Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1871 tot 1875 van 11897
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 WEDSTRIJD VOOR VLIEGERS. De Haagsche Proefvliegclub hield op Zondag 12 Sept. in samenwerking met de Ned. Weerkundige Vlieger-Vereeniging op het terrein „Duin-Dal” nabij den Haag een wedstrijd voor vliegers, met het doel het construeeren en beproeven van vliegers voor weerkundige doeleinden aan te moedigen. Hierboven het oplaten der vliegers. . (foto „RembrandC) WEDSTRIJD VOOR VLIEGERS. De jury van den Zondag 1,1. op het terrein „Duin-Dal” gehouden wedstrijd voor vliegers. Zittend, van links naar rechts: de heeren Chr. Nell, Cannegieter (directeur van het Weerkundig Instituut te De Bildt), de Booy. Staande: de architect Koch, voorzitter van de Proefvliegclub. (foto „Rembrandt".) DE VLIEGER AUDEMARS. De vooral in Amerika bekende vlieger Audemars, die thans het hoogte-record op zijn naam heeft. Hij behoort tot een der stoutmoedigste vliegers en maakte indertijd furore door zijn vluchten op de „Demoiselïe”- monoplan van Santos Dumont. HET MASKER Naar het Engelsch van ANDREW SOUTAR Ik aan wel den dokter zei heel langzaam en berekenend, hij zÜn ei&en beroep laakte : schenk gewoonlijk niet veel aandacht al die nieuwe sekten, maar dat wil ik zeggen, dat indien het menschdom leerde dood met wat minder vrees te gemoet te zien, dit nader tot zijn volmaking zou voeren. Er zijn omstandigheden, waarin de dood niets verschrikkelijks heeft. Dit zal ik u bewijzen uit de geschiedenis van Max Durrain.” * * ♦ Durrain was een jonge man van zes en twintig jaar, toen hij mij kwam raadplegen over zijn vrouw. Hij was I NTER NATIONALE HON DENTENTOONSTELLING. De kampioén-St. Bernard, Argos van Schagen, (eigenaar de heer Schmalz te Schagen), eveneens geëxposeerd op de Internationale hondententoonstelling te Amsterdam. (VJP.B.) een artist, of beter, een schilder van middefmatige schilderstukjes. Hij had nochtans een artistiek temperament en ik kan mij geen ander beroep denken, waarin hij meersucces zou hebben gehad. Hij vertelde mij, dat hij, voor hij schilder werd, zijn leven sleet op de kantoorkruk van een duf effectenkantoor. De man trok mijn belangstelling reeds in de eerste vijf minuten van onze kennismaking. Hij had een knap uiterlijk, maar ietwat vrouwelijk. Doch een verbeeldingskracht dat die man bezat! Toen het tijdstip daar was, dat ik alles overzag wat met Max Durrain gebeurd was, verwonderde het mij dat hij de crisis in zijn leven met zooveel berekening was te gemoet gegaan. Er was niets, geen waarschijnlijkheid of mogelijkheid, die hij niet had voorzien. Hij moest maanden te voren zijn plannen hebben gemaakt. Het is me soms of ik hem zie zitten, alleen in de stilte van den nacht, iederen zet uitwerkende als op een schaakbord. En dit is te meer merkwaardig als men zijn gevoelige natuur in aanmerking neemt. I NTER NATIONALE HON D E N T E N TOO N ST E L LI N G . Op 11 dezer werd in het IJ-pavilloen te Amsterdam de groote internationale hondententoonstelling van Nimrod en Cynophilia geopend. Hierboven een inzending, die zeer de aandacht trok: een groep Duitsche Dwergpinchers van den heer Schepers te Linne. (KF.B.) Als je hem zag, kon je van hem niets denken wat niet volkomen goed en edel was. Hij kwam op een namiddag bij mij met groote vrijmoedfgheid, zeggende dat hij een artist was, doch slechts in den geest; dat hij de wereld nog niet had kunnen overtuigen dat hij schilderen kon. Hij verzekerde mij dat al mijn diensten betaald zouden worden, al moest hij het geld met zijn leven verdienen. „Ik zou willen dat u naar mijn vrouwtje kwam zien,” zei hij en ’t was of ik de stem van een bruidegom hoorde, die voor ’t eerst het woord „vrouwtje” uitsprak. „Zij is reeds maanden ziek,” ging hij voort. „Ik geloof dat ik weet wat het is, maar dokter,” hier legde hij zijn lange witte vingers op mijn arm, „ik wil niet dat zij de waarheid weet. Zij mag niet verontrust worden. In werkelijkheid heb ik haar verteld dat een beeldhouwer, een oud vriend van mij, gevraagd heeft haar te mogen zien, HET N I EUWE' Wl LH ELM I NADOK. De aankomst te Rotterdam van het nieuwe Wilhelminadok, waarvan wij ter gedegenheid van de te water lating op 31 Augustus 1.1. reeds een foto gaven. Daar het dok, dat te Amsterdam gebouwd werd, te breed is om de sluizen van het Noordzeekanaal te passeeren, is het over de Zuiderzee via Den Helder naar Rotterdam gesleept. om een beeldhouwwerk van haar te maken. Wilt u....?” Ik ging met hem mee naar zijn woning in een der voorsteden en hoewel ik mij voorbereid had op een vtm de tragedies, die een arts zoo vaak onder de oogen komen, werd ik door het droevige beeld, dat Durrain’s vrouw mij te zien gaf, meer dan anders bewogen. Er was geen dienstbode in de kleine woning, maar er was een verontschuldiging in iederen blik dien de man mij zond, toen wij beneden aan de kale trap stonden. Hij ging mij voor naar de ziekenkamer. En wat een ziekenkamer ! Ik geloof niet dat er in het overige deel van het huis nog meubelen stonden. Hij vroeg mij buiten dé kamer even te wachten en ik hoorde hem zacht tegen zijn vrouw fluisteren, zeggende dat zijn vriend de beeldhouwer een lange reis had gedaan ten einde de inspiratie te krijgen die hij noodig had. Daarna hoorde ik haar zeggen : „alles voor jou, lieveling 1” Hij kwam bij mij terug en liet mij in de kamer. Durrain mocht geen groot kunstenaar zijn, hij had nochtans die INTERNATIONALE HONDENTENTOONSTELLING. Nog een inzending van de Internationale hondententoonstelling te Amsterdam : 'n Belgische Matin, trekhond, eig. de heer Attema, te Leeuwarden. (K.P.B.) kamer op verwonderlijke wijze ingericht. De muur links van de deur was geheel beschilderd en stelde een sneeuwlandschap in de Alpen voor. De blauwe lucht, de zilverwitte bergtoppen, de grauwe hellingen waren van een zeldzame realiteit. De andere wand was beschilderd met een tafereel uit de tropen, terwijl de ruimte tusschen de ramen van den derden wand de wit gekamde golven van een woelige zee te zien gaven. De zoldering stelde het hemelONZE FOTOGRAFIE-WEDSTRIJD. jp^oor hei enorm groote aantal inzendingen voor onzen FotografieWedstrijd, is de jury met haar taak nog niet geheel gereed kunnen komen. De uitslag zal echter in een onzer eerstvolgende nummers worden bekend gemaakt terwijl nog dagelijks vele inzendingen, die niet voor een prijs jn aanmerking komen, aan de inzenders worden teruggezonden. DE CYCLON-BEKERRIT. Door de Nederlandsche Wielrijdersvereer.iging is op 11 en 12 dezer een 24-uurrit voor motorrijwielen met zijspanwagen en drie- en vierwielige cyclecars georganiseerd, waarvoor in de Sportwereld een buitengewone belangstelling bestond. Hierboven links: De afrit van de 12 deelnemers aan de garage van der Molen in de Watergraafsmeer; rechts: Een groep der deelnemers op de pont bij Culemborg. (V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA DE TERUGTOCHT DER RUSSEN. Ondanks de pogingen der steeds meer en meer opdringende Duitsche legers om de Russen tot een beslissend gevecht te dwingen en op deze wijze hun terugtocht in een debacle te doen verkeeren, geschiedt het terugtrekken der laatstgenoemden, zooals op onze linkerfoto duidelijk te zien is, op volkomen stipte en ordelijke wijze, terwijl hetgeen door de Russen niet kan worden meegevoerd, eenvoudig wordt verwoest, zooals onze rechterfoto doet zien, die de vernielde kanonnen in beeld brengt, zooals de Duitschers deze vonden in de vesting Brest-Litowsk. gewelf voor'met de zilveren maan en de haar begeleidende planeten. De zieke vrouw zat, zorgvuldig ondersteund, op in bed. De witte lakens en kussens deden het zwarte haar en de blauwe kringen om de uitdrukking^ volle oogen nog dieper uitkomen. Durrain bracht mij aan haar bed en vertelde haar met groote teederheid van den grooten naam, dien ik gemaakt had als beeldhouwer en den roem, dien ik door het uitbeelden van haar schoonheid zou inoogsten. Hiervoor was slechts een vluchtig onderzoek noodig, en hoewel ik het deed zoo onmerkbaar mogelijk, begreep ik dat de jonge man hierdoor pijnlijk werd aangedaan. Desniettemin schertste en lachte hij en fantaseerde reeds den dag, waarop het groote beeldhouwwerk gereed zou zijn. Toen ik afscheid wilde nemen (ik had mijn best gedaan mij zooveel mogelijk te verplaatsen in de rol, die hij mij opgedrongen had) zei hij : „lk zal u even naar het station brengen. Amaryllis wil wel even alleen blijven Beneden in een leege kamer gaf hij me van een en ander een verklaring. Allereerst van de beschilderde muren. „Het is altijd onze droom geweest verre reizen te maken,” zei hij, „en de schoonheden van onzen Schepper te bewonderen. Ik geloof dat als ik succes had gehad, ik genoeg zou hebben oververdiend om aan dien wensch gevolg te geven. Doch haar ziekte kwam en ik heb weinig schilderstukken verkocht. De eene dokter zei, ’t waren de Alpen die zij noodig had en daarom bracht ik de Alpen hier. Een ander sprak van de warmte der tropen en ik deed wat in mijn vermogen was om hieraan te voldoen. Een derde sprak van de zeelucht en . . . .” hij zuchtte. „Zij zelf, toen ze eenmaal haar bed moest houden, verlangde alleen maar naar het blauw van den hemel.... EEN HOOGST MERKWAARDIGE OORLOGSFOTO. Ongetwijfeld is er in de geïllustreerde pers nog nimmer een zóo merkwaardige oorlogsfoto gepubliceerd, als wij hierboven afdrukken. De foto is, zooals duidelijk te zien is, door het schild van een mitrailleur genomen en brengt de Duitsche stellingen aan de Yser in beeld. DE HULDIGING VAN KEIZER FRANZ J-OSEPH. Voor eenigen tijd is de grijze keizer van de Donau-monarchie, Franzjozeph, door zijn onderdanen op enthousiaste en schitterende wijze te Triest gehuldigd. Wij geven hierboven een foto van de schoolkinderen, die opgesteld op de Piazza grande te Triest, den keizer een warme ovatie brachten. En zeg mij nu de waarheid.” Hij keek mij vastbesloten aan. Ik antwoordde hem: „De waarheid kan niet verborgen blijven. Zij lijdt aan longtuberculose en haar ziekte is reeds in een vergevorderd stadium.” „Ja, ja 1” mompelde hij, alsof hij zelf reeds lang tot die overtuiging gekomen was. „Ik wil u ook zeggen, dat ze nog zes maanden te leven heeft, misschien nog iets langer.” Hij nam het dapper op en vroeg slechts wat hij doen kon om haar leven te rekken, en ik zei meer uit sympathie dan om een andere reden „Ja, ’t eenige wat je hierin helpen kan, is je eigen vruchtbare verbeeldingskracht.” Zijn gelaat klaarde op. „Dat dacht ik ook,” zei hij. „Verbeeldingskracht heeft reeds zooveel gedaan. Zij heeft gebaad in de zee op haar kamer, zich gekoesterd in de keerkringszon en ’s nachts hoorde zij den wind langs het hemelgewelf suizen. Verbeelding is een voornaam ding voor een zieke I” „Ja,” merkte ik op. „Ik ben dokter, maar een dokter kan niet altijd den zieke genezen, hij kan meehelpen en den patiënt leeren zichzelf te genezen. Ik bedenk daar juist, als je Professor Crome eens kon laten komen; hij is een specialist en zal je allicht meer hoop geven dan ik. Gedurende de laatste jaren heeft hij zeldzame triumfen behaald.” „Wat is zijn honorarium ?” vroeg Durrain. Ik zei hem dat een consult wel vijftig gulden zou kosten. Zijn gezicht betrok. Ik begreep er de reden van, maar kon ze niet wegnemen, daar professor Crome zich voor zijn raadgevingen enorm veel liet betalen. Plotseling helderde zijn gelaat op. DUITSCHLANDS RESERVE. (Ven Fotobur.) De leger-reserve van Duitschland, die voor ’t grootste gedeelte bestaat uit ongeoefende landstormers, wordt, alvorens naar ’t front te vertrekken in de depots geoefend. Op onze foto ziet men de recruten ’n aanval doen. VAN ’T WESTELIJK FRONT. Een patrouille Duitsche infanteristen verdedigt een in brand geschoten hoeve in Noord-Frankrijk. (V.F.B.) HETTURKSCHE OORLOGSGEBIED. Een der lastigste kwesties voor de intendance in het Turksche oorlogsbied is zeker wel het verstrekken van goed drinkwater aan de soldaten. Daarom worden op bepaalde afstanden door den Duitsch-Turkschen gezondheidsdienst waterputten gegraven, vanwaar het water in vaten en drinkwagens naar de troepen wordt gebracht. (V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 „Ik zal mijn best doen, dit bijeen te krijgen, dokter!” zei hij. Hij wachtte even en keek verlegen voor zich. „Ik heb mijn vrouw zielslief, dokter,” ging hij voort; ik legde mijn hand op zijn schouder, voor een oogenblik kwam mij in de herinnering wat ik verloren had, toen mijn eigen lieve vrouw gestorven was. „En zij heeft mij lief,” vervolgde hij. „We zijn nu zes jaar getrouwd. Ik was nog slechts een knaap en kwam juist van Parijs, waar ik een halfjaar gestudeerd had.” Hij voegde er berouwvol aan toe dat hij in die zes maanden te Parijs al zijn geld had opgemaakt, dat hij als kantoorklerk had overgespaard, „Zij was zoo dapper,” zei hij, „toen ik haar vroeg mijn vrouw te worden. Ik dacht er niet aan dat we ooit aan iets gebrek zouden hebben. Als dit.... dit niet gebeurd was, geloof ik zeker dat ik naam gemaakt zou hebben. Ziekte in huis drukt een man echter neer, is ’t niet?” Hij wachtte even, toen ging hij haastig voort. „Ik verheug me over wat u zei betreffende verbeeldingskracht. Weet u, dat ik reeds lang dacht, dat ikzelf haar zou kunnen genezen ? Toen ik bij u kwam, wist ik bijna wat u zeggen zoudt. Eens dokters middelen zijn beperkt (vergeef mé dat ik dat zegl) maar verbeeldingskracht kan wonderen doen. Als u wist hoe lief zij mij heeft, zou u dit toestemmen. ’ ’ Ik antwoordde hem dat ik graag geloofde wat hij zei. „Er moet haar iets gegeven worden om voor te leven,” zei hij. „Op dit oogenblik beschouwt zij zichzelve als een last voor mij. Dit heeft ze mij reeds meermalen gezegd. Vaak zegt ze : „Max, er is nog een groote toekomst voor je weggelegd als je van de zorg voor mij ontslagen bent.” Welnu, dokter, als iemand naar haar toe kon gaan en haar zeggen : „Uw man is ziek, hij moet weg voor rust, voor een kuur,” dan geloof ik, dat haar sterke wil haar in staat zou maken, haar ziekte van zich af te werpen, en van bed op te staan.” „Heeft ze wel eens over sterven gesproken ?” vroeg ik. ,,Is zij bang voor den dood?’* „O, neen,” antwoordde hij snel. „De dood boezemt haar niet de minste vrees in.” Ik knikte. Ik zag hem in den geest over haar heengebogen en hoorde hem wegzingen de stemmen die tot de stervende kwamen van de andere zijde.. Ik zag hem de grauwe wolken verjagen en opgewektheid, geloof en levensmoed brengen zonder welke het leven hier op aarde ellendig is. Hij wandelde met mij de straat op, steeds zijn meening herhalende, dat als haar verteld werd dat hij ziek was en verplicht was een half jaar heen te gaan, zij hierdoor nieuwe kracht zou vinden om voor hem te leven en zijn terugkomst af te wachten. En nu (zei de dokter) moet de geschiedenis van Max Durrain in den onpersoonlijken vorm worden verder verteld en je moet mij niet vragen hoe ik aan de bijzonderheden gekomen ben. Hij vertelde zijn schoone vrouw dat een ernstige ziekte hem ondermijnde. Een dokter, een vriend van mij, hielp hem op mijn verzoek hierbij en zei dat hij een rustkuur moest ondergaan. Toen nam Durrain uit zijn collectie schilderstukjes er een die ze beiden het mooist vonden en zei: „Mijn oude vriend Scottow, met wien ik in Parijs gestudeerd heb, was indertijd zeer gesteld op ditstukje. Meermalen zei hij : „Als je ooit van plan bent je er van te ontdoen, denk dan aan Scottow. Hij heeft naam gemaakt. Hij is een gelukkig man, die Scottow. Als ik dit schilderstukje bij hem breng, ben ik zeker dat hij er mij een ronde som voor geven zal.” Durrain pakte het schilderstukje in, en daarna weer uit en herhaalde dit wel drie maal, opdat ze er nog een laatsten blik op zou kunnen werpen. Scottow was, zei hij, nu een gefortuneerd man, en evenals Durrain, een artist tot in zijn vingertoppen. Hij vergat nimmer dat hij en Durrain samen honger geleden hadden, toen dan ook het schilderstukje was uitgepakt was hij dadelijk bereid een paar bankjes van vijf en twintig in de handen van zijn vriend te laten glijden ; niet voor het stukje, dat was maar kladwerk. Durrain’s oogen waren echter vol hoop op hem gericht en daarom zei hij : „Ga even zitten, ouwe jongen 1 Ik zal. naar boven gaan om mijn chèqueboek te halen. Ik wil dit stukje koopen voor honderd gulden, als dat je helpen kan.” Durrain wist dat het stukje nauwelijks vijf en twintig gulden waard was. Hij wist dus dat een bedrag van honderd gulden veel te veel was; dit overdacht hij, toen Scottow terugkwam met zijn chequeboek en zei tot hem : „Scottow, ik ben geen bedelaar en het heeft mij heel wat gekost om hier te komen. Ik weet dat het stukje geen EVANGELISCHE MAATSCHAPPIJ. Donderdag 9 September hield de Evangelische Maatschappij in „Krasnapolsky” te Amsterdam onder voorzitterschap van den heer Mr. P. Tideman haar 63ste algemeene vergadering Hierboven een groep der vergaderden. (V.F.B.) honderd gulden waard is. Geef mij er vijf en twintig voor en ... . een chèque voor tweehonderd 1” Scottow dacht dat het een grap was en zei ..Waarom niet tweeduizend, Max ?” DE EERSTE REIS VAN DE ,,J. R. COEN”. Het vertrek uit Amsterdam van de „Jan Pieterszoon Coen” tot het maken van haar eerste reis. Een groot aantal nieuwsgierigen had zich op de plaats van afvaart verzameld, om het statige schip, waarvan wij ter gelegenheid van zijn proefvaart de bijzonderheden hebben medegedeeld, te zien vertrekken. „Neen, tweehonderd,” zei Durrain. „Ik zal je de chèque morgen of overmorgen terugbrengen. Het is mijn bedoeling niet om ze te verzilveren. Je kunt desnoods aan de Bank een kennisgeving zenden. BOND VAN ANTI-REVOLUTIONNAIRE GEMEENTERAADSLEDEN. Verleden week werd te Utrecht onder voorzitterschap van den heer Mr. S. de Vries Czn., wethouder te Amsterdam, een algemeene vergadering gehouden van den Bond van Anti-Revolutionnaire Gemeenteraadsleden. Hierboven een groep van de deelnemers aan de vergadering. Alles wat ik verlang is jouw handteekening op deze chèque.” „Waarvoor?” vroeg Scottow en de lach verdween van zijn gelaat. Durrain haalde diep adem, en zijn gelaat werd vuurrood. „Ik wilde het haar laten zien,” mompelde hij en Scottow begreep hem. Durrain wilde zijn vrouw laten zien, dat hij meer was dan een middelmatig schilder. . „Max,” zei hij bewogen, „ik wou dat ik het missen kon dan gaf ik je er tweehonderd. Doch hoewel men mij als een welgesteld man beschouwt, ben ik te veel artist om te sparen. Vijftig gulden zou ik kunnen missen, maar tweehonderd.” „Ik heb alleen de chèque noodig,” zei Durrain, „en jij kunt het schilderstukje houden. Ik zal de chèque terugbrengen of haar over de post sturen. Je loopt niet het minste risico, want je kunt aan de Bank schrijven de chèque niet uit te betalen, als ze gepresenteerd wordt.” „Beste jongen,” antwoordde Scottow, „ik vertrouw je volkomen. Je zult de chèque hebben.” En hij vulde het gevraagde bedrag in. Max vouwde de chèque zorgvuldig samen en stak ze in zijn zak. Hij keek eens rond en er kwam wangunst in zijn oogen, toen hij de luxueuze omgeving opnam. Scottow volgde zijn blik. „Een heel verschil met vroegger op de Boulevard des Italiens, is ’t niet, Max ? En toch wensch ik nog vaak die dagen terug, toen ik met jou en Dering in het oude huis woonde, want het was een gelukkige tijd.” „Ik wilde je juist naar Dering vragen,” zei Max. „Woont hij nog steeds in Parijs?” „Ik heb gisteren een brief van hem ontvangen.” „Ik zou hem graag eens schrijven.” zei Max. „Hij heeft het niet voordeelig 1” „Het was niet mijn plan hem om geld te vragen, als je dat soms meent.” „Natuurlijk niet. Jij bent niet van dat slag, Max. Dering zou graag wat van jou hooren. Hij vroeg naar je in zijn brief.” „Ik zal hem vanavond nog schrijven.” „Hij is nog aan het oude adres te Clichy. Ik zal het voor je opschrijven,” en Scottow schreef het adres op de achterzijde van een gebruikte enveloppe. Durrain ging heen met de chèque^ die zooals hij beloofd had door hem aan Scottow teruggezonden werd. Twee dagen later was hij weer thuis en zocht mij onmiddellijk op, In het eerste oogenblik dacht ik dat zijn verstand onder den tegenspoed geleden had, maar hij sprak volkomen kalm. „Ik heb een schilderstuk verkocht, dokter, voor tweehonderd gulden,” zei hij en hij telde vijftig gulden voor mij neer. „Dat is voor den specialist,” en hij deed, alsof hij den verwonderden blik van mij niet zag. „Ik heb aan mijn schoonzuster geschreven en hier is haar antwoord. Zij is bereid Amaryllis op te passen, zoolang ik afwezig ben.” Hij zweeg en ik kon zien, dat hij mij een gunst wilde vragen, doch niet wist hoe dit aan te vangen. „Ik zal je gaarne van dienst zijn, zooveel ik kan,” zei ik hem. „Dank u, dokter,” zei hij met een zucht van verlichting, „’t Is over het geld . . . .” ging hij voort, waarop hij nog honderdvijftig gulden neerlei. „Is u er zeker van dokter, dat het gevaarlijk zou zijn Amaryllis naar een herstellingsoord te zenden? Ik weet, dat het geld niet lang toereikend is, maar het zou toch eenigen tijd voldoende zijn.” Ik schudde mijn hoofd. „Een verre reis zou zij niet kunnen volbrengen, maar met behulp van dit geld zou je haalbeter kunnen voeden en zal zij meer kans hebben wat op te knappen, dan wanneer je haar de vermoeienis van een reis deed ondergaan.” „Ja,” zei hij, „dat verwachtte ik. Ik geloof dat u gelijk heeft, dokter. Het zijn versterkende middelen die zij noodig heeft. En wanneer zij dan denkt, dat ik aan de betere hand ben . . . .” „Waar ga je naar toe ?” „Parijs !” zei hij. „Ik ga daar werken .... En als zij denkt dat ik beter word, dan zal versterkend voedsel haar beter maken. Dus u weet zeker dat het niet goed is haar weg te zenden ?” „Heel zeker,” antwoordde ik. Weer aarzelde hij. Toen : „Haar zuster zal vanmiddag hier zijn. Wilt u eens naar Amaryllis gaan kijken of uw collega sturen ? Het is mij niet mogelijk afscheid van haar te nemen. U wilt het haar wel vertellen. U is zoo vriendelijk. En ik zal haar schrijven. Zeg haar, dat het met mij niet (V.FB.),
PDF
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
07
Tekst
PANORAMA Broeder H.ERMANUS, Ds. B. TEN KATE. Vorige week herdacht BROEDER HERMANUS van het Instituut St. Louis te Oudenbosch het feit; dat hij vóór 50 jaar zijn intrede deed in de religieuse wereld. — De heer Ds. B. TEN KATE te Rotterdam herdacht verleden week den dag waarop hij voor 25 jaar zijn ambt als prediker der Nederduitsch Hervormde Kerk aldaar aanvaardde, ernstig is, of iets dergelijks.” Ik beloofde het hem en hij ging heen met de verzekering dat hij mij schrijven zou als hij in Parijs was. Dien namiddag kwam de zuster van de zieke vrouw en hoewel zij de laatste was, die ik gekozen zou hebben om een zieke te verzorgen, lag het niet op mijn weg hierin verandering te brengen. Het was een lange magere vrouw met scherpe trekken en een harde schelle stem. Ze begon haar intree met een hatelijke opmerking over langharige artisten, die het recht niet hebben te trouwen. Aan het eind der week ontving ik een brief van Durrain, waarin hij mij schreef, dat hij hard aan het werk was en reeds twee bestellingen had gekregen. Ik hoorde van mijn collega, die de zieke behandelde dat ook zij een brief ontvangen had, dien ze hem met tranen in de oogen had voorgelezen. Iedere week gedurende zes maanden kwam er regelmatig een brief voor haar vol liefdesbetuigingen. Zij schreef hem trouw terug, doch hoewel ze de brieven zond aan het adres dat hij had opgegeven, gaf hij nimmer antwoord op de vragen die ze hem deed. Dit wekte den argwaan van haar zuster op. Wantrouwend van nature, begon ze de zieke vrouw te plagen met allerlei hatelijke toespelingen : Die langharige artist was net zoo min ziek als zij zelf, alleen de armoede had hem trouw aan zijn vrouw doen blijven. Nu hij het geluk had gehad een schilderstuk te verkoopen voor een flinke som, had hij haar natuurlijk verlaten om een vroolijk leventje te leiden. Ze beschreef hem pret makende in café’s met zijn vrienden en zei dat zij wel weten zou wat ze doen moest, als ze zoo’n kerel tot man had. Onderwijl ging de jonge vrouw zeer achteruit. De specialist had niets meer voor haar kunnen doen. Hij bevestigde mijn diagnose: het was een vergevorderd stadium van longtuberculose. Ik besloot haar te gaan opzoeken, niet als beeldhouwer, maar als dokter. Nauwelijks was ik de ziekenkamer binnengetreden of ik had een kruisverhoor te ondergaan van de schoonzuster. Ik erkende dat ik geen beeldhouwer was, doch toen ik de reden van dit leugentje vertelde, bedekte de zieke haar bleek uitgeteerd gelaat met de witte handen. Ik was bewogen en zei haar dat haar echtgenoot haar vertrouwen nog volkomen waardig was, vertelde haar van zijn plan om door een voorgewende ziekte haar wilskracht te prikkelen. Nadat ik haar dat alles verteld had, schreef ik Durrain, aan het mij opgegeven adres, om onmiddellijk terug te komen. Ik ontving echter geen antwoord. De arme vrouw werd van dag tot dag minder, het vertrouwen in haar echtgenoot bleef evenwel ongeschokt. Niet vóórdat ze van zijn eigen lippen zou gehoord hebben, dat hij haar bedroog, zou ze hem veroordeeld hebben; en ze liefkoosde zijn brieven, alsof het hemelboden waren. Het was bijna zeven maanden na den dag van zijn vertrek, dat Max Durrain bij mij aanbelde. Hij was even dicht bij het graf als zijn vrouw, die ik een week te voren bezocht had. Hij was zeer vermagerd en de heeschheid van zijn keel was mij een bijna zeker bewijs dat hij even ongeneeslijk ziek was als zijn vrouw. Hij kon nauwelijks meer staan. Ik dwong hem te gaan zitten en hij viel op een divan neer met de woorden : „Ik ben zoo moe, dokter.” Ik vroeg hem niets, omdat ik zag dat hij de kracht niet had mijn vragen te beantwoorden. Ik zei hem echter dat hij dadelijk naar bed moest gaan. Mijn rijtuig stond voor de deur en met behulp van den huisknecht bracht ik Durrain in het rijtuig. Gedurende den rit naar zijn huis lag hij achterover, het hoofd tegen de kussens met gesloten oogen, terwijl hij moeilijk ademhaalde. De luide stem van zijn schoonzuster deed hem ontwaken, ïk tilde hem uit de coupé en duwde haar opzij, terwijl ik haar dreigend aanzag. Ik bracht hem naar boven in de ziekenkamer. De zieke vrouw trachtte zich in -haar verwondering op te richten, doch de kracht daartoe ontbrak haar. Durrain strompelde tot voor haar bed, viel daar neer en fluisterde : „Lieveling 1” Ik verliet onderwijl het vertrek, doch bleef buiten de deur wachten. „Ze zeiden mij, dat je mij verlaten had, lieveling,’' zei zij, „doch ik weigerde het te gelooven.” En daarna klonk zijn stem schor en toonloos: „Jij bent alles wat ik heb, alles waarvoor ik wil leven.” Ik hoorde een geluid als van kussen en toen haar stem weer: „Ik heb nimmer aan je getwijfeld. Ik zei altijd, ik zal het eerst gelooven als hij ’t mij zelf zegt of schrijft. En als je ’t mij had geschreven, Max, weet je dan wat ik gedaan had ?” » NEDERLANDSCHE VEREÊNIGING VOOR GEMEENTEBELANGEN. Onder leiding van den heer Wichers hield de Nederlandsche Vereeniging voor Gemeentebelangen Zaterdag haar algemeene jaarvergadering te Amersfoort. (V.F.B.) Er was een oogenblik van stilte, waarin ik hem duidelijk hoorde ademhalen, daarna vroeg hij : „Wat zou je gedaan hebben ?” EMIEL HULLEBROECK. Onze vriend Hullebroeck, aan wien wij, en met ons nog, tienduizenden Nederlanders, zooveel gezelligheid, zooveel plezante kunstavonden te danken hebben, vertrok Zaterdag naar Indië. Hij was het al eerder van plan geweest, maar die oorlog, hè ? Die heeft met zooveel andere dingen ook dit uitstel op zijn geweten. Maar enfin ; nu is het er dan toch van gekomen. Nou, en „het zal wel gaan” daarginds, zoo goed als hier. En dat is hèèl goed. Want wie maar eventjes bedenken wil, dat de beminde zanger bij zijn afscheidsoptreden te Amsterdam en elders overal voor uitverkochte zalen stond, en zulks dan toch nadat hij ons gedurende den afgeloopen winter op 136 liederavonden verrast had; alleen te Amsterdam 15, in den Haag 13 en in Rotterdam 6. Gedurende den oorlog wist hij zijn succes en populariteit ook dienstbaar te maken aan de Belgische zaak, want vele tienduizenden frankskes vonden hun weg uit ’s zangers recettes naar de SteunComiteiten ; hij zong ook wel in interneerings- en vluchtelingenkampen zoo men weet en dat zonder een centiemken ervoor te vragen. Wij wenschen den leutigen, gevoeligen, geestigen man daarginds het allerbeste. Goede reis en goed succes. En ehwel, spoed u van terug te komen, Emiel. We zien u alhier ook nog geern, zule. Tot fluis, jong’ CONGRES VOOR OPENBARE GEZO N DH El DSR EGÈLI N G Verleden week werd te Deventer een congres voer openbare gezondheidsregeling gehouden, dat vrij druk bezocht was. Het congres werd besloten met een gemeenschappelijken maaltijd, terwijl het verdere van den avond gezellig werd doorgebracht in de groote Sociëteit. (V.F.B.) ZWARE UITSLAANDE BRAND. Donderdagavond brak in het perceel Singel 309a te Amsterdam, waarin de magazijnen en werkplaatsen gevestigd zijn van de firma De Muinck & Co. kunsthandelaren, een felle uitslaande brand uit, die slechts met moeite door de brandweer kon worden bedwongen. Hierboven een foto van de verwoesting, die door den brand is aangericht. (V.F.B.) „Onder mijn hoofdkussen heb ik reeds weken lang iets bewaard.” Ik hoorde hem een uitroep vol verwondering en schrik slaken, daarna haar stem/ hem geruststellende : „Maar ik heb nooit aan je getwijfeld, liefste 1” Ze viel achterover in een vreeselijke hoestbui en tegelijkertijd hoorde ik Durrain angstig roepen : „Dokter, ben je hier? Kom gauw 1” Ik vloog de kamer binnen, maar het jonge vrouwtje had mijn hulp niet meer noodig. Ze was heengegaan. Ze was gestorven vreedzaam met een gelukkigen glimlach op de lippen. Durrain’s houding kwam mij onbegrijpelijk voor, in plaats buiten zichzelf te zijn van verdriet, zooals ik verwachtte, was er een gelukkige ir'tdrukking op zijn gelaat, die ik niet begreep. „Meermalen sprak ik met haar over vermommen, dokter,” zei hij mij, „en ik leerde haar gelooven dat schoonheid vaak achtereen mom verborgen is. Ik twijfel daar nu in ’t minst niet meer aan.” Daarna mompelde hij bedeesd: „Wilt u mij alleen laten, voor enkele oogenblikken ?” Ik ging de kamer uit en wandelde het portaal op en neer, ik weet niet voor hoelang. Een eigenaardig geluid deed mij de kamer weer binnentreden. Max Durrain lag naast zijn vrouw, zijn arm om haar hals, haar bleek vermagerd gezichtje tegen het zijne aan gedrukt en in zijn rechterhand zag ik een klein fleschje, dat hij van onder haar kussen had weggehaald. Een oud man van mijn beroep is gewoonlijk niet zoo teergevoelig. Toen ik evenwel neerzag op de gelukkige gelaatstrekken van. deze beide dooden, scheen ’t mij of ze met elkander fluisterden woorden van eeuwige liefde in een nieuw gelukkig land. Had het mogelijk geweest dit echtpaar het leven weer te geven, het zou wreed zijn geweest dit te doen. Zij smaakten nu grooter geluk, dan ze ooit in hun leven gehad hadden. * * * „Ik vertelde reeds bij het begin,” vervolgde de dokter zijn verhaal, „d$t Max Durrain de crisis in zijn leven met bewonderenswaardige berekening was te gemoet gegaan, alles voorziende. In de eerste plaats wist hij dat alleen versterkende middelen het leven van zijn vrouw konden rekken, en hij had geen geld om ze te koopen. Dan was er nog het honorarium van den professor. Toen hij zijn vriend Scottow ging opzoeken was hij allerminst van plan om hem een schilderstukje te verkoopen. Alles wat hij wenschte was de chèque om de waarheid voor zijn vrouw te verbergen. „Ik vertelde reeds, zooals je je herinnert, dat hij vroeger kantoorklerk geweest was. Den morgen nadat hij Scottow bezocht had, ging hij naar zijn vroeger kantoor en opende daar een rekening-courant met het geld dat hij ontvangen had. Door handige manoeuvres(misdadig maar knap) wist hij de Bank voor tweehonderd gulden op te lichten. Hij wist dat hij zijn straf niet kon ontgaan en hoopte slechts dat ze van korten duur zou zijn. Hij schreef een aantal brieven, aan zijn vrouw gericht en zond die aan zijn vriend Dering met het verzoek ze op geregelde tijden aan zijn vrouw te zenden. Opdat zijn vriend ze in de goede volgorde zenden zou, had hij ze genummerd. Op deze wijze wist hij voor zijn stervende vrouw te verbergen de straf, die hij uit liefde voor zijn vrouw zich op den hals gehaald en blijmoedig ondergaan had. Max Durrain werd tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld. riep een der toehoorders uit. De dokter beet zich op de lip om zijn emotie te bedwingen. „Dat is alles!” zei hij met een zucht. in de groote „Groote goedheid !
PDF
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 8 D e Nederlander is van huis uit een echte Kermisvierder. Sinds de officieele kermis hem hoe langer hoe meer afhandig wordt gemaakt, is zoo vaak gepoogd, nu eens hier, dan eens daar, kleinere, zoo te zeggen particuliere kermissen en kermisjes op te zetten, pogingen die steeds min of meer succes vonden. Zoo flink als ’t den laatsten tijd in verschillende groote steden werd aangepakf is hef nochtans zelden of niet geprobeerd. Je kunt op zoo’n kermis dan ook je hart ophalen. Dat verzeker ik U. Reeds van verre klinken de zoo echte, de zoo „emmese", de zoo begeesterende kermisklanken den fuifzuchtigen in de ooren. Daar is hef gonzend rhythme van de stoommachines als hef neuriën van feestgezangen door afgronddiepe bassen-koren. Daar is hef gierend gillen van stoomfluiten gelijk hef schelle lachgegier van gansche kudden uitgelaten juffies. Daar is het zoef en leutig musiceeren der orgels als bezielende legerscharen van strijkjes. Daar is hef gestamp en geschuif der caroussel- en sledebanen als van een ontelbare menigte dansers en danseressen. Doch niet slechts te hooren is er voor het beluste oor der feestelingen; er is vooral te zien, een eindeloos gewirwar van bonte vermakelijkheden, en ook te dat zoete complex van aroma’s, waarbij poffertjes en visch den boventoon voeren. ruiken is er, te ruiken de beminde lucht van Het is een zwalpende oceaan van pretmakers daar, in het fantastische lichtschijnsel der betooverende pleizierpaleizen, onder de zegeningen van een malschen veelkleurigen regen van confetti, nu en dan gloeiend doorzigzagd van den pampieren bliksem der serpentines, aangenaam tronspireerend in zalige hoskossen. En de oud-vaderlandsche zangen van Tipperary en Zandvoort-bij-de-Zee klinken alom u tegen. De biertenijes puilen uit van dorstigen. de ververschingskramen kunnen de liefhebbers niet omvamen, zoowel heeren als dames, de theaters van curiositeiten ziet men zich van hun roeping kwijten, want (o, merkwaardigheden), de bezienswaardigheden behooren niet tot het verleden, en de wonderen zijn de wereld niet uit. Twee rustende zeelieden, vermoedelijk het bemanningsrcstant na een of andere torpedeering, wisten blijkbaar een merkwaardigheid uit de paniek te redden, .— den kleinsten man der wereld, — welke man niet zoozeer een man, maar meer een aapje is, welke gelijkenis hem ook wederom belet wordt door een paar fluweelige pootjes, die niets van apenklavieren hebben. Dit wonderlijke beestje leeft van suiker en melk, het bewoont de jas van zijn meester. OPNAME BIJ AVOND VAN HET KERMISFEEST. en lijkt evenveel op een man als uw dienaar op een Deventerkoek. Een geel stroobord, aan een paal getimmerd, vermeldt ’s mans qualiteiten in krijt geschreven: „niet dood of opgezet, maar naturel leevend, is vier jaar oud en weegt een ons. honderd gulden beloning voor hem die mij mijn naam kan zeggen. 5 cent’’. Ik verneem met genoegen dat dit geen lolletje is, maar dat zelfs verscheidene gegadigden uit „Artis”, die zich kwamen aanmelden, op het punt van herkenning met hun mond vol tanden stonden, en hem noch bij hun eigene, noch bij met hen geparenteerde lamilies konden inlijven. Een ander stout stuk wordt bestaan door de Somnambule, die aan een harer cliënten een reuzen-erfenis had voorspeld, maar den man, die het juist zoo goed dien avond kon gebruiken, geen onnoozele vijf en twintig gulden voorschot geven wou .... Neen, dan ben ik meer voor de Amerikaansche hoepla-tenten en de Brusselsche biljarts, twee instituten voor lichamelijke oefening, welke op deze kermis overvloediglijk vertegenwoordigd zijn, en die een aftrek vinden, waar je van staat te kijken! De Amerikaansche hoepla werd ook door onze voorvaderen geenszins met een onverschillig oog aangezien, maar raakte in later tijd er heelemaal uit. Met vreugd conslateeren wij hare lieve gezellige fcgenwoordigheid weer. „Zes ringen voor een dubbeltje” roepen de leden van het hoeplagezin U tegemoet, en wie er van de zes nu maar één over een der vele honderden driehoekjes weef te gooien, wint het voorwerp, dat op dien driehoek staat. De verzoeking is groot; welk mensch die ze alle vijf bij mekaar heeft, wil voor nog geen twee cent niet een nikkelen uurwerk, een kristallen suikervaas, een flesch met boerenjongens, of een ander voorwerp van smaak of nut mee naar huis dragen. ... En de enkelen die tegen de vracht opzien, kunnen bij de coulante eigenaars hun prijs in contanten omruilen. Het gaaf er allemaal even geschikt toe, en d’r is dan ook aardig animo. Een juffrouw, die, stoffel als zij was, van vele zestallen ringen er maar geeneen over het hoofd van een flesch eau de cologne kon kieperen, en inplaats van aan haar eigen deugdelijkheid aan die der instelling twijfelde, werd daadwerkelijk gelogenstraft door een anderen liefhebber, die de gewonnen prijzen nauwelijks meer torsen kon, en terwijl de rechter arm nog gretig ringen uitwierp, met de linker vijf scheerspiegels, drie wekkers, een pendule, zes theelichten en elf biscuit standbeelden, — vermoedelijk om weer te verkoopen — aan de overwinnaarsborst hield geklemd. Ook de Brusselsche biljarten, in grooten getale ter kermis voorhanden, werden als bestormd, en hef Amsferdamsch bureau van Controle van het bezoek aan publieke vermakelijkheden, zou niet kwaad doen ook van de deelnemers aan dit door alle rangen en standen aangebeden behendigheidsspel in de bladen het aantal te publiceeren. (Hef Brusselsche biljart is een instelling, waarbij een bal aan een touwtje hangt, en de speler door met dezen bal een kegel om te smijten, grifweg barnsteenen pijpen, zilveren uurwerken behaalt, om van de eer nog niet te spreken.) De schiettenten blijven de belangstelling wekken, ja, wekken die in hooger mate dan vroeger; de neutrale Nederlandsche schutters vergruizelen de eene pijp na de andere en paffen desnoods de afgeknapte schenkjes ook nog naar beneden. De hoofden van Jut animeeren als steeds met hun zegevierende krachfknallen en de verbijsterend ruime sorteering van ordelinfen en eerekruisen. De silhouettisf, even handig als alom vermaard, tracht de prefjagendc menschen voor ’n paar minuten tot rust te brengen en knipt hen, zonder ander toestel dan een schaar. De rodelbaan strekt noodend haar ijzeren bergrug uit voor wie sleden wil met een stevig vaartje. Draaimolens draaien vroolijk rond met hun monumentale schuiten, hun sfijgerende hengsten. En het alomtegenwoordige Palais de Danse inviteert 11, op den gladden vloer aan den voet van een monumentaal en kwistig versierd orgel, tof step en wals, tof tango en velerlei kuitenflikker. Is het niet genoeg, dit alles? WALKER. DE OPENING VAN DE NIÉUWE H.B.S. TE LEIDEN. Maandag is in tegenwoordigheid van talrijke autoriteiten de nieuwë Hoogere Burgerschool te Leiden op officieele wijze geopend. Hierboven een tweetal intérieurs van het gebouw ; links: De leeraren-kamer ; rechts : De Hall. (foto's Jonker.) NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN. KERMIS
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1871 tot 1875 van 11897