|
PANORAMA 2
UIT HET ZWARTE BOEK |[
J VAN ’N TELEGRAFIST [
| DOOR J. T. VAN LEIDEN |
...!J|fljjjJ||l!il.... ........................... !li|||p
(Slot).
ij lag op den vloer van de lift, Mary er
buiten. Een van zijn groote, aapachtige
handen was om haar nek geklemd ; hij
trachtte haar door de nauwe opening van
zich af te. duwen, terwijl zij daarentegen
al haar krachten inspande om hem binnen het kamertje
te houden. Ze had zijn vingers tusschen haar sterke
witte tanden weten te krijgen, en terwijl ze in een
blinde, wanhopige razernij met hem vocht, beet ze
hem dat ik het bloed langs zijn pols zag vloeien.
Hij kreunde van pijn en woede en telkens schokte
zijn lichaam op en neer bij zijn vruchtelooze pogingen
om zijn linkerarm, die onder zijn zware lichaam lag,
vrij te maken. Maar Mary hield taai
en hardnekkig vol, vechtend voor haar
leven als een in ’n hoek gedrongen
wilde kat.
Het was onmogelijk hier een revolver
te gebruiken, zoo groot was de kans dat
ik Mary zou geraakt hebben. Maar terwijl
ik mijn bruikbaren arm om Mary’s
middel sloeg en haar trachtte los te
trekken, trapte ik Hannock met mijn
zware laarzen waar ik hem maar raken
kon. Zijn greep verzwakte, hij liet Mary
los om zich beter tegen mij te kunnen
verweren, en op dat oogenblik gelukte
het mij haar met een ruk buiten de
liftkooi te trekken. Hannock was door
den schok voorover gevallen, zijn hoofd
buiten de lift, en ik sloeg mijn arm om
zijn hals ten einde hem het opstaan te
beletten.
Toen gebeurde er iets onverwachts.
Ik voelde mij van den grond opgeheven
worden : de lift rees plotseling
met groote snelheid. Nog juist had ik
den tijd mijn greep los te laten —een
doffe slag, een afgrijselijk gekraak, en
het half uit de lift hangende lichaam
werd tusschen de kooi en de kokerwanden
vermorzeld.
Het was zoo ontzettend, dit onverwachte
slot van het drama, dat we
alle bezinning verloren en met een kreet
van afschuw naar den donkersten hoek
van den kelder vluchtten.
Maar boven ons hoorden we een geluid
als van zware hamerslagen. Het was
hetzelfde geluid als ik in Sheldon’s
speelhuis gehoord had, dien avond :
splinterend hout, brokkelende steenen,
en nu en dan ’t doffe bonken van een
verre ontploffing. In alle richtingen
zocht ik een uitweg, maar er was geen
andere deur dan die welke naar de
trap leidde.
„We moeten zien dat wre er ons
doorslaan !” zei ik, Mary’s hand grijpend,
en we snelden halverwege de
trap op.
Maar een man kwam ons haastig
tegemoet — Morlay ! Hij wenkte ons.
„Vlug — het is de politie ! — Ze schijnt ditmaal
door te tasten. Hierheen ; ik weet den weg!”
We volgden hem, en hij bracht ons door een lange
gang naar een deur, die toegang gaf naar een ijzeren
brandtrap. De trap leidde naar een binnenplaats,
vanwaar we door een poortje op straat kwamen.
„En nu ieder voor zich !” zei Morlay. Hij groette
vluchtig en verdween in de duisternis.
Mary keek hem een oogenblik zwijgend na.
„Ik ben er zeker van, dat hij ’t geweest is die te
rechtertijd de lift deed rijzen,” zei ze toen.
XV.
Mijn geschiedenis loopt ten einde.
We hieldenfcons in New York ’n dag schuil, legden
toen bij elkaar wat we aan geld overhadden, en
kwamen tot de slotsom dat er juist iets aan ontbrak
om derde klasse naar Rotterdam te reizen. Maar
naar Holland zouden en moesten we ; ach, wat gevoelde
ik in dien tijd hoe rustig en goed en vertrouwelijk
het in mijn eigen land zou zijn! Mary wilde overal
heen waar ik heen wilde, en beiden snakten we naar
het einde van het afschuwelijke leven dat we achter
den rug hadden. Een diepe, innige drang naar rust
en stilte was in ons.
Ik had me in Amerika nooit laten naturaliseeren,
en dus nam ik me voor naar Hen Hollandschen consul
te gaan en hem om bijstand te vragen. Nooit werd ik
vriendelijker en welwillender te woord gestaan dan
door dien ambtenaar, en ik heb er behoefte aan dit
hier openlijk te zeggen en hem nog eens te bedanken
voor den raad en de daad waarmee hij ons bij sprong.
Hij begon met me een verrassende mededeeling
te doen : „maar weet u dan niet dat er in Europa
oorlog is uitgebroken ? dat Nederland gisteren gemobiliseerd
heeft ? U mag niet alleen terug — u moét
terug ! Het land heeft u noodig !”
Ik keek verwonderd op. Ja, in hoe lang had ik geen
kranten gelezen ! Daar had ik den laatsten tijd allerminst
lust of gelegenheid toe gehad.
Ons leger was dus gemobiliseerd, en ik zou me voor
den dienst moeten aanmelden. Nu, dat lokte me wel.
Om twee redenen : ten eerste zou het me dadelijk
iets te doen geven, een gezond, ingespannen werk,
en ten tweede zou ik voorloopig geborgen zijn. Na
EEN LANDING OP GALLIPOLI
Nieuwe Engelsche troepen landen, in ’t gezicht van de vijandelijke stellingen — welke op den achtergrond der
foto flauw waarneembaar zijn — op het schiereiland Gallipoli. Men lette vooral op het verschil in grootte tusschen
het oorlogsschip, waarmede de troepen zijn aangevoerd, en de kleine bootjes, die tot een sleep vereenigd,
de soldaten aan land brengen.
den oorlog konden we verder zien. — De consul
vroeg naar niets en behandelde me als een ouden
vriend. Hij telde mijn geld met me mee, streek het
op, liet er — heel zakelijk ! — twee biljetten
tweede klasse voor halen, en ofschoon hij daarvoor
natuurlijk had moeten bijpassen, gaf hij me nog
eenig zakgeld en zei:
„Ziehier het overschot terug.” *
De bootreis was een genot, We zaten maar samen
naar de zee te staren, die dappere vrouw van me en
ik, en we lieten ons kalmpjes plagen door de medereizigers,
die ons „’t jonge paar” noemden.
En nu ?
Ja — nu zit ik als militair telegrafist op een van
de forten in de Waterlinie, en Mary heeft ’n betrekking
als machine-schrijfster op ’n fabriek in de buurt.
Wacht maar, die brengt ’t nog wel verder in de wereld,
en als ik mijn uniform eenmaal heb ingeleverd, dan
vind ik ook ’n goede betrekking, daar ben ik zeker
van. Ach, wat zullen we samen hard werken en ’t goed
hebben !
Van hard werken gesproken : niets heeft me zooveel
moeitt^ gekost in mijn leven als het schrijven van dit
dagboek. Ik ben geen schrijver van mijn beroep,
en de pen was vooral in ’t begin erg stroef tusschen
mijn vingers. Bijna tien maanden lang heb ik aan
deze paarhonderd bladzijden eiken avond enkele
uren gewerkt, en ’t ergste was eigenlijk dat ’t af
moést, omdat ik namelijk mijn manuscript, nog voor
’t begonnen was, verkocht had !
Dat is zóó in zijn werk gegaan : den eersten den
besten zondagochtend dat ik in dienst was en aan
de buitenzij van de fortgracht in ’t gras lag te luieren,
kwam ’n man van de wacht me zeggen dat er ’n heer
was om me te spreken.
Iemand om mij te spreken ? Ik kon me niet voorstellen
wie dat zijn zou. Wie kende me hier in Holland
?
Ik stond op en er kwam een jonge man naar me toe
in een licht zomerpak en met een vriendelijk, blozend
gezicht, die me door zijn glinsterende lorgnetglazen
glimlachend maar tevens scherp en onderzoekend
aankeek, als iemand die gewoon is alles op te merken
wat rond om hem gebeurt. Hij stelde zich voor als
de hoofdredacteur van Panorama.
Gemoedelijk ging hij naast me in het gras zitten,
bood me een sigaar aan en zei: „ik kom
u vergunning vragen om uw portret
in ons blad te zetten.”
„Mijn portret in Panorama ?” vroeg
ik verwonderd. „Waarom ? Ik heb
trouwens geen portret ! Nooit laten
maken . . . .”
De bezoeker klopte op zijn portefeuille,
die hij nu tevoorschijn haalde.
„Uw portret heb ik hier. Dat is in
orde.”
Nu begreep ik er niets meer van.
„Maar ik denk dat u me voor een
ander aanziet!” riep ik verbaasd.
Met een zwijgenden glimlach hield
de redacteur me een fotografie voor,
en daarop zag ik mezelf uit liet
bureau van den districts-attorney te
NewYork komen, haastig en in gedachten.
„Herinnert u ’t zich nu ? Ik heb die
foto bewaard tot u terug zoudt komen,
want we plaatsen nooit iemands portret
zonder zijn toestemming.”
„Dus de man die me toen kiekte....”
„Was een van onze vele fotografen !
Hebt u de goudgeborduurde P op zijn
mouw niet gezien ? Daaraan kunt u
onze fotografen altijd herkennen.”
Ik was stom van verbazing.
„Maar wat voor reden hadt u om
dat portret van me te nemen ?” vroeg
ik eindelijk.
„Omdat ik u al lang volgen liet,”
antwoordde deze merkwaardige redacteur
kalm. „Uw geschiedenis interesseerde
me, en daarom hield ik u in ’t
oog. Ja, Panorama is nu eenmaal in
alles vooraan. Wij hebben onze verslaggevers
over de heele wereld.”
Hij wilde zich over verdere détails
niet uitlaten; dat waren beroepsgeheimen,
zei hij. „Een redacteur die te
veel van zijn werk vertelt, maakt zijn
concurrenten wijs ten koste van zichzelf.”
Genoeglijk rookend erf glimlachend
strekte hij zich achterover uit en
liet zich door de heerlijke Augustuszon
beschijnen.
„Dus,” zei hij ten slotte, „ik mag uw portret met
een kort onderschrift plaatsen ?”
Maar daartegen had ik bezwaar ; ik wilde van nu
af niets liever dan vergeten en onbekend zijn.
Mijn bezoeker had echter meer dan een pijl in zijn
koker ; bij stukjes en beetjes kwam hij met ’t plan
voor den dag dat ik mijn avonturen in Panorama zou
beschrijven, en ik begreep wel dat die portretkwestie
maar ’n aanloopje was geweest.
Ik zag tegen die schrijverij geducht op, maar het
was onmogelijk aan de overredingskracht van den
handigen redacteur te ontkomen. En zijn sterkste
argument, waarvoor ik ten slotte bezweek, was een
cheque, die hij zoo leukweg, onder mijn neus, begon
te schrijven, ofschoon er nog van betaling geen sprake
was geweest.
„Is dit cijfer naar uw zin ?” vroeg hij, en ik moest
mijn oogen uitwrijven om te gelooven wat ik zag.
Het was inderdaad een Amerikaansch honorarium,
en de chèque was gedateerd op den volgenden dag.
Is ’t wonder dat ik tot den grooten sprong besloot
? N og dienzelfden avond zat ik achter een vel
papier, en ziedaar hoe deze zwarte bladen uit mijn
dagboek in Panorama kwamen te staan.
|