Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1901 tot 1905 van 11897
Nummer
1915, nr. 79, 30 sept. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 UIT HET ZWARTE BOEK |[ J VAN ’N TELEGRAFIST [ | DOOR J. T. VAN LEIDEN | ...!J|fljjjJ||l!il.... ........................... !li|||p (Slot). ij lag op den vloer van de lift, Mary er buiten. Een van zijn groote, aapachtige handen was om haar nek geklemd ; hij trachtte haar door de nauwe opening van zich af te. duwen, terwijl zij daarentegen al haar krachten inspande om hem binnen het kamertje te houden. Ze had zijn vingers tusschen haar sterke witte tanden weten te krijgen, en terwijl ze in een blinde, wanhopige razernij met hem vocht, beet ze hem dat ik het bloed langs zijn pols zag vloeien. Hij kreunde van pijn en woede en telkens schokte zijn lichaam op en neer bij zijn vruchtelooze pogingen om zijn linkerarm, die onder zijn zware lichaam lag, vrij te maken. Maar Mary hield taai en hardnekkig vol, vechtend voor haar leven als een in ’n hoek gedrongen wilde kat. Het was onmogelijk hier een revolver te gebruiken, zoo groot was de kans dat ik Mary zou geraakt hebben. Maar terwijl ik mijn bruikbaren arm om Mary’s middel sloeg en haar trachtte los te trekken, trapte ik Hannock met mijn zware laarzen waar ik hem maar raken kon. Zijn greep verzwakte, hij liet Mary los om zich beter tegen mij te kunnen verweren, en op dat oogenblik gelukte het mij haar met een ruk buiten de liftkooi te trekken. Hannock was door den schok voorover gevallen, zijn hoofd buiten de lift, en ik sloeg mijn arm om zijn hals ten einde hem het opstaan te beletten. Toen gebeurde er iets onverwachts. Ik voelde mij van den grond opgeheven worden : de lift rees plotseling met groote snelheid. Nog juist had ik den tijd mijn greep los te laten —een doffe slag, een afgrijselijk gekraak, en het half uit de lift hangende lichaam werd tusschen de kooi en de kokerwanden vermorzeld. Het was zoo ontzettend, dit onverwachte slot van het drama, dat we alle bezinning verloren en met een kreet van afschuw naar den donkersten hoek van den kelder vluchtten. Maar boven ons hoorden we een geluid als van zware hamerslagen. Het was hetzelfde geluid als ik in Sheldon’s speelhuis gehoord had, dien avond : splinterend hout, brokkelende steenen, en nu en dan ’t doffe bonken van een verre ontploffing. In alle richtingen zocht ik een uitweg, maar er was geen andere deur dan die welke naar de trap leidde. „We moeten zien dat wre er ons doorslaan !” zei ik, Mary’s hand grijpend, en we snelden halverwege de trap op. Maar een man kwam ons haastig tegemoet — Morlay ! Hij wenkte ons. „Vlug — het is de politie ! — Ze schijnt ditmaal door te tasten. Hierheen ; ik weet den weg!” We volgden hem, en hij bracht ons door een lange gang naar een deur, die toegang gaf naar een ijzeren brandtrap. De trap leidde naar een binnenplaats, vanwaar we door een poortje op straat kwamen. „En nu ieder voor zich !” zei Morlay. Hij groette vluchtig en verdween in de duisternis. Mary keek hem een oogenblik zwijgend na. „Ik ben er zeker van, dat hij ’t geweest is die te rechtertijd de lift deed rijzen,” zei ze toen. XV. Mijn geschiedenis loopt ten einde. We hieldenfcons in New York ’n dag schuil, legden toen bij elkaar wat we aan geld overhadden, en kwamen tot de slotsom dat er juist iets aan ontbrak om derde klasse naar Rotterdam te reizen. Maar naar Holland zouden en moesten we ; ach, wat gevoelde ik in dien tijd hoe rustig en goed en vertrouwelijk het in mijn eigen land zou zijn! Mary wilde overal heen waar ik heen wilde, en beiden snakten we naar het einde van het afschuwelijke leven dat we achter den rug hadden. Een diepe, innige drang naar rust en stilte was in ons. Ik had me in Amerika nooit laten naturaliseeren, en dus nam ik me voor naar Hen Hollandschen consul te gaan en hem om bijstand te vragen. Nooit werd ik vriendelijker en welwillender te woord gestaan dan door dien ambtenaar, en ik heb er behoefte aan dit hier openlijk te zeggen en hem nog eens te bedanken voor den raad en de daad waarmee hij ons bij sprong. Hij begon met me een verrassende mededeeling te doen : „maar weet u dan niet dat er in Europa oorlog is uitgebroken ? dat Nederland gisteren gemobiliseerd heeft ? U mag niet alleen terug — u moét terug ! Het land heeft u noodig !” Ik keek verwonderd op. Ja, in hoe lang had ik geen kranten gelezen ! Daar had ik den laatsten tijd allerminst lust of gelegenheid toe gehad. Ons leger was dus gemobiliseerd, en ik zou me voor den dienst moeten aanmelden. Nu, dat lokte me wel. Om twee redenen : ten eerste zou het me dadelijk iets te doen geven, een gezond, ingespannen werk, en ten tweede zou ik voorloopig geborgen zijn. Na EEN LANDING OP GALLIPOLI Nieuwe Engelsche troepen landen, in ’t gezicht van de vijandelijke stellingen — welke op den achtergrond der foto flauw waarneembaar zijn — op het schiereiland Gallipoli. Men lette vooral op het verschil in grootte tusschen het oorlogsschip, waarmede de troepen zijn aangevoerd, en de kleine bootjes, die tot een sleep vereenigd, de soldaten aan land brengen. den oorlog konden we verder zien. — De consul vroeg naar niets en behandelde me als een ouden vriend. Hij telde mijn geld met me mee, streek het op, liet er — heel zakelijk ! — twee biljetten tweede klasse voor halen, en ofschoon hij daarvoor natuurlijk had moeten bijpassen, gaf hij me nog eenig zakgeld en zei: „Ziehier het overschot terug.” * De bootreis was een genot, We zaten maar samen naar de zee te staren, die dappere vrouw van me en ik, en we lieten ons kalmpjes plagen door de medereizigers, die ons „’t jonge paar” noemden. En nu ? Ja — nu zit ik als militair telegrafist op een van de forten in de Waterlinie, en Mary heeft ’n betrekking als machine-schrijfster op ’n fabriek in de buurt. Wacht maar, die brengt ’t nog wel verder in de wereld, en als ik mijn uniform eenmaal heb ingeleverd, dan vind ik ook ’n goede betrekking, daar ben ik zeker van. Ach, wat zullen we samen hard werken en ’t goed hebben ! Van hard werken gesproken : niets heeft me zooveel moeitt^ gekost in mijn leven als het schrijven van dit dagboek. Ik ben geen schrijver van mijn beroep, en de pen was vooral in ’t begin erg stroef tusschen mijn vingers. Bijna tien maanden lang heb ik aan deze paarhonderd bladzijden eiken avond enkele uren gewerkt, en ’t ergste was eigenlijk dat ’t af moést, omdat ik namelijk mijn manuscript, nog voor ’t begonnen was, verkocht had ! Dat is zóó in zijn werk gegaan : den eersten den besten zondagochtend dat ik in dienst was en aan de buitenzij van de fortgracht in ’t gras lag te luieren, kwam ’n man van de wacht me zeggen dat er ’n heer was om me te spreken. Iemand om mij te spreken ? Ik kon me niet voorstellen wie dat zijn zou. Wie kende me hier in Holland ? Ik stond op en er kwam een jonge man naar me toe in een licht zomerpak en met een vriendelijk, blozend gezicht, die me door zijn glinsterende lorgnetglazen glimlachend maar tevens scherp en onderzoekend aankeek, als iemand die gewoon is alles op te merken wat rond om hem gebeurt. Hij stelde zich voor als de hoofdredacteur van Panorama. Gemoedelijk ging hij naast me in het gras zitten, bood me een sigaar aan en zei: „ik kom u vergunning vragen om uw portret in ons blad te zetten.” „Mijn portret in Panorama ?” vroeg ik verwonderd. „Waarom ? Ik heb trouwens geen portret ! Nooit laten maken . . . .” De bezoeker klopte op zijn portefeuille, die hij nu tevoorschijn haalde. „Uw portret heb ik hier. Dat is in orde.” Nu begreep ik er niets meer van. „Maar ik denk dat u me voor een ander aanziet!” riep ik verbaasd. Met een zwijgenden glimlach hield de redacteur me een fotografie voor, en daarop zag ik mezelf uit liet bureau van den districts-attorney te NewYork komen, haastig en in gedachten. „Herinnert u ’t zich nu ? Ik heb die foto bewaard tot u terug zoudt komen, want we plaatsen nooit iemands portret zonder zijn toestemming.” „Dus de man die me toen kiekte....” „Was een van onze vele fotografen ! Hebt u de goudgeborduurde P op zijn mouw niet gezien ? Daaraan kunt u onze fotografen altijd herkennen.” Ik was stom van verbazing. „Maar wat voor reden hadt u om dat portret van me te nemen ?” vroeg ik eindelijk. „Omdat ik u al lang volgen liet,” antwoordde deze merkwaardige redacteur kalm. „Uw geschiedenis interesseerde me, en daarom hield ik u in ’t oog. Ja, Panorama is nu eenmaal in alles vooraan. Wij hebben onze verslaggevers over de heele wereld.” Hij wilde zich over verdere détails niet uitlaten; dat waren beroepsgeheimen, zei hij. „Een redacteur die te veel van zijn werk vertelt, maakt zijn concurrenten wijs ten koste van zichzelf.” Genoeglijk rookend erf glimlachend strekte hij zich achterover uit en liet zich door de heerlijke Augustuszon beschijnen. „Dus,” zei hij ten slotte, „ik mag uw portret met een kort onderschrift plaatsen ?” Maar daartegen had ik bezwaar ; ik wilde van nu af niets liever dan vergeten en onbekend zijn. Mijn bezoeker had echter meer dan een pijl in zijn koker ; bij stukjes en beetjes kwam hij met ’t plan voor den dag dat ik mijn avonturen in Panorama zou beschrijven, en ik begreep wel dat die portretkwestie maar ’n aanloopje was geweest. Ik zag tegen die schrijverij geducht op, maar het was onmogelijk aan de overredingskracht van den handigen redacteur te ontkomen. En zijn sterkste argument, waarvoor ik ten slotte bezweek, was een cheque, die hij zoo leukweg, onder mijn neus, begon te schrijven, ofschoon er nog van betaling geen sprake was geweest. „Is dit cijfer naar uw zin ?” vroeg hij, en ik moest mijn oogen uitwrijven om te gelooven wat ik zag. Het was inderdaad een Amerikaansch honorarium, en de chèque was gedateerd op den volgenden dag. Is ’t wonder dat ik tot den grooten sprong besloot ? N og dienzelfden avond zat ik achter een vel papier, en ziedaar hoe deze zwarte bladen uit mijn dagboek in Panorama kwamen te staan.
PDF
Nummer
1915, nr. 79, 30 sept. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA Langs het front der Gealliëerden in Noord-Frankrijk De ruines Noord-Frankrijk. Door het hevige bombardement der Duitschers is het eertijds zoo aardige en welvarende plaatsje bijna onherkenbaar geworden. van het Fransche stadje Atrecht, gelegen in de gevechtslinie in Een nieuw Eransch verdelgingsmiddel: de z.g. iandtorpedo, welke aan het Westelijk front veelvuldig wordt gebruikt. Dit helsche werktuig waarvan de uitwerking overeenkomt met een gewone torpedo, ontploft bij aanraking met den grond, De afmetingen van deze schietwerktuigen zijn van het kleinste: Lengte 2,48 M„ middellijn 38 c.M.; v. h. grootste: lengte 4.32 middellijn 52 c.M, Het kleine projectiel ernaast is een 12 cM, granaat. Gezicht op de eerste linie loopgraven der Fransche stellingen in den Elzas. Rechts van den zittenden soldaat (midden op de foto) de ingang tot een scherfvrije schuilplaats» Een straatgedeelte van het door het Duitsche bombardement bijna geheel vernielde Carency bij Souchez. (Noord-Frankrijk). Een regiment Fransche infanteristen, achter het front wachtend op het bevel om hun plaatsen in de eerste linie te gaan innemen Boven het regiment een Fransche vliegenier. die van een verkenningstocht terugkeert. 79 (14a)
PDF
Nummer
1915, nr. 79, 30 sept. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 ..DE GULLE DOOR P. S. XAet z’n twintigen waren we ‘1 ingekwartierd op ’n groote boerderij in een der kleinste dorpjes in ’t Zuiden van NoordBrabant. De plaats te noemen heeft geen nut, want tot het schrijven van deze kleine, ware geschiedenis heb ik slechts „de Gulle” toestemming gevraagd. Opmerkelijk was het, dat onder ons alle rangen der maatschappij waren vertegenwoordigd. Bij de twintig waren drie studenten, enkele onderwijzers, aapjes-koetsiers, die onder normale omstandigheden te Rotterdam bij Museum Boymans op een vrachtje wachtten, ja zelfs een kermisreiziger sliep met ons onder het ruime dak van den hooizolder, Toch was over het algemeen de verhouding zeer vriendschappelijk en werd VOORZORGSMAATREGELEN IN ENGELAND. Naar aanleiding van de in den laatsten tijd herhaaldelijk ondernomen Zeppelin-aanvallen op de Engelsche kust, zetten de Engelsche vrouwen thans emmers zand en water gereed, om een begin van brand direct te kunnen blusschen. niemand uit onzen kring buitengesloten, uitgezonderd „de Gulle”. Dit was de bij- of liever scheldnaam, waarmee wij één van ons twintigtal hadden vereerd. „De Gulle” was een stille jongen, wiens terughoudendheid ons ergerde en toen bij verschillende gelegenheden, naar het scheen, bleek dat deze terughouding met gierigheid gepaard ging, had hij al spoedig den bijnaam van „de Gulle”. DE ACTIE TEGEN SERVIË. In verband met de voorgenomen Duitsch-Oostenrijksche actie tegen Servië, wordt er door de Serviërs den laatsten tijd een groot aantal stukken zwaar geschut naar de grenzen getransporteerd. Dikwijls zijn 8 of meer ossen noodig om deze zware stukken te vervoeren. „Wel, Gulle”, riep op zekeren avond een der studenten, „jouw ouwelui schijnen ai even goedgeefsch te zijn als jijzelf. Je hebt, geloof ik, de heele mobilisatie nog geen postpakketje ontvangen, wel ?” „Nee, nooit,” zei de Gulle zacht. „Jij gaat rijk naar huis, man!” riep een ander. „Let eens op, jongens, voor den eersten cent, dien je hem ziet uitgeven an een sigaar, geef ik een rondje an jullie allemaal!” „De Gulle” werd door soortgelijke gesprekken meer en meer teruggetrokken, maar toch zag niemand hem een cent van zijn traktement uitgeven. Nooit rookte hij, nooit dronk hij iets, nooit ging hij met ons uit, wetend dat dit hem enkele centen, misschien wel dubbeltjes kosten zou. We vonden hem een vervelenden vent en lieten hem, als we hem tenminste niet dwars zaten, links liggen. „Je mot toch es opletten, Jan, wat-ie met z’n verjaardag krijgt,” zei een kameraad op een kouden Januaridag tot me. „’k Weet toevallig, dat-ie een Donderdag jarig is.” „Niks, natuurlijk,” antwoordde ik onmiddellijk, „hij is dol op zijn ouwelui, en die op hem, dat kan je wel merken. Wie stuurt nou in ’s hemelsnaam zijn zoon niet eens een kleinigheidje ?” Den Woensdag vóór den verjaardag van „de Gulle” hadden we een tamelijk vermoeienden marsch, en bij thuisDe oorlogstoestand in de Antwerpsche haven. De sinds de inname van Antwerpen door de Duitschers, niet meer werkende stadselevators. komst was er geen van ons, die niet een glas bier kocht, behalve natuurlijk.... „de Gulle”. „Gulle, ’n glaassie bier van me hebben ?” vroeg iemand hatelijk. „Dankie” antwoordde hij, „’k heb geen dorst.” „Zoo”, zei een tweede, „jij ben net as een stukkie stuf, man, dat heeft ook nooit dorst. Heb-ie ér wel an gedacht, dat je ’theelemaal present krijgt, voor niks, zeg Gulle?” „De Gulle” werd rood van woede; hij scheen zich echter te bedwingen, draaide zich om en liet zich dien Woensdag niet meer zien. „Zeg jongens, we moesten er nou toch eens uitscheiden met dien vent eeuwig en altijd dwars te zitten” zei een goedhartige melkboer. „We hebben het altijd op hem.” Van alle zijden kwamen onmiddellijk protesten. „Ben je gek, moet-ie z’n eigen maar niet zoo armoedig DE STRIJD OP GALLIPOLI. Een kijkje in de loopgraven der Geallieerden op Gallipoli: Australische hulptroepen, die om zich bij een handgemeen beter te kunnen weren, de tuniek en verdere overbodige kleedingstukken hebben afgelegd. anstellen. Nooit geeft-ie wat weg, nooit leent-ie je wat. Hij wil je alleen maar helpen als ’t em niks kost. Je wordt er beroerd van as je er op gaat letten !” „Let er dan niet op,” merkte er een heel ad rem op. „Morgen is-’t-ie jarig, jongens. Kunnen we geen mop hebben ?” vroeg degene, die mij reeds over den verjaardag van „de Gulle” gesproken had. Sommigen waren hier sterk voor, anderen niet, maar ANTWERPENS HAVEN IN OORLOGSTIJD. Links: Gezicht op het Nieuwe Kanaaidok, Rechts: Gezicht op de kaaien en het Lefebredok. — Méér dan woorden het doen kunnen, illustreeren deze foto’s den volkomen stilstand van het bedrijf in de Antwerpsche havens sinds de bezetting der stad door de Duitschers.
PDF
Nummer
1915, nr. 79, 30 sept. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA GEÏLLUSTREERD OORLOGSNIEUWS NA OEN STRIJD. De natuurlijke gesteldheid van den bodem in NoordFrankrijk biedt dikwijls goede bescherming aan de soldaten. De gewonden steken hun bajonetten in den grond om op deze wijze de aandacht van de RoodeKruissoldaten op zich ie vestigen. (V.F.B.) HELDENMOED. (V.F.B.) Een voorbeeld van grenzelooze stoutmoedigheid leverde een dezer dagen de Oosten1*, luit. von Thieren, die in de omgeving van Warschau, vóór deze stad gevallen was, een verkenningstocht maakte tot binnen de fortenlinies. Geruimen tijd werd hij achtervolgd en beschoten, doch het gelukte hem, ofschoon zwaar gewomï, zijn kwartier te bereiken. Het paard viel bij aankomst van vermoeidheid dood neer. DE STRIJD IN HET OOSTEN. Duitsche troepen trekken een Russisch dorp binnen. Deze foto illustreert op merkwaardige wijze de ontzettende moeilijkheden welke de slechte begaanbaarheid der wegen in deze streek oplevert. (V.F.B.) het eindigde er toch mee, dat een onschuldige grap zou worden uitgehaald die, schoon nog niet aan allen bekend, toch moest slaan op de gulheid van hemzelf en op die van zijn ouders. * * * Donderdagmorgen vroeg ontving ,,de Gulle” een postpakket. Ware hij een jongen geweest, die meer postpakketten ontving, dan was het hem dadelijk opgevallen, dat de postzegel ontbrak, en hij evenmin op de kaart voor ontvangst had te teekenen. Zooals reeds gezegd ontving hij echter nooit iets. Dadelijk verdween hij ermee naar zijn matras en begon met koortsachtige haast het touw los te snijden. Niemand had iets van zijn verjaardag gezegd en hij was zich er ook in ’t minst aiet van bewust, dat wij ^ervan wisten. Een groot vel papier lag bovenop het kistje, dat uit het pakket te voorschijn kwam. „Voor je verjaardag”, las hij. We waren naderbij gekomen en ik zag. DE RUSSISCHE VESTING KOWNO. Gezicht op een der binnenforten van de door de Duitschers bezette Russische vesting Kowno, gelegen aan de Memel. dat er verwondering in zijn oogen was. Hij brak het kistje open. Niets was er in dan een nagedrukt bankbiljet van veertig gulden, waarop, aan de achterzijde, reclame. Er was een briefje aangehecht, waarop met groote letters prijkte : „Hartelijk gefeliciteerd. Om je kameraden te trakteeren !” Hij keek op en zag onze lachende gezichten. Ik kan niet beschrijven welke uitdrukking in zijn oogen was, maar op dat oogenblik wilde ik dat ik de heele aardigheid belet had. Ik had ik weet niet wat willen geven, als ik mij er nooit toe geleend had om aan deze flauwe grap mee te doen. Maar ’t was nu eenmaal gebeurd en er viel niets aan te veranderen. „Nou zeg”, viel er een uit, „jouw ouwelui zijn scheutig hoor ! Wel gefeliciteerd, Gulle. Waar zien we je van avond?” ’t Gelaat van „de Gulle” had weer de gewone uitdrukking aangenomen. DE VERKEERSWEGEN IN HET OOSTEN. Nog een voorbeeld van de ontzettende moeilijkheden, waarmede de strijdende legers in Rusland te kampen hebben. Over wegen als deze moeten, onderwijl door vijandelijk vuur bestookt, kanonnen en zware transportwagens vervoerd worden door paarden, die van vermoeienis dikwijls zijn uitgeput. (V.F.B.) WAT DE DUITSCHERS VINDEN . . . De door de Russen geheel verwoeste brouwerij in de vesting Kowno, zooals de Duitschers deze bij hun intocht vonden.
PDF
Nummer
1915, nr. 79, 30 sept. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA . 6• „Waar je onverschillig. „Lang leve de Gulle!” juichten ze bijna allen. Niet allen. Mèt mij hadden toch ook enkele scherpere opmerkers den blik in zijn oogen gezien en daarom was er dien avond slechts een gezelschap van omstreeks twaalf man aanwezig. Het was ook niet de rechte jool, die toch meestal heerscht op een verjaarpartij. „De Gulle” was zoo mogelijk stiller dan anders en betaalde op ’t eind van den avond de vertering zijner gasten. We lagen reeds met ons zessen op den hooizolder op onze matrassen (twee waren met verlof) toen heel luidruchtig het overige gezelschap boven kwam. „De Gulle” was toch een toffe jongen!” hoorden ween „de Gulle” was toch een reuzenknaap !” riep een ander, maar hijzelf ontkleedde zich kalm? en strekte zich met een zucht, die ik slechts hoorde, omdat ik in den hoek naast hem sliep, op zijn matras uit. Eenige minuten daarna sliep hij. Ik richtte mij op één elleboog op en, bij het flauwe licht van de stallantaarn, zag ik hem aandachtig aan. Allengs was ik hem met andere oogen gaan beschouwen dan voorheen. Dat was toch niet het gezicht van een gierigaard ? Enfin, schijn bedriegt, dacht ik, en vanavond is hij er feitelijk toe gedwongen eens iets weg te geven, anders had hij zijn verjaardag natuurlijk stil laten passeeren. Toen viel mijn oog op een brief, die uit de tuniek van „de Gulle” was gevallen en naast zijn matras op den grond lag en toen heb ik iets gedaan wat niet geoorloofd was, maar waarvan ik toch geen spijt heb. Mocht je dit lezen „Gulle” (denk er aan, jongen, ’t is nu geen scheldnaam meer, doch ik noem je zoo alleen omdat ik je eigen naam niet noemen wil) mocht je dit lezen, dan vraag ik vergeving voor wat ik deed, want ik heb den brief genomen en heb hem gelezen. Woordelijk geef ik hem weer. „Lieve Willem, „Vandaag ben je jarig I Hoe heerlijk vindt je moeder r DE GEREDDEN DER „KONINGIN EMMA” De aankomst te Amsterdam met het s.s. Kambangan van een deel der geredde passagiers van het op een mijn geloopen stoomschip „Koningin Emma”. (V.F.B.) het, een zoon te hebben als jij, die de steun van haar ouderdom bent. Ik feliciteer je, mijn beste jongen, en hoop dat God je nog lang voor me spaart. Sinds vaders dood ben jij mijn alles, dat weet je. Hoe graag, lieve Willem, had ik je wat gestuurd; maar ’t was me ónmogelijk iets bij elkaar te krijgen. En inplaats dat ik jou nu wat kan sturen, ontving ik gisteren weer je postwissel. Hartelijk dank, beste jongen. Ik weet niet hoeveel je onder dienst krijgt, maar hou je nu wel genoeg voor jezelf over om eens iets extra’s te koopen ? Je doet toch je eigen niet te kort ? Die gedachte zou je moeder niet kunnen verdragen, hoor! Houdt maar eens een feestje met je vrienden, beste Wim ! Ik verlang toch zoo naar je aanstaand verlof. Met een kus van je liefhebbende Moeder.” ’t Was misschien kinderachtig van me, maar ik moest verscheidene malen m’n zakdoek naar mijn oogen brengén vóór ik den brief ten einde VOOR DE BELGISCHE VLUCHTELINGEN Verleden week werd in • de kunstzaal Kleykamp te Den Haag een door de hooge Belgische aristocratie bezochte matinee gegeven ten bate van het Comité voor Belgische Vluchtelingen. Het geheel stond onder leiding van Prinses de Ligne (tweede van rechts, zittend). {V.F.B.) MAATSCHAPPIJ TER BEVORDERING DER VEEARTSENIJKUNDE. Verleden week hield de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland een algetneene vergadering in hotel „De I’ Europe” te Utrecht De heer J. J. F. Dhont uit Rotterdam presideerde de druk bezochte bijeenkomst. (V.F.B.) DE GEVOLGEN VAN DEN OORLOG. Een van de gevolgen van den oorlog is de toenemende emigratie van vrouwen en kinderen uit Galicië en Polen naar Noord-Amerika. Op onze • foto, welke aan het station D.P. te Rotterdam genomen werd, ziet men een groep dier landverhuizers, die met al hun bezittingen bij zich, op een sleeperskar naar een der emigrantenhotels worden vervoerd.f/ofo „Rembrandt”.) had gelezen. Ik wist nu ook duidelijk wat mij te doen stond. Ik liet „de Gulle” slapen, stak aan ’t ander eind van den grooten zolder nog een stallantaarn aan, vertelde aan alle* jongens wat gebeurd was en las met moeite den brief voor. „Wat een lammelingen zijn we toch eigenlijk allemaal!” viel er een uit. „Jongens,” zei ik, „we hebben niet geweten wie hij was en we moeten goedmaken wat we aan hem misdeden. Ik geloof dat we hem meer gekwetst hebben dan iemand van ons beseft.” Den volgenden morgen zijn we, man voor man, naar „de Gulle” gegaan, hebben hem de hand gereikt en vergeving gevraagd. Bij de zoogenaamde woestelingen was van het vergeving vragen wel niet veel sprake, maar ze gaven hem dan toch een handdruk, die even een pijnlijken trek om zijn gelukkig lachenden mond bracht. Het was, ik weet het zeker, het gelukkigste uur in ’t leven van „de Gulle” en, ofschoon hij toen nog niet wist waaraan deze ongewone verandering was toe te schrijven, aanvaardde hij ze met groote dankbaarheid. Niettegenstaande hevig protest van zijn kant ging er geregeld elke veertien dagen aan het adres der arme weduwe een postwissel en nu we allen in verschillehde plaatsen verstrooid zijn, zendt elk van ons, zoolang we weten dat „de Gulle” nog in dienst is, een postwissel voor het bedrag, dat hij te missen heeft. Dat hebben we elkaar beloofd en dat blijven we beslist doen. „De Gulle” heeft mij toestemming gegeven deze episode uit onzen diensttijd neer te schrijven. „Het pleit slechts voor jullie karakters”, zeide hij. „Neen, Gulle, dat doet het niet, maar het heeft ons geleerd wat een goed zoon voor zijn moeder doen kan en moge het tevens velen onzer kameraden een vingerwijzing zijn voor het geval dat ze misschien in onze fout zouden vervallen.” kleine DOOR Z H ij had het gelaat van Liszt, wat scherper, wat bleeker en minder bezielend. Zijn gestalte was tenger. De lange jas, die hij steeds droeg, was versleten en glimmend aan de mouwen. Een uitgetarnde naad aan een der ellebogen was dichtgenaaid, maar niet door een vaardige hand. Zijn hoed, een vettige slappe hoed, deed in ouderdom voor zijn jas niet onder en scheen een deel van hem zelf geworden, volkomen in harmonie met de droevige uitdrukking van zijn donkere oogen, die met afwezigen blik rondom zich staarden. Zijn oude vioolkist scheen hetzelfde armoedige bestaan te leiden als haar eigenaar. Het koperen slot was verdwenen van het uitgesleten sleutelgat en ook het handvat had reeds lang een beter heenkomen gezocht en blijkbaar gevonden. Het laken van de binnenzijde had die onbestemde kleur gekregen, die een getuigenis is van jaren trouwen dienst. Hij was bekend als een type in de stad. Soms verscheen hij in ons café waar hij dan speelde, niet bijzonder mooi, — naar mijn meening — en toch was er iets in de droevige tonen, die hij aan de oude viool ontlokte, dat ons bijbleef, toen we den violist al lang vergeten waren. Doch op zekeren dag ontmoette ik hem weer, dat wil zeggen, ik zag een schamele, neergebogen figuur langs den weg strompelen, de lange onooglijke jas fladderende TERUG NAAR HET VADERLAND. Ongeveer 90 Engelsche vrouwen en kinderen, die vóór het uitbreken van den oorlog te Brussel vertoefden en geen gelegenheid konden vinden om vóór de bezetting der stad door de Duitschers, te vertrekken, hebben thans van de Duitsche regeering toestemming gekregen naar hun vaderland terug te keeren. Wij kiekten bovenstaand groepje op het station te Roosendaal, waar zij door eenige leden der Engelsche en Amerikaansche legatie werden opgewacht. (V.F.B.) om de magere leden; den hoed diep over de ingezonken oogen en in de uitgemergelde witte handen een oude vioolkist geklemd. Hieraan herkende ik onzen ouden violist. De man scheen totaal „op”. Ik staarde hem medelijdend na. „Een zonderling type!” zei een mijner vrienden, de reporter, die mij vergezelde. „Ken je hem ?” vroeg ik. „Kennen? Ja, zoo wat. Hij speelt niet slecht. Hem is reeds meermalen een positie aangeboden in een theaterorkest, maar hij wil geen geregeld engagement aannemen.” „Wat doet hij dan liever ? Hongerlijden ?” „Ja I En lesgeven I” „Lesgeven ?” herhaalde ik verbaasd. „Heeft hij dan leerlingen ?” „Eén !” „Eén leerling? Kan hij er dan niet meer krijgen ?” vroeg ik weer, „Ik denk het wel. maar hij wil er niet meer!” was het antwilt,” zei hij
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1901 tot 1905 van 11897