|
voor eerst wat aansterkt !’’ — Zijn groene slangenoogen
waren loerend op me gericht, maar ik bleef
onverschillig, en de whiskev deed me goed.
Hij was blijkbaar niet van plan het kort met me
te maken en wilde plezier beleven van zijn meerderheid
; als de kat met de muis, zoo speelde hij met me.
Nu, goed ; hij zou zien dat ik een taai leven had.
„En als je nu denkt weer te kunnen loopen, ga dan
eens mee. Er is daar boven wat aardigs voor je te
zien. ’n Liefdeshistorie. Ga maar mee! Ze weten niet
dat wij hier zijn .... maar we zullen ze verrassen ï”
Ik volgde hem als met moeite in de lift, maar de
zekerheid dat er nu iets beslissends ging gebeuren
deed ook mijn laatste zwakheid verdwijnen. Als
’t erop aankwam, zou ik mijn man staan !
„HOOGE POLITIEK.”
Mevrouw Emma Morel, als Adalgisa— Prinses van Rheinfelder Salm -Salm
Klosterstein in het blijspel „Hooge Politiek”, dat door de Koninklijke Ver
eeniging „Het Nederlandsche Tooneel” in den Stadsschouwburg te Amsterdam
wordt opgevoerd. {foto Couvée)
Op de derde verdieping deed Hannock de lift
stoppen. De deur schoof geruischloos open, we stapten
uit en terwijl Hannock mij bij den arm terughield,
wees hij me van uit de donkere kamer, waarin we
stonden, naar een aangrenzend vertrek, dat met portières,
waartusschen het licht doorgleed, slechts ten
deele gesloten was. En in dat zijvertrek waren Marv
en Morlay. Ze spraken haastig, heftig en nadrukkelijk
met elkaar.
Hannock, mij steeds vasthoudend, legde den vinger
op de lippen, wees dan in de richting van die twee,
en fluisterde met een grijnslach: „dat prachtige
tooneeltje wilde ik je niet onthouden — zie maar
eens hoe goed ze ’t samen vinden kunnen !"
De stemmen werden nu luider ; ik hoorde Mary
zeggen : „maar je zult toch niet ontkennen dat ik
alles voor je deed wat ik kon?"
Morlay greep haar hand en antwoordde: „dat doe
ik immers niet! Dat wil ik je juist vergelden
! Denk eens aan : Hannock, die
stommeling, is nog niet hier ; hij jaagt
nog steeds je man achterna, dien hij
toch nooit vinden zal. Er is een kans
voor je: ga met mij mee; ik breng je in
veiligheid. En dan . . . ."
Ze stonden nu met den rug naar ons
toe; gedurende enkele oogenblikken drongen
slechts enkele woorden van hun gesprek
tot ons door. Morlay scheen aan
te dringen, en Mary tegen te streven ;
ten slotte vernam ik weer duidelijk Morlay’s
stem, die zei: „maar dan heb je
immers eindelijk het veilige, rustige leven
waarnaar je verlangt ! Dan komt aan
al die avonturen een eind ! Je weet immers
dat ik het goed met je meen, dat
ik alles voor je over heb ! We zouden
samen een nieuw en gelukkiger leven
kunnen beginnen
Hij sloeg den arm om haar heen, en
ditmaal weerde zij hem niet af.
Hannock grijnslachte tevreden.
„Wat vind je daarvan ? Dat heeft hij
’m geleverd, niet ?"
Ik begreep de toedracht der zaak
volkomen, en Hannock’s ophitsende
woorden hadden geen vat op me. Mary
3
had onmiddellijk ingezien -welke rol zij tegenover
Morlay had te spelen, en zij deed dat op de
meesterlijke wijze, die ik van haar gewoon was.
De comedie die zij daar opvoerde, was op tijdwinst
berekend ; haar eenig doel was Morlay te vriend te
houden, hem tot haar bondgenoot te maken — kwam
Hannock terug, dan zouden ze twee tegen een staan.
Maar Hannock begreep het anders, en ik zorgde
ervoor hem in zijn meening te versterken. Ik deed
alsof ik mij uit zijn greep wilde losrukken en fluisterde
heesch : „ais ik maar een revolver had - ik schoot
den ellendeling dood !"
„Hier !" zei Hannock, en hij duwde me het verlangde
wapen in de hand. „Ga je gang ! Maar denk er aan :
je ruimt Morlay uit den weg — voor mij ! want daarna
zal die vrouw van mij zijn, hoor je, van mij ! En dan
ga jij eraan !"
Ik had de revolver in mijn linkerhand moeten nemen,
want de vingers van mijn rechter bleken niet in staat
de greep te omklemmen, en dat was de reden waarom
het schot dat ik, mij snel omwendend, op Hannock
afvuurde, te laat kwam en een meter onder hem in
den achterwand van den liftkoker belandde. Hij was
bij de eerste beweging die ik maakte in de lift gesprongen,
en het kamertje was al halverwege de open deur
toen het schot viel.
Nauwelijks zweeg de echo van den knal, of Mary
riep triomfantelijk mijn naam. „Eindelijk !" klonk
haar stem, met dat trillende geluid van overspanning
dat ik zoo goed kende, en ze rukte de zware portières
opzij. Morlay wilde haar tegenhouden, maar ze sloeg
hem met haar vuisten en riep : „maar dacht je dan
dat ik het meende ! Jij dwaas ! Jij ezel! Dacht je
dat ik de aanraking van je handen dulden zou als
’t niet was om mijn leven te redden ? Laat me los !"
Morlay was ’n oogenblik overbluft, meer verbaasd
dan bevreesd. Hij staarde me aan, en zijn rechterhand
maakte een beweging naar de zijzak van zijn jas,
„Verroer jé niet!" zei ik, en hield het geweldige
repeteer-pistool van Hannock op hem gericht. „Blijf
staan waar je staat !’’
Ik ging langzaam op Morlay toe, liep om hem heen,
steeds het wapen gericht houdende, totdat ik zoowel
hem als de open liftdeur, waaruit Hannock elk oogenblik
tevoorschijn kon komen, in het oog had.
„Neem zijn revolver uit zijn rechterzak," zei ik tot
Mary.
Morlay deed ’n stap achteruit. „Dat is niet noodig,"
zei hij wrevelig; „ik kan je die zelf wel geven."
Opnieuw maakte zijn rechterhand een tastende
beweging.
„Laat dat!" riep ik scherp. „Handen omhoog, of
ik schiet !"
Morlay deed wat ik zei, en het trof me zoo gelaten
en lijdelijk hij was, terwijl toch niets in zijn houding
aan angst deed denken. Hij gaf meer den indruk
van iemand die genoeg begint te krijgen van zijn
avonturen, en nu maar wilde dat men hem spoedig
met rust liet. Ja, er zat wat beters in dien man, en
ik geloof ook niet dat ik mijn dreigement zoo gauw
zou hebben uitgevoerd. Maar in gevallen ais dit is
medelijden een slechte raadgever ; ik was op ’t oogenblik
aan de winnende hand en moest van dat voordeel
gebruik maken. Morlay’s lot zou voor een goed deel
ervan afhangen of Hannock gauw weer beneden kwam ;
mocht dit laatste ’t geval zijn, dan zou ik me tijdig
van één mijner tegenstanders dienen te ontslaan,
„BINNEN DE WET.” {foto Couvée)
In het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam wordt door de N. V. „Het Tooneel’’, directeur
W. Royaards, opgevoerd het tooneelspel „Binnen de wet’’, waaruit wij hierboven de 4de
acte in beeld brengen. V. 1. n. r. : Karei van Rijn — George Demarest; Gerard Vrolik
Edward Gilder ; Jan C. de Vos Jr. — Richard Gilder; Sophie de Vries Marïe Twmer
PANORAMA
opdat de partijen tenminste eenigszins gelijk zouden
staan.
„Neem hem z’n wapen af," herhaalde ik.
Mary deed het, overtuigde zich snel dat de cylinder
met zes patronen geladen was, en reikte mij de revolver
toe.
„Zoo. Laat nu Morlay aan mij over. Ga de trap af
tot in den kelder, maar vlug, zoek de dynamo van de
lift, en sluit den stroom af zoodra ik je dat door den
liftkoker toeroep. Dat zal zijn wanneer Hannock,
op weg naar beneden, tusschen twee verdiepingen
hangt."
Mary was reeds naar beneden gesneld ; ik
hoorde haar haastige voetstappen langs de vele
treden verklinken. Als ik nu een schot afvujirde
„HOOGE POLITIEK.”
Mevrouw Gusta de Vos-Poolman als Mevrouw Billing in het blijspe
„Hooge Politiek”, dat door de Koninklijke Vereeniging „Het Nederlandsche
Tooneel” in den Stadsschouwburg te Amsterdam wordt opgevoerd.
(foto Couvée)
zou Hannock denken dat mijn rekening met Morlay
vereffend was, en hij zou ....
Maar op dat oogenblik, en nog voor Mary in den
kelder kon zijn, daalde de lift. Met groote snelheid
schoof het kamertje voorbij de open deur naar beneden,
en terwijl het langs ons snorde, flitste een vuurstraal
en knalde een schot — een groet van Hannock.
De kogel sloeg tusschen Morlay en mij door in den
muur, en Morlay zei onverschillig: „die kon wel
eens voor mij bedoeld zijn geweest." Hij haalde de
schouders op en vervolgde: „Kom — wat zullen
we ’t elkaar moeilijk maken ! Laten we samen dien
dollen hond z’n loon geven 1"
Ik luisterde nauwelijks. Hannock wist zonder
twijfel wat hij deed. Hij speelde ’n troef uit. Op dit
oogenblik was hij al beneden, bij Mary, en voor dezen
buit zou hij Morlay en mij gaarne in den steek laten.
Ik moest hem dus achterna, en terwijl ik op de gladde
trapleuning sprong en me daarlangs liet
glijden — het zou immers veel te lang
duren al de treden af te loopen klonken
er van uit den liftkoker een, twee
verschrikkelijke angstkreten, die door het
leege huis weergalmden. Mary ! O, ik wist
het: ze zou het hem niet gemakkelijk
maken, ze worstelde met hem, haar angstkreten
riepen me te hulp ....
Met een smak kwam ik op het lagerliggend
portaal terecht, maar ik sprong,
al op de volgende leuning, raasde met
snelle vaart nog een verdieping verder
naar beneden .... Als ik maar op tijd
kwam, als Hannock nog maar niet in
de gelegenheid was geweest den kelder
af te sluiten ! Maar neen, Mary was dapper
en handig; ze zou hem zeker de
handen vol weten te geven totdat ik
bij haar wras.
Een seconde, lang was ik als versuft
toen ik met een slag op den harden
keldervloer neerkwam, en nog een oogen
blik bleef ik verwilderd staan bij het
zien van wat zich daar bij de lilt af
speelde.
Aan de open deur worstelden Hannock
en Marv met elkaar
(Wordt vervolger
77 {13a>
|