen censor geschrapt. AAN DE DARDANELLEN. Een Engelsch soldaat bezig met het schrijven van een brief in zijn in de rotszijde der zeeëngte uitgehouwen hol. Rechts op de foto bemerkt men twee kruisen, welke de plaats aanduiden, waar enkele zijner kameraden begraven liggen. M r . KEIR HAR'DIE. t Mr. Keir Hardie, de stichter van de Onafhankelijke Arbeiderspartij in Engeland, is te Glasgow overleden. De overledene, die tot aan zijn dood een zeer werkzaam leven leidde, was een in zijn omgeving zeer geziene persoonlijkheid. ACHTER DE STRIJDLINIE. Een Oostenrijksche bagage-colonne achter de strijdlinie in Rusland. (Foto V.F.B.) VERPLEGING ACHTER HET FRONT. Een Oostenrijksche soldaat, die een schotwond heeft in het rechterdijbeen, wordt achter het front in Rusland verbonden. (Foto V.F.B.)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1916 tot 1920 van 11897