|
PANORAMA 14
Jk geef er toch niet om, Ed, maar ’t is voor jou, als ze
naar je huis schrijven . , .
..Ach, ben je mal, dat moet je zoo ernstig niet nemen,
dat doen ze niet ... En al zouden ze het doen, dan geef ik
er toch niet om. Bij mij thuis zal het ze misschien niet
eens kunnen schelen. En als ze schrijven, dan zal ik het
heusch wel goed vertellen. Neen, maak je nu maar niet
ongerust, het komt alles best in orde.”
Zwijgend, beiden verzonken in eigen leed-gedachten,
loopen zij verder tot aan haar schooi, waar hij quasi-luchtig
afscheid neemt :
„Denk er nu maar niet verder
aan, hoor! Om twaalf uur
kom ik je weer halen en dan
zullen we wel zien !”
En met een handdruk scheiden
zij.
Weemoedig staart hij haar
na, als zij de trappen van het
gebouw oploopt, tot ze tusschen
de andere meisjes in de gang
verloren raakt* voor zijn blik.
Een brok schiet in zijn keel en
met moeite onderdrukt hij een
opkomend gevoel tot huilen . ..
,,Arme meid!” prevelt hij en
loopt als in een droom verder.
Op school waren Willy’s gedachten
voortdurend afwezig.
Telkens dacht zij aan het
vreeselijkste wat haast gebeuren
kon ; dat haar ouders aan Ed-
4y’s vader zouden schrijven.
Die arme jongen ...
Een paar keer moest de juffrouw
haar tot de lessen doen
terugkeeren als ze vergeefs zich
afvroeg waarom haar vader
en moeder haar „jongensgek”
noemden. Dat was ze toch
niet? Waarom mocht ze niet even goed met haar Ed wandelen
als met een vriendin en evenveel van hem houden ais
van een meisje, ja nog meer ? Was dat dan slecht als ze hem
een aardigen jongen vond ? En mocht hij niet* goed voor haar
zijn en ook van haar houden? En hij hield van haar, dat wist
ze en ze had hem ook met heel haar kinderhart lief. Dat
hij zoo goed voor haar was, moesten ze thuis toch ook plezierig
vinden; haar geluk was toch het geluk van haar ouders
?
En vast zette zich het plan in haar hoofd, dat ze hetstraks
aan vader en moeder precies zoo zeggen zou, zooals ze het
nu voelde. Zij zou het hun vragen, waarom ze niet meer met
hem loopen mocht; ze zou het hun zeggen dat het toch een
heel nette jongen was en dat zijn vader een eigen zaak had.
Dan zouden ze wel toegeven. Ze was toch hun kind. Waarom
gunden ze haar dan dat genoegen niet ?
En in stilte pleitte zij hevig op wat ouderliefde, op begrijpen
alleen waarom ze van hem hield ....
Een zucht van verlichting ontsnapte haar toen de bel
geluid werd. Gelukkig. . . twaalf uur. Nu zou ze Eddy vertellen
wat ze van plan was haar ouders te zeggen. Ze zou
het hem precies zeggen, misschien dat ook hij nog een
argument vond om haar pleit-reden krachtiger te maken.
Vanuit de gang zag zij hem reeds staan. Met een bijna
vroolijk gebaar wenkte zij hem, dat ze dadelijk kwam en
haastig zette zij haar hoedje op en trok haar mantel aan.
Zij werd haast blij door den in haar gedachten reeds gunstigen
afloop van d’r aanstaande pogingen.
In één adem door
vertelde zij hem alles, waf dien
morgen in haar was omgegaan
en wat ze thuis aanstonds zeggen
zou.. . Dat zij recht had
om begrepen te worden, dat
ze door met hem te loopen
niets slechts deed en haar geluk
toch ook het geluk van haar
ouders wezen moest. Zij zou
het goed-recht van hun jonge
liefde verdedigen met al de
kracht van haar onschuld.
Maar het zijn slechts woorden
... Zij voelt het. Haar
machteloosheid tegen de macht
van de meerdere en het nietwillen-begrijpen,
waarop haar
redeneeren afstuiten moest.
Hoe dichter zij bij huis komt,
hoe meer de moed haar ontzinkt,
Dichter dringt ze zich
tegen hem aan, niet lettend
op de menschen die hen zagen
zoo, als wilde zij van hem
de kracht vragen, sterk te zijn
straks . . .
Plots, voordat zij er op bedacht
zijn, staat haar vader voor hen. Eddy, verschrikt,
neemt zijn pet af en wil doorloopen, maar met een ernstig,
bijna boos gezicht, zegt haar vader:
„Ik zou u graag even willen spreken. Wij hebben gemerkt,
dat u met onze dochter loopt, en hoewel wij op u niets aan
te merken weten, zou het ons toch aangenaam zijn, indien
u dat voortaan niet meer deed en mijn dochter met rust
liet. Willy zal u zeker wel gezegd hebben, dat wij er op tegen
zijn en dat zij er thuis onaangenaamheden door heeft. Ik
kan niet veronderstellen, dat u haar tegen haar ouders
wilt opzeften. Ik vraag u dus dringend in ’t vervolg uw eigen
weg te gaan. Denkt u daar vooral om, anders konden er
wel eens minder prettige dingen, ook voor u, gebeuren. Goeden
dag !”
Dan gaat hij met Willy, die is gaan huilen, verder.
Beduusd stond Eddy te kijken. Geen antwoord had hij
gereed gehad, ’t Was alles zoo plotseling geweest, ’t Was
vaag bij hem opgekomen, dat hij toch wat zeggen moest,
maar hij wist niet wèt. Hij kon het zich nog niet eens goed
NEDERLANDSCH LAN DHU ISHOUDKUN DIG CONGRES.
Onder voorzitterschap van den heer Mr. A. G. A. Ridder van Rappard is verleden week te Amersfoort het 67e Landhuishoudkundig Congres
gehouden, dat door Z. K. H. den Prins, den minister van Landbouw en vele andere autoriteiten is bijgewoond. Hierboven een groep der congressisten.
1. Z. K. H. Prins Hendrik; 2. de voorz. v. h. congres, Mr. A. G. A. Ridder van Rappard; 3. comm. der Koningin i. d. prov. Utrecht,
Mr. Dr. F. A. C. Graaf van Lynden van Sandenburg, 4. Dir. gen. van den Landbouw, de heer Van Hoek; 5. de burgemeester van Amersfoort,
graaf van Randwijck. Links v. d. Prins zit de min. v. Landbouw, Posthuma. (F.F.5.)
indenken, maar als hij verder loopt, nog eens omkijkend naar
Willy, die met haar zakdoek voor ’t gezicht te huilen loopt,
ja, dan dringt het heftig tot hem door. dat nu alles uit is.
L.. P. ZOCHER. t Y. M. v. d. BOSCH.
Te Haarlem overleed de heer L. P. ZOCHER, een tuinarchitect van Europeesche
vermaardheid. Hij leverde o.a. de ontwerpen voor de Rotterdamsche
Diergaarde, het Vondelpark en de begraafplaats Westerveld. — De heer
Y. M. VAN DEN BOSCH, bekend koordirigent te ’s-Gravenhage, vierde
verleden week zijn 25-jarig jubileum als dirigent.
Dat was het laatste geweest. Nooit meer zou hij met haar
mogen wandelen of winkels-kijken, wat zoo gezellig was,
’s avonds als die mooie étalages zoo feestelijk verlicht
DE NEDERL. POMOLOGISCHE VEREENIGING.
Door de Nederlandsche Pomologische Vereeniging is verleden week een excursie gehouden, waarvoor zeer veel belangstelling bestond bij de
leden. Wij geven hierboven een groep der deelnemers in een der fruittuinen in de omgeving van Deventer. (V,F,B.)
waren. Een vaag visioen van voorbij geluk komt voor zijn
geest, ’t Was nu uit. Voor goed. Nooit zou hij meer haar
heldere stem hooren en voortaan zou hij haar moeten voorbij
loopen en alleen zijn pet mogen afnemen. Wat zou dat
vreemd wezen. Hij kon het met zijn denken haast niet omvatten.
Alles voorbij nu. Al zijn idealen, zijn jeugd-leven,
alles, alles is weg nu . . .
En thuis worstelt Willy tegen den onverzettelijken wil
van haar ouders, die het ,,slecht” vinden als eén jong meisje
met een jongen „loopt” . .
Nu verzetten zij zich niet meer . . .
Stil en gelaten gaan zij ieder hun weg en trachten het onmogelijke
: te vergeten.
Maar de sluier van geluk, die hun jonge liefde om hun
ziel geweven had, was voor langen tijd wreed verscheurd
en die gelatenheid was slechts schijnbaar : een berusten
in het noodzakelijke.
Zij kón hem niet vergeten
en de eerste avonden, als zij
op haar stille kamerke haar
werk maakte, bad zij stil tot
God, dat Hij toch haar ouders
leerde begrijpen. Dan fluisterde
zij als in devote vereering zijn
naam : „Eddy, lieve Eddy.”
Tot tranen in haar oogen welden
en een wondere beroering
in haar meisjes-ziel opsteeg ...
Haar ouders werden niet verteederd
en begrepen niet . . .
Het einde van alles was gekomen.
Voor altijd.
DOOR PIET VERSCHUUR
v
an Gasteren is laat I”
zei Haller. Hij keek
op zijn horloge en op
de vergulde pendule.
,,’t Is a long way to Tipperary,”
merkte zijn metgezel op.
„Hoor eens. amice,” antwoordde
Haller ongeduldig
„acht uur is acht uur en niet twintig minuten later.”
..Daar is weinig tegen te zeggen 1”
„Ik houd van een man die op zijn tijd past,” ging Haller
voort, terwijl hij ongeduldig de kamer van het hotel op en
neer wandelde.
„Zeg, Halter,” zei Mansveld kalmeerend, „ga zitten, man.
Maak het je gemakkelijk. Ze dienen niet op voor je belt en
er is niets op aarde om je bezorgd over te maken.”
Er werd op de deur geklopt.
„Mijnheer van Gasteren, heeren !”
„Frits !”
„Mijnheer?” zei de eigenaar van het hotel-restaurant.
„Opdienen I”
„Koet!”
De nieuw aangekomene trad de kamer binnen met de drukke
bewegingen van iemand die weet dat hij te laat is en besloten
is de aanmerkingen van de anderen door voorgewende
vroolijkheid te voorkomen. Hij gaf beiden heeren een hand,
mompelde iets van een te laten trein en verzekerde dat beide
mannen er jonger dan ooit uitzagen. Welnu, er is niets dat
mannen van geposeerden leeftijd meer genoegen doet dan te
hooren dat ze er jonger uitzien dan ooit te voren.
„O, daar twijfelen we niet aan,” zei Haller, terwijl hij in
den spiegel keek en over zijn haar streek, dat bedenkelijk
dun werd. „De vrijgezellenstaat werkt conserveerend en
doet een man verwonderlijk jong blijven. Als we nu getrouwd
waren . . . „Praat daar niet over,” viel van Gasteren
hem in de rede op ietwat ontevreden
toon.
„De zorg voor een vrouw
kost een man de helft van zijn
leven,” ging Haller onverstoorbaar
voort.
„En zijn geld,” vulde van
Gasteren aan.
„Een vrouw kijkt je altijd op
de vingers,” beweerde Mansveld.
'„Ja, da’s ook een bezwaar,”
bevestigden de beide anderen.
„Laat ons dankbaar zijn,
dat wij nooit trouwden, er is
alle reden voor,” zei Mansveld.
„Om te trouwen ?” vroeg
Van Gasteren.
„Om dankbaar te zijn, natuurlijk
1”
Het café-restaurant, „Rudesheim”
was een goedbeklante
zaak. In de groote gelagzaal
beneden kon men tegen uiterst
civielen prijs een eenvoudig doch
goed ontbijt of middagmaal
bekomen. Boven echter waar
de drie vrienden onder vroolijken
kout bijeenwaren, konden
fijnproevers hun hart ophalen
aan de uitgezochtste culinaire vindingen, die door den
restaurateur zelf met een zekeren trots werden opgediend.
„Frits !” zei Haller aan het hoofd der tafel.
„M’neer 1” antwoordde de restaurateur.
„Hoeveel jaren dineeren we hier reeds op dezen dag?”
„Heel wat jaren, m’neer !”
„En we hebben je zien opgroeien, Frits,” zei Mansveld,
aan het andere eind der tafel, „van een kleinen jongen, die
geen woord Hollandsch kende, tot een welvarenden hotelier,”
De verstokte
Vrijgezellen.
|