|
PANORAMA 10
Voor onze Dames
De nieuwe Dameshoeden
——------
Hierboven een aardige mode-afbeelding voor den komenden winter. Deze
zeer gekleede mantel is gemaakt van zwart pluche. Het is een eenvoudig
kimono-model met een klokschoot en een breede ceintuur, die op zij sluit
en meteen de sluiting voor den mantel vormt door twee knoopen. De kraag
en manchetten zijn van bont, evenals de rand van onderen. Een zwart zijden
rok met witte strepen staat er hoogst elegant bij, terwijl de moderne zwarte
hoed, die heel eenvoudig gegarneerd moet worden, den indruk van het ge •
heel nog verhoogt.
;anneer men öm dezen tijd
aan het zeestrand en in de
boschrijke vüiabuurten en
-dorpen al die menschen
— dames zoowel als heeren
— in hun bloote hoofden *)
ziet rondkuieren, zou men zoo denken, dat de hoeden voor beide
seksen fataal „d’r uit” zijn; dat geen fabrikant van hoofddeksels
het uit dien hoofde meer in zijn hoofd hoeft te krijgen, nieuwe
vormen van hoofddeksels te wrochten, want dat de heerschende
mode hem, in hoofdzaak althans, het hoofd, (i.c. het bloote hoofd)
zal bieden. Zoo’n man moet het hoofd stooten, dat kan je hem op
een briefje geven. Zoo denkt de argelooze althans.
Maar het komt anders uit. Alles werd trouwens door sommige
hoedenfabrikanten op haren en snaren gezet, om de blootshoofdsche
menschen te bekeeren van de dwalingen huns weegs. Ja, er waren
zelfs wetenschappelijke bladen, die het geleerde hoofd in deze voor
hen toch ijdele materie dompelden, en zoowaar heele artikelen,
door zeer geleerde heeren onderteekend, publiceerden, waarbij het
blootshoofds gaan, als ongezond en roekeloos veroordeeld werd. Zoo
lazen wij met een aplomb, een betere zaak waardig, beweerde wijsheden
omtrent het feit, dat de hedendaagsche huiszit- en zakenmenschen
met
hunne
door
de binnenhuizen
verweekte
bollen
niet gewend zijn aan temperatuurswisselingen,
aan
tocht, aan frissche windspelen
en een verkoudheid
in een ommezientje hen te
pakken heeft, waarbij dan
komt, dat ’n verwaarloosde
verkoudheid een ijselijken
hoop narigheden, ja, levenslange
kwalen en vroegtijdigen
dood na haar sleept.
Bedenkt men, — luister
naar dezen geleerde — hoe
verpest de atmosfeer der
groote steden is, dan gevoelt
men eerst recht het
gevaar der infectie. En ten
slotte is het, door geen
hoofddeksel voor onze evennaasten
afgesloten zweet,
een haard van onreinheden.
Het zweet van den teringlijder
b.v. krioelt van tuberkelbacillen.
. .. Wij zetten
hier de mededeelingen
van dezen professor stop,
en laten aan onze lezeressen
de critiek op zijne stellingen
Over, om intusschen er aan
te herinneren, dat het maar
niet alleen de hoedenfabrikanten
zijn, die kunstmatig
het dragen van hoofddeksels
animeeren. In de dames
zelf zit gelukkig ook nog
wel de liefhebberij, om,
— buiten de vacantie- en
heete uitgaansdagen om —
zich liefst ,,gekleed” te vertoonen, en vooral gekleed met dat wat hun waarlijk ,,kleedt?”
En wat ter wereld, zoo vragen wij ons af, kleedt waarlijk bekoorlijker dan een wèlstaand
hoofddeksel. . . Wij voor ons weten vast en zeker, dat al onze lezeressen er
zoo over denken, en de eerstvolgende eeuwen wel niet van gedachte in dit opzicht
veranderen zullen, want hoezeer de huidige tijdsomstandigheden ook van invloed op
de wereldkaart mogen zijn, de staalkaart van mode-artikelen zal er niet door in den
uithoek van de vergetelheid worden geduwd. Neen, de vrouw moet en zal er goed en
aantrekkelijk uitzien, daarmede staat of valt, niet minder dan door een wereldkrijg,
de heerschende orde der dingen. En dit alles is
zoo en zal altijd zoo blijven om de even eenvoudige
als onomredeneerbare reden, dat de aard
der vrouw de grondslag van dit alles is.
De ware vrouw heeft, behalve andere plichten,
vooral ook deze plicht, den meer zakelijken en
onverschilligen mannen dagelijks te wijzen op
het genoeglijke, het rustige, het zorgvolle van de
schoonheidszin, en dat maar niet met woorden,
met wijze of onwijze lessen, met zin- of met
ónzinspelingen, neen, door de macht van het
voorbeeld, door de overtuigende charme harer
eigen verschijning.
En dat daarbij, buitenshuis althans, de hoed...
de, zeg maar gerust, hoofdrol speelt, zal een ieder
gaarne erkennen.
♦) Bij eenig nadenken bespeurt de lezeres, dat deze uitdrukking
meer op het spraakgebruik berust en hier slechts bedoeld
wordt „blootshoofds”. (foto's Joh.
en deze nog wel in opvallende fraaie kleuren; ook stellen
an zeer varieerenden vorm, aigretten, zullen veel worden geDeze
afbeelding geeft ons een bijzonder mooi avondtoilet te zien. Het is
gemaakt van witte zijde, terwijl de garneering bestaat uit kant en een
ceintuur van licht gekleurde zijde. De rok bestaat uit drie strooken, die
ruim uit-staan. Uit de driekwart mouw komt een breede strook van fijne
kant, waarboven een plooiseltje van zijde is aangebracht. Ook het kanten
vestje wordt geplooid en voltooid door een kraag van tule en een van zijde.
We wisten dus heel zeker, onzen lezeressen
een genoegen te verschaffen door
ons op een betrouwbare plaats op de
hoogte te gaan stellen van wat er dit
najaar al zoo gedragen zal worden op
het délicate hoedengebied.
Zeer groote zoowel als kleine vormen zullen in aanzien zijn;
voor sommige gezichtjes staat (de lezeres kan zich daarvan op onze
kieken overtuigen) voor sommige gezichtjes doet de groote hoed het
beter, voor andere de kleine vorm.
Er wordt een groote verscheidenheid van kleuren gedragen, waarvan
als het chiqueste worden aangemerkt: nègre (bruin), beige en
cérise-rood, het laatste ook wel zweemend naar het paarsere „grosseille”.
De vormen zijn voor de grootere hoeden alle variaties van den
matelot, of z.g. canotier, ook wel den, iets zwieriger, Rembrandt-vorm;
de kleinere zijn vrijwel alle in het toque-model. Heel groot en heel
klein is het parool; tusschensoort of middelmaat (de befaamde middelmaat,
die, naar de oude zegswijze, de straat versiert,) zal men dit
jaar tevergeefs zoeken.
Als garneering zal men veel bloemen' zien, vooral rozen en chrysanten,
gitten \
dragen,
staand
of als
gjrneeringom
den bol
gelegd ;
voorts
is de veer nog in aanzien;
de struisveer en paradis,
respectabel fijne en dure
hoofd-versierselenalszij zijn,
hebben zich niet weg laten
dringen. En gelukkig maar,
want ik ken nog maar
weinig sierlijker garneeringen
dan juist die strufeveeren,
soepel neerhangend
of in omhoogstaande trotsche
panache of amazone.
Het materiaal van den hoedvorm
zelf is vilt of fluweelen
overtrek.
Doch laat mij eerst onze
verschillende modelletjes aan
U voorstellen.
De eerste foto is die van
een zwart fluweelen ronden
matelot met hier en daar
uitgesneden rand, welke uitsnijdingen
versierd zijn met
struisgarnituren en zijden
strikjes. Rond den bol een
gitten krans. De binnenkant
van den rand is eveneens
van zwart fluweel. No 2.
is een canotier van zwart
velours met grijzen velours
binnenrand ; de bol is van
afloopenden vorm. De garneering
bestaat uit een
lichtgrijsstruisveergamituur
dat als schuim zoo licht en
luchtig zich om den bol
slingert en neersliert van
den rand. Rechts is dat garnituur
afgemaakt met stalen agraafjes. Deze agraafjes zal men dit jaar evenals gittengarnituurtjes
veel als garneersel zien. Onze derde foto is die van een donkerbruinen
fluweelen Clocke-hoed met slappen bol, beigen fluweelen binnenrand. De rand is ingehaald,
gebouillonneerd. De versiering is een tweetal struisveeren in beige en donkerbruin
ombré. Deze hoed heeft een vorstelijk aanzien. Onze vierde kiek vertoont U een
kleinen matelot, een werkelijk hondje van een hoedje, van zwart velours de Lyon ; het.
snoesje is versierd met een bandeau van witte aigrettes-crosses, voor en achter afgemaakt
met witte veeren toefjes. De vijfde foto stelt een toque voor, voor cerise-fluweel, naar
achter in kuif gedrapeerd. De versiering is een
garnituur van naturel groene pauwenveeren dat
met de zwarte opstaande glinsterende krullen
voorop, prachtig doet, en sierlijk zijwaarts om
den bol heenligt.
En hiermede sluiten wij voor deze keer weder
onze reeks opnamen ; ge ziet, er is verscheidenheid
genoeg, dames ; evenals er onder U verscheidenheid
van . . . gezichtjes en gezichten is,
waarop, elk naar zijnen aard, een der nieuwe
modelhoeden een goed figuur zal maken.
En nu, tot ziens, lieve dames. Beste groetjes
voor u allen.
WILLY.
Bickhoff).
|