|
PANORAMA 2
Wfadat wij een gedeelte van ons nieuwe feuilleton „De Oorlog in het
Duister** op den omslag van ons tijdschrift hadden doen afdrukken,
ontvingen wij tallooze verzoeken om dit feuilleton, evenals „Het zwarte
Boek van ’n Telegrafist”, in het blad zelf te doen verschijnen, daar deze wijze
van publiceeren onzen lezers aangenamer is. Wij voldoen gaarne aan dezen
wensch en beginnen daarom in dit nummer opnieuw met „De Oorlog in
het Duister”.
leneraal von Buschgart verliet gezamenlijk
• met den kapitein van den Generalen
Staf Baron Heinersdorff het Ministerie
H van Oorlog. Een tijdlang gingen zij zwijgend
door de
tomrTmrnoÜ knen yan de
Ringstraat te Weenen, waarvan
de boomen reeds knoppen
vertoonden, hoewel ’t
nog in Maart was. De zon
scheen met voorj aarswarmte
aan den helblauwen wolkenloozen
hemel en de luwe,
zachte lucht rook naar viooltjes
en naar vochtige aarde.
Heinersdorff stapte bedaard
naast den zwijgenden generaal
en had behagen in de
voorj aarsteekenen.
Eindelijk verbrak de generaal
het stilzwijgen :
„Komt ge vandaag bij me
eten, Heinersdorff ?”
„Gaarne, excellentie.”
„Maar Hedwig is nog niet
terug.”
De generaal glimlachte
daarbij even ....
„Maar excellentie . . . .”
„Nu, goed dan,” zeide
Buschgart vriendelijk, ,/t
zal mij aangenaam zijn
wanneer ge me vandaag een
beetje gezelschap houdt.”
Het tweetal officieren was
gekomen bij het station van
de stadsbaan. De generaal
woonde in Hietzing.
Toen zij in den coupé
zaten, merkte Buschgart op:
„De volgende week is
Hedwig er weer.”
„Ja excellentie. Zij schreef
het mij.”
„Ik ben blij dat ze terugkomt.
Als zij er niet is,
voel ik mij zeer eenzaam.”
Heinersdorff keek den generaal
eens aan als walde
hij vragen : waarom vertel
je me dat eigenlijk ?
De generaal begreep dien
blik van zijn aanstaanden
schoonzoon en verontschuldigde
zich door te zeggen:
„Ge moet ’t mij niet kwalijk
. nemen, Heinersdorff,
maar iedereen is, per slot
van rekening, een beetje
egoïst. En vooral nu’ ben
ik dat en wat jaloersch
daarbij ook nog, nu ik weet
dat je mij in dezen herfst
het meisje zult afnemen.”
Heinersdorff trachtte hem
wat te troosten:
„Eigenlijk is het geen
wegnemen en geen scheiding,
excellentie. Wij blijven toch
dicht bij u.”
De generaal antwoordde
goedig:
„Natuurlijk. Dat weet ik wel. Trek je de kuren
van een ouden egoïst maar niet aan. Ik ben al
tevreden als mijn eenig kind haar geluk bij jou
vindt.”
De kapitein zag in gedachten de slanke gestalte
van zijn aanstaande bruid en hij voelde den rustigen
blik van haar lichtgrijze oogen op zich rusten. Zijn
hart trilde van geluk. Toen de twee officieren te
Hietzing waren uitgestapt en over het Kerkplein
gingen waarop het beeld van den ongelukkigen
Keizer Maximiliaan van Mexico staat, moest
Heinersdorff er aan denken hoe dankbaar hij kon
zijn voor het lot dat hem beschoren was. Reeds
jong was hij bij den staf geplaatst en had een
prachtige loopbaan voor zich. Hij was gezond, rijk
en onafhankelijk en had een meisje als Hedwig
Buschgart gevonden die hij liefhad en als zijn
aanstaande vrouw7 mocht begroeten. Het was
bijna te veel geluk. De kapitein keek omhoog.
Geen w7olkje stoorde het blauw7 van den voorjaarshemel.
De heuvelen van het Weenerwoud, reeds
zonder sneeuw’, lagen te baden in het zonnelicht.
Het gladde, dichte geboomte op de bergen volgde
elke ronding van de glooiingen en diepten en w7erd
lichter w7aar de boomen den horizont naderden
tot ze onmerkbaar in het hemelblauw7 overgingen.
De heeren wandelden langzaam de Maxingstraat
op die onmerkbaar maar gestadig bergopwaarts
leidt, tot ze rechtstreeks — zoo ziet het er althans
in ’t begin uit — in den hemel uitkomt. Maar als
men boven is, ligt er slechts een kerkhof. De Generaal
bew7oonde een oud, geelgekleurd huisje met groene
vensterluiken dat reeds lang familiebezit w7as. Het
huis had maar een verdieping met een klein balcon,
wzaarop men over de lage muren van het Schönbrunnerpark
in de mooie groene boomen van de
Keizerlijke tuinen kijken kon. Tegenover het huis,
in den muur van het Keizerlijk park, w7as een
klein, onaanzienlijk poortje. Door dat poortje kwam
BEZOEK VAN H. M. DE KONINGIN-MOEDER.
Verleden week bracht H. M. de Koningin-Moeder een bezoek aan het Kinderherstellingsoord „Hoog Blaricum” te Blaricum.
Zooals te begrijpen is, verwekte dit bezoek onder de kleine patiënten een onvergetelijke vreugde, temeer daar elk der
verpleegden van de Hooge Bezoekster een klein aandenken kreeg in den vorm van een aardig plaatje, eenige bloemen
of iets dergelijks. Op de bovenste foto ziet men H. M. op de zaal voor jongens; op de onderste afbeelding onderhoudt
Zij zich op de meisjesafdeeling met een der patiëntjes. {foto's V.F.B.)
dikwijls, in den vroegen morgen, vóór vijf uur,
de oude Keizer naar buiten. Hij ging dan stil en
eenzaam een wandeling doen naar de bergen, den
weg omhoog die steeg of hij in den hemel aitkwam.
Hedwig had ’t eens aan Heinersdorff verteld met
een ontroering, alsof ze hem daarmee een (liep
geheim verried.
„Sedert ik ’t weet”, had zij er bijna beschaamd
bijgevoegd, „w7ord ik eiken ochtend om vier uur
wakker. Ik kan dan niet in bed blijven waanneer
ik er aan denk, dat de oude Keizer al op is en
mijn vensters voorbijgaat terwijl ik nog slaap.”
De generaal zeide :
„Zoo bergopgaande krijg je ’t al aardig warm.”
,/t Is alsof het reeds Mei is,” antwoordde
Heinersdorff,
Zij w7aren bij het huis van den generaal gekomen
en traden door het kleine tuintje de vestibule
binnen, die versierd w7as met een paar gew7eren
en met eenige oude gravuren. Men zag daarop den
Keizer toen hij den vuurdoop ontving bij SantaLucia,
Aartshertog Albrecht bij Custoza, den
roemrijken zeeslag bij Lissa, den ouden Radetzky
en den veldmaarschalk Benedek voor wie generaal
Buschgart een groote bewondering koesterde.
Zij gingen de eetkamer binnen, die door hooge
ramen w7erd verlicht waardoor men den grooten,
langen achtertuin kon zien. In Mei, als alle boomen
in hun dichten bladerentooi stonden, was daar,
in die kamer, steeds een matgroen licht, zoodat
men zich kon verbeelden midden in een bosch
te zitten.
De officieren tafelden niet lang. De generaal
was een weinig zenuwachtig en ongeduldig en kon
zijn prikkelbaarheid slechts met moeite bedwingen.
Heinersdorff bemerkte w7el dat zijn gastheer de
een of andere zorg kw7elde maar het was niet zijn
gewoonte naar dingen te vragen die men hem
niet vrijwillig en ongevraagd meedeelde.
De heer des huizes zei
eindelijk :
„De koffie moesten wij
maar in mijn kamer nemen,
wanneer ge dat goedvindt,
mijn waarde.”
„Zooals u wilt, excellentie,”
antwoordde de kapitein
en stond op.
De werkkamer van den
generaal was een klein, licht
vertrek met groote boekenrekken
langs de muren. Bij
het raam stond een groote
schrijftafel waarop een paar
fotografieën in eenvoudige
lijsten pronkten: de Keizer
en Kroonprins Rudolf.
De heeren gingen zitten,
staken sigaretten op, dronken
hun koffie en bewaarden
eenigen tijd het stilzwijgen.
Generaal Buschgart nam,
als toevallig, het portret van
den Kroonprins in de hand,
dat een eigenhandig geschreven
opdracht droeg, en
bekeek ’t langen tijd opmerkzaam
alsof hij ’t voor
het eerst zag. Dan zeide
hij, peinzend en zwaarmoedig
:
„Ik geloof dat dit het
grootste ongeluk is dat ons
vaderland in de laatste
vijftig jaar getroffen heeft.”
„Wat, excellentie ?”
„Dat wij den Kroonprins
hebben verloren.” En hij
vervolgde na een oogenblik :
„Je hebt hem niet gekend,
Heinersdorff. Je kunt’t niet
begrijpen wat wij aan hem
hebben verloren. Niemand
voelde zooveel voor het land
als hij. Hij was Oostenrijker
; hij was mensch.”
De stem van den generaal
stokte.
Heinersdorff zei ernstig:
„Wij moeten niet terneergeslagen
blijven maar voorwaarts
zien met vertrouwen
op de toekomst.”
De generaal antwoordde:
„Zeker. Je hebt gelijk,
Heinersdorff. Men moet vooruit.
Men moet het vertrouwen
in de toekomst niet
verliezen, maar het tegenwoordige
is troosteloos en
ondraaglijk.’’’
Hij wierp zijn sigaret weg
en riep opgewonden :
„Ik zal je ééns wat zeggen',
Heinersdorff, ik moet
het je zeggen want ’t drukt
mij zeer erg. Bovendien is
het ook geen geheim meer, want morgen of overmorgen
zult ge het toch officieel hooren.”
Hij dempte zijn stem als voelde hij zich in zijn eigen
huis niet veilig.
„Het geheele plan van X is verraden, waarde
vriend !”
De kapitein verbleekte en zag den generaal
strak aan.
„In hemelsnaam, hoe is dat mogelijk, excellentie ?”
De oude officier antwoordde schouderophalend:
„Met geld is alles mogelijk, amice.”
Heinersdorff stond op en schreed een paar maal
door de kamer. Dan bleef hij staan en vroeg:
„Weet u ’t wel heel zeker ?”
„Er valt niet meer aan te twijfelen”, antwoordde
de generaal bitter. „Onze informatiedienst werkt in
dat opzicht onfeilbaar. Wij w7eten altijd heel zeker
wat verraden en wat gestolen is. Maar dat is ook
alles. Wij zijn immers te edeldenkend en te grootmoedig
om zoo zonder gew7etensbezw7aren te spion
neeren als de geëerde tegenpartij dat doet.”
DE OORLOG IN HET
- ----- DUISTER-------
ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
|