|
7 PANORAMA
zij was altijd zacht, vriendelijk,
lijdzaam. Als hij nuchter
was, was niets te goed
voor haar. Maar hij was
zelden nuchter. Hij dronk
als een visch. Misschien is
u verwonderd, dat zij zoo
kalm is.........”
„Ik begrijp ’t,” antwoordde
Allendale.
„Maar ze is een te eerlijke
vrouw om een verdriet te
veinzen, dat ze niet gevoelt.
Zij hadden dezen morgen
een hevigen twist naar aanleiding
van een verzoek van
haar moeder om bij haar te
komen. Sir Edgar vertelde
mij alles vanmorgen. We
zouden gaan jagen; hij
kwam reeds half dronken
op het rendez-vous en heeft
den geheelen morgen niets
gedaan dan brandewijn zoo
uit een flesch drinken. Daardoor
is het ongeluk gebeurd.
Heb je haar oog gezien ?”
„Neen, ze stond met haar
rug naar het licht,” zei Allendale.
„Hij sloeg haar over de ontbijttafel. Hij vertelde het mij
zelf, scheen er nog roem op te dragen. Iedere andere vrouw
zou hem reeds lang verlaten hebben. Zij niet, zij bleef haar
plicht doen ; trachtte een beter mensch van hem te maken.
Er was echter niets goeds meer in hem.”
Keighley ging naar de deur, opende deze en keek naar
binnen.
„Ik kan niets meer voor hem doen,” zei hij tot den jongen
hulpprediker, „want het is het begin van het einde.”
Een oogenblik later kwam hij haastig de hal inloopen.
„Bel dadelijk om lady Wetherby,” riep hij. „Haar echtgenoot
is stervende I”
Allendale keek haar na, toen zij beneden kwam en zich
naar de sterfkamer spoedde. Eerst nu zag hij, dat ze een
blauw oog had.
Een lange stilte volgde. Eindelijk kwam ze de kamer uit.
„Het is voorbij,” zei ze kalm. „Mijnheer Allendale, als
de auto nog wacht, kunt u dokter Keighley een dienst bewijzen.
Hij moet nog een zieke bezoeken te Teigncombe,
en zijn paard is een beetje kreupel.”
„ïk blijf hier ! Hij kan mijn plaats innemen,” antwoordde
hij. „Laat mij hier blijven, Stella, en je in deze droevige
omstandigheden helpen.”
„Ik heb je hulp niet noodig ... er zijn bedienden
in huis.”
„Een vriend . . .”
Zij herhaalde dit woord op verachtelijken toon.
„Ik zou het liefst willen, dat je heenging,” zei
ze ernstig. „Jouw tegenwoordigheid maakt mij beschaamd.
De laatste vijf jaren heb ik het bitter
betreurd, dat ik je een brief geschreven heb.
Daarin vroeg ik je wat geen meisje vragen zou : mij
te helpen, te beschermen ; in werkelijkheid mij
te trouwen. Natuurlijk nam je niet de minste notitie
van mijn smeekbrief.”
„Integendeel,” antwoordde hij, „ik schreef je
nog dienzelfden dag. Dertig minuten nadat ik je
brief ontvangen had was mijn antwoord gereed.”
„Schreef je ?”
Haar toch al bleek gelaat was zoo mogelijk
nog witter geworden en met bevende lippen sprak
ze de beide woorden.
„Ik schreef ! Ah, daar is de dokter !”
Keighley kwam de hal weer in en Allendale
ging hem te gemoet.
„Ik hoor dat u nog een patiënt moet bezoeken
te Teigncombe. Mijn neef heeft mij zijn auto teruggezonden,
maak u er gebruik van. Ik blijf nog hier. Lady
Wetherby en ik zijn nog . .. oude kennissen.”
„Het is zeer vriendelijk van u en ’t komt mij erg gelegen”,
verklaarde de dokter. „Ik zal zoo spoedig mogelijk terugkomen,
lady Wetherby,
om u zooveel
mogelijk te helpen.”
„Dank u,” antwoordde
zij.
De beide mannen
liepen naar den auto.
Allendale gaf den
chauffeur zijn orders;
de geneesheer stapte
in en voort ging dewagen.
Allendale keerde
alleen in huis
terug.
Hij vond Stella
leunende op den
schoorsteenmantel in
de hal en starende in
het vuur.
„Ik schreef je,”
begon hij weer, „ik
smeekte je bij mij te
komen. Ik bood je
een tehuis aan bij
mijn moeder tot we
konden trouwen —
ik dankte je uit het
HET R. K. SANATORIUM „DEKKERSWALD.”
Een groep van de patiënten en het bestuur van ’t Sanatorium Dekkerswald, gefotografeerd ter gelegenheid van ’t bezoek van H.M. de KoninginMoeder.
Zittend v. 1. n. r. Dr. Karreman; rector van Mulukom ; de Moeder Overste; Dr. Jongmans, geneesheer-directeur. (foto „Rembrandt”)
LONDEN EN PARIJS.
Het. vierde bedrijf, derde tafereel van het voor het tooneel bewerkte, bekende meesterwerk van Dickens: Londen en Parijs, waarvan verleden week in den
Stadsschouwburg te Amsterdam de première is gegeven door het Nederlandsch Tooneel. V. 1. n. r. Hooft Sr. met dame; Laurentzius — de Maury; Mevr.
Mien Vermeulen ; een soldaat; van Dalsum — Graaf de Fauchet; R. v. d. Hilst — Cipier; Rijken — Markies de Boulainvilliers. (foto Couuée).
diepst van mijn hart, dat je mè had doen weten hoe de zaken
stonden. Als ik maar had kunnen raden, — als ik het minste
vermoeden gehad had, dat je vader je wilde dwingen met
Sir Edgar te trouwen . .”
EEN STËUNPENNING.
Door het Nederlandsche Steuncomité voor Beeldende Kunstenaars wordt
uitgegeven een Steunpenning ten behoeve van de beeldende kunstenaars.
De penning is ontworpen en gemaakt door den beeldhouwer C. J. van der
Hoef, en wordt uitgevoerd door de Kon. Utrechtsche fabriek v. Zilverwerken
van C. J. Begeer. De voorzijde der penning stelt voor de Kunst, met
doornen omwonden ; de keerzijde het wapen ^der Kunst met spreuk.
KONINKLIJK BEZOEK.
Verleden week heeft H. M. de Koningin-Moeder, in gezelschap van freule v. d. Poll en Jhr. Van
Tets een langdurig bezoek gebracht aan het R.K. Sanatorium „Dekkerswald”, nabij Nijmegen.
Hierboven de aankomst in het Sanatorium, dat H. M. onder geleide van den Directeur, dr. Jongmans,
met groote belangstelling bezichtigde. (foto „Rembrandt”.)
„Ik heb je brief nooit ontvangen,” zei ze, zonder op te
kijken. „Ik wachtte dagen lang, doch tevergeefs.”
„De brief was geschreven . . . .”
Ze sprong plotseling op en keek hem aan. Wetende hetgeen
hij wist, was er geen geheimzinnigheid in het niet ontvangen
van zijn brief. Er
klonk dan ook niet de minste
verwondering uit zijn
woorden. Dit viel haar op en
het was haar, onbekend met
haar mans bekentenis, onbegrijpelijk.
„Geschreven,” herhaalde
zij.
„Ja!”
„Maar niet gepost,” vervolgde
zij snel. „Dat bedoel
je zeker? Wil je me wellicht
vertellen, dat er een
verzuim plaats had? Dat....
jij ... jij vergat hem te posten
?”
Haar stem was vol verachting
en haar oogen schitterden
van woede.
„Hij werd geschreven en
gepost,” verklaarde hij.
„Geen enkel oogenblik heb
ik gedacht dat je hem niet
ontvangen had. Ik kon niet
bij je komen. . .”
„Je was arm,” ging ze
langzaam voort, „en ik ook.
Jij had niets en ik had niets. We waren twee - - paupers
„Stella, ik begrijp ie niet.”
„Nu heb ik geld. Sir Edgar had geld, wat hem overigens
ook mocht ontbreken. Ik ben nu een rijke weduwe. Ah !
mijn vader had reeds het oog op de rijke bezittingen. Dit
was alles waarin hij belangstelde. Het was hem onverschillig
dat hij mij verkócht. Het eenige waaraan hij dacht was, dat
Sir Edgars geld hem voor schande zou vrijwaren. Tempora
mutantur, et nos mutamur in illis! Is dat niet een Latijnsch
spreekwoord ? De tijden zijn veranderd en wij zijn veranderd
met hen.”
Hij staarde haar in de grootste verwondering aan. Zij was
zeer ontroerd en er was een vijandige blik in haar oogen.
„Wat bedoel je met deze woorden ?” vroeg hij verward.
„Jij was altijd eerzuchtig,” zei ze langzaam. „Toen we nog
jong waren sprak je altijd van macht en rijkdom . . .”
„Ik heb deze dwaze verlangens reeds lang overwonnen,”
antwoordde hij vriendelijk. „Geld en invloed zijn niet afhankelijk
van elkaar. Ik ben nog steeds een pauper, Stella, en
toch heb ik veel macht en invloed onder de hardwerkende
eerlijke arbeidersbevolking van het Oost-Eind. Ik koester
geen anderen wensch dan te blijven die ik ben : arm en een
dienaar des Woords.”
„Dan behoeven we niet langer over den brief
te spreken,” zei ze.
Hij had de hand in den zak, waarin de noodlottige
brief zat. Een oogenblik aarzelde hij, toen
antwoordde hij :
„Ik wensch slechts dat we elkander goed verstaan.
Jij vereerde mij met dien brief om het
vertrouwen dat je mij betoonde ...”
„En dat ik thans bitter betreur,” viel ze hem
in de rede.
„Ik vertelde je in mijn antwoord, dat ik je
des te meer liefhad om het vertrouwen dat je
mij betoonde,” ging hij voort. „Stella, ik ben den
ongelukkigen doode, die daar ligt, nog niet vergeten
; ik vergeet met dat het geen man betaamt,
woorden van . . . van liefde te spreken tot een
vrouw, die in jouw omstandigheden verkeert.
Maar ik heb het recht te zeggen dat slechts een
ellendige gebeurtenis oorzaak is, dat je thans
tegenover mij staat als een weduwe en niet. . .
als mijn vrouw. Ik wil hier verder niets van
zeggen; slechts dit: laat me je vriend zijn, laat me
je helpen, raadgeven als een broeder.”
De vijandige blik in haar oogen was niet verdwenen.
Zij kwam een stap nader, haar handen hingen langs
haar zijden, doch haar vuisten waren gebald.
„Jij wist dat ik jouw brief niet ontvangen had?”
„Ik weet het!”
„Ah !” — Er was een wereld van verachting in dit eene
woord. Zij keek hem
vol in het gelaat en
barstte toen in een
vloed van woorden
los.
„Of het antwoord
was nooit geschreven
of geschreven en niet
verzonden,” riep ze
uit..,je wilde niet dat
ik het kreeg. Je erkent
zelf dat je weet
dat ik het niet ontvangen
heb. Je hadt
me niet noodig. Maar
thans, nu ik rijk ben,
nu ik je kan helpen,
in plaats je tot last
te zijn, nu wil je ’t
ongedaan maken. Ik
geloof je niet meer.
Ik zou gek zijn als
ik je geloofde. En jij
een prediker van de
Waarheid jij liegt en
bedriegt ..— Zij
bedekte haar gelaat
|