Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1911 tot 1915 van 11897
Nummer
1915, nr. 80, 4 oct. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 EEN WONDER VAN AM ER! K AANSCH E TECHNIEK. Bovenstaande foto, die ons van bevriende zijde vanuit Amerika werd toegezonden, stelt een der buitengewoon groote goederentreindocomotieven voor, voor de EricSpoorweg-maatschappij gebouwd door de Baldwin Locomotive Works in Philadelphia. De locomotief, die 24 wielen heeft, is gedoopt „Malt H. Shay’ JUFFROUW BARBARA. — DOOR — Mevr. Stanley Wrench r waren menschen die beweerden dat juffrouw H Barbara een „zonderling” was, anderen vonden haar een beetje j „onnoozel”, er waren echter ook velen in het kleine dorp die haar naar waarde schatten, wier oogen glansden als haar naam genoemd werd. Deze vonden juffrouw Barbara een „engel” en ze zonden de kleine schooljuffrouw bloemen en vruchten, met het stellige verbod aan hun kinderen niet te vertellen van wie ze kwamen. Maar juffrouw Barbara raadde het steeds en den volgenden Zondag zond ze van af haar plaats aan het orgel vriendelijke knikjes naar deze en gene kennis in de kleine dorpskerk; onder het druk gebabbel van de dorpelingen op het kerkplein werden er dan zachte woorden van dank gestameld en juffrouw Barbara ging naar haar eenzame kleine woning naast de dorpsschool en vond dat de wereld toch schoon was. Vandaag evenwel, terwijl ze aan de schooldeur stond, was ze droevig gestemd en haar oogen waren gevuld met tranen, als ze een paar maal naar de heuvels in het verschiet staarde. Buiten op het schoolplein waren de kinderen aan het spelen en stoeien en zelfs het gezicht van dit vroolijke tafereel kon de schaduw van haar gelaat niet wegnemen. Integendeel, een paar maal wendde zij zich van de vrooiijke groep af, alsof hun vreugde haar pijn deed. „Arme kleinen!” mompelde ze. „Arme onschuldige kleinen. Wat zal de toekomst elk van jelui brengen ? God geve dat. . . Ze hield plotseling op want een jonge boer, te paard EEN GEWICHTIG OOGENBLIK. De handelsvlag der Nederlandsch-lndische Steenkolen-Handelsmaatschappij wordt gedurende de proefvaart op eenharer nieuwe booten geheschen, als teeken dat de Maatschappij de boot accepteert. fV.F.B.) Met de Camera in een Landweerkamp. De overhaal naar het kamp wordt schoongemaakt. gezeten, hield buiten het schoolplein stil en nam zijn pet voor haar af. Voorzichtig nam ze haar rokken te zamen en liep het plein over hem lachende te gemoet. „Wel, Jem,” zei ze, „schieten de zaken al op met de boerderij ?” Hij schudde mismoedig het hoofd. „Dit is juist wat ik u vertellen wilde, juffrouw Barbara,” antwoordde hij. „De zaken gaan slecht. Ik zal de boerderij moeten verlaten, hoewel ’t mij ’t hart breekt. Maar ik kan de rente niet langer betalen en daarom heb ik besloten alles te verkoopen en naar Canada te gaan. Ik kan daar opnieuw beginnen en heb misschien meer geluk dan hier.” „En Jennie?” vroeg ze, „Hoe gaat ’t met Jennie? Vindt zij ’tgoed?” „Dit is juist waarover ik u wenschte te spreken, juffrouw Barbara,” zei hij. „Jennie kniest erover; ze wil naar geen rede hooren. Ze zegt dat ik haar spoedig vergeten zal. Ik geloof dat ze denkt dat ik genoeg van haar heb en op die manier van haar af wil komen. Alsof ik dat doen zou ? Ik houd van Jennie meer dan van iemand anders ter wereld. Juffrouw Barbara, ’t is alleen voor haar dat ik gaan wil. Ik kan ’t niet verdragen dat zij zich in zorgen zal afsloven zooals mijn arme moeder deed. Het stuit mij tegen de borst dat zij haar verder leven in armoede zou moeten slijten.” „Maar ze heeft jou toch, Jem,” merkte')uffrouw Barbara zacht op. Hij keek haar vriendelijk aan. „Ja, ze heeft mij,” ging hij voort, „en ik heb haar innig lief. Maar, juffrouw Barbara, ik heb al zoo menig huwelijksgeluk zien ondergaan, zelfs waar de liefde wederkeerig was, alleen omdat schulden en zorgen achteraan kwamen, God geve, dat ik een tehuis voor Jennie mag scheppen, waar ze niet door geldzorgen zal worden geplaagd.” „En wat wensch je nu dat ik voor je doen zal?” vroeg ze. Vrij naar de bekende schilderij : „C’est 1’Empereur” — Een sergeant neemt de wacht waar voor een schildwacht, die zijn post verlaten had De officieren, die bij het maken der loopgraven toezicht houden Inspectie van de loopgraven (Foto's v. d. Markt.)
PDF
Nummer
1915, nr. 80, 4 oct. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA Zijn eerlijk gelaat kleurde. „Jennie komt je vanavond bezoeken, juffrouw Barbara,” zei hij. „Misschien zal ze over niets spreken, maar als u haar kon duidelijk maken, dat mijn plan het beste is voor ons beiden, zou ik u zeer dankbaar zijn. Ik bedoel, juffrouw,” ging hij ernstig voort, „dat zij bereid zou zijn mij te vertrouwen zooals ik haar vertrouw. I k ga daarginds een huis voor haar stichten, maar dan moet ik weten dat ze hier gelukkig is en zich niet het hoofd pijnigt met dwaasheden als zou ik daar alle jonge meisjes naloopen !” „Dwaas kind !” zei juffrouw Barbara. „O, ik zal met haar praten, Jem, reken er op.” „Dank je wel, juffrouw,” zei hij erkentelijk. „Ik weet dat er niemand is, aan wier oordeel ze zoo hecht als aan het uwe. Ik zal u altijd dankbaar zijn.” Wederom zijn pet afnemende, reed hij weg en juffrouw Barbara keek hem na tot hij uit het gezicht verdwenen was, een droevige glimlach op de lippen. „Arme Jem,” zei ze. „Hij is een goede jongen en Jennie is een gekkin hem op die manier te plagen. Als zij slechts wist...” Ze zuchtte weer en keerde in het reeds duister wordende schoollokaal terug. Na eenige noodzakelijke bezigheden gedaan te hebben, zette ze haar hoed op, sloot de deur en keerde naar huis terug. De straat was nu geheel verlaten en het plein ledig, want de laatste kinderen, door den honger gedreven, waren naar huis gehold. Het was onaangenaam winterweer, ten minste dat vond juffrouw Barbara. Zij hield meer van den gulden zomertijd. Met een huivering ontsloot zij de deur van haar woning, in de nabijheid waarvan drie kale populieren stonden als evenzoovele schildwachten. Juist toen ze het huis wilde binnentreden, scheerde een vleermuis langs haar heen en deed haar hart kloppen van schrik. Een Oostenrijksche proviand-colonne trekt door een dorpje in Galicië fKF.B.) Bovenstaande foto's geven een overzicht van het geschut, dat den Duitschers in handen is gevallen bij de inname van de Russische vesting Nowo-Georgiewsk. Naast zeer verouderde kanonnen uit het jaar 1876 omvatte het veroverde geschutspark de nieuwste soort houwitsers, die door Japan aan Rusland waren geleverd. De foto linksboven geeft enkele van de buitgemaakte Japansche veidhouwitsers, opgesteld op de binnenplaats van de citadel der vesting. Deze stukken zijn door Japan gedurende den oorlog via Azië naar de belegerde vesting gezonden. Op de foto rechtsboven ziet men enkele der oude, op vaste onderstellen bevestigae bronzen mortieren, die uit het jaar 1876 afkomstig zijn. Zooals op de afbeelding te zien is, hebben de Russen de sluitstukken uit den loop weggenomen, daar zij geen gelegenheid hadden de stukken in zijn geheel mede te voeren. Links onderaan ziet men een aantal kanonnen van richt en zwaar kaliber, waaronder zeer moderne stukken. De afbeelding rechts onderaan vertoont een revolverkanon op gepantserd onderstel. Links ernaast een aantal 57 mM.-snelvuur-kanonnen, waarvan een groot gedeelte niet onbruikbaar was gemaakt. De oorlogsbuit van Nowo-Georgiewsk. „Wat ben ik toch dwaas/ mompelde ze. „Ik word zenuwachtig!” Maar zoodra zij de lamp had opgestoken en het vuur in den haard lustig brandde, bracht de vriendelijk uitziende kamer weer de oude vroolijkheid in haar terug en terwijl ze thee zette voor de verwachte bezoekster zong ze zacht voor zich heen. In een' eenigszins gejaagde stemming liep zij de niet zeer ruime kamer rond, nu eens op den schoorsteen een paar vaasjes verzettend, dan weer hier en daar een stoel rechtschikkend. Ondertusschen voerde zij in zichzelf een heel gesprek over het dwaze van Jennie’s gekke veronderstelling, als zou Jem haar minder liefhebben, dan toen zij elkaar leerden kennen. „Wat een onzin zoo’n meisje zich toch in het hoofd kan halen”, mompelde zij. „Neen, daar is Jem veel te degelijk voor. Maar ik zal die dwaze gedachten bij haar wel weg krijgen. Dwaas kindje.” En zacht neuriede zij voor zich heen een liedje, dat ’n weemoedigen glimlach op haar gelaat bracht, een liedje dat haar herinnerde aan vervlogen dagen, die glanzend waren van geluk en zonneschijn. Haar stemming wisselde echter als Aprilweer, want even later nam haar gelaat weer een droeve uitdrukking aan, terwijl ze opstond en naar een kastje in den hoek der kamer liep. Daarboven hing een wandkalender, waarop een dag in December met rooden inkt was aangegeven, terwijl de reeds verschenen dagen met zwarten inkt waren doorgehaald. Een pen nemende, schrapte ze den dag van heden door, terwijl haar gelaat verhelderd werd door een gelukkigen glimlach. Teedere herinnerin gen weiden in haar ontvankelijke ziel op: herinneringen aan ge lukzalige oogenblikken, doorgebracht met hem die haar het liefste van alles op aarde was. VAN HET OOSTENRIJKSCH-ITALIAANSCHE GRENSGEBIED. Links: Italiaansche genie-troepen bezig met het aanleggen van versterkingswerken in het grensgebied. Rechts : Een hoekje van het Oostenrijksche dorpje Sagrado (nabij Gradiska) waar voor enkele dagen tusschen Oostenrijkers en Italianen een hevig gevecht is geleverd dat in ’t voordeel der Italianen beslist werd (K.RjB.)
PDF
Nummer
1915, nr. 80, 4 oct. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 „Drie en twintig dagen,” fluisterde zij. „Nog drie en twintig lagen, dan is hij vrij.” Een portret opnemende, bekeek ze het geruimen tijd met door tranen half verduisterde oogen. Het portret stelde een jongen man /oor met een open gelaat en kruiend haar. Een ander portret op ie piano stelde denzelfden jongen man voor, doch nu stond juffrouw Barbara naast hem, maar veel jonger dan ze nu was. Het portret gaf de beeltenis weer van een jong, luchthartig meisje, dat nog geen droefenis scheen te kennen. De Barbara van nu was een vrouw die haar tol aan ’s levens eed betaald had, waarvan de iroeve oogen en eenige rimpels rondom den mond getuigenis af- ’egden. „Drie en twintig dagen,” mompelde ze weer, de handen over de borst kruisende. „Zou hij mij erg verouderd vinden ?” Een geklop aan de deur deed haar opschrikken. Haastig zette zij het portret neer. ,Kom binnen, Jennie-lief!” riep ze, ziende wie de bezoekster was. AVat ben ik blij je te zien. Maar Jennie,” ging ze voort „wat scheelt er aan ?” Dat mocht ze wel vragen, want de oogen van het meisje waren rood en gezwollen en zelfs nu, terwijl ze poogde te lachen, trilde haar mond. ..O, juffrouw Barbara !” riep ze uit, haar handen grijpende. .Wat ben ik ongelukkig. Ik weet niet wat te doen. Jem gaat naar Canada, zegt hij, en ik .... o, ik . . weet zeker dat ik hem nimmer terugzie.” juffrouw Barbara drong het meisje zachtjes in een gemakkelijken stoel. J. HOEKSTRA. + O. N ETSCHER. + Te Warga (Friesland) overleed op 80-jarigen leeftijd de heer j. HOEKSTRA, bekend schaatsenfabrikant aldaar. In den ouderdom van 60 jaar iverleed te ’s-Cravenhage op 25 September de heer O. NETSCHER, oudnspecteur van Financiën in Ned. Indië. De overledene werd 2 September 1855 te Tegal geboren. .Arm kind!” zei ze slechts. „Ik ben niet bang om te werken, juffrouw Barbara,” zei het meisje eindelijk. „Waarom laat jem mij niet met hem mee gaan ? Ik zou hem daar goed kunnen helpen,” „Heb je hem dat gezegd, jennie?” vroeg de ander. .Weet hij dat je bereid bent met hem daar een nieuw leven te beginnen ?” jennie schudde het hoofd. ,Het heeft geen nut daarover te praten,” zei ze. „Hij wil alleen gaan en bovendien — bovendien, juffrouw Barbara, ik zou toch niet kunnen gaan. Kijk eens naar me. Dit is de beste japon, die ik bezit. Ik heb geen uitzet; ik zou mij doodschamen om te trouwen in mijn daagsche kleeren. Begrijp dat eens goed, juffrouw Barbara ! Wij Trevors zijn reeds jaren arm, maar trotsch; alle dochters in onze familie die trouwden, hadden een goed gevulde linnenkast en tal van japonnen. Maar ik . . . ik heb geen geld om een el goed te koopen.” .Arm kind,” zei juffrouw Barbara weer, terwijl ze haar liefkoozend over de hand streek. „Maar, jennie, lieve, een man hecht niet zooveel aan mooie kleeren !” ,Hoe kunt ü dat weten?” klonk het bijna vijandig van jennie’s lippen, terwijl ze haar hand wegtrok. „U is nooit getrouwd geweest. U is maar.., Ze hield plotseling op, beschaamd over haar uitvak .Een oude juffrouw, bedoel EEN NIEUW KLEERENMAGAZIJN, Het een dezer dagen geopende nieuwe kleerenmagazijn van de bekende firma Meddens & Zoon aan den Hofweg te ’s-Gravenhage. (foto „Rembrandt”) je, Jennie,” zei Barbara rustig. „Dat mag zoo zijn, kind, maar ik ben een vrouw 1” „Ó, wat spijt me dat, juffrouw Barbara,” riep het meisje uit. „Ik wilde zoo iets niet zeggen, heusch niet! O, wat spijt me dat 1 wat spijt me dat! Maar u weet hoe ’t is. Moeder stierf en liet mij met de kinderen alleen. Het was een harde strijd. Ik had nimmer den tijd om over mijzelf te denken. Nu is Alice oud genoeg om mijn plaats in te nemen. Maar nu heb ik geen kleeren en vader is te arm om mij geld te geven ze te koopen. Wat moet ik doen ?” „Arm kind,” zei juffrouw Barbara weer, maar’er kwam een afwezige blik in haar oogen en er heerschte een oogenblik stilte. Toen ze weer sprak, trilde haar stem. „Jennie,” zei ze, „zal ik je een geheim vertellen?” Het meisje keek nieuwsgierig op. „Ook ik was eens verloofd,” zei de kleine schooljuffrouw met een zachte stem. „Toen deed hij iets .... verkeerds. Men zegt hij deed een valsche handteekening en .... en ze namen hem van mij weg . . . .” Een zucht ontsnapte haar borst, maar dapper ging ze voort: „We zouden veertien dagen later ondertrouwd zijn, Jennie, en ik had mijn geheele uitzet klaar. Ik was toen acht en twintig jaar en het is tien jaar geleden.” Er was weer stilte, slechts onderbroken door het geknetter van het vuur in den haard, en dezen keer was het Jennie die Barbara’s hand liefkoosde. „Is hij gestorven, juffrouw Barbara?” vroeg zij met bewogen stem. „Neen, lieve,” antwoordde de ander. „Ze namen hem van mij weg. Hij werd gevangen genomen, maar .... maar,” en haar stem klonk triomfantelijk, „hij komt terug over drie en twintig dagen.” Jennie streek nog steeds liefkoozend over haar hand. „Dan ga je zeker gauw trouwen,” riep ze uit. „O, wat ben HUISVLIJT. Bovenstaande foto’s brengen eenige voorwerpen van practisch nut in beeld, door een onzer abonné’s, den heer M. Hendriks, PresidentSteinstraat 6, Leiden, in zijn vrije uren vervaardigd. De foto links geeft een modernen stoet en kapstok weer, die door middel van in het hout gesneden figuren zijn versierd, z.g. houtsnijwerk dus, terwijl de rechter afbeelding een drietal voorwerpen doet zien, waarvan twee, de kleerenhan'ger en het hangkastje, op ’t eerste gezicht vermoeden doen dat de versiering is verkregen door in het hout gebrande figuren. Evenals bij het bloemenstandaardje echter waarvan de versiering op de foto niet duidelijk is te zien — zijn ook hier de figuren door snijden in het hout aangebracht. De aangename, gezellige indruk, dien het geheel der voorwerpen door lijnen, constructie en versiering maakt, doet zien tot welke hoogte men het in deze kunst als leek kan brengen, wanneer men daartoe naast den onmisbaren goeden smaak, slechts het noodige geduld en een geoefende hand heeft. ik blij, juffrouw Barbara. Ik vond het altijd zoo jammer dat je nooit getrouwd was en ik hoop dat je gelukkig zult wezen.” „Dank je lieve,” zei Barbara. „Ik denk het wel. Wij hebben elkander lief en mijn jongen weet dat ik op hem wacht al die jaren. Bovendien,” vervolgde zij trotsch, „als hij verkeerd deed, deed hij het voor mij. We waren arm, maar hij was armer dan ik en kon het niet verdragen dat ik het bij hem minder goed zou hebben, dan ik het thuis gewend was. Nu zal ik in staat zijn hem een tehuis aan te bieden.” „U is een goede vrouw, juffrouw Barbara,” zei het meisje en kuste haar goeden nacht. „Ik dank je voor je verhaal en ik ... . ik zal trachten dapper te wezen en op Jem te wachten, tot hij komt om mij te halen. Ik kan nu geruster op hem wachten, na wat u mij verteld hebt.” Nadat Jennie vertrokken was, ging juffrouw Barbara naar boven met een glimlach van geluk op de lippen. „Drie en twintig dagen, drie en twintig dagen !” herhaalde ze voortdurend en de woorden klonken als een zang. Een grooten koffer ontsluitende, die op haar slaapkamer stond, nam ze bij het licht van een kaars met bevende vingers er het eene kleedingstuk na het andere uit. Ze waren alle wit en zoo keurig dat de trots van juffrouw Barbara volkomen gerechtvaardigd was. Prachtige borduursels en kostbare tusschenzetsels versierden de kleedingstukken en de kleine schooljuffrouw spreidde alles voor zich uit met een gelukkigen lach. DNr.AHiNddNo iNG. t Prof. C. J. v. LOON. Den 27en Sept. overleed te 's-Gravenhage de heer Dr. H1DD0 NANNING, in leven directeur van de N.V. Dr. H. Nanning’s Chemisch-Pharmaceutische Fabriek aldaar. De overledene werd in 1881 te ’s-Gravenhage geboren en promoveerde in 1906 te Leiden op een proefschrift, getiteld: Over den invloed van het Pancreas-extract op de Glycose in Spiersap. — Te’s-Gravenhage overleed de heer Prof. C. J. VAN LOON, in leven hoogleeraar in de mijnbouwkunde aan de Technische Hoogeschool te Delft. Prof. Van Loon was ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. „Genoeg van alles,” mompelde ze, „en geheel door mij zelf gemaakt. ïk zal er uitzien als een prinses. Maar mijn jongen zag mij graag netjes I” Een prachtige bruidsjapon van lichte mauvekleurige stof te voorschijn halende, deed ze deze aan en bekeek zichzelf in den spiegel. „Ik heb al zoolang geen licht gedragen,” zuchtte zij. „Het maakt mij jong opnieuw.” Daarna de verschillende kleedingstukken weer opvouwende zong ze een vroolijk liedje dat haar aan vroeger jaren herinnerde. Dien nacht had juffrouw Barbara een vreemden droom, waarin zij en Jennie wederkeerig elkanders plaatsen hadden ingenomen. Niet Jennie maar zij zou met Jem trouwen en de uitzet was niet door haar maar door Jennie vervaardigd. Toen zij den volgenden morgen wakker werd, voelde zij zich afgemat. „Zouden droomen iets beteekenen,” vroeg ze zichzelf af. „Wat zou me dan te wachten staan ?” Ze ging nochtans opgeruimd aan den arbeid en slechts als ze aan haar droom dacht, kwam er een schaduw op haar gelaat. Den volgenden dag, een Zaterdag, ging juffrouw Barbara naar de stad, doch in plaats van de winkelstraten te bezoeken om haar gebruikelijke inkoopen te doen,richtte zij haar schreden naar een stille wijk.
PDF
Nummer
1915, nr. 80, 4 oct. 1915
Blad
07
Tekst
waar zich het kantoor bevond van den heer Abraham Hunt, notaris. Klaarblijkelijk was juffrouw Barbara geen onbekende voor den reeds bedaagden klerk, want hij begroette haar als een oude bekende en deelde haar mede dat de notaris niet aanwezig was, maar elk oogenblik verwacht werd. .,Neem me niet kwalijk, juffrouw,” zei de oude bediende op fluisterenden toon, „maar is de 6de December niet de dag, dat de jongeheer thuiskomt ?” juffrouw Barbara bloosde. Ja,” zei ze zacht. „Nog slechts een een twintig dagen. Net drie weken. Ik zal u iets zeggen, mijnheer Bransome. Ik kom mijnheer Hunt spreken over mijn aanstaand huwelijk. Ik wensch te trouwen op den dag dat hij thuiskomt en zou gaarne willen dat de heer Hunt voor alles zorg droeg. Ah, daar is de heer Hunt,” vervolgde zij, toen een kleine, blozende heer het kantoor binnentrad, haar vriendelijk groette en haar vroeg hem te willen volgen. Ze traden beiden het privé- kantoor binnen. Toen de notaris evenwel haar verzoek vernam, keek hij een weinig verbaasd. „Natuurlijk, kan ik voor alles zorgen,” zei hij langzaam, „maar, hm, juffrouw Barbara, is het niet een beetje voorbarig ? Hij. ... hij kan zeer veranderd wezen !” Een vurige blos brandde op elk van haar wangen en ze stampte met de kleine in elegante bruine schoentjes gestoken voeten ongeduldig op den grond. „Norman zal nimmer veranderen,” zei ze. „Hij is standvastig als staal.” Haar oogen schitterden weer. „ik heb driehonderd gulden meegebracht van mijn salaris. Dat maakt dus te zamen vijf en twintig honderd, is ’t niet, mijnheer Hunt ? Dat moet hem gezonden worden als hij vrij komt. Maar denkt u er vooral om, dat hij niet mag weten, van wie het komt 1” De notaris boog zich tot haar over. „Ben je er zeker van dat dit het beste is?” vroeg hij. „Kindlief, ik ben een oud man, en zou je niet graag zien. lijden . Veronderstel dat hij veranderd is 1” Juffrouw Barbara’s oogen blonken als sterren. „Ik bemin hem,” zei ze zacht. „Hij is alles voor mij,” De notaris stemde eindelijk toe, doch toen de kleine dame, die vijf mijlen geloopen had om het geld voor de tram uit te sparen, zijn kantoor verlaten had, zuchtte hij weer. „Vrouwen zijn vreemde wezens, William.” zei hij tot den ouden bediende, „ja, mijnheer,” stemde deze toe. „Maar juffrouw Barbara is een uit de duizend. De Hemel geve dat ze gelukkig wordt.” Het was nu een heerlijke tijd voor juffrouw Barbara: zelfs de schoolkinderen die aan haar glimlach gewend waren, verwonderden zich over haar vroolijkheid. Ze speelde met de kinderen en leerde hun nieuwe versjes DE SCHELPENVISSCHER AAN HET SCHEVENINGSCHE STRAND {foto v. Tol.) OPENING VAN HET NIEUWE GEBOUW VAN DEN MODERNEN KUNSTKRING. De Moderne Kunstkring te Amsterdam heeft een eigen gebouw in gebruik genomen. Wij zijn het op ’n prachtigen herfstdag gaan zien. Een trotsch. oud patriciërshuis op de Keizersgracht is het. waaraan de deftige eenvoud, de zuivere" verhoudingen een groote bekoring geven. Een droomerig-stilie tuin ligt er achter, waar nog de schaduw valt van vervlogen grootheid Enkele passen van het Kunstkring-gebouw ligt een van die bruggen vanwaar het Amsterdamsche stadsbeeld het schoonst te zien is. We stonden er even stil, in den herfst-zonneschijn, peinze/id, bewonderend. De oude gevels spiegelden zich in de rimpelende gracht; het boomengroen welkte tot geel en bruin; blanke wolkstrepen lagen langs den blauwen hemel. Wie dat te schilderen vermocht! En nu viel ons in dat wij aan de wanden van dat trotsche oude huis vele beschilderde voorwerpen hadden zien hangen. Als het bestuur van den Kunstkring die eens wilde wegnemen . . . {y.p,B.) en de geheele school scheen geïnfecteerd door een vroolijken, gelukkigen geest. Jennie, die haar kwam bezoeken drie dagen voor Jem uitzeilde, was de eenige persoon in het dorp die er de reden van wist. „Met het aanstaande voorjaar hoop ik Jem te volgen,” PANORAMA zei ze. „Ik ga in betrekking ten einde het geld voor mijn uitzet te verdienen. En dan komt alles terecht I” Ze lachte gelukkig en juffrouw Barbara zei haar moed te houden en toen Jennie haar goeden nacht kuste, fluisterde zij * „Over een. week komt hij thuis !” Dan keerde zij zich af. om de tranen van geluk te verberg a. Den volgenden dag ontving ze een brief van den notaris, waarin hij haar meedeelde dat hij haar zou komen bezoeken. De reden van dit bezoek stond evenwel in den brief niet vermeld. Juffrouw Barbara verwonderde zich erover, doch zong als gewoonlijk en bakte koekjes voor de thee, koekjes die nimmer zouden worden gegeten en. eenige dagen later onder bittere, bittere tranen door juffrouw Barbara uit het gezicht zouden worden gezet. „Lieve kind,” had de notaris met bewogen stem gezegd, „ik gaf graag tien jaar van mijn leven als ik je dit had kunnen sparen. Het was echter niet mogelijk. En het gebeurde zoo snel. Drie dagen geleden kreeg hij longontsteking, de dokter wist toen nog niet dat hij een zwak hart had. Gisteren ontving ik de tijding en zou dadelijk bij u gekomen zijn als mijn werkzaamheden dit niet verhinderd hadden. Mijn vrouw zendt je haar deelneming en verzoekt je eenigen tijd bij ons door te brengen. Dat zal je afleiding geven.” Juffrouw Barbara schudde echter het hoofd. ,,U is heel goed,” zei ze. „Ik . . . ik zal er over denken.” Haar stem klonk ongewoon kalm; ze weende of klaagde niet en de man, die een uitbarsting van smart of een zenuwtoeval verwacht had, vroeg zich verwonderd af of hij haar wel alleen mocht laten. Die stoïcijnsche kalmte scheen onnatuurlijk. Zij schudde haar hoofd, toen hij haar voorstelde iemand bij haar te doen blijven, en smeekte hem haar alleen te laten. „Het is beter voor mij,” zei ze. Het kleine huisje was zeer rustig. In de aangrenzende kamer tikte een klok en dit eentonig geluid was alles wat gehoord werd. Juffrouw Barbara zat stil met doodsbleek gelaat en droge oogen. Haar lippen beefden, maar weenen deed ze niet. Eindelijk kwam er een besliste trek op haar droef gelaat. Ze scheen opeens een besluit genomen te hebben. „Ik doe ’t 1” riep ze uit. „Ja, ik zal ’t doen 1 Ik zal nimmer eer eigen huisgezin en kinderen hebben. Waarom zou ik hen niet gelukkig maken ?” Ze ontsloot een lade en nam er schrijfpapier en een enveloppe uit. Toen zag ze opeens den kalender met de aangeschrapte dagen en haar kracht begaf haar. Met een kreet van smart rukte zij den kalender uit het gezicht en toen kwamen de tranen als een regen vloed en gaven verlichting aan het door diepe smart gebroken hart. „CESARINE” , KOMEDIE IN 3 BEDRIJVEN DOOR SABATINO LOPEZ Vaterdag 2 October is door de K. V. „Het Nederlandsche Tooneel” in den Stadsschouwburg te Amsterdam opgevoerd de première van de komedie in 3 bedrijven door Sabatino Lopez, „Cesarine”. Foto links; Een scène uit 't le bedrijf. V.l.n.r,: Willem v. d. Veer - Hans Renardi; Mevr. Mien Vermeulen - Julia. Midden: Het 3e bedrijf. V. 1. n. r.: Willem v. d. Veer - Hans Renardi; Mevr. v. Korlaar-v. Dam - Charlotte; Mevr. Christ, Poolman - Annette; C. v. Schoonhoven - Hieronymus, Foto rechts: het 3de bedrijf. V.l.n.r.: Mevr. Kemler - Dienstmeisje; Mevr. Mann-Bouwmeester - Cesarine. f/ófo’s cowiw)
PDF
Nummer
1915, nr. 80, 4 oct. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA „O ! Norman ! Norman !” weende ze en borg zijn portret weg, diep in de lade. Daarna schreef ze met vlugge vingers een brief. „Breng dit bij Jem Weeler,” zei ze tot een jongen die in de dorpsstraat aan het spelen was en hierop hard wegrende. Korten tijd daarna traden Jem en Jennie bij haar binnen. Verontrust door haar bleek gelaat en de sporen van tranen, waren beide nieuwsgierig te weten wat er gebeurd was. Juffrouw Barbara was nu echter volkomen kalm. „Jem,” begon ze, „met een paar duizend gulden zul je in Canada wel kunnen beginnen, is ’t niet ?” „Ja, dat zou best gaan,” antwoordde Jem met stralende oogen. „Maar, daar is niet aan te denken.’ „Misschien wel,” zei ze. „Luister : Ik heb een paar duizend gulden en wil ze je leenen. Misschien kun je ze me over eenige jaren terugbetalen. Maar nu wil ik dat jij en Jennie zoo spoedig mogelijk trouwen. Over drie weken gaat er weer een boot; in dien tusschentijd kun je getrouwd zijn.” Jem ’s gelaat glom van geluk, maar Jennie keek min of meer angstig. Voor ze echter iets zeggen kon, nam juffrouw Barbara haar bij den arm en zei : „Ga mee naar boven, Jennie I Ik zal je daar iets laten zien. Neen, Jem, ga niet heen, we zijn dadelijk klaar !” Verwonderd volgde Jennie juffrouw Barbara naar boven, waardoor deze de kist werd geopend en haar schatten voor de oogen van het jonge meisje werden tentoongespreid. „Ziedaar,” zei Barbara, tot het sprakelooze meisje. „Hier is jouw bruidsschat. Je zult hieraan voor lange jaren genoeg hebben in Canada. Louis Couperus, Uit blanke steden onder blauwe tucht. Amsterdam, L. J. Veen. F' JLZ en zeer afzonderlijke plaats neemt Couperus onder onze schrijvers in. Uit de nieuwe be~ , weging geboren, is hij toch niet schouder aan schouder met hef jonge literaforen-geslacht ten strijde getrokken tegen hef verval onzer letteren. Hij ging zijn eigen weg, niet uit weloverdachte keuze, niet onder een bepaald devies, of omdat hij zich met de richting der Nieuwe-Gidsers niet vereenigen kon, maar uit smaak, uit neiging, uit aangeboren drang. Hij kón niet anders; ’t waren factoren van geboorte, aanleg, sentiment, die hem dreven. Hij was kunstenaar, schrijver — en hij schreef. Zonder om of op te zien; zonder zich bij een school of organisatie aan te sluiten — in volkomen vrijheid. Naturalisme, realisme, symboliek ? ’t Ging hem alles voorbij .... Hij was zichzelf, metamorfozeerde zichzelf duizendmalen in de duizend vormen van zijn talent, keerde in elk nieuw bpek een nieuw facet van zijn eindelooszijdige natuur naar ons toe. Het is zoo begrijpelijk dat noch „de” kritiek, noch de openbare meening, noch wat deze of gene lezer oordeelde, hem in zijn werk kon storen. Couperus „maakt’’ geen boeken; zijn kunst welt uit hem op als koel, geurig water uit de bron die aan een bebloemde bergweide ontspringt — ze moet wel, rusteloos, melodieus, opborrelen, de bron; ze kan niet anders. Nooit heeft Couperus zijn arbeid verontschuldigd of verklaard; in zijn zacht-hardnekkig, soepel-energiek voortwerken, los van allen officiëel-lilerairen invloed, is hij een groote voornaamheid. Eenmaal, in zijn langjarig schrijverschap, plaatst hij in een dagblad een „ingezonden stuk”, een beminnelijke, goedgehumeurde rechtzetting van ’n even-verkeerd-begrijpen dat aan Van Nouhuys’ schrandere pen ontsnapte. En die afwijking van zijn natuur bevestigt de evenwichtigheid ervan. Evenzeer als de inconsequentie, zijn naam als redactie-lid te leenen voor het omslag van een tijdschrift, zijn consequenten aard bewijst. Als gracieuse arabesken ranken zich Couperus smaakvolle grillen over den solied-ernstigen achtergrond van zijn werkers-temperament. Want een geducht, een hardnekkig werker is hij, en terwijl hij u zegt gedesoeuvreerd te zijn, te luieren in de zon, waarlijk niet te weten waarom hij nog schrijven zou — men leest immers niet meer . . . wérkt hij. Ach . . . hij zal wel geen romans meer dichten — wie leest ze nog ? Als hij u dit zegt, wees ervan overtuigd dat zijn portefeuille er twee in wording bergt. Denkt ge dat hij den morgen doorbrengt aan zijn toilettafel, peinzend welke das hem heden kleuren zal ? Intusschen rangschikt zich in zijn geest de marmerschoone, maar ook marmervaste reconstructie van een episode uit romeinsche of grieksche oudheid, die hij kent als geen ander, die hij a fond heeft bestudeerd, terwijl ge dacht dat hij zijn flanellen costuum, zijn stroohoed. de anjer in zijn knoopsgat, schikte lot een sinfonie in grijs en roze ... En zoo rijen zich zijn werken — verzen, romans, fanfazieën, journalistiek zoowaar, studies, reisbeschrijvingen, waf niet al! — tot twintig, tot dertig deelen (weet hij zelf ’t aantal wel?) aaneen, rijke, rijpe oogst van minstens even vele 16 „Prachtig 1” fluisterde Jennie, terwijl ze bewonderend over het goed streek. „O, juffrouw Barbara, meent u het werkelijk? Ik heb nimmer zoo iets moois gezien. Het is alles zooals een werkelijke dame zou dragen. Hoe zal ik u danken ?” Haar oogen schoten vol tranen, maar juffrouw Barbara boog zich tot haar over en zei : „Beloof me één ding, kindlief!” Daarop fluisterde ze haar iets in het oor. En Jennie beloofde het haar met gloeiende wangen. „O, juffrouw Barbara, dat wil ik, dat wil ik !” riep ze uit. „Maar, o, juffrouw Barbara, ik weet niet hoe ik je danken zal '” Toen ze weer naar beneden ging, straalden haar oogen van ongekend geluk en naar huis wandelende in de schemering, legde zij haar arm in die van haar verloofde. „ïk kan niet gelooven dat dit werkelijkheid is, Jem.” En in het kleine nette huisje naast de school zat juffrouw Barbara eenzaam, maar met een wondere uitdrukking op ’t gelaat. „Ik was zelfzuchtig al die jaren,” zei ze zacht, „maar zij zullen nu gelukkig zijn,” * * * Vijf jaren later knielde Jem Weeler naast het bed van zijn NEDERL. R0T0GRAVURE-MAA7SCHAPP1J. LEID^ vrouw in hun huis in Canada. Tranen vulden zijn oogen terwijl hij neerzag op zijn pas geboren zoon „Hij zal een aardige speelkameraad zijn voor de klein Barbara! Ik wou dat juffrouw Barbara hem zien kon. God zegene haar!” Jennie lichtte haar gelaat op voor oen kus. „We zullen hem Norman noemen, vind-je ’t goed. lieve ?” vroeg ze met iets angstigs in haar stem. „Ik geloof dat juffrouw Barbara dat genoegen zou doen ?” Jem, die niets wist van zijn vrouws belofte aan juffrouw Barbara, keek vreemd op. „Norman? Wat ’n vreemde naam! Is ’t niet. schat?” „Ja, manlief,” hernam jennie, „dat weet ik. Maar ga eens naar de linnenkast en haal er het pakje eens uit. dat daar ligt ” Jim gehoorzaamde en keek naar het opschrift : ..Voor kleine Norman van tante Barbara !” „Wat is dat?” vroeg hij verwonderd. „Dit is een doopjurk !” antwoordde zijn vrouw. „Zij zond dit vóór Barbara geboren was, in de hoop, dat het een jongen zou zijn. Toen noemden we het kind Barbara naai haar . . . Maar onze zoon zal Norman heeten !” „Ik zie ’t!” mompelde Jem, terwijl hij verlegen door zijn haar streek. „Vrouwen zijn toch zonderlinge wezens 1” mompelde hij, doch toen Jennie hem alles vertelde, kwam er een blijde lach op zijn open gelaat. „Zoo, en was zijn naam Norman ?” vroeg hij. „Wel, God zegene juffrouw Barbara, dan zal onze jongen Norman heeten !” jaren arbeidens. In dat werk geeft zich. verschuilt zich. in duizend verschijningsvormen, een der meest persoonlijke, productieve, oorspronkelijke schrijvers van onzen tijd. Te kenschetsen, te oordeelen is hij nog niet: de fantasmagorie van zijn oeuvre verblindt ons fijdgenooten te zeer, en — wat is er van hem nog niet te wachten! Toch — één is er die hem misschien omvat, begrijpt : lees aandachtig zijn feuilletons, en telkens treft u de scherpe zelfkennis, de puntige karakteristiek van eigen werk, de bekoorlijke spot met eigen zwakte, de discrete waardeering van eigen kracht Geen beter Couperus-kenner dan — hijzelf! De uitgever Veen — de moedige, de gelukkige die de veertig (of zijn het er vijftig ?) Couperusdeelen mee ter wereld mocht brengen, legt „Uit blanke steden onder blauwe lucht” op onze Boekentafel Wat konden we anders dan genieten bij de lezing ? Waf kunnen we anders dan goeds en geestdriftigs er van zeggen ? De geheele Couperus, is er in; misschien niet de onsterfelijke schepper van den Hollandschen, den Haagschen familie-roman, maar zeker de érudit, de lettré, de ontvankelijke voor antieke schoonheid, de rythmeur, de bekorende verteller, de Couperus vooral wiens uiterlijke gevoeligheid innerlijke kracht verbergt, wiens weemoed een vaste levenskennis omsluiert, als bloeiende rozenslingers een marmeren beeldengroep Hij vertelt van Siena, Orvieto, Rome, Napels, laormina .... Wie er geweest zijn zullen verrast zeggen: het was er dus nóg mooier dan ik dacht; wél zijn het de kunstenaars die ons leeren zien! En wie er nooit waren, zullen de eeuwige onrust kennen die het geweten naar ongekende schoon wekt ; met zacht-sterke banden zal hef hen trekken, onophoudelijk .. . Een reisbeschrijving? Allerminst Een kunsf-gids? Het lijkt er niet naar. Een wandeling, misschien, langs antieke schoonheid, met een tochtgenoot die vertelt, die, alles wetend, zacht en welluidend vertelt. Zijn woorden zijn bijwijlen als een gedicht; dan schetsen zijn wijzende handen gebaren van aanbidding; maar hoe helder klinkt ook telkens zijn bijna kinderlijk blije lach als de humor der kleine dingen van ’t reëele leven hem treft onder ’t gaan ! Daar zegt hij u, tusschen zijn gedocumenteerde bewondering voor de grootste meesters der vergane eeuwen, een anecdote, die vooral van den sierlijken vorm haar wèhsmakend aroma leent. En gij wordt met hem het wandelen niet moede. Het zou verkeerd zijn dit sierlijk uitgegeven, goed verzorgde boek, met zijn vele en mooie illustraties, niet tot Couperus’ literair werk te rekenen, of zijn romans vóór te trekken Literair is het in de eerste plaats, en romantische bekoring bezit hef in hooge mate. Den uitgever wenschen wij. nu de schrijver — voor ’t eerst sinds lang — in ons midden is en zich hooren doet, een zoo mogelijk nog verhoogde belangstelling voor het werk van dezen zeer bizonderen kunstenaar toe BOEKENIER Onze Boekentafel
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1911 tot 1915 van 11897