|
PANORAMA
Ook Vera verliet haastig
het huis en ik begaf mij langzaam
naar boven. Zoozeer
waren mijn gedachten vervuld
van mijn eigen verdriet, dat
ik den vluchteling geheel vergeten
was. Hij kwam vanachter
het gordijn te voorschijn,
toen ik mistroostig op
een stoel was neergevallen.
„God zegene u, mijnheer 1”
teemde hij.
„Kom hier!” beval ik.
Ik liet mijn beide handen
langs hem heengaan, betastte
hem overal, doch hij had niets,
in geen geval een gouden
bord onder zijn kleeren verborgen.
„Ga heen1 Ik heb meer gedaan
voor jou, dan ik verantwoorden
kan/’ zei ik. „Ga
nu heen !”
Even aarzelde hij.
„ I k zie dat ik den agent terug
zal moeten roepen,” zei ik.
Dit dreigement was voldoende.
Snel verliet hij mijn
atelier en even snel was ik
hem vergeten ; mijn eigen verdriet vervulde mij te zeer.
Een uur daarna, misschien langer, ’k weet ’t niet. want
men let niet op den tijd als men droef-onbeweeglijk zit te
staren naar iets wat men niet ziet, na geruimen tijd dan, werd
ik uit mijn droevig gepeins opgeschrikt door een zwaren
stap op de trap.
Het was Foss. Ik keek op, onze oogen ontmoetten elkander»
„Keith Radley,” zei hij» „ken je de menschen die boven
je wonen ?”
Ik keek hem wantrouwend aan. Had hij Vera uit mijn
woning zien komen ? Was het een strikvraag
om achter de waarheid te komen ?
„Ja!” antwoordde ik kort.
„Herinner je je dat Fairford-presenteerblad
?” vroeg hij. „Dat in goud filigraan,
dat je zoo bewonderde, toen je laatst bij mij
was ?”
,,Ja 1” zei ik weer,
„Dat is gestolen! Het werd schoongemaakt,
het keukenraam stond open. De keukenmeid
zag een hand door het venster en gaf een
schreeuw. Ze zetten den dief dadelijk na en
hij is in dit huis geslopen, ten minste — dat
gelooven we. Heb jij iets gehoord ?”
„Ik heb den dief niet gezien,” antwoordde
ik kalm.
„Ah 1 Gezien niet, maar wel gehóórd 1”
riep hij uit.
„Neen !”
„Hij verborg het tusschen zijn jas; de meid
zag het!”
Maar ik had den man overal betast en zijn
ribben gevoeld. Hij kon onmogelijk het blad bij zich gehad
hebben. Foss ging voort;
„Wie wonen hierboven ?”
„Juffrouw Kingham, beeldhouwster; Abington, de handelsreiziger
en Withington en Kemble, artisten.”
„De dief moet zich hier in huis ergens verscholen hebben,
dat weet ik zeker,” zei bij, „die politieagent is een sukkel,
maar hij is nu op zijn hoede.”
„Zoo !”
„Is er iemand hierboven dien je verdenken kunt ?”.
„Neen !”
„Hm !” ging Foss voort. „Er zal hier aanstonds een detective
van Scotland Yard komen. Ik hoop dat je jezelven
voldoende zult kunnen verdedigen.”
„Wat ? Verdenk je mij ?” vroeg ik verbaasd.
„Ja, om twee redenen. Artisten zijn dwaas genoeg om een
dief te herbergen, als ze niet desperaat genoeg zijn om zelf
te stelen !”
Prof Dr. C. W. J. W. J.GEESINK.
HET S.S, „KONINGIN EMMA” GEZONKEN.
Het s.s. „Koningin Emma’’ van de Stoomvaartmaatschappij „Nederland*’, is nabij Long-Sand (één der vóór de Theemsmonding
liggende zandbanken ten Zuiden van Harwich) op een mijn geloopen en gezonken. Alle passagiers en opvarenden
zijn gered. Het schip» dat in 1913 werd gebouwd en een der nieuwe dubbel-schroefstoombooten der Maatschappij was,
was den 19en Augustus van Batavia naar Amsterdam vertrokken. (V.F.B)
„Dus u verdenkt mij, mijnheer Foss?”
„Ik zou niet verwonderd zijn, als je om mijn huis sloop,
om een geheim tête a tête met Vera te hebben,” hernam hij.
„Ik verwacht niet dat je veel om mijn waarschuwing geven
zult. Je zoudt een onderhoud met haar stelen als je kon.”
Hij lachte grimmig en vroeg toen plotseling :
„Heb je haar gezien, sedert je mijn brief ontvangen hebt ?”
„Mijnheer Foss, de deur staat achter u open !” zei ik.
„Waarom lieg je niet en zegt „neen” ? Dus je hebt haar
gezien. Waar? Hier of. .
Zijn gelaat was rood van woede. Langzaam naderde hij
J. JONGEPIER.
Zondag 19 Sept. herdacht Prof. Dr. C, H. J. W. J. GEESINK, hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de vrije Universiteit
te Amsterdam, het feit dat hij vóór 25 jaar het ambt van hoogleeraar aanvaardde. Aan Jhr. Mr. W. H. HOEUFFT
te Middelburg, werd op zijn verzoek eervol ontslag verleend als rechter aan de rechtbank aldaar. ... 23 September
vierde de heer j. JONGEPIER, rijksboekhouder le kl. te Den Haag. zijn 4O~jarig jubileum als ambtenaar in rijksdienst
mij en ging voort : „Ben je in mijn huis geslopen, Keith
Radley ?”
Ik leunde achterover in mijn stoel.
„Het is een voorrecht van den ouderdom dat u de jeugd
ongestraft beleedigen mag,” merkte ik op. „Je weet dat je
veilig bent. Als je dertig jaar jonger was, smeet ik je van
de trappen.”
„Dat zou een dief zijn rechter, die hem veroordeelt» ook
doen, als de bewaking het niet verhinderde,” merkte hij
lachend op. „Jij bent arm en wanhopig. Zag je het presenteerblad,
toen je op Vera wachtte ?”
„Pas op 1 Ik mocht eens vergeten dat je zestig bent,”
dreigde ik en stond op. „Je moest liever gaan voor ik ’t doe !”
Zijn oogen keken onderzoekend mijn atelier rond. Hij luisterde
niet naar mij. Ik had evengoed tegen de muren kunnen
praten. Opeens liep hij op het raam af en schoof de gordijnen
opzij.
Daar! Onder het venster, rechtop tegen den muur gezet,
stond het Fairford schenkblad!
Toen ik het prachtige gou
den smeedwerk zag, begreep
ik' dadelijk wat er gebeurd
was. De dief had het onder
zijn jas verborgen gehad, toen
hij binnenkwam. Hij had zich
toen onmiddellijk achter het
gordijn verborgen en het daar
neergezet. Geen wonder dat
hij aarzelde en naar de portières
keek, toen ik hem wegstuurde.
„Zoo 1 De schoelje had het
dus toch !” riep ik woedend
uit. „Het was donker toen hij
binnenkwam en had het reeds
verborgen, toen ik licht opstak.”
„De rand van het blad
kwam net onder het gordijn
te voorschijn,” zei Foss, ging
naar de deur en sloot die.
„Het was stom van jou,
Keith Radley.”
„Hoe kon ik dat weten ?”
protesteerde ik.
„Het oog van een artist
moest den glimmen den rand
gezien hebben. Je had wel een betere schuilplaats mogen
opzoeken!” merkte hij koeltjes op.
„Wat wil je zeggen ...”
Ik keek hem ten hoogste verbaasd aan.
„Mijn wantrouwen was reeds eerder opgewekt. Nu weet
ik het zeker,” ging hij voort. „Wel, heb je nog iets te zeggen
voor ik den politieman roep ?”
„Roep hem, als je plan hebt jezelvenjbelachelijk te maken,”
zei ik berustend, ziende dat het hem ernst was en dat ik mij
in een lastig parket gebracht had. „Ik zat hier in het donker.
Een man komt hier binnen en verbergt zich achter het gordijn.
Hij zweert mij dat hij niets gestolen
heeft. De agent was gemakkelijk te overbluffen.
Toen deze weg was, heb ik den man
zorgvuldig gefouilleerd. Hij had geen gestolen
voorwerpen bij zich. Het is nu natuurlijk gemakkelijk
te begrijpen, wat hij deed.”
„Mijnheer Radley.” merkte Foss schamper
op, „ik dacht dat je artist was en niet een
schrijver van sensatieromans.”
„Geloof je mij niet ?” riep ik uit, half woedend,
half lachende,
„Waarom zou ik dat ?’* vroeg hij kalm.
„Ik moet óf nou je gelooven en niet gelooven
Keith Radley van daarstraks, óf vice-versa.
Daar straks zwoer je dat je den dief noch
gezien noch gehoord had. Nou zeg je . .
„Ik Heb je gezegd, ik wist niet dat hij de
dief was.”
„Ik vraag je excuus’ Ik zie wel je bent
.geen schrijver. Dan zou je nooit zulken
onzin hebben uitgekraamd ! Een grap moet
aanneembaar zijn, al is ze nog zoo gezocht.
Ik veronderstel dat je gedacht hebt, dat die kerel, die een anders
kamer binnensluipt en een gestolen voorwerp achter een
gordijn verbergt en zwoer dat hij niets had, de minister van
justitie was! Je zult voor den rechter een geloofwaardiger
verhaaltje moeten verzinnen, of bekennen.
Ik nam mijn hoed en liep naar de deur.
„Wel ?” vroeg hij, mij aanstarende.
„Doe het gas uit als je weggaat,” zei ik. „Goeden avond !”
Ik opende de deur. Hij ging naar ’t raam en deed dit open.
„Er staat beneden een politieagent. Als je een voet in
de straat zet zal hij je arresteeren. Je doet beter niet weg te
gaan, Radley !”
„Heb je lang genoeg voor gek gespeeld ?” vroeg ik.
„Probeer maar niet mij te overbluffen, Radley, dat gebeurt
toch niet. Het spijt me voor je, waarachtig, maar . .”
„Houd je deelneming maar voor je zelf,” riep ik uit, woedend
en beleedigd.
„Heel goed, maar ...” — Hij aarzelde.
INWIJDING VAN HET NIEUWE CLUBGEBOUW VAN „NEREUS”.
Verleden week is in tegenwoordigheid der leden en talrijke genoodigden het »naar de eischen des tijds verbouwde clubgebouw van de Amsterdamsche roeivereeniging „Nereus” op plechtige
en feestelijke wijze ingewijd. Links: Het verbouwde clubgebouw. Rechts: De ter gelegenheid van de inwijding gehouden clubtocht, waaraan door zeer veel booten werd deelgenomen. (V.F.B.)
Jhr. Mr
W H. HOEUFFT
|