|
PA * 14
. <
.OOI
„Heb
X Heve jongen 1"
^moeder ook !” zei
>eenvoud ! n toen, op
don die antwoord eischte:
■leb jij geen kleine jongens,
zooals ik ?”
„Jawel!” antwoordde de man,
„twee !”
„Vin-je die jongens niet aardig
? gooien ze weleens een
hond met een steen ? of trappen
ze het gras plat ? — dat
doe ik weleens I”
„O, ze zijn wat aardig !” zei
de vader.
„Wor dan maar gauw beter!”
Robby’s stemmetje behield een
bevelenden toon.
„Je wil toch wel graag beter
worden ?”
„Nee, liever niet!” antwoordde
de man en de druk van
zijn hand werd weer losser.
„Onze lieve Heer zal vrééselijk
kwaad op je zijn!” zei
Robby met een diepe stem.
„Je lieve Heer heeft me allang
vergeten !” zuchtte de man.
„Onze lieve Heer kan niets
vergeten, niet eens een heel
klein muschje, dus jou ook niet!”
beweerde het kind. „Huilen je
jongens niet om je en je vrouw?”
„Mijn jongens misschien wel,
nüpl niet!”
Robby dacht eVCH
zei hij beslist:
„Nou, je jongens zijn toch
het voornaamste I Met wie moet je anders paardje spelen ?”
Een schok ging door het lichaam van den zieke; hij
probeerde zich op te richten, maar zonk glimlachend weer
in de kussens terug.
„Zeg me eens, Robert! zal ik de jongens schrijven dat
ik hier ben ?”
„Natuurlijk !” zei Robby verontwaardigd, „heb je dat
nog niet gedaan? Niet eens een ansicht gestuurd? — Ik
heb er twee van vader gehad, een van een loopgraaf en een
met een kanon erop !”
De deur ging open, de zuster trad binnen.
„Zietu nu wel dat ze u niet vergeten zijn, meneer Natal ?
Uw zoontje heeft u, geloof ik, al aardig opgevroolijkt, hè?”
„Ik ben zijn zoontje niet!” wierp Robby tegen, „maar
hij heeft er wel twee thuis ! Heeft u misschien een ansicht
met een kanon ?”
„Nee ventje, wel een hier van ’t hospitaal 1”
„Och, da’s ook wel aardig !” vond Robby, „geef u die
dan maar, dan kan hij even aan zijn jongens schrijven dat ze
eens hier moeten komen !”
„Maar u mag niet schrijven, patiëntje!” glimlachte
de zuster, „dat weet u wel, niet? Maar ik zal het wel even
voor u doen, hoor !”
Ze ging naar den zieke en streek vriendelijk over zijn hand.
„Ik ben héél blij over uw besluit!” zei ze zacht. Toen
ging ze de kaart halen.
„Mag ik ook komen als je jongens er zijn ?” vroeg Robby,
Hij heesch zich op het bed en liet zijn vingertje door den
langen baard glijden. De zieke legde zijn zwakke armen
om het ventje heen.
„Kom als je blieft zoo dikwijls als je wilt, mijn jongen !”
zei hij innig, „ik heb je zooveel
te danken !”
Robby begreep den zin dier
woorden niet goed.
De kleine Robert Natal werd
gehaald; hij nam een hartelijk
afscheid van zijn nieuwen vriend
en kuste hem tweemaal op zijn
kin, bijna het eenige plekje
waar het verband niet hinderde.
„Ik kom alle dagen terug,
hoor!” riep hij troostvol aan
de deur. En de zieke lachte hem
toe en sliep naderhand, voor het
eerst sinds vele nachten, gerust.
„Wel moeder, ben jij daar
ook ?” vroeg Robby, toen hij
in de portiersloge aankwam en
daar zijn moeder zitten zag met
den vreemden meneer die hem
een paar uur tevoren gebracht
had.
„Ik heb vader niet gevonden,
hoor 1” zei hij bedrukt.
De moeder sloot het jongetje
in haar armen.
• „Raad eens wat, Robby ?”
zei ze stralend, „vader is thuis
gebracht daareven en hij is
niet zoo heel erg ziek, schat!
Is dat niet heerlijk?”
„Fijn, hè moeder ?” Robby’s
oogen vertelden zijn vreugde.
„Maar weet je moeder waarom
het óók zoo pleizierig is ?
VEREENIGING VOOR WATERLEIDINGSBELANGEN.
Verleden week had in een der zalen van Hotel „De Twee Steden’’ te ’s-Gravenhage, onder voorzitterschap van den
heer Ch. van Spall uit Leiden, de 17e algemeene vergadering plaats van de „Vereeniging voor Waterleidingsbelangen
in Nederland.” Hierboven een groep der vergaderden.
N. P. JONGKINDT. JAC. D’OLIVEIRA.
De heer N. P. JONGKINDT, in leven notaris te Dordrecht, is een dezer
dagen aldaar overleden. De overledene was daar ter stede een zeer gezien
inwoner en mocht zich in ’t bijzonder verheugen in de sympathie zijner
stadgenooten. — Onze vroegere landgenoot, de bekende violist JAC,
D’OLIVEIRA, is op ’t laatst der vorige maand te Stockholm op 24-jarigen
leeftijd overleden. Aanvankelijk opgeleid aan het Conservatorium te Antwerpen,
zette hij zijn studie voort aan het Conservatorium te Amsterdam, waar
hij op 18-jarigen leeftijd het diploma als vioolleeraar verkreeg.
Ik zal iederen dag hier naar toe moeten om met meneer
Joseph Natal een beetje te praten, dat heb ik beloofd, want
anders wordt-ie nóóit beter, heeft de zuster gezegd. Als
vader nu niet zoo erg ziek is, kan ik wel weggaan, hè moeder?”
En Robby ging iederen dag, tot de man met den baard
beter was en in staat om met zijn jongens paardje te spelen.
Julia Frank.
EEN FELLE BRAND.
Verleden week Zondag ontstond brand in de hoeve Bouwlust. bewoond door den landbouwer Kloek en gelegen onder de gemeente Leerdam.
Hoewel spoedig verschillende spuiten aanrukten en er verscheidene militairen aanwezig waren, viel door den hevigen wind aan biusschen niet
te denken, zoodat de geheele boerderij met bijbehoorende schuren een prooi der vlammen werd. In de hoeve was het Hoofdkwartier gevestigd
van een landweercompagnie, terwijl er een twintigtal soldaten waren ingekwartierd.
DE „EERSTE”
GRENADIER VAN
FRANKRIJK
®SS®S®sle jaren geleden
(V.F.B.)
bestond er bij een
> der Fransche grenadiers-regimenten
een eigenaardig
gebnjik> dat
treffend door zijn eenvoud nimmer
naliet een indruk op de
verzamelde manschappen te
maken. Het gold hier de nagedachtenis
te eeren van een
dapper kameraad, die buitengewonen
heldenmoed aan den
dag had gelegd in oorlogstijd.
Wanneer de compagnieën voor
een parade stonden aangetreden
en er appèl werd gehouden, dan
wist ieder ingewijde, dat bij het
afroepen van één der namen niet
het gebruikelijke „Present!” zou
worden gehoord, — n.1. bij dien
van La Tour d’Auvergne. Zoodra
deze naam was afgelezen,
trad de oudste in dienstjaren
der aanwezige onderofficieren
uit het gelid en sprak, stram
salueerende, langzaam, bijna
plechtig: „Gestorven op het
veld van eer.” —
Had deze krijgsman zich inderdaad
zoo verdienstelijk gemaakt,
dat hem zelfs na zijn dood dergelijke eerbewijzen
ten deel vielen ? De geschiedenis laten wij hier volgen,
opdat de lezer zelf oordeele.
La Tour d’A'JYer^pc Cptvino zijn opleiding aan de krijgsschool
en begon zijn militairs loopbaan In bet jaar -767.
Hij onderscheidde zich door toewijding en trouwe plichtsbetrachting,
doch weigerde steeds elke promotie, daar hij,
volgens zijn zeggen, slechts geschikt was om het commando
over een compagnie grenadiers te voeren ; toen ten laatste
echter de verschillende compagnieën grenadiers tot één geheel
waren vereenigd, bleek hij niet minder dan 8000 man onder
zijn bevel te hebben, ofschoon hij toch slechts den rang
van kapitein bezat. Sedert was hij algemeen bekend als :
„de eerste grenadier van Frankrijk.” —
Toen d’Auvergne veertig jaar oud was, bracht hij eens
een bezoek aan een vriend, die in een landstreek woonde,
welke vermoedelijk spoedig het operatie-tooneel van een
veldtocht zou worden. Tijdens zijn verblijf aldaar verkende
hij nauwkeurig den omtrek, niet vermoedende, dat deze
wetenschap hem zoo spoedig te pas zou komen. Weldra
ondervond hij evenwel, dat het tooneel van den strijd
inderdaad reeds naar deze streken verplaatst was. —
Een regiment Oostenrijkers rukte snel voorwaarts om een
nauwen bergpas te bezetten, welks bezit hen in staat zou
stellen, een belangrijke beweging van het Fransche .leger
te verhinderen. Men hoopte dezen post bij verrassing
te bezetten en het regiment bewoog zich zoo snel voorwaarts,
dat, eer deze de tijding vernam, zij nog slechts twee uur
van de plaats verwijderd was, waar onze grenadier zich
bevond en waar zij op hun doormarsch ook moesten
voorbijtrekken. —
La Tour had niet veel lust
zich door den oprukkenden
vijand te laten overrompelen
en vertrok onmiddellijk naar
den bedreigden pas. Hij wist,
dat deze verdedigd werd door
een garnizoen van 30 man,
verschanst in een sterken toren
en hoopte hen nog tijdig voor
het gevaar te kunnen waarschuwen.
Na een snellen marsch
ter plaatse aangekomen vond
hij den toren in uitmuntenden
staat, doch de bezetting, die
van de nadering der Oostenrijkers
gehoord had, was
schandelijk gevlucht, met achterlating
van haar wapenen,
een dertigtal zeer goede musketten.
—
Een oogenblik was hij wanhopig,
doch ook slechts één
oogenblik ; dan begon hij met
een vastberaden trek op het
gelaat de hoofdpoort te sluiten
en ze met alle mogelijke voorwerpen,
die hij maar kon vinden,
te barricadeeren.
Vervolgens laadde hij snel
alle geweren en plaatste ze
met een goeden voorraad ammunitie
voor de schietgaten,
die den door den vijand te
volgen weg beheerschten. Na
zich versterkt te hebben met
de medegebrachte proviand,
zette hij .zich bedaard neder,
in afwachting van de dingen.
|