|
PANORAMA 6
„Ik zal mijn best doen, dit bijeen te krijgen, dokter!”
zei hij. Hij wachtte even en keek verlegen voor zich. „Ik
heb mijn vrouw zielslief, dokter,” ging hij voort; ik legde
mijn hand op zijn schouder, voor een oogenblik kwam mij
in de herinnering wat ik verloren had, toen mijn eigen
lieve vrouw gestorven was. „En zij heeft mij lief,” vervolgde
hij. „We zijn nu zes jaar getrouwd. Ik was nog
slechts een knaap en kwam juist van Parijs, waar ik een
halfjaar gestudeerd had.” Hij
voegde er berouwvol aan toe
dat hij in die zes maanden te
Parijs al zijn geld had opgemaakt,
dat hij als kantoorklerk
had overgespaard, „Zij
was zoo dapper,” zei hij, „toen
ik haar vroeg mijn vrouw te
worden. Ik dacht er niet aan
dat we ooit aan iets gebrek
zouden hebben. Als dit....
dit niet gebeurd was, geloof ik
zeker dat ik naam gemaakt
zou hebben. Ziekte in huis drukt
een man echter neer, is ’t niet?”
Hij wachtte even, toen ging hij
haastig voort. „Ik verheug me
over wat u zei betreffende verbeeldingskracht.
Weet u, dat
ik reeds lang dacht, dat ikzelf
haar zou kunnen genezen ? Toen
ik bij u kwam, wist ik bijna
wat u zeggen zoudt. Eens dokters
middelen zijn beperkt (vergeef
mé dat ik dat zegl) maar
verbeeldingskracht kan wonderen
doen. Als u wist hoe lief zij
mij heeft, zou u dit toestemmen. ’ ’
Ik antwoordde hem dat ik
graag geloofde wat hij zei.
„Er moet haar iets gegeven worden om voor te leven,”
zei hij. „Op dit oogenblik beschouwt zij zichzelve als een
last voor mij. Dit heeft ze mij reeds meermalen gezegd.
Vaak zegt ze : „Max, er is nog een groote toekomst voor
je weggelegd als je van de zorg voor mij ontslagen
bent.” Welnu, dokter, als iemand naar haar toe kon
gaan en haar zeggen : „Uw man is ziek, hij moet
weg voor rust, voor een kuur,” dan geloof ik, dat
haar sterke wil haar in staat zou maken, haar ziekte
van zich af te werpen, en van bed op te staan.”
„Heeft ze wel eens over sterven gesproken ?”
vroeg ik. ,,Is zij bang voor den dood?’*
„O, neen,” antwoordde hij snel. „De dood boezemt
haar niet de minste vrees in.”
Ik knikte. Ik zag hem in den geest over haar
heengebogen en hoorde hem wegzingen de stemmen
die tot de stervende kwamen van de andere zijde..
Ik zag hem de grauwe wolken verjagen en opgewektheid,
geloof en levensmoed brengen zonder welke het
leven hier op aarde ellendig is.
Hij wandelde met mij de straat op, steeds zijn
meening herhalende, dat als haar verteld werd dat
hij ziek was en verplicht was een half jaar heen te
gaan, zij hierdoor nieuwe kracht zou vinden om voor
hem te leven en zijn terugkomst af te wachten.
En nu (zei de dokter) moet de geschiedenis van
Max Durrain in den onpersoonlijken vorm worden
verder verteld en je moet mij niet vragen hoe ik aan
de bijzonderheden gekomen ben.
Hij vertelde zijn schoone vrouw dat een ernstige ziekte
hem ondermijnde. Een dokter, een vriend van mij, hielp
hem op mijn verzoek hierbij
en zei dat hij een rustkuur
moest ondergaan. Toen nam
Durrain uit zijn collectie schilderstukjes
er een die ze beiden
het mooist vonden en zei:
„Mijn oude vriend Scottow,
met wien ik in Parijs gestudeerd
heb, was indertijd zeer
gesteld op ditstukje. Meermalen
zei hij : „Als je ooit van plan
bent je er van te ontdoen, denk
dan aan Scottow. Hij heeft
naam gemaakt. Hij is een gelukkig
man, die Scottow. Als ik
dit schilderstukje bij hem breng,
ben ik zeker dat hij er mij een
ronde som voor geven zal.”
Durrain pakte het schilderstukje
in, en daarna weer uit
en herhaalde dit wel drie maal,
opdat ze er nog een laatsten
blik op zou kunnen werpen.
Scottow was, zei hij, nu een
gefortuneerd man, en evenals
Durrain, een artist tot in zijn
vingertoppen. Hij vergat nimmer
dat hij en Durrain samen
honger geleden hadden, toen
dan ook het schilderstukje was
uitgepakt was hij dadelijk bereid
een paar bankjes van vijf en twintig in de handen van
zijn vriend te laten glijden ; niet voor het stukje, dat was
maar kladwerk. Durrain’s oogen waren echter vol hoop op
hem gericht en daarom zei hij :
„Ga even zitten, ouwe jongen 1 Ik zal. naar boven gaan
om mijn chèqueboek te halen.
Ik wil dit stukje koopen voor honderd gulden, als dat
je helpen kan.”
Durrain wist dat het stukje nauwelijks vijf en twintig
gulden waard was. Hij wist dus dat een bedrag van
honderd gulden veel te veel was; dit overdacht hij, toen
Scottow terugkwam met zijn chequeboek en zei tot hem :
„Scottow, ik ben geen bedelaar en het heeft mij heel
wat gekost om hier te komen. Ik weet dat het stukje geen
EVANGELISCHE MAATSCHAPPIJ.
Donderdag 9 September hield de Evangelische Maatschappij in „Krasnapolsky” te Amsterdam onder voorzitterschap
van den heer Mr. P. Tideman haar 63ste algemeene vergadering Hierboven een groep der vergaderden. (V.F.B.)
honderd gulden waard is. Geef mij er vijf en twintig voor
en ... . een chèque voor tweehonderd 1”
Scottow dacht dat het een grap was en zei ..Waarom niet
tweeduizend, Max ?”
DE EERSTE REIS VAN DE ,,J. R. COEN”.
Het vertrek uit Amsterdam van de „Jan Pieterszoon Coen” tot het maken van haar eerste
reis. Een groot aantal nieuwsgierigen had zich op de plaats van afvaart verzameld, om
het statige schip, waarvan wij ter gelegenheid van zijn proefvaart de bijzonderheden hebben
medegedeeld, te zien vertrekken.
„Neen, tweehonderd,” zei Durrain. „Ik zal je de chèque
morgen of overmorgen terugbrengen. Het is mijn bedoeling
niet om ze te verzilveren. Je kunt desnoods aan de Bank
een kennisgeving zenden.
BOND VAN ANTI-REVOLUTIONNAIRE GEMEENTERAADSLEDEN.
Verleden week werd te Utrecht onder voorzitterschap van den heer Mr. S. de Vries Czn., wethouder te Amsterdam,
een algemeene vergadering gehouden van den Bond van Anti-Revolutionnaire Gemeenteraadsleden. Hierboven een groep
van de deelnemers aan de vergadering.
Alles wat ik verlang is jouw handteekening op deze
chèque.”
„Waarvoor?” vroeg Scottow en de lach verdween van
zijn gelaat.
Durrain haalde diep adem, en zijn gelaat werd vuurrood.
„Ik wilde het haar laten zien,” mompelde hij en Scottow
begreep hem. Durrain wilde zijn vrouw laten zien, dat hij
meer was dan een middelmatig schilder.
. „Max,” zei hij bewogen, „ik wou dat ik het missen kon
dan gaf ik je er tweehonderd. Doch hoewel men mij als
een welgesteld man beschouwt, ben ik te veel artist om
te sparen. Vijftig gulden zou ik kunnen missen, maar tweehonderd.”
„Ik heb alleen de chèque noodig,” zei Durrain, „en jij
kunt het schilderstukje houden.
Ik zal de chèque terugbrengen
of haar over de post sturen. Je
loopt niet het minste risico, want
je kunt aan de Bank schrijven
de chèque niet uit te betalen,
als ze gepresenteerd wordt.”
„Beste jongen,” antwoordde
Scottow, „ik vertrouw je volkomen.
Je zult de chèque hebben.”
En hij vulde het gevraagde
bedrag in.
Max vouwde de chèque zorgvuldig
samen en stak ze in zijn
zak. Hij keek eens rond en er
kwam wangunst in zijn oogen,
toen hij de luxueuze omgeving
opnam. Scottow volgde
zijn blik.
„Een heel verschil met vroegger
op de Boulevard des Italiens,
is ’t niet, Max ? En toch
wensch ik nog vaak die dagen
terug, toen ik met jou en
Dering in het oude huis woonde,
want het was een gelukkige
tijd.”
„Ik wilde je juist naar Dering
vragen,” zei Max. „Woont hij
nog steeds in Parijs?”
„Ik heb gisteren een brief van hem ontvangen.”
„Ik zou hem graag eens schrijven.” zei Max.
„Hij heeft het niet voordeelig 1”
„Het was niet mijn plan hem om geld te vragen, als je
dat soms meent.”
„Natuurlijk niet. Jij bent niet van dat slag, Max.
Dering zou graag wat van jou hooren. Hij vroeg naar
je in zijn brief.”
„Ik zal hem vanavond nog schrijven.”
„Hij is nog aan het oude adres te Clichy. Ik zal
het voor je opschrijven,” en Scottow schreef het adres
op de achterzijde van een gebruikte enveloppe.
Durrain ging heen met de chèque^ die zooals hij
beloofd had door hem aan Scottow teruggezonden
werd.
Twee dagen later was hij weer thuis en zocht mij
onmiddellijk op, In het eerste oogenblik dacht ik
dat zijn verstand onder den tegenspoed geleden had,
maar hij sprak volkomen kalm.
„Ik heb een schilderstuk verkocht, dokter, voor
tweehonderd gulden,” zei hij en hij telde vijftig
gulden voor mij neer. „Dat is voor den specialist,”
en hij deed, alsof hij den verwonderden blik van
mij niet zag. „Ik heb aan mijn schoonzuster geschreven
en hier is haar antwoord. Zij is bereid Amaryllis
op te passen, zoolang ik afwezig ben.” Hij zweeg en ik
kon zien, dat hij mij een gunst wilde vragen, doch niet
wist hoe dit aan te vangen.
„Ik zal je gaarne van dienst zijn, zooveel ik kan,” zei
ik hem.
„Dank u, dokter,” zei hij met een zucht van verlichting,
„’t Is over het geld . . . .” ging hij voort, waarop hij nog
honderdvijftig gulden neerlei.
„Is u er zeker van dokter,
dat het gevaarlijk zou zijn
Amaryllis naar een herstellingsoord
te zenden? Ik weet, dat
het geld niet lang toereikend
is, maar het zou toch eenigen
tijd voldoende zijn.”
Ik schudde mijn hoofd.
„Een verre reis zou zij niet
kunnen volbrengen, maar met
behulp van dit geld zou je haalbeter
kunnen voeden en zal zij
meer kans hebben wat op te
knappen, dan wanneer je haar
de vermoeienis van een reis
deed ondergaan.”
„Ja,” zei hij, „dat verwachtte
ik. Ik geloof dat u gelijk
heeft, dokter. Het zijn versterkende
middelen die zij noodig
heeft. En wanneer zij dan
denkt, dat ik aan de betere
hand ben . . . .”
„Waar ga je naar toe ?”
„Parijs !” zei hij. „Ik ga daar
werken .... En als zij denkt dat
ik beter word, dan zal versterkend
voedsel haar beter
maken. Dus u weet zeker dat
het niet goed is haar weg te
zenden ?” „Heel zeker,” antwoordde ik.
Weer aarzelde hij. Toen : „Haar zuster zal vanmiddag
hier zijn. Wilt u eens naar Amaryllis gaan kijken of uw
collega sturen ? Het is mij niet mogelijk afscheid van haar
te nemen. U wilt het haar wel vertellen. U is zoo vriendelijk.
En ik zal haar schrijven. Zeg haar, dat het met mij niet
(V.FB.),
|