Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1856 tot 1860 van 11897
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA ""ét ^^mk-ï „ WAT DE DUITSCHERS VINDEN - . . Wat door de Russen op hun terugtocht niet kan worden meegenomen, wordt, vóór het in handen der Duitschers valt, totaal verwoest. Wij geven hierboven een foto van de schepen, die de Russen uit de vesting Nowo Georgiewsk niet hadden kunnen meevoeren en die ze daarom geheel onbruikbaar maakten, voor de vesting door de Duitschers werd genomen. ÉÉN DER VELEN. (V.F.B.) Een bouwkundig teekenaar, die in den oorlog zijn rechterarm heeft verloren, en nu, met behulp van een vernuftig, door hem zelf uitgevonden apparaat, z'n mond gebruikt om te teekenen. HET OOSTENRIJKSCHE ZWARE GESCHUT. Een der zware Oostenrijksche Skadakanonnen, die gedurende het transport is omgevallen en gedeeltejijk onbruikbaar is geworden. Zooals op de foto zichtbaar is, is de loop van het kanon door den val gebroken. Allendale op kalmen, waardigen toon. De twistzieke geagi- teerde stem, die uit de zwachtels kwam, ging voort: „Snij uit, Keighley 1 Sluit de deur! Laat geen mensch binnen •— hoor je ; geen mensch ! — Ook mijn vrouw niet! Laat niemand luisteren 1 Zet een stoel hier, mijn- heer, vlak bij mij. Ik kan niet schreeuwen. Ik ben ,,op", stervende! Is Keighley weg ?" De dokter keek Allen- dale waarschuwend en beteekenisvol aan. Deze laatste begreep den ernstigen blik. De pa- tiënt moest rustig ge- houden worden. Hij her- innerde zich de woorden van den geneesheer: de minste schok, de gering- ste opwinding zal hem dooden. Allendale knikte ge- ruststellend. Hij wist uit ervaring hoe in deze omstandigheden gehan- deld worden moest. Keighley sloot de deur. „Is hij weg ?" „Ja!" „Zijn we alleen ?" „Ja!" „Kan geen mensch DE CANADEESCHE VRIJWILLIGERS. Bovenstaande foto toont op uitnemende wijze door welke geestdrift de Canadeesche vrijwilligers bezield worden. De foto is ge- nomen te Ottawa nadat een mededeeling was bekend gemaakt, dat het moederland (Engeland) wederom 42.000 vrijwilligers opriep. De mannen stormden het aanmeldingsgebouw binnen, zoodat op 't laatst de politie er aan te pas moest komen. ons gesprek afluisteren?" „De deur is gesloten ; we zijn alleen in de ka- mer. Spreek zacht, ik, ben vlak bij u ! Wat kan ik voor u doen ?" Allendale leunde voor- over. De stem van dit menschelijk wrak kwam hem bekend voor. On- getwijfeld had hij deze bijtende stem meer ge- hoord. Maar waar? Hij pijnigde zijn her- sens tevergeefs om het te weten. Een lichte rilling door- liep hem. Hij voelde als 't ware bijna instinctief een ze- keren afkeer voor den stervende. 't Was hem alsof er iets in dien man hem herinnerde aan een vroe- gere, onaangename ge- beurtenis in zijn leven. De stem van den zieke brak zijn overpeinzingen echter af en Allendale boog zich dieper over het bed van den tot sterven gedoemden man. „Zweer dat je geheim zult houden wat ik je ga vertellen," ging de stervende voort. „Ik moet je een bekentenis doen. Ik . ..." „Je spreekt alleen tot God en mij. Niemand zal iets vernemen. Ga voort!" DE DUITSCHE BEZETTING IN BELGIË. Aan alle sluizen der kanalen in België hebben de Duitschers een schildwacht geplaatst, ter bewaking van de neutrale schepen om op deze wijze den 'smokkelhandel zooveel mogelijk te voorkomen. (Ver. Fotobur.) HET VOEDINGSVRAAGSTUK IN DU ITSCH LAND. Nu Duitschland vrijwel geheel van de buitenwereld is afgesloten en dus bijna geen voedingsmiddelen meer kan invoeren, wordt elk stukje grond, dat er voor in aanmerking komt. bebouwd. Zoo zijn bijna alle siertuinen en parken herschapen in moestuinen. Op onze foto ziet men een bloementuin in de omqevinq van München, die in een moestuin veranderd is. {V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 „Geef me je woord 1” „Ik heb het gegeven,” antwoordde Allendale ; toen de ongeduldige beweging van den zieke bemerkende, ging hij voort: „ik geef u mijn woord van eer als dienaar Gods en als man, dat ik uw vertrouwen in mij door woord noch daad zal beschamen.” „Goed 1” De zieke kromp ineen op het rustbed en kreunde van de pijn. „Jaren geleden — vijf jaar geleden — werd ik verliefd op een meisje ; ik was een jonge gek 1 Zij is nu mijn vrouw.” „Dat is de gewone loop der dingen,” merkte Allendale op. „Om ’s hemels wil, houd mij niet voor den gek. Spot niet, of ga heen 1 Wat wil je ?” „Ga voort!” zei Allendale, het verwijt aanvaardende. „Zij was half-geëngageerd met een anderen kerel. Zij schreef hem een brief, en haar moeder vertelde mij wat de inhoud ervan was. Zij vroeg hem met haar te trouwen. Hij antwoordde. Ik stal den brief ...” „Sir Edgar!” „Waarom vertelde Keighley je mijn naam ? Waar was dat voor noodig ! Ik wilde niet dat je het zou weten ! Dat heb ik hem toch gezegd 1 Verdoemd zal hij . . De predikant stuitte den stortvloed van verwenschingen door te zeggen : „Hij heeft mij niets verteld ! En wat wensch je me nu te zeggen ?” Zijn stem klonk opeens hard. „Je veracht me, hè ?” mompelde Sir Edgar. „’t Is met mij gedaan, ja ! Ik ben stervende I En nou kan ik dien brief niet vergeten. Als Stella hem vindt . . Hij keerde zich om en greep met zijn hand onder zijn peluw. „Ik heb hem hier. Het was ’t laatste ding dat ik zag . . . voor ze me blinddoekten. Het laatste ding maar een . . . ’t Hindert niet1 Hier is ’t . . Met bevende hand hield hij den brief omhoog. „Neem dit,” zei hij, „en verbrand ’t.” „Verbranden ?” „Ja, dadelijk ! Voor iemand ’t ziet! Verbrand ’t l Ik heb je woord . ...” „En het kwaad dat je stichtte ?” „Ik heb er voor geboet l” riep Sir Edgar klagend uit. ,,Ieder uur — vijf lange jaren ! Ik heb alles gedaan om het te vergeten : ik heb mij bedronken ; ik heb me verdoofd ; niets hielp. — Het was gemeen, laag ! Ik kon niet slapen ! — Het leven was me een hel I Ons weinige geluk was verwoest. — En ik heb haar bemind, begrijp je? Ik bemin haar nog, zwijn die ik was 1 Ik kon niet buiten haar. En daarom stal ik haar .... om haar te verliezen ! Zij was verder van mij, dan wanneer zij dood en begraven was geweest. Wat waren we ver van elkander verwijderd ! Ik kon haar onbevangen, sprekende oogen niet ontmoeten. Wat heb ik geleden, maar het kwaad was gedaan en kon niet meer ongedaan gemaakt worden. Ik moet het verantwoorden ...” Allendale’s oogen waren op den brief gericht, dien Sir Edgars bevende vingers in de zijne hadden geduwd. Een flikkering van het vuur viel op de enveloppe. Te Alkmaar is op 24 Aug. overleden de heer Mr. H. BOELMANS TER SPILL, oud-weth. van Alkmaar, voorz. v. d. Raad v. Beroep v. d. Person. Bel. — Mr. A. C. C. FOLKERSMA, raadsheer a. h. Gerechtshof te Leeuwarden, is op 25 Aug. aldaar overleden. — Op 64-jarigen leeftijd is te Amsterdam overleden de heer C. W. GOMBAULT, ingénieur-verificateur aan het kadaster aldaar. De overledene was ridder in de Orde van Oranje-Nassau. BOND VAN GEMEENTE-AMBTENAREN. Onder voorzitterschap van den heer H. A. Aalfs (x), burgemeester-secretaris van Vries, hield de Bond van GemeenteAmbtenaren in Musis Sacrum te Arnhem verleden week zijn algemeene vergadering, die druk bezocht was. „Het Mommouth-Hotel,” las hij. „Heb ik nog een kans ? Dat is ’t wat ik weten wil. Ik ga het onbekende te gemoet ... ik moet den gevolgen het hoofd bieden. Ik ben . . . .” Hij begon plotseling hevig te snikken, als een kind, en toen hij weer sprak, ijlde hij. Jhr.T.R.J. b. grotenhuis VAN ONSTEIN. A. B. JANSSEN, t R. VAN HAM. t Jhr. T. R. J. B. GROTENHUIS VAN ONSTEIN, die tot burgemeester van Oosterhout is benoemd. — De heer A. B. JANSSEN, secretaris der beide Weeshuizen en van het Burgerlijk Armbestuur te Nijmegen, is een dezer dagen aldaar overleden. — De heer R. VAN HAM, burgemeester der gemeente Rijnsburg, die verleden week is overleden. Allendale zat met den brief in zijn koude handen, er naar starende, zonder zich te bewegen en nauwelijks de wartaal hoorende van den ten doode opgeschreven man. De geluiden in de kamer stierven weg. Daar kwam weer uit den donkeren hoek een heldere klare stem, die Allendale uit zijn overpeinzing deed ontwaken. „Kan mij vergeven worden ? Is er vergiffenis ? Of is alles maar kletspraat ? Is er zoo’n ding ? Kan men door berouw vergiffenis ontvangen ? Of is ’t maar een smoesje door jullie hemelladders verzonnen ?” Allendale stond op. „Het is de waarheid,” zei hij eenvoudig. „Waarachtig berouw schenkt vergeving der zonden. Als je werkelijk berouw hebt. . ..” „Dat heb ik I” „Dan zal God je om Zijns Zoons wille je zonden vergeven. Maar . . .” „O ! Een „maar” 1 Klagend kwamen deze woorden van de lippen van den stervende. Allendale aarzelde, daarna boog hij zich over het bed neer. „Zoek God, nog in dit oogenblik,” zei hij vriendelijk, ,,en alles zal u vergeven worden. Laat ons samen bidden l” Sir Edgar’s vingerszochten die van Allendale, vond ze, greep ze krampachtig vast. Een oogenblik later ontspanden zich de vingers. Sir Edgar zuchtte. Allendale sloop voorzichtig op de teenen naar de deur. „Dr. Keighley!” fluisterde hij. De dokter stond op van een stoel in de hal. Een' vrouw kwam te voorschijn van achter een gordijn en gaf een kreet, toen zij Allendale zag. „Ga niet naar binnen, lady Wetherby,” raadde de dokter. „Hij slaapt, geloof ik,” zei Allendale. „Stella, heb je mij vergeten ?” Hij stak de hand naar haar . uit; de dokter trad onderwijl de ziekenkamer binnen. Lady Wetherby haalde diep adem. „Jij, Horace 1” „Ik wist het niet! Men had mij zijn naam niet genoemd,” zei hij rustig. „Hoe ’t zij, ik ben gekomen.” „Waarom ben je hier — in Devonshire ?” „Mijn gezondheid had geleden. Ik ben in een gemeente in het Oost-Eind zooals je weet,” zei hij. „Een neef van mij bood mij aan een ^reisje met zijn auto te maken. Dat heb ik aangenomen.” Hij sprak er maar op los. „Is je taak hier afgeloopen ?” „Ik geloof van wel I” „De auto wacht nog steeds.” Zij keek hem aan met een kouden blik uit haar staalblauwe oogen. „Laat hem wachten,” zei hij eenvoudig. De dokter kwam terug. „Hij is bij kennis,” zei deze op fluisterenden toon. „Hij wenscht niet gestoord te worden.” Lady Wetherby boog het hoofd. „Roep mij als ik noodig bén,” zei ze en ging heen. „Zij heeft een hondenleven bij hem gehad,” mompelde Keighley. „Een dronke, ruwe kerel. Het is niet nobel om zoo van een stervende^ te spreken, maar soms eischt dit de rechtvaardigheid tegenover de levenden. Hij heeft haar beleedigd en mishandeld — haar hier op deze eenzame plaats als begraven — ver van familie en vrienden. EnTENTOONSTELLING OUD- JAVAANSCH EN HEDENDAAGSCH BALISCH HINDOEÏSME. In het Stedelijk Museum te Amsterdam is verleden week onder groote belangstelling de eerste, door het Koloniaal Instituut te houden bijzondere tentoonstelling geopend betreffend oud-Javaansch en hedendaagsch Balisch Hindoeïsme. Links: de inzending van H.M. de Koningin.(VJF.B.) Midden: de autoriteiten die bij de opening tegenwoordig waren. Van 1. n. r. J. C. van Eerde, Dir. v. d. Afd. Ethnogr. v. h. Kol. Inst.; Z. Exc. Mr. Th. B. Pleyte, Min v. Kol.; Jhr. Mr. Dr.A. Roëll, Comm. der Koningin i.d. Prov. Nrd. Holland. J. W. C. Tellegen, Burgem. van Amsterdam; Z. Ex. J. T. Cremer, Pres. v.d. Raad v. Beheer van het .Kol. Inst.; oud-Min.; Bakhuis, referendaris Min. van B. Zaken.; H. P. Wijsman, secret. van het Kol. Instituut, (foto Kreveld). Rechts: Een der fraaiste groepen op de tentoonstelling. (V.F.B.) Mr. H. BOELMANS Mr. A. C. C. FOL- + TER SPILL. t KERSMA. t C. W. GOMBAULT. T
PDF
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA zij was altijd zacht, vriendelijk, lijdzaam. Als hij nuchter was, was niets te goed voor haar. Maar hij was zelden nuchter. Hij dronk als een visch. Misschien is u verwonderd, dat zij zoo kalm is.........” „Ik begrijp ’t,” antwoordde Allendale. „Maar ze is een te eerlijke vrouw om een verdriet te veinzen, dat ze niet gevoelt. Zij hadden dezen morgen een hevigen twist naar aanleiding van een verzoek van haar moeder om bij haar te komen. Sir Edgar vertelde mij alles vanmorgen. We zouden gaan jagen; hij kwam reeds half dronken op het rendez-vous en heeft den geheelen morgen niets gedaan dan brandewijn zoo uit een flesch drinken. Daardoor is het ongeluk gebeurd. Heb je haar oog gezien ?” „Neen, ze stond met haar rug naar het licht,” zei Allendale. „Hij sloeg haar over de ontbijttafel. Hij vertelde het mij zelf, scheen er nog roem op te dragen. Iedere andere vrouw zou hem reeds lang verlaten hebben. Zij niet, zij bleef haar plicht doen ; trachtte een beter mensch van hem te maken. Er was echter niets goeds meer in hem.” Keighley ging naar de deur, opende deze en keek naar binnen. „Ik kan niets meer voor hem doen,” zei hij tot den jongen hulpprediker, „want het is het begin van het einde.” Een oogenblik later kwam hij haastig de hal inloopen. „Bel dadelijk om lady Wetherby,” riep hij. „Haar echtgenoot is stervende I” Allendale keek haar na, toen zij beneden kwam en zich naar de sterfkamer spoedde. Eerst nu zag hij, dat ze een blauw oog had. Een lange stilte volgde. Eindelijk kwam ze de kamer uit. „Het is voorbij,” zei ze kalm. „Mijnheer Allendale, als de auto nog wacht, kunt u dokter Keighley een dienst bewijzen. Hij moet nog een zieke bezoeken te Teigncombe, en zijn paard is een beetje kreupel.” „ïk blijf hier ! Hij kan mijn plaats innemen,” antwoordde hij. „Laat mij hier blijven, Stella, en je in deze droevige omstandigheden helpen.” „Ik heb je hulp niet noodig ... er zijn bedienden in huis.” „Een vriend . . .” Zij herhaalde dit woord op verachtelijken toon. „Ik zou het liefst willen, dat je heenging,” zei ze ernstig. „Jouw tegenwoordigheid maakt mij beschaamd. De laatste vijf jaren heb ik het bitter betreurd, dat ik je een brief geschreven heb. Daarin vroeg ik je wat geen meisje vragen zou : mij te helpen, te beschermen ; in werkelijkheid mij te trouwen. Natuurlijk nam je niet de minste notitie van mijn smeekbrief.” „Integendeel,” antwoordde hij, „ik schreef je nog dienzelfden dag. Dertig minuten nadat ik je brief ontvangen had was mijn antwoord gereed.” „Schreef je ?” Haar toch al bleek gelaat was zoo mogelijk nog witter geworden en met bevende lippen sprak ze de beide woorden. „Ik schreef ! Ah, daar is de dokter !” Keighley kwam de hal weer in en Allendale ging hem te gemoet. „Ik hoor dat u nog een patiënt moet bezoeken te Teigncombe. Mijn neef heeft mij zijn auto teruggezonden, maak u er gebruik van. Ik blijf nog hier. Lady Wetherby en ik zijn nog . .. oude kennissen.” „Het is zeer vriendelijk van u en ’t komt mij erg gelegen”, verklaarde de dokter. „Ik zal zoo spoedig mogelijk terugkomen, lady Wetherby, om u zooveel mogelijk te helpen.” „Dank u,” antwoordde zij. De beide mannen liepen naar den auto. Allendale gaf den chauffeur zijn orders; de geneesheer stapte in en voort ging dewagen. Allendale keerde alleen in huis terug. Hij vond Stella leunende op den schoorsteenmantel in de hal en starende in het vuur. „Ik schreef je,” begon hij weer, „ik smeekte je bij mij te komen. Ik bood je een tehuis aan bij mijn moeder tot we konden trouwen — ik dankte je uit het HET R. K. SANATORIUM „DEKKERSWALD.” Een groep van de patiënten en het bestuur van ’t Sanatorium Dekkerswald, gefotografeerd ter gelegenheid van ’t bezoek van H.M. de KoninginMoeder. Zittend v. 1. n. r. Dr. Karreman; rector van Mulukom ; de Moeder Overste; Dr. Jongmans, geneesheer-directeur. (foto „Rembrandt”) LONDEN EN PARIJS. Het. vierde bedrijf, derde tafereel van het voor het tooneel bewerkte, bekende meesterwerk van Dickens: Londen en Parijs, waarvan verleden week in den Stadsschouwburg te Amsterdam de première is gegeven door het Nederlandsch Tooneel. V. 1. n. r. Hooft Sr. met dame; Laurentzius — de Maury; Mevr. Mien Vermeulen ; een soldaat; van Dalsum — Graaf de Fauchet; R. v. d. Hilst — Cipier; Rijken — Markies de Boulainvilliers. (foto Couuée). diepst van mijn hart, dat je mè had doen weten hoe de zaken stonden. Als ik maar had kunnen raden, — als ik het minste vermoeden gehad had, dat je vader je wilde dwingen met Sir Edgar te trouwen . .” EEN STËUNPENNING. Door het Nederlandsche Steuncomité voor Beeldende Kunstenaars wordt uitgegeven een Steunpenning ten behoeve van de beeldende kunstenaars. De penning is ontworpen en gemaakt door den beeldhouwer C. J. van der Hoef, en wordt uitgevoerd door de Kon. Utrechtsche fabriek v. Zilverwerken van C. J. Begeer. De voorzijde der penning stelt voor de Kunst, met doornen omwonden ; de keerzijde het wapen ^der Kunst met spreuk. KONINKLIJK BEZOEK. Verleden week heeft H. M. de Koningin-Moeder, in gezelschap van freule v. d. Poll en Jhr. Van Tets een langdurig bezoek gebracht aan het R.K. Sanatorium „Dekkerswald”, nabij Nijmegen. Hierboven de aankomst in het Sanatorium, dat H. M. onder geleide van den Directeur, dr. Jongmans, met groote belangstelling bezichtigde. (foto „Rembrandt”.) „Ik heb je brief nooit ontvangen,” zei ze, zonder op te kijken. „Ik wachtte dagen lang, doch tevergeefs.” „De brief was geschreven . . . .” Ze sprong plotseling op en keek hem aan. Wetende hetgeen hij wist, was er geen geheimzinnigheid in het niet ontvangen van zijn brief. Er klonk dan ook niet de minste verwondering uit zijn woorden. Dit viel haar op en het was haar, onbekend met haar mans bekentenis, onbegrijpelijk. „Geschreven,” herhaalde zij. „Ja!” „Maar niet gepost,” vervolgde zij snel. „Dat bedoel je zeker? Wil je me wellicht vertellen, dat er een verzuim plaats had? Dat.... jij ... jij vergat hem te posten ?” Haar stem was vol verachting en haar oogen schitterden van woede. „Hij werd geschreven en gepost,” verklaarde hij. „Geen enkel oogenblik heb ik gedacht dat je hem niet ontvangen had. Ik kon niet bij je komen. . .” „Je was arm,” ging ze langzaam voort, „en ik ook. Jij had niets en ik had niets. We waren twee - - paupers „Stella, ik begrijp ie niet.” „Nu heb ik geld. Sir Edgar had geld, wat hem overigens ook mocht ontbreken. Ik ben nu een rijke weduwe. Ah ! mijn vader had reeds het oog op de rijke bezittingen. Dit was alles waarin hij belangstelde. Het was hem onverschillig dat hij mij verkócht. Het eenige waaraan hij dacht was, dat Sir Edgars geld hem voor schande zou vrijwaren. Tempora mutantur, et nos mutamur in illis! Is dat niet een Latijnsch spreekwoord ? De tijden zijn veranderd en wij zijn veranderd met hen.” Hij staarde haar in de grootste verwondering aan. Zij was zeer ontroerd en er was een vijandige blik in haar oogen. „Wat bedoel je met deze woorden ?” vroeg hij verward. „Jij was altijd eerzuchtig,” zei ze langzaam. „Toen we nog jong waren sprak je altijd van macht en rijkdom . . .” „Ik heb deze dwaze verlangens reeds lang overwonnen,” antwoordde hij vriendelijk. „Geld en invloed zijn niet afhankelijk van elkaar. Ik ben nog steeds een pauper, Stella, en toch heb ik veel macht en invloed onder de hardwerkende eerlijke arbeidersbevolking van het Oost-Eind. Ik koester geen anderen wensch dan te blijven die ik ben : arm en een dienaar des Woords.” „Dan behoeven we niet langer over den brief te spreken,” zei ze. Hij had de hand in den zak, waarin de noodlottige brief zat. Een oogenblik aarzelde hij, toen antwoordde hij : „Ik wensch slechts dat we elkander goed verstaan. Jij vereerde mij met dien brief om het vertrouwen dat je mij betoonde ...” „En dat ik thans bitter betreur,” viel ze hem in de rede. „Ik vertelde je in mijn antwoord, dat ik je des te meer liefhad om het vertrouwen dat je mij betoonde,” ging hij voort. „Stella, ik ben den ongelukkigen doode, die daar ligt, nog niet vergeten ; ik vergeet met dat het geen man betaamt, woorden van . . . van liefde te spreken tot een vrouw, die in jouw omstandigheden verkeert. Maar ik heb het recht te zeggen dat slechts een ellendige gebeurtenis oorzaak is, dat je thans tegenover mij staat als een weduwe en niet. . . als mijn vrouw. Ik wil hier verder niets van zeggen; slechts dit: laat me je vriend zijn, laat me je helpen, raadgeven als een broeder.” De vijandige blik in haar oogen was niet verdwenen. Zij kwam een stap nader, haar handen hingen langs haar zijden, doch haar vuisten waren gebald. „Jij wist dat ik jouw brief niet ontvangen had?” „Ik weet het!” „Ah !” — Er was een wereld van verachting in dit eene woord. Zij keek hem vol in het gelaat en barstte toen in een vloed van woorden los. „Of het antwoord was nooit geschreven of geschreven en niet verzonden,” riep ze uit..,je wilde niet dat ik het kreeg. Je erkent zelf dat je weet dat ik het niet ontvangen heb. Je hadt me niet noodig. Maar thans, nu ik rijk ben, nu ik je kan helpen, in plaats je tot last te zijn, nu wil je ’t ongedaan maken. Ik geloof je niet meer. Ik zou gek zijn als ik je geloofde. En jij een prediker van de Waarheid jij liegt en bedriegt ..— Zij bedekte haar gelaat
PDF
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 6 met de handen en barstte in snikken uit. Al het verdriet, de beleedigingen, teleurstellingen en ellende van de laatste vijf jaren kwamen thans tot een geweldige uiting. En Allendale stond voor haar, de rechterhand in den zak en in die hand den brief, die zijn rechtvaardiging was. Het brandde hem in de hersenen : „Neem hem, lees hem 1” en bijna haalde hij hem te voorschijn; doch dan liet hij de hand weer zakken. Hij had zijn woord gegeven. Radeloos staarde hij haar aan en beet zich op de lippen. Hij kon zich rechtvaardigen ; kon haar den brief van Sir Edgar toonen; kon haar in de armen nemen. Ja, hij was predikant, maar toch ook een man, en de man triumfeerde 1 Liefde overwint alles; liefde verontschuldigt alles 1 Maar het zou een veroordeeling zijn, van den overledene. H.M. DE KONINGIN-MOEDER TE NEERBOSCH. (V.F.B.) Donderdag 2 September heeft H.M. de Koningin-Moeder een bezoek gebracht aan het weezendorp „Neerbosch” in de omgeving van Nijmegen. Onder geleide van den predikant-directeur ds. J. Schrijver en diens vrouw, bezichtigde H.M. met veel belangstelling alle afd. van de inrichting. Hierboven een foto van H.M., de gymnastiek-uitvoeringen bijwonend. slechts dit.” „Het MommouthHotel,” herhaalde hij. „Is dat niet....” Hij hield eensklaps op. Hij herinnerde zich dat hij3 dien naam gelezen had op den brief, dien de overledene hem dien dag ter hand had gesteld. „Het is in Londen,” zei ze, naar de enveloppe kijkende, die verfrommeld was en geen adres droeg. Ze haalde den brief te voorschijn. Allendale zag het niet; hij stond met den rug naar haar toe in het vuur te staren en zich afvragende, hoe zijn brief in een verkeerde enveloppe was geraakt. Een uitroep van verwondering en blijdschap deed hem omkeeren. „Het is jouw brief . . . jouw lieve brief!” riep ze uit, terwijl tranen van geluk haar langs de wangen stroomden. „Hoe kwam hij aan jouw brief ?” Hij begreep alles, maar gaf geen antwoord. Hij nam haar beide handen in de zijne en zei ernstig : „Het doet er niet toe. Dat Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Holl. Ijzeren SpoorwegMij. heeft de directie aan alle beambten een bronzen penning uitgereikt, waarvan wij hierboven een afbeelding brengen. De penning werd gemodelleerd door J. C. Wienecke en geslagen in de ateliers van de Koninkl. Utrechtsche fabriek van Zilverwerken van C. J. Begeer te Utrecht. * Zij stond voor hem, onbeweeglijk. Eindelijk lichtte zij het hoofd op en bood hem aarzelend een hand. Hij vatte ze verheugd en drukte er eerbiedig een kus op. „Goddank !” mompelde hij en liep haastig het huis uit, den tuin in, om naar den geneesheer uit te zien. Deze werd echter langer opgehouden dan gedacht was. Het was frisch in den tuin en Allendale keerde in de hal terug, die nu verlaten was en wachtte daar tot de schemer inviel, zich afvragende of hij Stella nog zien zou. Eindelijk kwam ze de trap af. „Ik heb naar een brief gezocht in Edgar’s schrijftafel, hij was van mijn moeder. Ze vroeg mij ...” „Ik weet het,” zei hij vriendelijk. „De dokter vertelde ’t mij.” „Zij vroeg mij haar te bezoeken in het Mommouth-Hotel. We hadden er vanmorgen twist over. Hij nam den brief af, las hem en sloot hem weg. Ik kan hem niet vinden. Ik vind Ds. G. W. MULLER MASSIS mocht voor eenigen tijd den dag herdenken, waarop hij vóór 50 jaar als predikant te Wichmond bij Zutfen werd ingeleid. Ds. Muller Massis is sedert 1876 te Groesbeek werkzaam geweest. - Met ingang van 1 October is aan den heer W. PIEPERS. Stationschef der H. IJ. S. M. te Baarn, op verzoek wegens ziekte eervol ontslag verleend. Hij was predikant en in zijn handen als dienaar der kerk had een stervende een geheim gelegd. Hij mocht hiervan geen misbruik maken. Hij mocht zijn woord niet breken. Hij mocht het gebouw van eer en deugd en vertrouwen, dat hij zich in de ziel gebouwd had, niet verwoesten. Hij scheen alleen te staan in de wereld. Hij hoorde niet langer haar snikken. Hij scheen op een hoogen berg te staan en in een dal te staren vol kleinzielig, vergankelijk eigenbelang. Hij liep naar den haard, haalde den brief te voorschijn en wierp hem ongezien in het vuur. „Stella,” zei hij en hij voelde zich verlicht alsof een kruis van zijn schouders gewenteld was. „Stella, ik kan je het vertrouwen in mij niet opdringen. Maar hier in tegenwoordigheid van een doode geef ik je mijn woord, dat ik je den brief gezonden heb, dat ik lange jaren geloofde dat je hem ontvangen had, dat ik op den dag der afzending uren lang aan het Waterloostation trein na trein heb afgewacht. Dat ik eindelijk in wanhoop naarhuis ging, om dien avond van je huwelijk met Sir Edgar te lezen. Wat je hiertoe gebracht had, heb ik nimmer geweten. Je was de vrouw van een ander. Nu ben je vrij en heb ik het recht je de waarheid te zeggen. Ik heb nimmer tegen je gelogen. Het geheim van den brief kan ik je niet ontsluieren. Denk dat niet! Ik kan niet 1 Als dokter Keighley terugkomt, moet ik gaan. Mocht je eenmaal tot de overtuiging komen, dat ik je vertrouwen nimmer misbruikt heb, schrijf me dan en ik zal terugkomen.” EÉN NIEUW POLITIEBUREAU. Hierboven een foto van het verleden week in gebruik genomen nieuwe Politiebureau in de 2e Adelheidsstraat te ’s-Gravenhage. Het gebouw is geheel naar de eischen des tijds ingericht en een aanwinst voor het politiecorps. Een 60-tal brigadiers en agenten zijn er in gedetacheerd. (foto v. Tol.) behoort tot het verleden ; de toekomst is ons ! Mag ik den brief ?” Zij keek hem verrast aan, doch gaf hem den brief. „Het heeft gefaald,” zei hij zacht in zichzelf. Toen liep hij naar het vuur en wierp zijn brief er in. Zander de vele vindingrijkheden van een der meest gelezen Engelsche dagbladen mag wel een prijsvraag genoemd worden, onlangs voor zijn lezers uitgeschreven. Zij luidde : Moet een vrouw bij brandgevaar eerst haar echtgenoot of haar hond redden? Van de ingekomen antwoorden noemen wij er enkele: „Den man, want, ofschoon de dierendressuur tegenwoordig voor niets terugdeinst, zijn er tot nog toe meer mannen dan honden, die een goed jaargeld verdienen.” Een anderluidde: „Ik zou zonder een séconde van aarzeling mijn hond redden”. (Deze inzendster bleek ongehuwd.) Nog een ander: „Ik redde mijn man. Voor een man hoef je geen belasting te betalen. Voor een hond wel.” En nog dit: „Mijn man.Want aan een anderen hond kan je gemakkelijk weer komen, maar in onzen tijd, nu de vrouwen hoe langer hoe meer in de melk willen brokkelen worden de mannen, die trouwen willen, aldoor zeldzamer.” De alg. verg aan, staande, VREEMDELINGENVERKEER. van den Nat. Bond voor Vreemdelingenverkeer in Nederland, welke Zaterdag en Zondag te Arnhem gehouden is. Achterhet Bondsbestuur: de heeren 1. G. Muller, voorzitter; 2. A. van Eysden, le. secr. ; 3. G. Ekhard Bos, penningm.; 4. Kits v. Heyningen ; 5. Houwink; 6. Lamvelt. (foto „Rembrandt”) NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN. EEN GEDENKPENNING. Os. G. W. MULLER ... MASSIS. W' PIEPERS. De echtgenoot of de hond?
PDF
Nummer
1915, nr. 74, 13 sept. 1915
Blad
01
Tekst
No. 74 (11b) 13 SEPT. 1915 ABONNEMENT PER AFZONDERLIJKE z z e. ' ---------- KWARTAAL 26 NUMMERS 7*/2 CENT Geïllustreerd-weekblad A . W .SIJTHOFF’S UlTGE.\yER.S MAATSCHAPPIJ - LEID NUMMERS f 1.30 DE MUNITIEFABRICAGE DER GEALLIEERDEN Het werk der vrouwen in de Engelsche fabrieken. Ook de draaibanken in de groote ammunitiefabrieken worden nu . Een vrouwelijke bankwerker bekijkt met een door vrouwelijk personeel bediend. critisch oog haar werk. n Engelsche dame, die zich vrijwillig beschikbaar gesteld heeft, verzorgt de vuren in ’n fabriek In de Fransche fabrieken. Groote voorraden hulzen staan gereed om gevuld te worden. Ook in dezen tak van hef bedrijf is de hulp van vrouwelijk personeel aangenomen. Smeden, bankwerkers enz., die aan het front gemist kunnen worden, helpen door de vervaardiging van granaten in de fabrieken mede aan de verdediging van hun vaderland.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1856 tot 1860 van 11897