Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1881 tot 1885 van 11897
Nummer
1915, nr. 76, 20 sept. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 Jk geef er toch niet om, Ed, maar ’t is voor jou, als ze naar je huis schrijven . , . ..Ach, ben je mal, dat moet je zoo ernstig niet nemen, dat doen ze niet ... En al zouden ze het doen, dan geef ik er toch niet om. Bij mij thuis zal het ze misschien niet eens kunnen schelen. En als ze schrijven, dan zal ik het heusch wel goed vertellen. Neen, maak je nu maar niet ongerust, het komt alles best in orde.” Zwijgend, beiden verzonken in eigen leed-gedachten, loopen zij verder tot aan haar schooi, waar hij quasi-luchtig afscheid neemt : „Denk er nu maar niet verder aan, hoor! Om twaalf uur kom ik je weer halen en dan zullen we wel zien !” En met een handdruk scheiden zij. Weemoedig staart hij haar na, als zij de trappen van het gebouw oploopt, tot ze tusschen de andere meisjes in de gang verloren raakt* voor zijn blik. Een brok schiet in zijn keel en met moeite onderdrukt hij een opkomend gevoel tot huilen . .. ,,Arme meid!” prevelt hij en loopt als in een droom verder. Op school waren Willy’s gedachten voortdurend afwezig. Telkens dacht zij aan het vreeselijkste wat haast gebeuren kon ; dat haar ouders aan Ed- 4y’s vader zouden schrijven. Die arme jongen ... Een paar keer moest de juffrouw haar tot de lessen doen terugkeeren als ze vergeefs zich afvroeg waarom haar vader en moeder haar „jongensgek” noemden. Dat was ze toch niet? Waarom mocht ze niet even goed met haar Ed wandelen als met een vriendin en evenveel van hem houden ais van een meisje, ja nog meer ? Was dat dan slecht als ze hem een aardigen jongen vond ? En mocht hij niet* goed voor haar zijn en ook van haar houden? En hij hield van haar, dat wist ze en ze had hem ook met heel haar kinderhart lief. Dat hij zoo goed voor haar was, moesten ze thuis toch ook plezierig vinden; haar geluk was toch het geluk van haar ouders ? En vast zette zich het plan in haar hoofd, dat ze hetstraks aan vader en moeder precies zoo zeggen zou, zooals ze het nu voelde. Zij zou het hun vragen, waarom ze niet meer met hem loopen mocht; ze zou het hun zeggen dat het toch een heel nette jongen was en dat zijn vader een eigen zaak had. Dan zouden ze wel toegeven. Ze was toch hun kind. Waarom gunden ze haar dan dat genoegen niet ? En in stilte pleitte zij hevig op wat ouderliefde, op begrijpen alleen waarom ze van hem hield .... Een zucht van verlichting ontsnapte haar toen de bel geluid werd. Gelukkig. . . twaalf uur. Nu zou ze Eddy vertellen wat ze van plan was haar ouders te zeggen. Ze zou het hem precies zeggen, misschien dat ook hij nog een argument vond om haar pleit-reden krachtiger te maken. Vanuit de gang zag zij hem reeds staan. Met een bijna vroolijk gebaar wenkte zij hem, dat ze dadelijk kwam en haastig zette zij haar hoedje op en trok haar mantel aan. Zij werd haast blij door den in haar gedachten reeds gunstigen afloop van d’r aanstaande pogingen. In één adem door vertelde zij hem alles, waf dien morgen in haar was omgegaan en wat ze thuis aanstonds zeggen zou.. . Dat zij recht had om begrepen te worden, dat ze door met hem te loopen niets slechts deed en haar geluk toch ook het geluk van haar ouders wezen moest. Zij zou het goed-recht van hun jonge liefde verdedigen met al de kracht van haar onschuld. Maar het zijn slechts woorden ... Zij voelt het. Haar machteloosheid tegen de macht van de meerdere en het nietwillen-begrijpen, waarop haar redeneeren afstuiten moest. Hoe dichter zij bij huis komt, hoe meer de moed haar ontzinkt, Dichter dringt ze zich tegen hem aan, niet lettend op de menschen die hen zagen zoo, als wilde zij van hem de kracht vragen, sterk te zijn straks . . . Plots, voordat zij er op bedacht zijn, staat haar vader voor hen. Eddy, verschrikt, neemt zijn pet af en wil doorloopen, maar met een ernstig, bijna boos gezicht, zegt haar vader: „Ik zou u graag even willen spreken. Wij hebben gemerkt, dat u met onze dochter loopt, en hoewel wij op u niets aan te merken weten, zou het ons toch aangenaam zijn, indien u dat voortaan niet meer deed en mijn dochter met rust liet. Willy zal u zeker wel gezegd hebben, dat wij er op tegen zijn en dat zij er thuis onaangenaamheden door heeft. Ik kan niet veronderstellen, dat u haar tegen haar ouders wilt opzeften. Ik vraag u dus dringend in ’t vervolg uw eigen weg te gaan. Denkt u daar vooral om, anders konden er wel eens minder prettige dingen, ook voor u, gebeuren. Goeden dag !” Dan gaat hij met Willy, die is gaan huilen, verder. Beduusd stond Eddy te kijken. Geen antwoord had hij gereed gehad, ’t Was alles zoo plotseling geweest, ’t Was vaag bij hem opgekomen, dat hij toch wat zeggen moest, maar hij wist niet wèt. Hij kon het zich nog niet eens goed NEDERLANDSCH LAN DHU ISHOUDKUN DIG CONGRES. Onder voorzitterschap van den heer Mr. A. G. A. Ridder van Rappard is verleden week te Amersfoort het 67e Landhuishoudkundig Congres gehouden, dat door Z. K. H. den Prins, den minister van Landbouw en vele andere autoriteiten is bijgewoond. Hierboven een groep der congressisten. 1. Z. K. H. Prins Hendrik; 2. de voorz. v. h. congres, Mr. A. G. A. Ridder van Rappard; 3. comm. der Koningin i. d. prov. Utrecht, Mr. Dr. F. A. C. Graaf van Lynden van Sandenburg, 4. Dir. gen. van den Landbouw, de heer Van Hoek; 5. de burgemeester van Amersfoort, graaf van Randwijck. Links v. d. Prins zit de min. v. Landbouw, Posthuma. (F.F.5.) indenken, maar als hij verder loopt, nog eens omkijkend naar Willy, die met haar zakdoek voor ’t gezicht te huilen loopt, ja, dan dringt het heftig tot hem door. dat nu alles uit is. L.. P. ZOCHER. t Y. M. v. d. BOSCH. Te Haarlem overleed de heer L. P. ZOCHER, een tuinarchitect van Europeesche vermaardheid. Hij leverde o.a. de ontwerpen voor de Rotterdamsche Diergaarde, het Vondelpark en de begraafplaats Westerveld. — De heer Y. M. VAN DEN BOSCH, bekend koordirigent te ’s-Gravenhage, vierde verleden week zijn 25-jarig jubileum als dirigent. Dat was het laatste geweest. Nooit meer zou hij met haar mogen wandelen of winkels-kijken, wat zoo gezellig was, ’s avonds als die mooie étalages zoo feestelijk verlicht DE NEDERL. POMOLOGISCHE VEREENIGING. Door de Nederlandsche Pomologische Vereeniging is verleden week een excursie gehouden, waarvoor zeer veel belangstelling bestond bij de leden. Wij geven hierboven een groep der deelnemers in een der fruittuinen in de omgeving van Deventer. (V,F,B.) waren. Een vaag visioen van voorbij geluk komt voor zijn geest, ’t Was nu uit. Voor goed. Nooit zou hij meer haar heldere stem hooren en voortaan zou hij haar moeten voorbij loopen en alleen zijn pet mogen afnemen. Wat zou dat vreemd wezen. Hij kon het met zijn denken haast niet omvatten. Alles voorbij nu. Al zijn idealen, zijn jeugd-leven, alles, alles is weg nu . . . En thuis worstelt Willy tegen den onverzettelijken wil van haar ouders, die het ,,slecht” vinden als eén jong meisje met een jongen „loopt” . . Nu verzetten zij zich niet meer . . . Stil en gelaten gaan zij ieder hun weg en trachten het onmogelijke : te vergeten. Maar de sluier van geluk, die hun jonge liefde om hun ziel geweven had, was voor langen tijd wreed verscheurd en die gelatenheid was slechts schijnbaar : een berusten in het noodzakelijke. Zij kón hem niet vergeten en de eerste avonden, als zij op haar stille kamerke haar werk maakte, bad zij stil tot God, dat Hij toch haar ouders leerde begrijpen. Dan fluisterde zij als in devote vereering zijn naam : „Eddy, lieve Eddy.” Tot tranen in haar oogen welden en een wondere beroering in haar meisjes-ziel opsteeg ... Haar ouders werden niet verteederd en begrepen niet . . . Het einde van alles was gekomen. Voor altijd. DOOR PIET VERSCHUUR v an Gasteren is laat I” zei Haller. Hij keek op zijn horloge en op de vergulde pendule. ,,’t Is a long way to Tipperary,” merkte zijn metgezel op. „Hoor eens. amice,” antwoordde Haller ongeduldig „acht uur is acht uur en niet twintig minuten later.” ..Daar is weinig tegen te zeggen 1” „Ik houd van een man die op zijn tijd past,” ging Haller voort, terwijl hij ongeduldig de kamer van het hotel op en neer wandelde. „Zeg, Halter,” zei Mansveld kalmeerend, „ga zitten, man. Maak het je gemakkelijk. Ze dienen niet op voor je belt en er is niets op aarde om je bezorgd over te maken.” Er werd op de deur geklopt. „Mijnheer van Gasteren, heeren !” „Frits !” „Mijnheer?” zei de eigenaar van het hotel-restaurant. „Opdienen I” „Koet!” De nieuw aangekomene trad de kamer binnen met de drukke bewegingen van iemand die weet dat hij te laat is en besloten is de aanmerkingen van de anderen door voorgewende vroolijkheid te voorkomen. Hij gaf beiden heeren een hand, mompelde iets van een te laten trein en verzekerde dat beide mannen er jonger dan ooit uitzagen. Welnu, er is niets dat mannen van geposeerden leeftijd meer genoegen doet dan te hooren dat ze er jonger uitzien dan ooit te voren. „O, daar twijfelen we niet aan,” zei Haller, terwijl hij in den spiegel keek en over zijn haar streek, dat bedenkelijk dun werd. „De vrijgezellenstaat werkt conserveerend en doet een man verwonderlijk jong blijven. Als we nu getrouwd waren . . . „Praat daar niet over,” viel van Gasteren hem in de rede op ietwat ontevreden toon. „De zorg voor een vrouw kost een man de helft van zijn leven,” ging Haller onverstoorbaar voort. „En zijn geld,” vulde van Gasteren aan. „Een vrouw kijkt je altijd op de vingers,” beweerde Mansveld. '„Ja, da’s ook een bezwaar,” bevestigden de beide anderen. „Laat ons dankbaar zijn, dat wij nooit trouwden, er is alle reden voor,” zei Mansveld. „Om te trouwen ?” vroeg Van Gasteren. „Om dankbaar te zijn, natuurlijk 1” Het café-restaurant, „Rudesheim” was een goedbeklante zaak. In de groote gelagzaal beneden kon men tegen uiterst civielen prijs een eenvoudig doch goed ontbijt of middagmaal bekomen. Boven echter waar de drie vrienden onder vroolijken kout bijeenwaren, konden fijnproevers hun hart ophalen aan de uitgezochtste culinaire vindingen, die door den restaurateur zelf met een zekeren trots werden opgediend. „Frits !” zei Haller aan het hoofd der tafel. „M’neer 1” antwoordde de restaurateur. „Hoeveel jaren dineeren we hier reeds op dezen dag?” „Heel wat jaren, m’neer !” „En we hebben je zien opgroeien, Frits,” zei Mansveld, aan het andere eind der tafel, „van een kleinen jongen, die geen woord Hollandsch kende, tot een welvarenden hotelier,” De verstokte Vrijgezellen.
PDF
Nummer
1915, nr. 76, 20 sept. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA Oud-Amsterdam, dat verdwijnen gaat. D e hierboven gereproduceerde foto's brengen een stuk Amsterdam in beeld, dat weldra onder sloopèrshanden vallen zal. Het is Uilenburg, het hartje van Amsterdams ghetto. van wélks historie niet veel bekend is, doch waarvan de namen als Peper- en ' Foeliestraat vermoeden doen dat deze buurt in nauw verband heeft gestaan met de glorie van rnze Oost-Indische Compagnie, welker koopvaarders de aldus geheeten kost- bare producten in Amsterdams havens losten. Op 't oogenblik is Uilenburg de echt- typische Joodsche volksbuurt, die dag in dag uit gevuld is met de drukdoende-zenuw- achtig-schreeuwende kooplieden, die hun ongeregeld-gekochte goederen aan den man trachten te brengen. Zoo zal ook dit stuk oud-Amsterdam, evenals zoovele andere karakteristieke gedeelten, verdwijnen gaan om plaats te maken voor meer moderne gebouwen. Maar met die metamorphose zal ook een stuk echt Amsterdamsen volks- leven verdwijnen. Foto links: Een typisch hoekje van de Batavierstraat; midden: De üHenburgerstraat op haar drukst: rechts: Een typische straatkruising aan de EJatavierstraat. ,.M'neer." antwoordde de restaurateur, ,,iek bin al mijne succes erschuldigd an een ander person !" , Wat. een compagnon ?" ,,Een sebr excellente compagnon, heer !" „En wat doet die in de zaak ? Wat is 't wel voor een kerel ?' „M-neer," antwoordde Frits. ,,'t is geene kerl, 't is mijne frouw !" En haastig verliet hij het vertrek. Er was een stilte, nadat de deur gesloten was. De drie hee- ren kozen nadenkend hun after-dinnersigaar uit, en namen in een gemakkelijken stoel plaats. ..Heb je de literatuur weer met eenige prulboeken van jou verrijkt, Van Gasteren ?" vroeg Haller. „Twee prulboeken, zooals je 't gelieft te noemen, zijn er van mij uitgekomen," was het antwoord. ..Wie leest dien onzin toch?" „De hemel mag 't weten," zei van Gasteren. ..Wacht ! Ik herinner me," hernam Haller op bemoedigen- den toon, eenige gunstige recensies erover gelezen te hebben." ..ik heb mijn best gedaan op goeden voet te komen met ie critici," verklaarde Van Gasteren. ..Alle gekheid op n stokje," zei Haller weer, ,,maar je begint naam te maken, Van Gasteren. Je wordt nog een be- roemdheid man ! De menschen praatten over je !" „Zoo, zoo 1 Wat hoor ik, Van Gasteren ?" zei Mansveld, „ik ben pas in 't *and terug, ik ben dus gespaard gebleven voor de ergernis jou een beroemdheid te zien worden." „Och, men is er niets gelukkiger door," merkte Van Gas- teren op. „Ik leef stilletjes op het land. De cheques komen al- leen wat vlugger dan anders. Maar .... hm, ach, met dat al ben je toch maar alleen, geen mensch om je zorgen te dee- len of je vreugde te verdubbelen. Op mijn woord, dat is genoeg om een man ernstig te doen denken aan ......" „Aan wat ?" vroeg Haller scherp. „Ik ben vergeten wat ik zeggen wilde," mompelde Van Gasteren. Haller keek zijn vriend Van Gasteren met een strengen blik aan. maar de litterator zat voorovergebogen en zweeg. Mansveld verbrak de stilte door den beiden mannen te' vragen of ze soms gehoord hadden, wanneer Joosten uit Rusland terugkwam. Haller schrikte op, toen hij die vraag hoorde en bloosde. „Neen," zei hij. „Joosten komt voorloopig nog niet terug." ..Beste vent, die Joosten," merkte Van Gasteren op. ,,Een van onze beste oor- logscorrespondenten „Ja, ik mocht Joosten ook wel," zei nu Mansveld voor zich uitstarende. „Hij had zoo'n bekoorlijke zuster." „Apropos," vroeg Haller op voorgewend onverschilligen toon, „hoe heette de zuster van Joosten ook al weer ?'/ „Elsje !" antwoordden Van Gasteren en Mansveld te ge- lijk. FREDDY LADO. N ooit gedacht, dat genoten hebben 1 k op rn'n dorp zoo onverwachts en zoo bijzonder zou genoten hebben van iets, waarvoor wij, stadsmenschen, dit zeggen met je kop goed in je nek en de duimen in de armsgaten van je vest sedert Royaard's je iederen Zondagmiddag bekruissprookte. een eenigszins hautaine minachting hebben gekregen. Want sedert dien tijd konden we schijnbaar niet meer genieten, als we het doen moesten zonder de diepe gong-geluiden en den krachtigen adem. waarop we ons voelden wegdrijven, als 'n bootje op een snellen stroom. En als dan ..het hemelsche gerecht heeft zich ten langen leste, ontfermd over mij en mijn benarden veste" om kwart, over vieren geklonken had ais 'n verlossingskreet voor de in-span- ning-luïsterende -en -in-zweet-badende-toeschouwers, en 'n drie juffrouwen in kleurige hobbezakken waren flauw gevallen, dan ging je voldaan naar huis, in het oprechte geloof aan de spits van je tijd te staan. Maar drie maanden dennenlucht en wat frissche buiten wind werken 'wonderlijk-heil- zaam op je gestel en waaien heel wat ballast uit je hersens; 'k kan het heel veel juffrouwen en meneeren met tooneelbevliegingen met vertrouwen aan- bevelen. Ik hen overtuigd, dat ze dan pas genoeg"geestelijk bij zuilen zijn om juffrouw Lado te kunnen savoureeren. Heb" je wel eens zoo met heel je verbeelding iets gelezen, dat je. lezend over 'n bleekveld, om zoo te zeggen, de grassprietjes voelde, de worpjes kruipen en de insecten vliegen zag, ia, .de lucht rook van het bleekende linnen? Dat je voelde het haarde van het drogende goed en den plof hoorde van den neervallenden appel uit de vruchtboomen. die rond het bleekveldie stonden ? Dan heb je toch zeker wel eens gedacht: ik wist niet. dat er zóó veel in zat. in dat proza. Zoo kun je b.v. van Looy lezen en sommige dingen van Couperus. En dat was ook mijn verrassing dien avond, dat ik juffrouw Lado vertellen hoorde, eenvoudig opzeggen, letterlijk zooals 't in 't boek staat, een der Christus-legenden van Selma Lagerlöf. maar zóó vol kleur, zóó vol beweging en uitbeelding terwijl ze toch zelve niet bewoog — dat ik, die meende te kunnen lezen, toch nooit zoovee! levend moois, zooveel kleur en schoons er in had gevonden, als me nu gebracht werd door de voordracht van Freddy Lado. En dat ik niet van voorlezen houd. we tot haar recht' Maar hoe volkomen gelukte die uitbeelding Adama van Scheitema's „De Wilgen", een van de geestigste teekeningen i Daar waren eens zeven wilgen In een boerenwei Die droegen groote pruiken op •- Hun ouden harden houten kop En stonden op'n rij. Eerst komt de wind, die de deftige heeren door eikaar rammelt, dan de groote regenbui die zei: „Die pruiken vind ik vee! te hóóg Dat 's geen fatsoen ; die zijn te droog Daar moet wat water bij !" Dan de koe die vraagt: ,,'k Mag zeker van uw pruiken Wel *n kleinigheid gebruiken?" En aan iedere opmerking, bij iedere wisseling in 'het lot der oude wilgen-heeren, gaf Freddy Lado zoo'n heerlijk komisch effect, zoo'n prettig-guitige en zoo'n fijn-spottende tint dat deze gezonde humor 'n genot was voor alle toehoorders en ook voor uw verwenden medewerker. Afgewisseld door piano- muziek van Mei. Sophie Kleykamp kregen we na de pauze Geldersche boeren-voordrachten, om in den stijl van de omgeving te blijven. Na het voorafgaande behoeft 'f zeker geen betoog dat ook deze frisch aandeden en we een boerendeerne voor ons 'zagen, waarmede we 't konden doen. Toch zie Ik juffrouw Lado *t liefst in het genre van Adama van Scheitema's werk en ik geloof dat er in het Üeberbrettl-genre, dat indertijd Von Wolzogen en Von Tilitz bij ons brachten, ook nog heel veel voor haar te doen is. Dat hopen we nog te mogen ondervinden ! CI-DEVANT eigenlijk toen pas duidelijk. Immers hoe onvolkomen komt vaak bij voorlezen de uitbeelding .g aan juffrouw Lado! Na die Lagerlöf-voordracht volgde een bijzondere vertolking van „Geen leelijke naam," was de opmerking van Haller. „Dat neemt niet weg," zei Van Gasteren op een toon die luchthartig moest klinken, „dat ze een meisje is als alle ande- re en blij zou zijn als ze van naam veranderen kon." „Denk je dat ?" informeerde Mansveld angstvallig. „Ik geloof het stellig,," zei nu Haller. „Wat is jouw opinie, Van Gasteren ?" „Natuurlijk 1" „Ik ben overtuigd dat het kind zich verlaten gevoelt, nu haar broer zoo ver weg is," meende Haller. „Het zou warem- pel een weldaad wezen als iemand haar ten huwelijk vroeg." „Ik herinner me nog," zei Mansveld, „dat ze een lieve, innemende stem had en een bekoorlijken glimlach." „En een verduiveld bevallig figuurtje," vulde Van Gasteren aan. Er was een pauze. De drie mannen genoten stilzwijgend van hun fijne sigaar. Eindelijk werd de stilte verbroken door een geklop aan de deur. De restaurateur trad buigende binnen met een paar avondbladen en verdween. „Wat heb je uitgevoerd in Amerika, Mansveld?" „Ik geloof niet," antwoordde Mansveld verstrooid, zonder op de vraag te letten, „dat juffrouw Elsje veel ouder is dan drie en twintig." Haller herhaalde zijn vraag met meer nadruk en Mansveld dwong zichzelven tot het geven van een bevredigend ant- woord. „Ik begrijp niet, Mansveld, dat jij geen huishouden opzet," zei Van Gasteren. „Met wie ?" „Hemel!" barstte Van Gasteren los, terwijl hij opstond en driftig de kamer op en neer begon te loopen. „Met wie? Kan een man dan niet alleen gaan wonen ? Wat ben jij toch voor een kerel, Mansveld ? Daar heb je mij, bij voorbeeld. Ik heb een aardige villa gekocht in Laren, rustig, vlak bij de hei. Ik woon daar met een oude huishoudster en een paar dienstboden. En ik ben zoo gelukkig .... zoo gelukkig als de dagen lang zijn !" „En ze zijn lang, denk ik !" zei Mansveld. „De dagen vallen me in 't geheel niet lang." antwoordde Van Gasteren op uitdagen- den toon. „En daar straks zei je juist, dat je zoo alleen ..." „Begin je weer met je spitsvondigheden ! Dat was altijd jouw kwaal, Mansveld," zei Van Gasteren geërgerd, terwijl hij opstond en zich bij Haller aan den schoor- steen voegde. „Woon jij nog steeds in hotel „Commerce", UITBREIDING NED. BANK TE AMSTERDAM. Nog een stuk oud-Amsterdam, dat verdwijnen gaat om plaats te maken voor de uitbreiding van het gebouw der Nederlandsche bank (links op de foto) op het Rokin. (V.F.B.) COÖPERATIEVE WONINGBOUW. Ken rij onlangs in gebruik genomen huizen in de Thomas Schwenkestraat te 's-Gravenhage van de bekende Coöperatieve Bouwvereeniglng „Duinrust" aldaar. Beschermheer van deze bouwvereeniging is de burgemeester der residentie, jhr. Mr. Dr. H. A. van Karnebeek. {V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 76, 20 sept. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA P. GOUDA QUINT. t In den ouderdom van ruim 79 jaar is te Arnhem overleden de heer P. Gouda Quint, sedert 1868 eigenaar van de bekende uitgeverszaak. der firma I. A. Nijhoff & Zoon. 16 BOND VAN VROUWELIJKE VERLOSKUNDIGEN. Door den Nederlandschen Bond van Vrouwelijke Verloskundigen is op Woensdag 15 September te Rotterdam de eerste jaarvergadering gehouden, die zeer druk bezocht was. HEINRICH FIEDLER. t Te Weenen overleed de wereldberoemde violist Heinrich Fiedler, die zich ook hier te lande door zijn vele in de hoofdsteden gegeven concerten een welverdiende reputatie wist te verwerven Haller?” zei hij tot deze. ,,Ja?’ antwoordde Haller gemelijk. „Als je het ten minste wonen wilt noemen. Soms weet ik niet of ik nog leef of dood ben?’ „Je hebt behoefte aan gezelschap, Haller?' „Het zou aangenamer zijn?’ bekende Haller, „als er iemand anders bij mij woonde. Ik * bedoel .... natuurlijk . . . buiten mijn kamers .... boven of naast mij .... iemand, die ik af en toe eens hoorde zingen of spelen.” „Dat was ’t, wat Joosten altijd op ons voor had?’ merkte Mansveld op. „In Afrika waar weinig dames waren, dacht ik meermalen aan zijn zusters pianospel als wij beneden na het diner onze sigaar rookten, en hoe wij dan de een na den ander onze sigaren wegwierpen en naar boven gingen om naar haar te luisteren. Zeg, herinneren jullie je datsentimenteeleDuitscbe liedje nog, dat ze dikwijls zong ?” De drie mannen begonnen het liedje te neuriën op onhandigen brommerigen toon als menschen wier vocale bekwaamheden niet bijzonder groot zijn. „Zeg, Haller, wat sta jij daar diepzinnig te staren?’ zei Mansveld opeens. „Over welk gewichtig onderwerp ben je aan ’t nadenken ?” x „Over iets dat ik even in orde moet maken,” antwoordde de man aan den schoorsteen. „Als jullie ’t goed vinden, zou ik even een brief willen schrijven.” „Ja, ik moet ook noodzakelijk even schrijven,” zei Van Gasteren. „Ik zal dan van de gelegenheid gebruik maken, om hetzelfde te doen,” voegde Mansveld er aan toe. „Geef maar hier, dan zal ik ze wel op de post doen?’ bood Haller grootmoedig aan toen de brieven klaar waren. De beide mannen sloegen zijn welwillend aanbod dankend af. ALGEMEENE NEDERLANDSCHE ZUIVELBOND Onder voorzitterschap van den heer K. J. A. G. Baron Collot d’Escury hield de Algemeene Nederlandsche Zuivelbond op Woensdag 15 dezer een druk bezochte vergadering in het Kurhaus te Zandvoort (V.F.B.) „Wacht,” zei Mansveld, „Frits kan er wel voor zorgen?’ De hulpvaardige man werd gebeld en aan hem de brieven toevertrouwd. Het gesprek was na het diner langzamerhand gaan tanen en toen dit den drie mannen opviel, begonnen zeeen luidruchTENTOONSTELLING VAN WERK VAN GEÏNTERNEERDE BELGEN. Zonder eenig ceremonieel is Donderdagmiddag in de groote zaal van den Haagschen Dierentuin in tegenwoordigheid van talrijke autoriteiten de „Tentoonstelling van werken der Soldaten en der Werkschoten voor de geïnterneerde Belgen" geopend. — Wij geven hierboven een groep der genoodigde autoriteiten. 1. De minister van oorlog, de heer Bosboom ; 2. De Opperbevelhebber van land- en zeemacht, generaal G. J. Snijders. „Er is niets nieuws onder de zon?’ was het antwoord. „Niets over mij ?” „Ik ben nog niet aan de misdrijven?’ „Donders !” riep opeens Mansveld. „Wat is er?” riepen de beide anderen. „Kijk, kijk eens hier !’? „Welnu, lees maar hardop,” zei Van Gasteren. De krant beefde in Mansveld’s handen, terwijl hij las: „Ondertrouwd: Julius Bosten, luitenant 3de Reg. Huzaren, met Elsa Joosten”. De drie mannen staarden elkander sprakeloos aan. „Hm! Kom ik moet gaan,” verbrak eindelijk Van Gasteren de benauwende stilte. „Ik moet mijn trein nog halen!” „En ik moet nog even in de stad zijn?’ zei Mansveld. De drie vrienden braken op. Elk van hen had nog even een onderhoud met den restaurateur, terwijl ze hun rekening betaalden. De heer Rudesheim liet de heeren uit, wachtte tot ze een inmiddels gearriveerden auto waren ingestapt en keerde in de vestibule terug, waar zijn vrouw hem opwachtte. „Wat moet er met die brieven gebeuren, Frits, die hier in ’t kantoortje liggen ?” „Ja, das iest een freemde saache,” was het antwoord. ,,Ze zegden alle drie: Verbrand diesen brief, Frits?’ „Zonderling,” zei mevrouw, „waarom hebben zij ze dan eerst geschreven. Kijk eris, man?’ ging ze voort, terwijl ze de adressen bekeek, „ze waren alle drie aan dezelfde jonge dame gericht, mejuffrouw Elsa J oosten 1” tige discussie. „Is er iets nieuws?” vroeg Van Gasteren aan Mansveld, die de krant las. TENTOONSTELLING VAN WERK VAN GEÏNTERNEERDE BEUGEN. De inzending van de Belgische geïnterneerden uit het kamp te Zeist. bouwen*var?Be^^sX^leïnternle^der^DeTe af Nog een fraaie inzendin9 teekenmgen, deeling is geheel verzorgd door Prinses de Ligne. (x) RECTIFICATIE. — Door een foutieve inlichting van een onzer correspondenten vermeldden wij in een vorig nummer, dat de heer N. P. Jongkindt te Dordrecht was overleden. Dit moest zijn dat genoerpde heer zich uit het notarisambt heeft teruggetrokken. aquarellen en handsnijwerk (foto's v. Kveveld NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
PDF
Nummer
1915, nr. 77, 23 sept. 1915
Blad
01
Tekst
No. 77 (13a) 23 SEPT. 1915 ABONNEMENT PER AFZONDERLIJKE NUMMERS 7‘/2 CENT KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 Geïllustreerd-weekblad /=\ . W . s IJTHORF 'S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ - LEID E N De opening der Staten-Generaal op Dinsdag 21 Sept. De heer Treilt), Minister van Finan- De terugkeer van H. M. de Koningin en Z. K. H, Prins Hendrik Oud-Minister Staal begeeft zich ciën, op weg naar de opening. naar het Paleis. (foto's Hijmans.) naar de opening. H. M. de Koningin, vergezeld van Z. K. H. Prins Hendrik, begeeft zich naar de Ridderzaal om de Troonrede uit te spreken.
PDF
Nummer
1915, nr. 77, 23 sept. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 ^ljlilllhhHHnHhi!hOhhHHHnllHdHlhnh5süHlHI!hhh!?)(iH=HliöjHlh!haiHillhihilhhni=i!ilHyhhhiï!nHl!ihihhhHhEH!liOOh!ihhni{HHHOihlhhutiiflHhOhihh(iHii!ljOhlUfe UIT HET ZWARTE BOEK VAN ’N TELEGRAFIST DOOR J. T. VAN LEIDEN W.. iF^iiir (Vervolg). is wat been en weer gepraat tusscben verscheidene menschen die uit de kroeg || kwamen, en ik herinner me dat. ze geil tracht hebben me van den bok te tillen : ik geloof zelfs dat ik eenigen tijd languit op ’n paardendeken in de straat heb gelegen, en in elk geval heeft iemand brandewijn tusschen mijn tanden gegoten. Toen hield er een vierwieler dicht bij het oploopje stil; daaruit sprong ’n man die zei: „wel, wat drommel, heb ik hem daar eindelijk! ” Hij argumenteerde hoog en breed met den melkman, en deze zei ten slotte : „ik ben op het vrachie niet gesteld, hoor! Als-ie ’n vriend van je is, neem hem dan maar gerust mee.” „’n Vriend ? Meer dan ’n kwart millioen is-ie me waard !” ’t Eenige wat ik zeker weet is dit: na ’n poos, die me een eeuw leek, kwam ik bij in een met razende snelheid voorthollend rijtuig, en naast me zat een man die zich met glinsterende oogen over me heenboog, breed glimlachend van zelfvoldoening : — Hannock ? XIV De herkenning liet me onbewogen. Ik sloot mijn moede oogleden, en bleef roerloos liggen. Er was in al deze ellende één ding dat me verheugde: mijn hersens begonnen weer normaal te werken ; ik kon weer geregeld denken en mij tegen de pijn en de uitputting verzetten. Het kwam er nu maar op aan kalm en helder te zijn, en door geestkrachtte vergoeden, wat me aan lichamelijke kracht op ’t oogenblik ontbrak. Ik was niet sterker dan Hannock, zooals de zaken thans stonden; derhalve behoorde ik slimmer te zijn. Hiervan was ik overtuigd : waar hij me heenbracht zou ook Marv zijn ; en wat kon ik beter wenschen ! We zouden er ons samen wel doorslaan. Het rijtuig hield stil. Hannock nam me bij een arm en leidde me een paar treden op. Hij drukte op een bel, en eerst ging een ijzeren hek open, daarna een zware eiken deur. Beide vielen achter ons weer in ’t slot. Toen liepen we in het donker door een lange gang en nadat Hannock weer een deur geopend en zorgvuldig achter zich gesloten had, waren we in een groote, groen gemeubelde kamer, die overdadig verlicht was en er smaakvol en goed verzorgd uitzag. Onder de bronzen electrische kronen stonden twee billiards, beide met groene lakens dichtgedekt ; langs den wand rijden zich uitnoodigend een aantal massieve club-fauteuils van groen gebeitst eikenhout. Er stond ook een kolossale groen lederen sofa, en daarop duwde Hannock me neer. Ik lag er zoo heerlijk dat ik hem bijna dankbaar was ; maar mijn gedachten bleven werken, en door mijn oogaren heen nam ik mijn omgeving scherp op. Aan het verste einde van de kamer was een deur die er uitzag als de toegang tot een electrische lift, en inderdaad glinsterden ernaast twee paarlmoeren knoppen, die mijn vermoeden versterkten. Overigens trof me niets bizonders ; alleen deed de wijze waarop de kamer gemeubeld was me meer denken aan een woonhuis dan aan een speelgelegenheid ; hoogstwaarschijnlijk was ik in Hannock’s, of misschien in Sheldon’s particuliere woning aangeland. Ik zag hoe Hannock zijn druipnatte regenjas uittrok en het water van zijn hoedrand loopen liet ; hij deed dit zoo ruw en onverschillig, dat ik tot de conclusie Overhelde in Sheldon’s huis te zijn. Z’n eigen tapijten en behangsels zou hij vermoedelijk* RUBBER VOOR ENGELAND. Een zending gebruikte auto-banden, die vanuit Amerika naar Engeland gezonden werden. Deze banden worden, na gesmolten te zijn, voor oorlogsdoeleinden gebruikt. Zooals bekend is, laat het gebrek aan rubber zich vooral in de oorlogvoerende landen, waar dagelijks groote hoeveelheden tot den krijg benobdigd zijn, op onrustbarende wijze gevoelen. GODSDIENSTOEFENINGEN ACHTER HET FRONT. Belgische soldaten, die met verlof in de tweede linie vertoeven, wonen een godsdienstoefening bij, die in de open lucht achter het front gehouden wordt. niet zoo ruw bespat hebben. Nu kwam Hannock langzaam naar me toe. Ik wendde me op mijn rechterarm om, teneinde geen van zijn bewegingen uit het oog te verliezen, maar tegelijkertijd sneed een vlijmende pijn door mijn pols, en eerst toen bemerkte ik dat deze ernstig gekneusd moest zijn : ik kon mijn rechterhand nauwelijks gebruiken. Ja — dat zag er slecht voor me uit. Want dit stond wel vast : vanavond zou de strijd uitgestreden worden, een van ons beiden was voorbeschikt om te winnen en de ander om te verliezen. Maar hoe, wanneer ’t alleen op brutale kracht zou aankomen ? Dan waren mijn kansen gering. Wat er in zulke oogenblikken in een mensch omgaat ! Beurtelings kwam alles in me tot opstand, verwenschte ik mijn verleden, al de avonturen waarin ik me gestoken had — of zag ik berustend en koelbloedig in de toekomst, besloten te overwinnen. Nu eens dacht ik moedeloos : als hij er nu met Mary en mij maar gauw een einde aan maakt. . . . ; dan weer had ik wel willen opstuiven en met blind geweld alles opzij rammeien wat me van haar scheidde. Maar Hannock stak z’n groote handen naar me uit, knoopte mijn jas en mijn vest los en tastte in de binnenzak. Hij deed of ik een levenloos voorwerp was. Ik liet hem begaan. Het bezit van die stukken beteekende niets voor me. Met een „aha !” van bevrediging greep hij de enveloppe, maakte ze haastig open. „Zoo — dat is het eerste bedrijf,” zei hij voldaan terwijl hij de papieren in zijn zak stak. En zonder verder de minste aandacht aan me te besteden, ging hij naar de liftdeur. Hij drukte op een der paarlmoeren knoppen, en de deur schoof geruischloos open. Ik zag hem, nadat hij het kamertje binnengegaan was, een van de vijf knoppen aanraken die zich in een rij op den achterwand bevonden ; de lift ging, zonder dat ik eenig geluid hoorde, snel naar boven, terwijl de deur zich tegelijkertijd sloot. Op hetzelfde oogenblik was ik overeind. Ik dacht er niet aan of ik slap en uitgeput was; ik moést handelen — dat was nu eenmaal mijn bestemming. Ik draaide de krukken om der beide deuren, die zich in de zijwanden der kamer bevonden — gesloten. Toen snelde ik naar de lift. Een electrische lift, van den kelder naar de vijfde verdieping — goed, dan moest de dynamo natuurlijk in den kelder zijn. Ik drukte op denzelfden knop dien ik Hannock inbeweginghad zien brengen — de deur gleed open. Naar boven ziend, berekende ik dat de bodem van het liftkamertje zich ongeveer ter hoogte van de derde verdieping bevond. Het zou eenvoudig genoeg zijn nu de lakens, die op de billiards lagen, ineen te draaien en daarlangs in den kelder af te zakken, en er het handvat van den electrischen stroom juist op het oogenblik neer te drukken als de lift, op haar weg naar beneden, zich tusschen twee verdiepingen zou bevinden. Dan was Hannock gevangen; als in een kooi zou hij tusschen de vier blinde wanden van den liftkoker opgesloten zitten. Maar het was te laat. De kooi kwam reeds naar beneden. En toen Hannock er na enkele seconden uitstapte, lag ik weer onbeweeglijk op de bank, kreunend van pijn, als was ik geheel machteloos. „Je hebt me weer bijna in ’n goed humeur gebracht,” zei hij grinnekend. „Heel attent van je om die papieren te komen terug brengen. Er ontbreekt niets aan, en ze liggen al weer veilig opgeborgen.” Ik antwoordde niet, hield elk van zijn bewegingen scherp in ’t oog. Hij ging naar een buffet, nam er een flesch whiskey uit, dronk er twee kleine glazen van leeg. „Hier, dat zal je wakker maken !” Hij reikte me ook een glas. „Ik heb nog ’t een en ander voor je te zien en bij te wonen vannacht, en ’t kan geen kwaad dat je daar ês
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1881 tot 1885 van 11897