Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1861 tot 1865 van 11897
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 De Heerenmodes voor het komende Winterseizoen Sen nieuw model winterdas, in den vorm van de voormalige gefeleede jas, kleeren maken den man”, 200 luidde het spreekwoord, door onze voorvaderen de wijde wereld van het spraakgebruik ingestuurd, en ik kan me niet anders voorstellen dan dat ze er mee bedoelden: „de indruk, dien een mensch zoo voorloopig op je maakt, hangt voor minstens 50% van zijn kleeren af”. En daar is veel waars in. Ja, natuurlijk zijn een mooi karakter, een goed verstand en zoo, heel wat meer waard dan een nieuwe overjas of een keurig jacquet-costuum, maar het duurt altijd een respectabel poosje voor je erachter bent of een mensch zulke mooie hoedanigheden heeft, terwijl je direct ziet of iemand behoorlijk gekleed is. Bij de oppervlakkige ontmoetingen, waaruit de omgang tusschen menschen en menschengenooten nu eenmaal bestaat, is de kleeding dus den maatschappeling zijn cachet; zij bepaalt vrijwel de persoonlijkheid, die zich bij ons aanmeldt, en bepaalt daardoor dus tevens ongeveer, op welke wijze men met die aangemelde zal omspringen. (Dit „omspringen” dan, bij wijze van spreken). Het zou een dankbare taak zijn, de geschiedenis der kleedkunst te onderzoeken en te schrijven, of zelfs de geschiedenis van een enkel kleedingstuk door de tijden heen, ware een pleizierige opgaaf voor den veelzijdigen historicus, b.v. „De pantalon van de oudste tijden tot heden”, „De jaskraag en zijn evolutiën sinds Karei den Grooten”, „De Dassen der oude Egyptenaren rond de Boorden van den Nijl”, en wat dies meer zij. - In groote lijnen komt de geschiedenis van het kleedingstuk hierop neer, dat om zoo te zeggen, de eerste steen ervan is gelegd door de schaamte, en de koude samen. Men begon zich te bedekken met een kleinigheid, en allengs werd deze bedekking omvangrijker. Bij tropische volken echter, waar de schaamte niet zeer in aanzien is, wordt nog steeds, naar ik hoor, het dragen van meerdere kleedingstukken niet als een blijk van hoogere beschaving, stand of fatsoen aangemerkt. Integendeel, het geschiedde zelfs eens dat een wilden stam koffers met kleeding- en toilet-zaken in handen vielen; elk inboorling nam er wat van, maar de verdeeling kwam heel anders uit dan men hier vermoeden zou; de eenvoudige lieden kozen volledige costuums uit den buit, maar hoe hooger in rang, hoe minder men ervan wenschte te profiteeren, ja, de vorst droeg alleen een paar manchetten, en de vorstin alleen een parasol... Gelukkig is het in het beschaafde Europa anders gesteld ; hoe beter men het betalen kan, hoe solider men is uitgerust. En niet slechts dat men die dingen draagt welke ons flink en aangenaam kleeden, maar er komt nog iets bij ; er is een heerschende mode, en voor men het weet, valt men aan die heerscheresse ten prooi, iets wat trouwens heel niet onplezierig is. En niet onpractisch ook, want de menschen die ge ontmoet, zullen ook aan U opmerken, of gij die mode min of meer volgt, of ge weet „wat men draagt”, en een ieder die prijs op zijn uixeriijk stelt, zal zich, zonder nu precies een slaaf der mode te wezen, toch naar dó regeerende mode moeten kleeden. Daar gaat geen aardappel van af? Wij geven onzen lezers hieronder eenige wenken omtrent wat dit najaar door den heerschenden vorst Fashion als modedracht wordt gedicteerd. Aan de gekleede jas is het „adieu” toegeroepen, en het „tot weerziens” moge voor mijn part uitblijven . . . Want het was een ongelukkig gevaarte, een leelijk lijkbidders-uniform, met permissie, Het jacquet „cutaway”, vervangt op zwierige wijze de weggejaagde gekleede jas en geldt voor „gekleed”. Dat is al een verbetering zou men zoo zeggen. Maar aangezien de mensch, graag gekleed wilt zijn zonder geklééd te zijn, wordt die gekleede jacquetjas bewaard voor wandelingen en gelegenheden waarbij rok of smoking te overdreven zouden doen en de gewone colberts te zeer ön-officieel; in het dagelijksch doen draagt men dus het colbert-costuum. De colberts zijn thans weer korter dan ’t vorig jaar en zonder split in den rug; vest en jas zijn niet te laag uitgesneden, de pantalon wordt niet meer zoo wijd gedragen en heeft nog steeds onderaan de manchet. Wat de overjassen aangaat, een voornaam artikel voor een ophanden najaar- en winterseizoen, reproduceeren wij eenige nieuwe modellen, welke dit jaar in zwang zullen komen. Het was in „Het Jagershuis” te Amsterdam, dat wij deze modellen te zien kregen. ïn de eerste plaats de Macfarlane; een korte demisaison met korte pélerine; de jas heeft geen split van achter en kleedt elegant; ze wordt uit effen donkerblauwe stof vervaardigd. ïn de tweede plaats de racing-coat of... gekleede winterjas, (zie eveneens de afbeelding); dit kleedingstuk is getailleerd, doch heeft geen taille-naad, maar aan weerszijden borstnaden, waardoor de in het middel inwaarts loopende vorm verkregen wordt; men vervaardigt Oe Macfarlane, een nieuw model demi-saison. ©e nieuwe Regenjas. het uit Natiné of andere zware stoffen; de kraag is van fluweel, In Amerika wordt dit model reeds veel gedragen, naar men ons mededeelt. De derde afbeelding geeft de nieuwe regenjas weer, korter en nauwer dan die, welke vroeger gedragen werd, en sierlijk van vorm. Wat de hoeden aangaat, men zal ze dezen winter bijna uitsluitend van slap vilt zien in groen of beige met den strik van achter. De schoenen zullen zwart of donker havannabruin zijn met slobkousen, terwijl bij avondkleeding de lakschoen zich op de eereplaats blijft handhaven. Overhemden worden nog wel in bonte kleuren met boorden van dezelfde stof en kleur gedragen. Deze dracht blijft echter altijd iets sportiefs behouden; keuriger is het witte overhemd met zwart of donker gekleurde eenvoudige dessins. De overhemden zijn dit jaar met slappe dubbele manchetten. Bij deze overhemden behoort het staande boord met omgevouwen rechte hoeken, of ook wel het liggende dubbele boord met lange neergaande punten. Dassen kieze men zwart met witte streepen of moesjes of in donker effen kleur; sokken ook zwart met wit; de vinnig-gekleurde sokken geven den meest serieuzen wandelaar eenigszins het aanzien van een acrobaat; men verbeeldt zich, dat ze slechts het zichtbaar komende ondergedeelte zijn van een kunstenmakerstricot; (aan den hals vaak in een paskwilligen Schiller-kraag eindigend.) De zakdoek, die een weinig aan den borstzak ontwippen mag, cursiveere den eenvoud van het geheel met een smettelooze blankheid zonder een zweem van kleur in rand of middenvlak. De handschoenen, minder eenvoudig dan het geheel, worden in wit en zeer lichte kleuren gedragen, daarbij wijd en los om de hand, „sack-gloves”. Het wandel-toilet wordt bekroond door een donkerkleurigen stok, die op zijn beurt weer door een rechten zilveren of vergulden knop bekroond wordt. En hiermede neem ik afscheid van U, mijn lezers. Doe Uw voordeel met de mode, maar . .. koop nooit iets dat U niet goed staat. Dat is een wijze les en ik vraag er geen cent voor. En eenmaal gekocht, draagt alles in gezondheid, mijn vrienden. En nu adieu. WILLY.
PDF
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
03
Tekst
11 PANORAMA EEN TRANSPORT GEWAPENDE GEVANGENEN. Een transport gevangengenomen Russen trekt, onder geleide van gewapende Oostenrijksche infanteristen, door een door de verbonden mogendheden bezette Russische stad. De Russen hebben hun wapens die zij moeten afgeven aan de Kommandantur, nog bij zich. (Ver. Fotob.) TERUGKEER EN D E VLUCHTELINGEN. De Russische steden vullen zich langzamerhand weder met bewoners, die voor eenigen tijd, bij den intocht der Duitschers, have en goed hebben verlaten. Stroomen vluchtelingen bewegen zich over het land en door de straten, meestal onder toezicht van Duitsche of Oostenr. militairen. OVFRWINNINGSSTEMMING. Oostenrijksche artillerie trekt met versierde kanonnen, door de straten van de stad Lublin (Russisch Polen), groote kudden slachtvee met haar mede voerend. De straten der stad bieden thans een ongewoon schouwspel; Polen, Joden, Russen, Oostenrijksche en Duitsche militairen bewegen er zich door elkaar. DE DUITSCHERS IN HET BEZETTE BELGIË. BERICHTEN VAN HUIS. De pakjes en brieven, bestemd voor de soldaten in de bezette steden van België worden naar de verschillende geadresseerden per boerenwagen rondgebracht. Dat de aankomst van den (acteur (brievenbesteller), inzonderheid bij het leger, altijd met ingenomenheid wordt begroet, kan men zich gemakkelijk voorstellen. EEN SPION. Een Belg, verdacht van spionnage, wordt door de Duitschers aan de Hollandsche grens aangehouden, waar de bevelvoerende officier van de-grenswacht, hem een voorloopig verhoor hfneemt, alvorens hem voor de Kommandantur te geleiden, DE ELECTRISCHE DOOD. Een slachtoffer van de electrische grensafsluiting aan de Hollandsch-Belgische grens. De man, die waarschijnlijk tusschen de draden door heeft willen kruipen om op deze wijze Nederlandsch grondgebied te bereiken, heeft dit waagstuk — zooals reeds velen vóór hem — met den dood moeten bekoopen. (foto's V.F.B.} 14 (11b) De Duitschers en Oostenrijkers in het door hen bezette gebied
PDF
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 DE NIEUWE HOOGERE BURGERSCHOOL TE LEIDEN. Extérieur van het voor-eenige dagen voltooide gebouw van de nieuwe Hoogere Burgerschool te Leiden. De school, in een rustig stadsgedeelte gelegen, is geheel naar de laatste eischen ingericht en beteekent voor Leiden en omstreken op onderwijsgebied een niet te onderschatten aanwinst, (foto Jonker.) PLANTEN KEURING IN DEN HAAGSCHEN DIERENTUIN. Vrijdag 10 September is in den Haagschen Dierentuin een schitterende plantententoonstelling, de z.g. plantenkeuring van de Nederlandsche Maatschappij voor tuinbouw- en plantkunde, geopend. Wij geven hierboven een foto van de groep officieele personen die bij de opening tegenwoordig waren. * tjoio Kreveld) DE KLEINE HEEL= MEESTER &
PDF
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
05
Tekst
PANORAMA ,,Ziezoo, jonge man ! geef me nu maar een hand, dan zullen we zien dat we je vader vinden !” Robby zei niets, maar hij hief zijn lieve kinderoogen op naar den vriendelijken man en nestelde zijn vuistje in diens groote hand. En zoo stapten ze samen het perron op. De portier van het groote hospitaal zocht in de boeken naar Robert Natal, den vader van het kleine ventje, dat met zijn pet in de hand op de knie van den meneer zat te wachten. „Robert Natal? niet te vinden ! Maar wacht eens, hier heb ik Joseph Natal 1 Kan het die wezen ?” Robert vond dit verschil in naam van geen belang; hij hoorde den naam „Natal”. „Dat is hem, dat is vader!” zei hij trotsch. De meneer kuste hem. „Ik moet nu weg, Robert, maar over een paar uurtjes zal ik je komen halen, hoor1 Portier, laat je den kleinen man niet ontsnappen ?” „Warempel niet, meneer !” antwocfrdde de man. Toen nam hij Robby bij de hand. „Ga jij maar met me mee 1” Robert werd overgegeven aan een verpleegstertje, een DE BEGRAFENIS VAN PÉGOUD. Vrijdag 3 September is met groot militair eerbetoon het stoffelijk overschot teraardebesteld van den bekenden Franschen vliegenier Pégoud, die in een gevecht met een Duitscher gedood is. Vier Fransche generaals volgden de lijkkoets. Wij geven hierboven een foto van den stoet, het militair hospitaal te Belfort verlatende. TREKHONDEN IN HET FRANSCHE LEGER. In navolging van andere landen, waar men den trekhond reeds lang in het leger heeft ingevoerd, gebruikt het corps Fransche Alpenjagers thans ook honden voor het voortbewegen van zijn mitrailleurs. jong meisje met een vroolijk gezichtje, ’twelk Robert opperbest beviel. „Wat vind ik jou aardig I” zei hij galant, toen ze stilhielden voor een der vele deuren. Het meisje lachte zacht, toen legde ze den vinger op de lippen. „Je mag niet veel praten binnen, hoor 1 Vader is héél ziek en moet stil blijven liggen 1” „Ja!” beloofde Robby, zijn mondje spitsend. De deur werd opengeduwd, Robby snoof met zijn neusje en zette groote oogen op. Hij vergat dadelijk het verbod om te praten. „Wat is het hier donker, vader l” zei hij hardop, bij de deur staan blijvend, „vin-je dat niet akelig, vader?” Er kwam geen antwoord ; Robby’s hartje bonkte in zijn keel, maar hij was een dapper jongetje en liep op zijn teentjes naar het ledikant. Hij zag een bleek gezicht met een grooten, zwarten baard, in de witte omlijsting van verband. De doorschijnende handen lagen roerloos op het dek. Robert klauterde op den stoel die voor het bed stond en keek zwijgend naar het strakke gezicht. Toen ging zijn vingertje besluiteloos EEN VERLATEN STELLING. Een stevig ingerichte Russische stelling in de omgeving van Izbica, die de Duitschers stormenderhand genomen hebben. naar zijn mondje. „Jij bent vader niet!” zei hij zangerig. De zieke opende zijn oogen en er gleed iets als een glimlach over zijn smartelijke trekken. Een van de witte handen strekte zich naar het kind uit. „Franvois 1” fluisterde hij. „Ik heet Robert Natal I” verbeterde Robert, niettemin de hand pakkend die hem toegestoken werd. De zieke sloot de oogen weer. „Och ja, natuurlijk 1” zuchtte hij. Robby keek hem nieuwsgierig aan; er gleed iets vochtigs van onder de donkere oogwimpers van den man en vloeide langzaam op het kussen. De kleine Robert liet den eersten traan glijden, den tweeden en derden streek hij behoedzaam weg met één vingertje. „Waarom huil je ?” vroeg hij wijsgeerig, „om je moeder ? of om je vrouw?” Ik denk wel dat vader ook ommoeder zal huilen, want we weten niet waar hij is Ik dacht dat j ij vader vader niet!” van den man liet langzaam die van het en daarom ziet hij ons nooit, was ! Maar j ij hebt een baard en De hand kind los. REIMS EN DE OORLOG. Twee leiders van de Labour Party in Engeland met hun gids en tolk, aan Reims. Op de foto ziet men vóór de beschermde Kathedraal Jeanne d’Arc, dat ondanks de herhaalde beschieting van de stad nog , gefotografeerd bij een bezoek het bekende standbeeld van zoo goed als onbeschadigd is. „Hou je niet van kleine jongens?” vroeg Robert. „Mijn vader wèl 1 Je mag me gerust een hand geven ! Wil je misschien wat drinken ? Je kussen opschudden kan ik niet; ik probeerde het eens toen moeder ziek was, maar ik viel achterover omdat het kussen zoo zwaar was !” De schaduw van een glimlach vloog over het gelaat van den zieke. De hand greep weer die van het kind en de oogen openden zich en zagen het kind vol aan. DE REQUISITIES. Duitsche soldaten in een der dorpen van Noord-België bezig met het vervoeren van gerequireerd graan. {Ver. Fotobur.) DE VISITATIE AAN DE HOLLANDSCHBELGISCHE GRENS. De auto van de Amerikaansche commissie tot steun van de behoeftige Belgische bevolking, wordt door de Duitsche grenswacht aan de HollandschBelgische grens onderzocht. (V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
06
Tekst
PA * 14 . < .OOI „Heb X Heve jongen 1" ^moeder ook !” zei >eenvoud ! n toen, op don die antwoord eischte: ■leb jij geen kleine jongens, zooals ik ?” „Jawel!” antwoordde de man, „twee !” „Vin-je die jongens niet aardig ? gooien ze weleens een hond met een steen ? of trappen ze het gras plat ? — dat doe ik weleens I” „O, ze zijn wat aardig !” zei de vader. „Wor dan maar gauw beter!” Robby’s stemmetje behield een bevelenden toon. „Je wil toch wel graag beter worden ?” „Nee, liever niet!” antwoordde de man en de druk van zijn hand werd weer losser. „Onze lieve Heer zal vrééselijk kwaad op je zijn!” zei Robby met een diepe stem. „Je lieve Heer heeft me allang vergeten !” zuchtte de man. „Onze lieve Heer kan niets vergeten, niet eens een heel klein muschje, dus jou ook niet!” beweerde het kind. „Huilen je jongens niet om je en je vrouw?” „Mijn jongens misschien wel, nüpl niet!” Robby dacht eVCH zei hij beslist: „Nou, je jongens zijn toch het voornaamste I Met wie moet je anders paardje spelen ?” Een schok ging door het lichaam van den zieke; hij probeerde zich op te richten, maar zonk glimlachend weer in de kussens terug. „Zeg me eens, Robert! zal ik de jongens schrijven dat ik hier ben ?” „Natuurlijk !” zei Robby verontwaardigd, „heb je dat nog niet gedaan? Niet eens een ansicht gestuurd? — Ik heb er twee van vader gehad, een van een loopgraaf en een met een kanon erop !” De deur ging open, de zuster trad binnen. „Zietu nu wel dat ze u niet vergeten zijn, meneer Natal ? Uw zoontje heeft u, geloof ik, al aardig opgevroolijkt, hè?” „Ik ben zijn zoontje niet!” wierp Robby tegen, „maar hij heeft er wel twee thuis ! Heeft u misschien een ansicht met een kanon ?” „Nee ventje, wel een hier van ’t hospitaal 1” „Och, da’s ook wel aardig !” vond Robby, „geef u die dan maar, dan kan hij even aan zijn jongens schrijven dat ze eens hier moeten komen !” „Maar u mag niet schrijven, patiëntje!” glimlachte de zuster, „dat weet u wel, niet? Maar ik zal het wel even voor u doen, hoor !” Ze ging naar den zieke en streek vriendelijk over zijn hand. „Ik ben héél blij over uw besluit!” zei ze zacht. Toen ging ze de kaart halen. „Mag ik ook komen als je jongens er zijn ?” vroeg Robby, Hij heesch zich op het bed en liet zijn vingertje door den langen baard glijden. De zieke legde zijn zwakke armen om het ventje heen. „Kom als je blieft zoo dikwijls als je wilt, mijn jongen !” zei hij innig, „ik heb je zooveel te danken !” Robby begreep den zin dier woorden niet goed. De kleine Robert Natal werd gehaald; hij nam een hartelijk afscheid van zijn nieuwen vriend en kuste hem tweemaal op zijn kin, bijna het eenige plekje waar het verband niet hinderde. „Ik kom alle dagen terug, hoor!” riep hij troostvol aan de deur. En de zieke lachte hem toe en sliep naderhand, voor het eerst sinds vele nachten, gerust. „Wel moeder, ben jij daar ook ?” vroeg Robby, toen hij in de portiersloge aankwam en daar zijn moeder zitten zag met den vreemden meneer die hem een paar uur tevoren gebracht had. „Ik heb vader niet gevonden, hoor 1” zei hij bedrukt. De moeder sloot het jongetje in haar armen. • „Raad eens wat, Robby ?” zei ze stralend, „vader is thuis gebracht daareven en hij is niet zoo heel erg ziek, schat! Is dat niet heerlijk?” „Fijn, hè moeder ?” Robby’s oogen vertelden zijn vreugde. „Maar weet je moeder waarom het óók zoo pleizierig is ? VEREENIGING VOOR WATERLEIDINGSBELANGEN. Verleden week had in een der zalen van Hotel „De Twee Steden’’ te ’s-Gravenhage, onder voorzitterschap van den heer Ch. van Spall uit Leiden, de 17e algemeene vergadering plaats van de „Vereeniging voor Waterleidingsbelangen in Nederland.” Hierboven een groep der vergaderden. N. P. JONGKINDT. JAC. D’OLIVEIRA. De heer N. P. JONGKINDT, in leven notaris te Dordrecht, is een dezer dagen aldaar overleden. De overledene was daar ter stede een zeer gezien inwoner en mocht zich in ’t bijzonder verheugen in de sympathie zijner stadgenooten. — Onze vroegere landgenoot, de bekende violist JAC, D’OLIVEIRA, is op ’t laatst der vorige maand te Stockholm op 24-jarigen leeftijd overleden. Aanvankelijk opgeleid aan het Conservatorium te Antwerpen, zette hij zijn studie voort aan het Conservatorium te Amsterdam, waar hij op 18-jarigen leeftijd het diploma als vioolleeraar verkreeg. Ik zal iederen dag hier naar toe moeten om met meneer Joseph Natal een beetje te praten, dat heb ik beloofd, want anders wordt-ie nóóit beter, heeft de zuster gezegd. Als vader nu niet zoo erg ziek is, kan ik wel weggaan, hè moeder?” En Robby ging iederen dag, tot de man met den baard beter was en in staat om met zijn jongens paardje te spelen. Julia Frank. EEN FELLE BRAND. Verleden week Zondag ontstond brand in de hoeve Bouwlust. bewoond door den landbouwer Kloek en gelegen onder de gemeente Leerdam. Hoewel spoedig verschillende spuiten aanrukten en er verscheidene militairen aanwezig waren, viel door den hevigen wind aan biusschen niet te denken, zoodat de geheele boerderij met bijbehoorende schuren een prooi der vlammen werd. In de hoeve was het Hoofdkwartier gevestigd van een landweercompagnie, terwijl er een twintigtal soldaten waren ingekwartierd. DE „EERSTE” GRENADIER VAN FRANKRIJK ®SS®S®sle jaren geleden (V.F.B.) bestond er bij een > der Fransche grenadiers-regimenten een eigenaardig gebnjik> dat treffend door zijn eenvoud nimmer naliet een indruk op de verzamelde manschappen te maken. Het gold hier de nagedachtenis te eeren van een dapper kameraad, die buitengewonen heldenmoed aan den dag had gelegd in oorlogstijd. Wanneer de compagnieën voor een parade stonden aangetreden en er appèl werd gehouden, dan wist ieder ingewijde, dat bij het afroepen van één der namen niet het gebruikelijke „Present!” zou worden gehoord, — n.1. bij dien van La Tour d’Auvergne. Zoodra deze naam was afgelezen, trad de oudste in dienstjaren der aanwezige onderofficieren uit het gelid en sprak, stram salueerende, langzaam, bijna plechtig: „Gestorven op het veld van eer.” — Had deze krijgsman zich inderdaad zoo verdienstelijk gemaakt, dat hem zelfs na zijn dood dergelijke eerbewijzen ten deel vielen ? De geschiedenis laten wij hier volgen, opdat de lezer zelf oordeele. La Tour d’A'JYer^pc Cptvino zijn opleiding aan de krijgsschool en begon zijn militairs loopbaan In bet jaar -767. Hij onderscheidde zich door toewijding en trouwe plichtsbetrachting, doch weigerde steeds elke promotie, daar hij, volgens zijn zeggen, slechts geschikt was om het commando over een compagnie grenadiers te voeren ; toen ten laatste echter de verschillende compagnieën grenadiers tot één geheel waren vereenigd, bleek hij niet minder dan 8000 man onder zijn bevel te hebben, ofschoon hij toch slechts den rang van kapitein bezat. Sedert was hij algemeen bekend als : „de eerste grenadier van Frankrijk.” — Toen d’Auvergne veertig jaar oud was, bracht hij eens een bezoek aan een vriend, die in een landstreek woonde, welke vermoedelijk spoedig het operatie-tooneel van een veldtocht zou worden. Tijdens zijn verblijf aldaar verkende hij nauwkeurig den omtrek, niet vermoedende, dat deze wetenschap hem zoo spoedig te pas zou komen. Weldra ondervond hij evenwel, dat het tooneel van den strijd inderdaad reeds naar deze streken verplaatst was. — Een regiment Oostenrijkers rukte snel voorwaarts om een nauwen bergpas te bezetten, welks bezit hen in staat zou stellen, een belangrijke beweging van het Fransche .leger te verhinderen. Men hoopte dezen post bij verrassing te bezetten en het regiment bewoog zich zoo snel voorwaarts, dat, eer deze de tijding vernam, zij nog slechts twee uur van de plaats verwijderd was, waar onze grenadier zich bevond en waar zij op hun doormarsch ook moesten voorbijtrekken. — La Tour had niet veel lust zich door den oprukkenden vijand te laten overrompelen en vertrok onmiddellijk naar den bedreigden pas. Hij wist, dat deze verdedigd werd door een garnizoen van 30 man, verschanst in een sterken toren en hoopte hen nog tijdig voor het gevaar te kunnen waarschuwen. Na een snellen marsch ter plaatse aangekomen vond hij den toren in uitmuntenden staat, doch de bezetting, die van de nadering der Oostenrijkers gehoord had, was schandelijk gevlucht, met achterlating van haar wapenen, een dertigtal zeer goede musketten. — Een oogenblik was hij wanhopig, doch ook slechts één oogenblik ; dan begon hij met een vastberaden trek op het gelaat de hoofdpoort te sluiten en ze met alle mogelijke voorwerpen, die hij maar kon vinden, te barricadeeren. Vervolgens laadde hij snel alle geweren en plaatste ze met een goeden voorraad ammunitie voor de schietgaten, die den door den vijand te volgen weg beheerschten. Na zich versterkt te hebben met de medegebrachte proviand, zette hij .zich bedaard neder, in afwachting van de dingen.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1861 tot 1865 van 11897