Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1866 tot 1870 van 11897
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA ATHLETISCHE WEDSTRIJDEN. Door de Dordrechtsche Korfbalclub „O. K. K.” zijn verleden week Zondag voor haar leden athletische wedstrijden georganiseerd. Hierboven een foto van de deelnemers aan den wedstrijd 1500 M. hardloopen. Als le kwam aan de heer P. in ’t Veld (nr. 1 van links). Als tweede de heer Bolte, (3e van links). (foto M. Engel.) die komen zouden. h^dhaftig besluit was genomen, hij wilde de sterkte geheel aHer. S-p.". der? v')and verdedigen ! — Wel is waar, had hij eenige dingen in zijn voordeel bij deze onderneming. De pas was in hooge mate eng en steil en de vijandelijke troepen zouden er slechts in rijen van twee kunnen binnendringen, waarbij zij evenwel zonder eenige beschutting aan het vuur van den toren waren blootgesteld. De bezetting van dertig man zou het met gemak tegen een legerafdeeling hebben kunnen volhouden, doch thans was het één persoon, die aan een geheel regiment het hoofd wilde bieden ! Omstreeks middernacht vernam zijn geoefend oor zwakke verwijderde voetstappen. Elk oogenblik kwamen zij nader en eindelijk hoorde hij ze den hollen rotsweg betreden. Onmiddellijk schoot hij op goed geluk een paar musketten in de duisternis af om den vijand te doen gevoelen, dat hij van zijn aanwezigheid en bedoelingen geheel op de hoogte was ; daarop hoorde hij snelle commando’s en scheen het, alsof de naderenden zich terugtrokken. Tot aan den morgen liet men hem thans met rust. Toen bij zonsopgang de Oostenrijksche commandant de bezetting sommeerde zich over te geven, trad een grenadier moedig naar buiten om dien eisch te beantwoorden: „Zeg aan uwen commandant”, sprak hij kort tot den parlementair, }.dat het garnizoen den pas tot het uiterste zal verdedigen.” De officier vertrok en dadelijk daarop werd een kanon aan den ingang van den pas zichtbaar. Nauwelijks was het echter in stelling gebracht, of uit den toren werd een welonderhouden vuur op het wapen en de bedienende artilleristen geopend ; dit vuur was zoo moorddadig en onafgebroken, dat de vuurmond reeds na de tweede losbranding werd verwijderd, met een verlies van vijf manschappen. — Dit was een slecht begin, doch reeds een half uur nadat het geschut was verwijderd, gaf de Oostenrijksche kolonel bevel tot den aanval, die door het hevige vuur van La Tour d’Auvergne werd afgeslagen, evenals de drie volgende. Nadat de laatste aanval tegen het vallen van den avond was afgeslagen, herhaalde de Oostenrijksche commandant zijn sommatie tot overgave. Ditmaal werd zij gunstiger opgenomen. Het garnizoen was bereid zich den volgenden morgen bij ’t aanbreken van den dag over te geven, wanneer een eervolle aftocht zou worden toegestaan met medeneming van alle draagbare wapenen. De commandant aarzelde niet op deze voorwaarden in te gaan. — Bij zonsopgang stonden de Oostenrijksche troepen in lange gelederen van weerszij den van den hollen weg geschaard, zoodoende een doorgang vormende om het garnizoen met militaire eer te laten aftrekken. De zware deur van den toren ging open en eenige minuten later verscheen een zongebruind en met litteekenen bedekt grenadier, letterlijk beladen met musketten, die bedaard tusschen de beide gelederen voortschreed. Tot groote verwondering der Oostenrijkers werd hij echter door niemand uit den toren gevolgd. De verbaasde Oostenrijksche kolonel reed op hem toe en vroeg in hCt Fransch, waarom het garnizoen op zich liet wachten. EEN NIEUWE MARINE-MACHINISTENSCHOOL. Te Dordrecht is verleden week Maandag een opleidingsschool geopend voor Marine-Machinisten. Verschillende autoriteiten waren bij de plechtigheid tegenwoordig, o.a. Z. Exc. G. P. v. Hecking Colenbrander, vice-admiraal, commandant van de Stelling der monden van de Maas en het Haringvliet, de burgemeester van Dordrecht H. J. Wichers, en de Comm. van de opleidingsschool, Kapitein-luitenant ter Zee, A. W. Tirion. Wij brengen hierboven een extérieur van het schoolgebouw, dat in ATHLETISCHE WEDSTRIJDEN. De deelnemers aan den eveneens door de Dordrechtsche korfbalclub „O. K. K.” georganiseerden gecostumeerden korfbal-wedstrijd. Vooral dit nummer, dat vaak aanleiding gaf tot comische momenten, trok zeer de belangstelling van het publiek. (foto M. Engel.) „Ik ben het garnizoen, kolonel,” sprak de soldaat fier. „Wat,” riep de kolonel bijna boos, „wilt ge me wijs maken, dat gij alleen 24 uur lang dit regiment in bedwang hebt gehouden ?” — „Ik heb die eer gehad, kolonel,” antwoordde La Tour kalm. „Hoe kwaamt ge er toe, zulk een verregaand vermetele poging te ondernemen ?” — „De eer van Frankrijk stond op het spel.” — De hem eenige oogenblikken met ongeveinsde bewondering aan. Toen sprak hij, geroerd : „Grenadier, ik maak U mijn compliment; ge hebt bewezen de dapperste onder de dapperen te zijn 1” Nadat de kolonel aan La Tour d’ Auvergne een nota aan den Franschen opperbevelhebber gericht, ter hand gesteld had, waarin de juiste toedracht der feiten uitvoerig stond omschreven, gaf hij bevel, da.t alle wapenen, die La Tour niet had kunnen dragen, bijeenverzameld, en den dapperen krijgsman nagezonden moesten worden. — Napoleon, die het heldhaftig gedrag van zijn soldaat op hoogen prijs stelde, wilde hem op staanden voet bevorderen, doch deze gaf er den voorkeur aan in zijn rang van kapitein te blijven. — La Tour d’ Auvergne werd gedood tijdens een gevecht in Juni 1800, waarin hij zich ook weder roemvol onderscheiden had. De in den aanvang beschreven eenvoudige en niettemin treffende handeling, die telkenmale bij het appèl werd herhaald en waarvan onder geen voorwaarde mocht worden afgeweken, was 4ter zijner nagedachtenis door Keizer Napoleon zelf ingesteld. •— alle opzichten een aanwinst heeten mag voor de gemeente Dordrecht, in beeld. (V.F.Et.) EEN ZELDZAAM VOORBEELD VAN PAARDENDRESSUUR. De foto’s, die wij hierboven afdrukken, geven een zeldzaam staaltje paardendressuur te zien, dat indertijd te Weenen vertoond is Mevr. door Solange d’Atalide, een Hollandsche dame, die haar sporen als hoogeschoolrijderes in het buitenland reeds lang verdiend heeft. Teneinde haar plan, dat bestond in het meemaken van een wenteling van het bekende groote rad te Weenen, terwijl zij geheel los te paard was gezeten, te kunnen volvoeren, was een strenge dressuur noodig van het paard, dat gewend moest worden, volkomen en onder alle omstandigheden stil te staan. Toen zij dit bereikt had, nam zij twee proeven met het dier, waarbij zij echter niet op het paard ging zitten, maar er voor bleef staan, terwijl een laag hekwerk was aangebracht rond het dak van den wagon waarop zij de proefneming nam. De derde maal echter nam zij, nu op het paard gezeten, de proef in tegenwoordigheid van een talrijk publiek, terwijl het dak nu aan alle zijden absoluut open was. Het resultaat was schitterend. Het dier stond gedurende den ganschen rit doodstil. Alleen toen de wagon het hoogste punt had bereikt, en de machinist het rad stop zette, werd het paard door den schok even onrustig, maar liet zich toch door ziin bereidster in bedwang houden. Had het toen een stap gedaan, dan was Solange ongetwijfeld dood gevallen. Gelukkig liep alles goed af en bleef het paard bij de daling eveneens rustig staan, zoo werd, onder het daverend gejuich der menigte, het laagste punt bereikt.
PDF
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA „Oud en nieuw Damast”. D e lezers en vooral de lezeressen van ons weekblad zullen indertijd met belangstelling hebben kennis genomen van het interessante artikel „De Vlasbereiding”, geïllustreerd met de fraaie en zoo uiterst instructieve reproducties van de schilderijenreeks van Professor Bernard Winter uit het Groot-Hertogdom Oldenburg, in ons nummer 35, van 25 Februari 1914. Zeer onderhoudend is de wijze, waarop de schrijver ons den vlasbouw schetst, de verschillende bewerkingen behandelt, „den pluk”, het „roten”, daarna het „repelen”, vervolgens het „braken” en eindelijk het „spinnen.” Ingewikkelde, ingénieuse machines hebben den handenarbeid ook hier vervangen, en de enorme producties vlas, die I. Servet pl.m. 1640 met het Offer van Isaak en de wegzending van Hagar. worden verbouwd, worden in enkele zeer groote spinnerijen tot een gladden, mooien draad gesponnen. Als aansluitend artikel op dit onderwerp „De Vlasbereiding” zal, vooral nu ook in ons land de kunstenaar zijn talent ten dienste stelt van het gebruiksvoorwerp, waardoor het onpersoonlijke, ziellooze, onkarakteristieke van het fabriekswerk is afgegaan, een bespreking over „Oud en nieuw Damast” niet onwelkom zijn, waaruit ten eenre blijkt, tot welke hoogte onze voorvaderen, voornamelijk in Kortrijk, Haarlem en Engeland het hierin reeds hadden gebracht, om dan te zien, hoe thans de industrie zich weet aan te passen aan de voornaamste gebeurtenissen, en hoe daardoor de Hollandsche Kunstnijverheid tot steeds grooteren bloei wordt gebracht. In een reeks artikelen, voorkomende in den óen en llen Jaargang van „Het Huis, Oud en Nieuw”, heeft Professor J. Six een wetenschappelijke revue over oude damasten gegeven en de aandacht van de lezers in het bijzondergevestigd op het „Oude tafellinnen”. Al deze hoogst belangrijke artikelen zijn rijk geïllustreerd en de welgeslaagde, scherpe fotografische opnamen naar de origineele weefsels doen dan ook duidelijk uitkomen, hoe men vroeger, en zeker niet in het minst in ons land, de kunst van linnenweven heeft verstaan. Ampzing vertelt in de beschrijving der Stad Haarlem Blz. 343 : „Ook hebbe ik dese dagen ten huysevan eenen onser burgeren Samuel Korneliszen Buf, wonende in het Witte Twijn-huys in de Schachelstraat, witte twijn gesien, ende in de handen gehad, bij hem zelfs getwijnd, het welke bij ’t lood een pond Vlaemsch, en de bij het Pond ten minste honderd daelders verkocht word, van ongelofelijke fijnheid gelijk een enkel vlasken, en de niettemin so sterk, als grof twijn, het welke omtrent tachtig guldens van spinnen gekost heeft.” Jan Kalf, in zijn leerrijke Bijdrage tot de geschiedenis der middeleeuwsche Kunstweverij in Nederland 1) heeft, hoewel hij zich in het bijzonder bezig hield met het zij-damast, reeds verschillende gegevens omtrent de linnenweverij bijeen gebracht. Hij vermeldt ook reeds de stichting van een nieuwe fabriek van gefigureerd linnen te Kortrijk in 1496 en hoe van daar die kunst naar Holland kwam. De vroegste damasten zullen dus waarschijnlijk te Korf rijk geweven zijn. Naar Haarlem werd deze kunst volgens Ampzing in 1580 overgebracht. Een stel uit de rijke collectie oud tafellinnen van Professor J. Six, vertoont in het midden, voor een gebouw in Hollandschen renaissancen stijl met obelisken, zeer aan Lieven de Key herinnerend , een man, de handen op de heupen, die eerst 1) Verslag van het St. Benulphus Gilde over 1900. 16 door verdubbeling (omkeeren in spiegelbeeld) voltooid is, terwijl de jagers in de kleedij der vaandrigs van Goltzius en de Gheyn bijderzijds verdubbeld worden. Soms is het verdubbelde patroon te breed voor de servetten, en vaak te lang. Meestal worden de servetten dan zonder boven- of onderrand uit een doorloopend weefsel gesneden, soms ook wordt een deel van het patroon binnen den rand weggelaten. Het vernuftigst samengesteld zijn meestal de tafereelen, ontleend aan de gewijde en apokryphe boeken. Ook hier ontbreekt de verdubbeling niet, maar nergens is die gelukkiger aangewend dan in het patroon (hoog 1.06 M.) waarin, onder Jezus met de Samaritaansche bij den put, eerst de poort van Sichar en dan-de leerlingen komen, de een het spiegelbeeld van den ander, in de eene hand een mand met spijzen, in de andere het hengsel van een grooten korf in het midden, dien zij dus samen dragen, IOAN IIII; een zeer decoratief gevoeld geheel. Al deze stukken zijn grof damast. Behalve door den gemeenschappenjken stijl, worden zij ook nog verbonden door gelijksoortige randen van bloemranken met vogels en soms insecten, zooals ook de jachten hebben. Enkelen wijzen zelfs dezelfde randen aan denzelfden wever toe, zooals de Jacobsladder en het Offer van Isaak. (zie Plaat I). Niet alleen echter patronen met gewijde onderwerpen, ook merkwaardige gedenkdamasten werden in vorige eeuwen geweven. Zoo herinnert b. v. de teekening volgens plaat No. II aan de verlossing van Grave in 1674 , met de vesting d’Graef aan de Maes, waarnaast men leest: DE BORGHERS VAN GRAEF DANCKEN SYN HOOGHEIJT VAN HUN VERLOSSINGHE, verder ziet men de burgers hun dank brengen aan den Prins te paard, naast de groen gemaakte poort, waarboven zijn wapen door een engeltje wordt gehouden, die trompet: LANGE LEEFT ONSEN VICTORIVESEN PRINCE VAN ORANGE. Verder is er ’n patroon van de inneming van Belgrado, door geschut belegerd, en den keizer Carolus Imperator 1.7.1.7. te paard in zijn kamp, door ’n engeltje met ’n bazuin bekroond. Boven tevens zijn wapen. Hier zijn in den rand nog eens de herinneringen van den Spaanschen Successie-Oorlog opgerakeld : Ostende 6 Juli 1706 door Ouwerkerk genomen, Lite, 8 Dec. 1708, door Prins Eugenius, Botvina (Bethune?) 28 Aug. 1710 door Fagel en Schuilenburg, en Tovrnai, 31 Aug. 1709 door Marlborourgh, meest van wapenschilden vergezeld. Dit stuk werd door den heer van Best aan het Kon. Oudheidkundig Genootschap geschonken. Na deze korte inleiding over oud damast komen wij tot de bespreking van nieuw Gedenkdamast, waartoe de gegevens ons welwillend werden verstrekt door de Koninklijke firma van Dijk & Co. te Eindhoven, reeds sedert ruim 60 jaar als fabrikante van linnen en damast bekend, ook door hare leveringen aan H. M. de Koningin, H. M. de Koningin-Moeder en voor de Vorstelijke Wieg en het Ledikant van H. K. H. Prinses Juliana. Deze firma heeft naar het ontwerp van den Nederlandschen Sierkunstenaar André Vlaanderen twee Gedenkdamasten in hare handweverijen doen vervaardigen, waarvan wij de afdrukken hier geven. Het jaar 1913 is geschiedkundig van groote beteekenis geweest. Het was in de eerste plaats het jubeljaar van onze onafhankelijkheid, en ’t is naar aanleiding daarvan, dat de firma van Dijk & Co. v. n. een ontwerp liet maken, toepasselijk op het 100-jarig bestaan van Neerlands Onafhankelijkheid. Wij geven hierbij het in zeer fijn damast uitgevoerd ontwerp (Plaat III). Dit patroon heeft een rand, samenIII. Ontwerp, vervaardigd ter gelegenheid van Nederlands 100-jarige Onafhankelijkheid. IV. Het „vredes”-ontwerp van de firma van Dijk & Co. gesteld uit oranjetakken en oranjeappelen. Deze oranjetakken vormen W’s, waarboven koningskronen zijn geplaatst. In elk der vier hoeken prijkt het Nederlandsche Wapen, gekroond, doch zonder schildhouders. Van deze vier wapens geven twee den leeuw in spiegelbeeld. Dit is een vrijheid, die men zich in damast mag veroorloven, daar zij geheel uit de weeftechniek voortspruit. Uiteraard is elk assymetisch motief van de eene zijde van het damast, het spiegelbeeld van dat der andere zijde. Het middenmotief toont ons een vierkant encadrement, van weer oranjetakken om het mé­ daillon in het midden, waarin de Hollandsche tuin décoratief staat afgebeeld en waarin de Nederlandsche leeuw staat, die in plaats van den pijlenbundel met het zwaard, verdedigend een brandende toorts (symbool onzer onafhankelijkheid) in den linkerklauw houdt gevat en deze met het zwaard in den rechterklauw beschermt. Links en rechts van den leeuw vermelden de jaartallen 1813—1913 het eeuwfeest van Neerlands Onafhankelijkheid. Zoo even noemden wij het woord Hollandschen Tuin. Dit eischt eenige nadere verklaring. Dit heraldieke motief vindt men het eerst op de zegels der Hollandsche Graven uit het Beiersche Huis. Het stelt dan voor een Maagd, gezeten in een tuin, omheind door een hekwerk van wilgentakken gevlochten, terwijl zij het wapen der Graven van Holland (roode leeuw op gouden schild) vasthoudt. Later treft men in de 17e eeuw den Statenleeuw, die den bundel van 7 pijlen vasthoudt en met het zwaard verdedigt in den HOLLANDSCHEN TUIN, op zegelafdrukken en elders aan (zie o. a. het groote relief op den gevel van het Waaggebouw te Haarlem) en in nieuwere heraldische ontwerpen wordt de Nederlandsche Maagd, met den klassieken helm getooid, in den Hollandschen Tuin geplaatst en geeft men haar als attributen den staf met den vrijheidshoed of een palmtak of wel de Nederlandsche vlag in de rechteren het Nederlandsche wapen in de linkerhand. Soms ligt de Nederlandsche Leeuw aan hare voeten en hangt men ter volmaking van het symbolische geheel aan de stijlen van het hekwerk de wapens der 11 provinciën op en plant een Oranjeboom in den HOLLANDSCHEN TUIN. In de tweede plaats was 1913 voor ons land van groote geschiedkundige beteekenis door de opening van het Vredespaleis in den Haag'. II. Na de herovering van Grave door Prins Willem den Derden in 1674 bood hem de burgerij uit dankbaarheid een stel damasten tafellinnen aan, waarop ’s prinsen wapen, hijzelf als veldheer te paard en de dankende burgerij waren afgebeeld in beeld en spiegelbeeld, waartusschen het kasteel en de stad met de rivier de Maas. De fraaie weefsels zijn voor het grootste gedeelte nog in wezen en in ongeschonden staat. Wel hebben de in onze Residentie gehouden conferenties ter voorkoming van gewapende conflicten, nog niet tot het gewenschte resultaat geleid, en staat daar het Paleis voor den Vrede als een stomme getuige van den volkeren - strijd, die buiten de grenzen van ons vaderland zoo fel is ontbrand, doch de tijd zal komen, en laten wij hopen zeer spoedig, dat een einde wordt gemaakt aan deze gruwelijke worsteling, die zoovele slachtoffers maakt. Dan zullen de stralen eener opgaande zon, door den sie nstenaar André Vlaanderen in het tweede Gcuenkdamast van de Koninklijke Eindhovensche linnenfabriek der firma van Dijk & Co., boven het Vredespaleis in artistieke teekening aangebracht, het: Vrede zij met Ulieden 1 doen rondglanzen (zie plaat IV). Van het Onafhankelijkheids-damast heeft de Firma van Dijk & . Co. o.a. een stel tafelgoed geweven, bestemd voor H. M. Koningin WiJhelmina, en van het damast met Vredessymbolen een stel voor H. M. de Koningin van Roemenië, de Koninklijke Dichteres Carmen Sylva, die bij gelegenheid van haren 70sten verjaardag in 1914 ook uit ons land zoovele blijken van vereering mocht ontvangen, voor hare hooge begaafdheden en fijngevoelde poëzie. Het was naar aanleiding van de levering van dijt stel tafelgoed, dat zoowel de Firma van Dijk & Co., die het damast in hare weverijen vervaardigde, als de teekenaar André Vlaanderen, van Koningin Elisabeth van Roemenië een door H. M. eigenhandig onderteekende welgeslaagde fdto mochten ontvangen, met de mededeeling namens H. M. dat zij het damasten tafelgoed zal gebruiken op den dag dat de vrede geteekend wordt! Moge de dag, waarop Carmen Sylva haren disch siert met een voortbrengsel van Nederlandsche Kunst-Nij verheid dat reeds zoo ver over onze grenzen aan Vorstelijke Hoven zoo groote vermaardheid heeft verworven, spoedig aanbreken! Het is verblijdend, dat de damast-weefkunst, welke zoovele jaren in Nederland gekwijnd heeft, thans, dank zij den ondernemingsgeest onzer industrieelen, en den goeden smaak onzer sierkunstenaars, weder opleeft. De firma van Dijk heeft met deze damasten aangetoond, dat hare fabriek onder de Nederlandsche fabrieken in de textiel-branche een eervolle plaats inneemt. Zij verdient den steun van allen, die de vaderlandsche kunst liefhebben en wenschen aan te moedigen. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPiJ, LEIDEN. Voor onze Dames
PDF
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
01
Tekst
No. 75 (12a) ABON­ 16 SEPT. NEMENT 1915 PER AFZONDER­ KWARTAAL LIJKE 26 NUMMERS / Gei llustreerd-weekblad NUMMERS 7*/2 CENT f 1.30 . w . S 1 JT H O F= F= ’ S UITGEVERS M A ATS OH A P P IU - LEIDEN De Sportfeesten van Land- en Zeemacht in het Stadion De officieele tribune. Op initiatief van de Centrale Sportcommissie zijn Zondag in het Stadion te Amsterdam door land- en zeemacht groote nationale sportbetoogingen gehouden, die op het zegenrijke werk van deze commissie voor onze gemobiliseerde landsverdedigers, de kroon hebben gezet. Talrijke autoriteiten woonden met belangstelling de verschillende, schitterend geslaagde wedstrijden bij, terwijl ook het publiek in grooten getale opgekomen was om de deelnemers aan de betooging in hun verschillende verrichtingen gade te slaan. Hierboven de eere-loge met de officieele personen. V. 1. n. r.: Gen. Weber (x); Gen. Kleynhens; Jhr. Mr. Dr. A. Roëll; Minister J. J. Rambonnet; Gen. Snijders; Z.K.H. Prins Hendrik; Gen. Ophorst; Burgem. J. W. C. Tellegen. De afstandsmarschen. De intocht binnen het Stadion van het detachement Mariniers in marschtenue. Het muziekcorps van het Depotbataljon van ’t Zevende liet ter eere van de deelnemers aan de afstandsmarschen, die den afstand van hun garnizoen naar het Stadion te voet hebben afgelegd, een van zijn veie marschen hooren. (foto's Ver. Fotob.) De gymnastiekuitvoering. Ongeveer 600 turnsters en turners namen aan de gymnastiekwedstrijden, die de onverdeelde aandacht van de toeschouwers hadden, deel. Wij geven hierboven een overzicht der vrije- en orde-oefeningen, die op tel moesten geschieden, daar voorbereiding onmogelijk was door het gesloten zijn der gymnastieklokalen als gevolg van de vacanties.
PDF
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA UIT HET ZWARTE BOEK F VAN ’N TELEGRAFIST ' DOOR J. T. VAN LEIDEN (Vervolg). t een vloek sprong ik terug, liet me snel weer in de kelderopening zakken ; Hannock was me te slim af gew'eest, en met bittere woorden verweet ik me mijn onnoozelheid. Alles, alles was voor niets geweest.... Boven me hoorde ik de haastige voetstappen, de alarmsignalen der patrouille. XII. Bewegingloos en zwijgend zat Mary tusschen haar beide ontvoerders ; haar zooeven nieuw ontwaakte energie was verdwenen. Alles was immers om niet geweest.... er mocht nu komen wat wilde. Volkomen lijdelijk zat ze daar, achterovergeleund onder de schaduwende kap; het was haar nu onverschillig wat er van haar worden zou. De stemmen naast haar klonken ijl en veraf. Een indruk van onwerkelijkheid kwam over haar, als was dit alles spel en schijn. Haar rol was uit — ze gaf zich over. „Ik had haar niet moeten hebben, maar hèm!” zei Hannock met ’n vloek, terwijl ze den hoek omzwaaiden in het verblindende licht van Eighth Avenue. „Ik wil dien kerel gaan uitgraven !” „Dacht je misschien dat hij op je blijft wachten ?” vroeg Morlay. ,/t Kan me niet schelen. Ik ga hem zoeken. In elk geval heb ik dan toch nu meer kans dan morgen.0 Hij schoof Mary van zich af en boog zich uit den auto. „Stop zoodra je ’n rijtuig ziet!” beet hij den chauffeur toe. Morlay had een kussen achter Mary’s rug geschoven en trachtte het haar wat gemakkelijker te maken; zijn gezicht zag even bleek als het hare, dat tegen zijn schouder leunde. „Ik ga hem zoeken, al zou ik alle riolen van New York moeten afvisschen,” hield Hannock vol. „En ik dan ?” vroeg Morlay. „Jij rijdt naar Sheldon’s woning en daar wacht je tot ik kom!” De auto stopte, en met een armzwaai hield Hannock een naderenden vierwieler aan. „En zij ?” Morlay wees naar de roerlooze vrouwT naast hem. „Haar houd je in de gaten, en goed ook. Hier is de sleutel van Sheldon z’n huis ; daar is ’t heel rustig en veilig, en als ik dien kerel vanavond meebreng, dan beloof ik je dat we ’n feest zullen hebben!” Hij wierp den sleutel in de tonneau en reed weg. De auto schoot weer de Avenue langs, tusschen twee rijen dansende lichten, in den neerstriemenden regen. Toen wendde Morlay zich naar zijn gevangene en zag langen tijd op haar neer. Ze had een vaag bewustzijn van zijn scherpen, onderzoekenden blik, maar de wil en de kracht ontbraken haar om de oogen naar hem op te slaan. Opeens strekte hij de hand uit en streelde haar voorhoofd. Ze wist dat ze zich onder alle andere omstandigheden met woede en verontwaardiging tegen deze vrijpostigheid zou verzet hebben ; thans leek het haar zelfs, uitgeput en moedeloos als ze was, of die aanraking haar goed deed. Maar tegelijkertijd, als met een opleving van haar aan het gevaar gewende waakzaamheid, die zelfs door het grootste lijden niet te breken was, voelde ze vaag dat in deze zwakheid van haar bewaker haar eigen kracht school, en dat ze van die zwakheid behoorde partij te trekken. En langzamerhand, terwijl ze voortgonsden door de natte, glimmende avondstraten, kwam de werke­ 2 lijkheid, met haar kansen en gevaren, weer tot haar bewustzijn. XIII. Het was niet anders dan een natuurlijke beweging van me geweest : terug te kruipen in mijn hol. De beweging van iemand die gewoon is de openbare macht als zijn erfvijand te beschouwen, instinctief eiken dienaar daarvan te ontwijken. Maar bovendien : met de politie wilde ik onder deze omstandigheden allerminst te maken hebben. Mijn ondervindingen met den attorney waren niet van dien aard geweest dat ik veel van zijn medewerking verwachtte, en al zou ik ditmaal met een vertegenwoordiger te doen hebben die het misschien met de vervolging van Hannock ernstig meende, dan nog achtte ik het, met mijn verleden, beter uit zijn handen te blijven. En wat had hij met het kwart millioen dollars te maken, dat ik ook nu bij me droeg, en dat ik niet van plan wras zonder een behoorlijk commissieloon af te staan ? Neen — de automobiel was weg en bleef weg, niemand wist waarheen, en voorloopig was ’t voor mij in het keldergewelf ’t beste. Had niet de attorney AVOND-IDYLLE AAN DEN GELDERSCHEN IJSEL. Uit: „Gelderland”, door D. J. V. D. VEN, deel I der serie „Ons mooie Nederland’’ in de Meulenhoff-Editie. Het hierboven aangekondigde, keurig uitgevoerde boekje, dat wij ter bespreking in „Panorama” ontvingen, is wederom een bewijs, dat men in Nederland steeds meer en meer gaat inzien, dat de kennis van eigen bodem een der belangrijkste factoren vormt ter bevordering van het verkeer in eigen land, en tevens dat het verkrijgbaar stellen van goede, aangenaam geschreven gidsen, er voor geen gering deel toe bijdraagt, het vreemdelingenverkeer in ons land te doen toenemen. Tot welke heilzame resultaten dit leiden kan, mogen de landen bewijzen, waar men dit reeds vóór ons heeft ingezien en waar het vreemdelingenverkeer tot zoo’n hoog peil is opgevoerd, dat een groot gedeelte der bevolking er zijn bestaan in vindt. Dat dit resultaat ook in ons land te bereiken is, daarvoor staat — als wij het eens zoo mogen uitdrukken — ons mooie Nederland borg. Slechts één aahmerking op de overigens o. i. goed geslaagde uitgave: Waaróm de illustraties niet in koperdiepdruk uitgevoerd? De waarde van het geheel had er slechts door kunnen stijgen, getuige ’t album der Staatsspoor, waaruit wij onlangs eenige afbeeldingen reproduceerden. gezegd dat ze mij in de gaten moesten houden ? Intusschen — mijn verblijf daar had geen ander doel dan er weer uit te komen. Boven me hoorde ik nog steeds haastige voetstappen en geroep, en er werd gemorreld aan het metalen deksel, dat ik aan de binnenzijde stevig had vastgeschroefd. De uitweg moest dus elders gezocht worden. Onderwijl mocht, wat mij betreft, de politie voortgaan naar een toegansweg te speuren, het feit der ontvoering als een aanleiding nemend om het fort ditmaal in ernst te bestormen. Wilde ze mij daarna van dienst zijn, des te beter ; wilde ze ’t mij lastig maken, dan had ik eenvoudig met ’n vijand méér te rekenen. En nu aan 't werk. De ijzeren trap op, na me aan de stijlstompen naar boven te hebben geheschen, en een nieuw gewelf in. Natuurlijk volgde dan een derde gepantserde deur, en ’t verwonderde me volstrekt niet die gesloten te vinden. Ik zou dus door staal en steen mijn weg naar boven moeten boren, me als een verhongerende rat door alle verdiepingen heenknagen naar den graanzolder. Goed. Geen halve maatregelen dus. Uit mijn gereedschaptasch nam ik het stuk gele zeep en kneedde dat met de nitroglycerine uit een der caoutchouc zakjes tot een mengsel dat ongeveer de dichtheid had van vloeibare honing. Dit weeke deeg werkte ik vlug maar voorzichtig in den naad van de deur ; toen prikte ik er een om ijzerdraad gewonden lont van vijftig centimeter in en stak die aan. Snel verschanste ik me in den kolenkelder, door twee stalen deuren gescheiden van de ontploffing die weldra volgde. Ik wachtte het optrekken van den benauwden, afschuwelijk riekenden rook niet af. Op handen en voeten kroop ik door den walm heen, die gelukkig vrij snel door de opengebarsten deur wegtrok. De zware, met staal beslagen paneelen hingen als verschrompeld oud-roest aan nog slechts een kromgetrokken scharnier, en een ijzeren ladder wrees me den wreg naar de hooger gelegen verdieping. Opnieuw een hindernis : de ladder was van boven met een hek afgesloten. Hier kwam echter mijn hefboom goed te pas; twee, drie flinke rukken en het slot wras ontzet. Wat nu ? Een portaal, en dan weer een deur, zwaarder gepantserd nog dan de vorige. Het werd een opwindende arbeid, maar ik verrichtte dien met een roekeloosheid, een onverschillig zeker zijn van den goeden uitslag, die me bijna plezier in het werk deden krijgen. Ik moest erdoor, ik wilde en ik zou erdoor. Tijd om nogmaals dat voortreffelijke deeg te kneden was er niet, want ik hoorde ‘geluiden die me de zekerheid gaven dat de politie ’t ditmaal ernstig meende. Wie weet of mijn bezoek aan den attorney niet den doorslag hiertoe had gegeven ; wie weet ook of ze mijn spoor al niet den geheelen middag gevolgd hadden. Erklonkengerinkel van brekend glas en beukende mokerslagen op ijzeren deuren: naar de richting te oordeelen kwam ik tot de gevolgtrekking dat er van de sigarenwinkel uit een bestorming werd ondernomen. De deur moest er dus zoo gauw mogelijk aan. En dat ging op deze manier: in het sleutelgat stopte ik voorzichtig wrat cellulose-hexanitraat, ’t meest ontplofbare schietkatoen dat ik ken, en met een sprong stelde ik me in veiligheid terwijl de lont brandde. De uitwerking was verschrikkelijk. Het gansche gebouw schokte, schudde en stampte als een schip in een stormzee. Er sprong iets in mijn gezicht en ik voelde bloed langs mijn w-ang loopen, maar het was geen tijd om me daarmee op te houden en ik vloog bij vier treden tegelijk de trap op die achter de vernielde deur tevoorschijn gekomen was. Het ging goed; klaarblijkelijk had ik den rechtstreekschen weg naar de bovenste verdieping, misschien naar het dak, te pakken. Een gang, een klein portaal — en nogmaals een deur, maar ditmaal slechts met een dunne metaallaag beslagen. Onder me, achter me — waar was het ? — hoorde ik hout splinteren, daverden hamerslagen ; deuren werden uit hun hengels gerukt en achter de muren naast me klonken stemmen en haastige voetstappen. „Goed zoo !” riep ik hardop. „Geef ze er van langs ! Boor ze in den grond ! Goed zoo !” En intusschen rukte ik met mijn stalen hefboom aan het slot en vocht met de weerbarstige deur als een bezetene. Toen — ik uitte een kreet van voldoening : het stugge hout week, de deur sloeg naar buiten open, en de nachtlucht, vochtig en koud, streek langs mijn gloeiend gezicht. Even bleef ik staan, zag uit over de dakenzee. Vrij ! Nu was ik weer mijn eigen meester. Maar achter me hoorde ik naderende stemmen, er kwamen verscheidene mannen dezelfde trap op die me zoo juist naar het dak had gevoerd. Ik liet me voorover vallen en had juist een verdekte opstelling gevonden achter den naastbijzijnden schoorsteen, toen een gehelmd hoofd boven de trap uitstak en een lantaarn het natte dak bescheen. Op datzelfde oogenblik dacht ik aan de ladder die ik ’s middags geleend had, en die, als zij hier nog stond, mijn redding kon zijn. „We hebben er een te pakken ! Gauw, hier zit er
PDF
Nummer
1915, nr. 75, 16 sept. 1915
Blad
03
Tekst
een V’ riep de man met den helm opgewonden tegen iemand beneden aan de trap. Dadelijk daarop knalde een revolverschot, kaatste een kogel terug tegen den schoorsteen waarachter ik schuilde. Nu trachtte ik niet langer mij te verbergen ; in liggende houding rolde ik mij naar den dakrand, liet me zakken, en terwijl ik aan mijn handen hing, floot een tweede kogel over mijn hoofd. Het was een wanhopig oogenblik; terwijl mijn handen zich met uiterste krachtsinspanning aan den gootrand vastklampten, voelde ik met mijn voeten naar de ladder die er nog staan moest. Het angstzweet droop langs mijn gezicht — wanneer ik mij eens in de richting vergist had, boven een afgrond hing! Ik schoof langs den rand iets meer naar rechts — ik kon mijn gewicht nauwelijks meer dragen ! — maar onder me was niets dan leegte. Toen iets meer naar links — en de ladder was er : ik stond op de bovenste sport! Het was me of ik nooit grooter vreugde in mijn leven gekend had. Met twee sprongen was ik beneden. Ik gooide de ladder om, rende naar het luik waardoor ik dien middag naar boven gekomen was. Gesloten ! En intusschen hoorde ik boven me de kreten van drie, vier mannen, die niet dadelijk begrepen hoe ik op het lagere dak gekomen was. Opnieuw klonk een revolverschot door den donkeren nacht, en opnieuw hoorde ik den kogel vlak bij me inslaan. Ze moesten me daarboven minstens voor Hannock aanzien, en het was allerminst een geschikt oogenblik om met hen te onderhandelen ! Wat nu ? Ik wist dat er ergens een binnenplaats was, waarin langs de verschillende verdiepingen talrijke lijnen met waschgoed hingen ; dien middag had ik, er naar kijkend, nog even aan Napels gedacht; juist als zij het daar gewoon is, had de Italiaansche bevolking van dit reusachtige kazernehuis ook hier haar honderden veelkleurige kleedingstukken als zoovele vlaggen te prijken gehangen. Ik vond die plek dadelijk terug : het witte en gele linnen gaf zelfs in de dichte duisternis een licht schijnsel. Maar I jbe me in die binnenplaats te laten afzakken ? Mijn aarzeling van een seconde werd onmiddellijk in een vast besluit omgezet : mijn vervolgers hadden op de een of ’ andere manier naar beneden weten te komen, en er viel niet meer te kiezen. Ik sprong in de ruimte — op goed geluk. De eerste lijn met doorweekt waschgoed brak onmiddellijk onder mijn gewicht, evenals de tweede, die ik met beide handen vastgreep, en de derde, die nog een oogenblik met me op en neer danste, en DE HERDENKING VAN DEN SLAG AAN DE MARNE. De verjaardag van den slag aan de Marne, waarbij de Duitsche legers onder generaal Von Kluck, die reeds tot voor de vestinggordels van Parijs genaderd waren, door generaal Joffre werden teruggedreven tot aan de Aisne, is door Parijs — in werkelijkheid, zij het dan ook in stilte en zonder uiterlijk vertoon, door geheel Frankrijk — op plechtig-ceremonieele wijze herdacht. Met auto’s en rijtuigen werd een pelgrimstocht georganiseerd naar de graven van de voor hun vaderland gevallen mannen. Met talrijke kransen en bloemen werd hun laatste rustplaats door naastbestaanden en familieleden gesierd. DE HERDENKING VAN DEN SLAG AAN DE MARNE. De aartsbisschop van Lens gaat de menigte, die op een der vele graven van de gevallen Marne-helden verzameld is, vóór in een gebed voor het zielenheil der gesneuvelde krijgers. 3 de vierde, die onder mijn armholte terecht kwam. Maar de gansche lawine van wol en katoen en linnen viel met me mee en groeide aan onder ’t vallen, zoodat, toen ik eindelijk op den steenen vloer neersloeg, ik als gewikkeld wras in een kluwen van verwarde kleedingstukken. Toch was de smak hard genoeg aangekomen. Mijn heele lichaam deed pijn en mijn linkerarm was als verlamd. Maar ik had slechts één gedachte: hier vandaan te komen, ergens rustig op nieuwe plannen te zinnen. Dit wras in elk geval vrij zeker dat het Hannock in de eerste plaats om mij te doen w-as ; Mary zou betrekkelijk veilig zijn zoolang hij mij niet in handen had : zij moest als lokmiddel dienen om mij te vangen. Reeds hoorde ik ramen opschuiven en geroep weerklinken : mijn val had natuurlijk opschudding geweekt, en het was gelukkig dat de avond zoo donker en nat was, want anders zou ik er zeker niet zoo gemakkelijk in geslaagd zijn ongezien door de openstaande deur van een Chineesche wasscherij, zooals er in dat kwartier zoovele zijn, door een lange gang en een portaal te sluipen, waarna ik tot mijn verbazing en dankbaarheid op straat stond. Ik oriënteerde me even : waar was ik ? Intusschen betastte ik mijn gekneusde ledematen ; er wras niets gebroken, blijkbaar, maar mijn lichaam deed me overal pijn. Mijn kleeren waren hier en daar gescheurd en ik had ’t gevoel dat ik er vreeselijk vuil en verw-ilderd moest uitzien. Het ergste PANORAMA was dat ik, door den val en den zenuwschok, nu juist niet mijn koelbloedigheid bewaard had ; ik was als bont en blauw7 geslagen en mijn beenen trilden onder me. Toch kon ik hier niet langer blijven, zelfs niet even uitrusten ; het was duidelijk dat de politie weldra het geheele huizenblok zou omsingeld hebben, zoo dat al niet het geval was. Terwijl ik daar stond, aarzelend, hoorde ik het geratel van een zwraren w-agen op het natte asfalt, en juist toen ik dacht dat dit de befaamde brik moest zijn waarmee in de Amerikaansche steden de politiepatrouille uitgaat om misdadigers mee uit rijden te nemen — de dievenw-agen, zouden we in Holland zeggen —r zag ik tot mijn opluchting een melkwagen van de Metropolitan Milk Company nader rollen. De koetsier moet van me geschrokken zijn, toen ik met opgeheven handen voor de paarden gingstaan; ongetwijfeld zag ik er uit als een geest. „Wat moet je ?” vroeg hij met ’n snauw, de zweep opheffend, „ga van mijn paarden weg, dronken lap !” „Ik zal je vijf. dollar geven als je me ’n eind meeneemt/’ zei ik, en ’t geldstuk lag al in den man z’n hand. Hij w-as klaarblijkelijk iemand met wien te praten valt, w-ant hij schoof w?at op zij en antwoordde alleen : „gauw7 dan, stap in.” „Wat hebben ze jougedaan ?’’ vroeg hij verbaasd, toen ik naast hem zat en hij mijn bleek enbloedend gezicht zag. „Uit dien leelijken Chineeschen winkel gesmeten,” zei ik ; „die drommelsche scheefoogen! Ruzie over ’n rekening !” „Nou, je ziet er mooi uit,” bromde de man ; „en waar moet je nu heen ?” „Waar ga jij heen ?” vroeg ik. „Hoboken.” „Ja, datis goed,” zei ik, moe en onverschillig. „Als ik hier eerst maar ’n eind vandaan kwam!” Ik hield me aan de ijzeren leuning vast en sloot een oogenblik de oogen, duizelig en gedachteloos. Als ’n opgejaagd dier voelde ik me, snakkend naar rust, en T liefst had ik me in dien melkwagen maar languit te slapen gelegd. Nu eerst merkte ik dat ’t bloed me met straaltjes langs ’t gezicht liep, blijkbaar uit ’n hoofdwind, waarvan ik trouwens de pijn begon te gevoelen. Het was me of ik alles in ’n droom waarnam ; zelfs het botsen van den wagen kwam slechts vaag tot me, en mijn bewustzijn begon langzaam weg te vloeien. Wat er van dat oogenblik af gebeurde, staat me flauw en verward voor. Het komt ongeveer hier op neer: de koetsier schijnt gemerkt te hebben dat ik half bewusteloos achterover zakte en heeft daarom bij de eerste de beste kroeg halt gehouden. (Wordt vervolgd). 75 (12a)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1866 tot 1870 van 11897