|
PANORAMA 2
liÈlUUlIlllIfcllIidlBb
UIT HET ZWARTE BOEK
VAN ’N TELEGRAFIST
DOOR J. T. VAN LEIDEN
..
(Vervolg).
lijn uitgestrekte handen voelden aan
weerszijden de wanden van een gang
die als een nauwe tunnel was ; nog iets
verder en ze raakten het kille oppervlak
van een stalen deur. Ik stond weer stil.
lantaarntje wilde ik niet aansteken ; gesteld
dat hier iemand op mij loerde, dan mocht ik
hem niet zoo’n gemakkelijk doel aanbieden. Terwijl
mijn linkerhand instinctmatig naar mijn gereedschappen
greep, voelde mijn tastende rechterhand de deur
al wijken ; licht en geruischloos
draaide ze open. Er zaten aan
weerszijden zware grendels op de
paneelen, van onderen en van
boven, en ik verwonderde mij
dat deze ongebruikt waren gebleven
; maar, de veronderstelling
lag voor de hand dat dit in verband
stond met het blijkbaar
kort geleden aanvullen van den
kolenvoorraad.
Voor ik de ruimere gang binnentrad
die achter de deur lag,
nam ik mijn revolver uit mijn
achterzak, betastte den cylinder
om mij te verzekeren dat iedere
patroon op haar plaats zat, en
stak het wapen toen in den rechter
zijzak van mijn jas.
Langs den gladden muur voelde
ik mijn weg tot ik wederom
tegen een deur stuitte. Ook deze
bleek ongesloten, en nu kwam
een gevoel van in een val te
worden gelokt met plotselinge
scherpte over me. Het ging op
deze manier te gemakkelijk.
Een minuut lang stond ik te
luisteren. Er was niets dan de
stilte. Toen keerde ik terug naar
het punt vanwaar ik gekomen
was ; ik wilde weten of ik misschien
gevolgd, bespied wrerd, of
mijn terugtocht wellicht reeds
afgesneden was. Maar ik vond
alles onveranderd in den vorigen
toestand.
Opnieuw stond ik voor de
tweede deur, en ditmaal duwde
ik ze open. De ruimte waarin ik
nu kwam was grooter dan de
vorige, want aan weerszijden van
de deurposten weken de muren,
die ik betastte, verder uiteen.
Nogmaals stond ik stil en
luisterde. Het bloed klopte aan
mijn slapen en zong in mijn
ooren; geheimzinnig fluisterde
de stilte. Een vreemdë spanning
kwam over mij, de zekerheid
bijna dat iemand mijn binnenkomen
wist, mij hoorde, mijn
voetstappen met luisterende ooren
volgde. Het kon niet anders : ik
werd hier binnengelokt ; men
wachtte op me ; ik had slechts
de nog benoodigde tien of twintig passen te doejn
om in den zorgvuldig voor mij uitgezetten strik
te vallen. Hoe ? — Ik wist het niet. Misschien
zou ik straks in een kuil of een put stappen,
misschien plotseling door een paar kerels overvallen
worden ; misschien ook zouden er, bij *t openen van
een volgende deur, eenvoudig een paar revolverschoten
vallen. Zou ik licht aansteken ? Neen —■ in
de duisternis lag misschien mijn redding. Als er iemand
op mij loerde, mocht ook hij zijn aandeel in
het onverwachte en in de spanning hebben.
Nog stond ik onbeweeglijk, en het was alsof de
duisternis tot me sprak, de stilte me iets te zeggen
had. Mijn gezichtszin was uitgeschakeld, maar een
vreemde, fijne gewaarwording van de dingen om me
heen kwam over me als door de geheimzinnige werking
van een zesde zintuig. Ik geloof niet dat ik ooit
zoo sterk intuïtief gevoeld heb als toen, zoo duidelijk
en overtuigend het overwicht van het instinct ondervonden
op alle uitingen van het verstand. En ik
moest op dat oogenblik denken aan wat Mary me zoo
dikwijls gezegd had : dat de geest soms zijn zuiverste
waarnemingen doet als hij op ingevingen en voorgevoelens
let, waarmee het verstand geneigd is te
spotten.
Ik wdst, met niet te verwrikken zekerheid, dat
ik niet alleen was. En ik kan het niet beter uitdrukken
dan zóó : terwijl mijn gedachten normaal en welbeheerscht
doorwerkten, werd, onafhankelijk daarvan,
het draadloos station van mijn ziel opgeroepen
door dat van een gelijkgestemde ziel. Het waren
nog slechts zwakke vonken die oversprongen, de
golflengten waren nog gering, maar het contact
bestond, dit was buiten twijfel. En het moest een
ziel zijn in angst en nood, gelijk de mijne, want alleen
dan, in die groote, bijna ondraaglijke spanning, kan
ons het bestaan van dit nieuwe zintuig ontdekt
worden. Het was onhoudbaar. Met een ruk ontstak
ik een lucifer.
Er was niets om me heen dan een gewelfde kelH
ET HINDENBURG-STANDBEELD TE BERLIJN.
Op de Königsplatz te Berlijn is een standbeeld onthuld voor Generaal-Veldmaarschalk Von Hindenburg, den aanvoerder van de
Duitsche legers die tegen de Russen strijden. Het gedenkteeken, dat kolossale afmetingen heeft, is van hout vervaardigd, en bestemd
om „benageld” te worden. De onthulling geschiedde in tegenwoordigheid van Prinses August Wilhelm en vele andere
autoriteiten, terwijl een talrijk publiek de plechtigheid bijwoonde. Wij geven hierboven het gedenkteeken na de onthulling, op
het oogenblik dat ae officieele personen den eersten spijker in het beeld zullen slaan. Rond de Overwinningszuil (het gedenkteeken
rechts van het beeld) vliegt de Zeppelin „Hansa”.
derruimte, die aan het rechtereinde naar een gang
of een trap scheen af te buigen ; rechts van de deur
die ik binnengekomen was liep een koperen stang
of leuning langs den muur naar den hoek waar het
gewelf afboog. De lucifer brandde op en viel uit mijn
opgeheven hand. Ik besloot op den tast de leuning
te volgen tot aan het einde en daar opnieuw licht te
maken.
Maar zoodra de duisternis weer over me viel, begon
elk van mijn vezels opnieuw te trillen, te seinen, zou
ik willen zeggen ; electrische stroomen gingen van
mijn hersens uit en vloeiden er binnen : de draadlooze
stations trachtten wederom in contact te komen.
En nu, voor ’t eerst, kwam een dreigend gevoel
van angst over me ; mijn beenen beefden, het zweet
begon mij klam van liet voorhoofd te droppelen.
Maar het was geen vrees voor mezelf : Mary was in
dit huis, ze was in mijn onmiddellijke nabijheid, en
—• ze was in gevaar, want haar ziel riep angstig de
mijne, sprak uit wat haar mond niet te zeggen vermocht
....
Ik wachtte, wachtte totdat de seinen duidelijker
zouden worden. Maar niets brak de stilte die mij
als met een zwart laken van heel de levende wereld
afsloot. En met droge lippen vroeg ik hardop, verwonderd
en verschrikt van mijn eigen stem, die ik niet
verwachtte en die heesch en gesmoord klonk : „wat
heb je me te zeggen, Mary ; wat heb je me te zeggen ? !”
Maar ik worstelde met mezelf, begrijpend dat ik
mijn koelbloedigheid moest terugwinnen, dat er te
veel op het spel stond om aldus voort te gaan met
mijn tijd aan vage spiritistische séances te besteden,
terwijl de harde werkelijkheid mij wachtte. En toch . . .
en toch wist ik in deze oogenblikken van uiterste
gevoelsspanning zekerder dan ooit dat er diep in mij
dingen sluimerden, neen : te ontwaken begonnen, die
me zeiden dat er beter en hooger leven voor me weggelegd
was dan wat ik tot nu toe verspild had aan
grove jacht op materieele winsten en genietingen ....
Ik moest nu niet denken wat er aan dit avontuur
voor mij te verdienen viel —zij,
die mij het liefste op deze aarde
was, liever dan geld en goed en
genot, bevond zich in nood, in
levensgevaar, en ik moest haar
redden. In dit oogenblik zwoer
ik dat dit ons laatste avontuur
zou zijn, dat we samen ten onder
zouden gaan of samen tot een
reiner leven zouden herboren
worden.
Langzaam, met uitgestrekte
handen, ging ik recht voor me
uit, verder het gewelf binnen, op
het punt aan dat me onweerstaanbaar,
hoewel onzichtbaar,
trok. Er was hier iets, iemand,
waarvoor ik mijn leven wagen
moest, iemand die in angst en
pijn om mijn hulp riep. En ik
doorleefde de vijf minuten die
ik hier was, als een reeks van
bange, dreigende uren, zóóveel
was er gedurende dien korten tijd
in me omgegaan.
Plotseling, met een schok, bleef
ik staan : het was alsof ik, dicht
bij me, daar waar in den rechterhoek
het gewelf afboog, twee
zwak lichtende punten zag, twee
als fosforesceerende kleine bollen
—' wijd gesperde, angstige menschenoogen
leken het, die glansden
in de dichte, beklemmende
duisternis. Ik aarzelde niet langer,
en hoewel ik mijn hart tegen mijn
borstkas bonzen hoorde, stak ik
mijn lantaarntje aan.
Mijn oogen, .aan het donker
reeds gewend, knipten een oogenblik
pijnlijk dicht toen het vlammetje
opgloeide. Maar weldra was
ik die. seconde van zwakheid
meester, en ik zag om me heen.
Ik stond voor een doodloopende
ruimte, die klaarblijkelijk gediend
had om een trap te bevatten welke
naar een hoogere verdieping leiden
moest. Langs den wand glom de
koperen leuning die ik reeds te
voren had opgemerkt. Opziende
ontwaarde ik, in de schaduwen
van de welvende zoldering, het
gapende zwart van de boven mij
liggende kamerruimte, en aan de
onderzijde daarvan hing ’t bovenstuk
van een zware ijzeren trap, welks benedengedeelte,
op meer dan manshoogte, blijkbaar weggenomen
was.
En aan de ijzeren stijlen van die trap ....
Ik gilde het uit; mijn geheele lichaam schokte.
„Mary !” riep ik, „wat is er ?!”
Geen antwoord volgde ; er was alleen de spottende
echo van mijn stem.
Aan de ijzeren stijlen van de trap lag Mary vastgebonden,
met handen en voeten, zoo vastgesnoerd
dat zij niet de geringste beweging maken kon ; een
doek was over haar mond geknoopt, en in haar doodsbleek
gezicht staarden, als fosforesceerende lichten,
haar wijd-open angstoogen. Machteloos was ze, sprakeloos,
veroordeeld tot lijdelijk toezien, beroofd van elk
middel om zich te uiten ; maar de uiterste spanning
van haar zenuwen, haar wil, haar verlangen, had
een nieuwe en geheimzinnige macht in haar geschapen,
een zesde zintuig, waarmee zij, als langs geestelijke
wegen, haar hevig werkende gedachten op mij
overgèbracht had, zonder geluid of beweging. Het
|