|
PANORAMA
„O ! Norman ! Norman !” weende ze en borg zijn portret
weg, diep in de lade. Daarna schreef ze met vlugge vingers
een brief.
„Breng dit bij Jem Weeler,” zei ze tot een jongen die
in de dorpsstraat aan het spelen was en hierop hard wegrende.
Korten tijd daarna traden Jem en Jennie bij haar binnen.
Verontrust door haar bleek gelaat en de sporen van tranen,
waren beide nieuwsgierig te weten wat er gebeurd was.
Juffrouw Barbara was nu echter volkomen kalm.
„Jem,” begon ze, „met een paar duizend gulden zul je
in Canada wel kunnen beginnen, is ’t niet ?”
„Ja, dat zou best gaan,” antwoordde Jem met stralende
oogen. „Maar, daar is niet aan te denken.’
„Misschien wel,” zei ze. „Luister : Ik heb een paar duizend
gulden en wil ze je leenen. Misschien kun je ze me
over eenige jaren terugbetalen. Maar nu wil ik dat jij en
Jennie zoo spoedig mogelijk trouwen. Over drie weken
gaat er weer een boot; in dien tusschentijd kun je getrouwd
zijn.”
Jem ’s gelaat glom van geluk, maar Jennie keek min
of meer angstig. Voor ze echter iets zeggen kon, nam juffrouw
Barbara haar bij den arm en zei :
„Ga mee naar boven, Jennie I Ik zal je daar iets laten
zien. Neen, Jem, ga niet heen, we zijn dadelijk klaar !”
Verwonderd volgde Jennie juffrouw Barbara
naar boven, waardoor deze de kist werd geopend
en haar schatten voor de oogen van het jonge
meisje werden tentoongespreid.
„Ziedaar,” zei Barbara, tot het sprakelooze
meisje. „Hier is jouw bruidsschat. Je zult hieraan
voor lange jaren genoeg hebben in Canada.
Louis Couperus, Uit blanke steden onder
blauwe tucht. Amsterdam, L. J. Veen.
F'
JLZ
en zeer afzonderlijke plaats neemt Couperus
onder onze schrijvers in. Uit de nieuwe be~
, weging geboren, is hij toch niet schouder
aan schouder met hef jonge literaforen-geslacht
ten strijde getrokken tegen hef verval onzer
letteren. Hij ging zijn eigen weg, niet uit weloverdachte
keuze, niet onder een bepaald devies, of omdat
hij zich met de richting der Nieuwe-Gidsers niet vereenigen
kon, maar uit smaak, uit neiging, uit aangeboren
drang. Hij kón niet anders; ’t waren factoren van
geboorte, aanleg, sentiment, die hem dreven. Hij was
kunstenaar, schrijver — en hij schreef. Zonder om of
op te zien; zonder zich bij een school of organisatie
aan te sluiten — in volkomen vrijheid. Naturalisme,
realisme, symboliek ? ’t Ging hem alles voorbij ....
Hij was zichzelf, metamorfozeerde zichzelf duizendmalen
in de duizend vormen van zijn talent, keerde
in elk nieuw bpek een nieuw facet van zijn eindelooszijdige
natuur naar ons toe.
Het is zoo begrijpelijk dat noch „de” kritiek, noch
de openbare meening, noch wat deze of gene lezer
oordeelde, hem in zijn werk kon storen. Couperus
„maakt’’ geen boeken; zijn kunst welt uit hem op
als koel, geurig water uit de bron die aan een bebloemde
bergweide ontspringt — ze moet wel, rusteloos,
melodieus, opborrelen, de bron; ze kan niet anders.
Nooit heeft Couperus zijn arbeid verontschuldigd of
verklaard; in zijn zacht-hardnekkig, soepel-energiek
voortwerken, los van allen officiëel-lilerairen invloed, is
hij een groote voornaamheid. Eenmaal, in zijn langjarig
schrijverschap, plaatst hij in een dagblad een „ingezonden
stuk”, een beminnelijke, goedgehumeurde
rechtzetting van ’n even-verkeerd-begrijpen dat aan
Van Nouhuys’ schrandere pen ontsnapte. En die afwijking
van zijn natuur bevestigt de evenwichtigheid
ervan. Evenzeer als de inconsequentie, zijn naam als
redactie-lid te leenen voor het omslag van een tijdschrift,
zijn consequenten aard bewijst.
Als gracieuse arabesken ranken
zich Couperus smaakvolle grillen
over den solied-ernstigen achtergrond
van zijn werkers-temperament.
Want een geducht, een hardnekkig
werker is hij, en terwijl hij
u zegt gedesoeuvreerd te zijn, te
luieren in de zon, waarlijk niet te
weten waarom hij nog schrijven
zou — men leest immers niet
meer . . . wérkt hij. Ach . . . hij
zal wel geen romans meer dichten
— wie leest ze nog ? Als hij u dit
zegt, wees ervan overtuigd dat zijn
portefeuille er twee in wording bergt.
Denkt ge dat hij den morgen doorbrengt
aan zijn toilettafel, peinzend
welke das hem heden kleuren zal ?
Intusschen rangschikt zich in zijn
geest de marmerschoone, maar ook
marmervaste reconstructie van een
episode uit romeinsche of grieksche
oudheid, die hij kent als geen ander,
die hij a fond heeft bestudeerd,
terwijl ge dacht dat hij zijn flanellen
costuum, zijn stroohoed. de anjer
in zijn knoopsgat, schikte lot een
sinfonie in grijs en roze ...
En zoo rijen zich zijn werken —
verzen, romans, fanfazieën, journalistiek
zoowaar, studies, reisbeschrijvingen,
waf niet al! — tot
twintig, tot dertig deelen (weet hij
zelf ’t aantal wel?) aaneen, rijke,
rijpe oogst van minstens even vele
16
„Prachtig 1” fluisterde Jennie, terwijl ze bewonderend
over het goed streek. „O, juffrouw Barbara, meent u het
werkelijk? Ik heb nimmer zoo iets moois gezien. Het
is alles zooals een werkelijke dame zou dragen. Hoe zal ik
u danken ?”
Haar oogen schoten vol tranen, maar juffrouw Barbara
boog zich tot haar over en zei :
„Beloof me één ding, kindlief!” Daarop fluisterde ze
haar iets in het oor. En Jennie beloofde het haar met gloeiende
wangen.
„O, juffrouw Barbara, dat wil ik, dat wil ik !” riep ze
uit. „Maar, o, juffrouw Barbara, ik weet niet hoe ik je
danken zal '”
Toen ze weer naar beneden ging, straalden haar oogen
van ongekend geluk en naar huis wandelende in de schemering,
legde zij haar arm in die van haar verloofde.
„ïk kan niet gelooven dat dit werkelijkheid is, Jem.”
En in het kleine nette huisje naast de school zat juffrouw
Barbara eenzaam, maar met een wondere uitdrukking
op ’t gelaat.
„Ik was zelfzuchtig al die jaren,” zei ze zacht, „maar
zij zullen nu gelukkig zijn,”
* *
*
Vijf jaren later knielde Jem Weeler naast het bed van zijn
NEDERL. R0T0GRAVURE-MAA7SCHAPP1J. LEID^
vrouw in hun huis in Canada. Tranen vulden zijn oogen
terwijl hij neerzag op zijn pas geboren zoon
„Hij zal een aardige speelkameraad zijn voor de klein
Barbara! Ik wou dat juffrouw Barbara hem zien kon.
God zegene haar!”
Jennie lichtte haar gelaat op voor oen kus.
„We zullen hem Norman noemen, vind-je ’t goed. lieve ?”
vroeg ze met iets angstigs in haar stem. „Ik geloof dat
juffrouw Barbara dat genoegen zou doen ?”
Jem, die niets wist van zijn vrouws belofte aan juffrouw
Barbara, keek vreemd op.
„Norman? Wat ’n vreemde naam! Is ’t niet. schat?”
„Ja, manlief,” hernam jennie, „dat weet ik. Maar ga
eens naar de linnenkast en haal er het pakje eens uit.
dat daar ligt ”
Jim gehoorzaamde en keek naar het opschrift : ..Voor
kleine Norman van tante Barbara !”
„Wat is dat?” vroeg hij verwonderd.
„Dit is een doopjurk !” antwoordde zijn vrouw. „Zij zond
dit vóór Barbara geboren was, in de hoop, dat het een
jongen zou zijn. Toen noemden we het kind Barbara naai
haar . . . Maar onze zoon zal Norman heeten !”
„Ik zie ’t!” mompelde Jem, terwijl hij verlegen door zijn
haar streek. „Vrouwen zijn toch zonderlinge wezens 1”
mompelde hij, doch toen Jennie hem alles vertelde,
kwam er een blijde lach op zijn open
gelaat.
„Zoo, en was zijn naam Norman ?” vroeg
hij.
„Wel, God zegene juffrouw Barbara, dan zal
onze jongen Norman heeten !”
jaren arbeidens. In dat werk geeft zich. verschuilt
zich. in duizend verschijningsvormen, een der meest
persoonlijke, productieve, oorspronkelijke schrijvers
van onzen tijd.
Te kenschetsen, te oordeelen is hij nog niet: de
fantasmagorie van zijn oeuvre verblindt ons fijdgenooten
te zeer, en — wat is er van hem nog niet
te wachten!
Toch — één is er die hem misschien omvat, begrijpt
: lees aandachtig zijn feuilletons, en telkens
treft u de scherpe zelfkennis, de puntige karakteristiek
van eigen werk, de bekoorlijke spot met eigen
zwakte, de discrete waardeering van eigen kracht
Geen beter Couperus-kenner dan — hijzelf!
De uitgever Veen — de moedige, de gelukkige
die de veertig (of zijn het er vijftig ?) Couperusdeelen
mee ter wereld mocht brengen, legt „Uit
blanke steden onder blauwe lucht” op onze Boekentafel
Wat konden we anders dan genieten bij de lezing ?
Waf kunnen we anders dan goeds en geestdriftigs
er van zeggen ?
De geheele Couperus, is er in; misschien niet de
onsterfelijke schepper van den Hollandschen, den Haagschen
familie-roman, maar zeker de érudit, de lettré,
de ontvankelijke voor antieke schoonheid, de rythmeur,
de bekorende verteller, de Couperus vooral wiens
uiterlijke gevoeligheid innerlijke kracht verbergt, wiens
weemoed een vaste levenskennis omsluiert, als
bloeiende rozenslingers een marmeren beeldengroep
Hij vertelt van Siena, Orvieto, Rome, Napels,
laormina ....
Wie er geweest zijn zullen verrast zeggen: het
was er dus nóg mooier dan ik dacht; wél zijn het
de kunstenaars die ons leeren zien! En wie er nooit
waren, zullen de eeuwige onrust kennen die het geweten
naar ongekende schoon wekt ; met zacht-sterke
banden zal hef hen trekken, onophoudelijk .. .
Een reisbeschrijving? Allerminst
Een kunsf-gids? Het lijkt er niet naar.
Een wandeling, misschien, langs antieke schoonheid,
met een tochtgenoot die vertelt, die, alles wetend,
zacht en welluidend vertelt. Zijn woorden zijn bijwijlen
als een gedicht; dan schetsen zijn wijzende handen
gebaren van aanbidding; maar hoe helder klinkt ook
telkens zijn bijna kinderlijk blije lach als de humor
der kleine dingen van ’t reëele leven hem treft onder
’t gaan ! Daar zegt hij u, tusschen
zijn gedocumenteerde bewondering
voor de grootste meesters der vergane
eeuwen, een anecdote, die
vooral van den sierlijken vorm
haar wèhsmakend aroma leent.
En gij wordt met hem het wandelen
niet moede.
Het zou verkeerd zijn dit sierlijk
uitgegeven, goed verzorgde
boek, met zijn vele en mooie illustraties,
niet tot Couperus’ literair
werk te rekenen, of zijn romans
vóór te trekken
Literair is het in de eerste
plaats, en romantische bekoring
bezit hef in hooge mate.
Den uitgever wenschen wij. nu
de schrijver — voor ’t eerst sinds
lang — in ons midden is en zich
hooren doet, een zoo mogelijk
nog verhoogde belangstelling voor
het werk van dezen zeer bizonderen
kunstenaar toe
BOEKENIER
Onze Boekentafel
|