Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1851 tot 1855 van 11897
Nummer
1915, nr. 72, 6 sept. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 bover in het rek. Ge kunt u mijn verbazing voorstellen, toen ik, er twee dagen later naar ziende, het zoo groot vond als de eerste foto aangeeft. Het ei was gegroeid en was nu iets grooter dan dat van een krielkip. Onmiddellijk nam ik mijn kamera en fotografeerde het. Het van nu af nauwkeurig gadeslaande zag ik het met den dag grooter worden. Drie dagen later nam ik de tweede foto, het ei had nu een lengte van zeven en een halven centimeter en een breedte van vier centimeter en nog steeds ging de groei voort.” „Aldus luidde het bericht en jullie zult me allen toegeven dat dit een zeer merkwaardig bericht was. Wie had ooit gehoord van een ei dat grooter werd, nadat het gelegd was ? Niemand, natuurlijk 1 Nooit had men aan zooiets gedacht en als het aan een van jullie was gevraagd, weet ik zeker dat jullie gezegd zouden hebben dat het onmogelijk was. „Maar daar is nu geen sprake van. Ik zal jullie nu vertellen hoe het ei groeide. Die zelfde week was het bericht door een ander tijdschrift opgenomen onder den titel: „Een groeiend ei.” Het bericht luidde als volgt: „Het nieuwste natuurwonder is een ei dat groeit, nadat het gelegd is. De heer B. Roskam, eigenaar van een hoenderpark in Overijsel, heeft bij een van zijn kippen een ei gevonden niet grooter dan dat van een musch. Het was nog geen drie centimeter lang en twee centimeter breed. Na twee dagen had het de grootte van een gewoon kippenei, een waarover geen enkele kip zou behoeven te blozen. Op dit oogenblik heeft het reeds de grootte van een ganzenei en meet 9 cM. bij 5 cM. De eigenaar staat in voor de juistheid der opgegeven maten. En nog steeds groeit het ei.” „Aldus luidde dit nieuwe bericht. Jullie zult hebben opgemerkt dat het veel meer details bevatte; dat het berichtte, dat het ei was gelegd door een kip, dat de groei nog steeds toenam en de maten nauwkeurig waren opgegeven. Ik was ook nieuwsgierig en ging naar mijn broer, die nu het ei liet zien ; de kip zag ik niet. Het ei ging nog steeds voort te groeien. Ik begon belang te stellen in het geval en schreef aan een persberichtenbureau met het verzoek om met open oog en scherpe schaar alle berichten uit te knippen en mij toe te zenden, die in de pers over het groeiende ei verschenen. De volgende week ontving ik een heelen bundel uitknipsels van alle mogelijke dag-, week- en maandbladen. En steeds werden me er meer toegezonden. „Na veertien dagen was er geen blad meer in Nederlanddat de geschiedenis van het wonderei niet had vermeld. „De Pluimgraaf” wijdde er een hoofdartikel aan.” Teunis zweeg even en zocht in zijn borstzak. „Ah, hier is ’t 1 Ik zal ’t jullie voorlezen. ,,De mededeeling van onzen correspondent, den heer Roskam, betreffende de merkwaardige speling der natuur, die hij bezat in een groeiend ei, zal zeker de grootste belangstelling bij onze lezers wekken. Voor den leek mag het onverschillig zijn of een ei groeit of niet, maar voor allen die bij de pluimveecultuur betrokken zijn, hetzij uit liefhebberij of uit profijt, moet het feit dat een ei kan groeien de meest mogelijke belangstelling wekken. Het beteekent een revolutie in de kippenteelt, en zal op de eiermarkt onvoorziene gevolgen hebben, zoowel voor den producent, (wij bedoelen natuurlijk den boer !) als voor den consument. In ’t vervolg zal de waarde van het ei met zijn ouderdom niet verminderen maar juist vermeerderen. Vooral voor den kippenboer is dit nieuws van het grootste belang. Het is duidelijk dat zoolang een ei groeit, de levenskiem nog niet dood is en het dus steeds geschikt is om als broedei te worden gebezigd en hoe grooter ei des te grooter kip. De tijd is dus niet ver af meer, dat het aan bekwame vaklieden gelukken zal door zaakkundige teeltkeus kippen te verkrijgen zoo groot als struisvogels; en waar deze groote kippen wederom grooter eieren zullen leggen, is het niet onredelijk aan te nemen dat er geen grenzen zullen zijn voor de afmetingen, die het broedsel in de toekomst zal aannemen. In ons volgend nummer hopen we op dit merkwaardig onderwerp terug te komen.” „Merk je wel hoe de verwachtingen steeds grooter worden,” SPOORLIJN DORP-STATION N.-SCH ARWOUDE. Verleden week werd onder groote belangstelling de nieuwe spoorlijn Dorp-Station NoordScharwoude geopend, hetgeen gepaard ging met tal van festiviteiten in de betrokken dorpen. Wij geven hierboven een groep der genoodigden en comitéleden. zei Teunis, nadat hij zijn lezing geëindigd had. -,,’t Is een grappig serieus artikel. Mijn broer was echter geen correspondent van hun blad, de redactie had het geheel geknipt uit „Avicultura” en hier en daar een woord veranderd, snap-je ? „O ja, er werden zelfs gedichten op gemaakt. Wacht eens, hier heb ik er net een: HET WONDEREI. Geacht Publiek, wil, wat ’k schrijf hier. lezen zeer attent. EEN ONDERSCHEIDING. Het nieuwe vaandel dat Zondag a.s. aan het landstormcorps der Limburgsche jagers zal worden uitgereikt. (V.F.B.) ’t Is ’t waar verhaal van ’n wonderei, tot nog toe onbekend. Dit' ei was, toen men ’t vond, Als alle eieren rond, Maar, da’s raar ’t Was zoo groot of liever zoo klein Als een grauwe erwt of capucijn. Doch ’t groeide, ’t werd steeds dikker En was spoedig zoo groot als een knikker. En toen ’t een paar dagen stil had gelegen, Had ’t de grootte haast van ’n kipei gekregen En steeds ging — ’t is ongehoord, Op mijn woord — Het groeien gestadig en onverpoosd voort, En mag men de laatste berichten gelooven, Dan gaat ’t nu reeds den omvang van een struisei te En als ’t met groeien zoo door blijft gaan, [boven. Kijkt niemand voortaan Een gewoon kipei meer aan } En gaat de kippenteelt finaal naar de maan. Doch — misschien komt er voor dien [tijd wel ’n luchtje aan. (K.P.B.) „’t Is een pruldicht,” ging Teunis voort, „ik zou ’t veel beter kunnen maken ; maar ’t is in allen geval een bewijs, dat het ei de algemeene aandacht trok. Ik zal je niet vervelen met te vertellen van de pakken brieven die mijn broer ontving van particulieren, dienieuwsgierig waren naar meer bijzonderheden, en van wetenschappelijke personen en genootschappen. De meesten vroegen naar den afloop, sommigen noemden Ben een leugenaar. Een was er zelfs die om honderd gulden wedden wilde, dat Ben het groeiende ei niet kon toonen. Ben nam de weddenschap aan en won. Maar ik loop op mijn verhaal vooruit. Spoedig begon debuitenlandsche pers belang te stellen in het natuurwonder; tot zelfs in Amerika verschenen er artikelen en afbeeldingen van. Een tijdschrift was er zelfs dat een serie foto’s gaf van den groei van het ei, beginnende bij de grootte van een erwt en eindigende met een ei van 45 cM. lengte en 20 cM. breedte, als zijnde de omvang volgens de laatste metingen. „De foto’s waren begeleid van een artikel over een volle pagina. O, stel je gerust, ik zal jelui er niet mee vermoeien, hoewel ik ’t mij nog geheel herinner. Ik geef jullie alleen het hoofd dat er boven stond.” En hij las van een ander stuk papier : HET EENIGE EI!! HET GROEIT ! HET HAD EERST DE GROOTTE VAN EEN ERWT NU IS ’T ANDERIIALVEN METER HOOG ! DE GROEI IS IEDER UUR OPGENOMEN DOOR EEN COMITEE VAN EXPERTS! WAT ZAL HET UITBROEDEN ? ? „Den volgenden dag kwam een New-Yorksch blad met een opzienbare mededeeling,” ging Teunis voort. „Het gaf toe dat het ei groeide; het gaf toe dat het een lengte had van één meter zeven en vijftig centimeter ; ’t erkende dat experts uit verschillende landen rondom het ei gezeten den groei hadden gadegeslagen ; maar .... maar toen een der vaklui de centimetermaat in handen kreeg, waarmee Ben den omvang van het ei had opgenomen, bemerkte hij dat de centimeters voortdurend kleiner werden. Kon iets daaraan zoo bevorderlijk wezen als de lichtgeloovigheid van een vertrouwend publiek ? Het was een lumineus idee! „Welnu, om kort te gaan, de meest fantastische variaties op ’t oorspronkelijke thema gingen de wereld door.” „Natuurlijk heeft dat ei nooit bestaan I” merkte een wijs man onder de toehoorders op. „Zeker!” antwoordde Teunis ernstig. „Wat ? Wil jij beweren, dat een van jouw broers kippen zoo’n ei gelegd heeft?” brak nu een ander ongeloovige luisteraar los. Om Teunis lippen speelde een fijn lachje. „Volstrekt niet,” zei hij. „Dat heb ik in ’t geheel niet beweerd. Kijk maar zorgvuldig het eerste bericht na. Daar staat niet dat het ei gelegd was; neen, hij „vond” het ei, en ik heb het gezien en dat deed ook de man die honderd gulden verwedden wilde en toen hij ze verloor,niet betaalde. „De roem dien het ei behaalde is een duidelijk bewijs ervan, hoe een kleine waarheid door den duim van een journalist wordt uitgebroed tot een groote leugen, De waarheid was dat het ei werkelijk groeide, maar .... het was geen kippenei, doch de vrucht van een eierplant.” EEN NIEUWE SYNAGOGE. Intérieur-opname van de verleden week in de Watergraafsmeer nieuw geopende Synagoge. (V.F.B.) EEN JUBILEUM. (KF.BJ Verleden week herdacht de bekende Amsterdamsche stempelfabriek der firma J. D. Posthumus den dag waarop ztj vóór 50 jaar werd gevestigd. Hierboven een foto van’t versierde perceel der firma. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
01
Tekst
No. 73 <1 la) ABON­ 9 SEPT. NEMENT 1915 PER AFZONDER­ KWARTAAL nz. LIJKE 20 NUMMERS / Gei llustreerd-weekblad NUMMERS 7‘/2 CENT f 1.30 . w . S 1JT M O F= F= ’ s UITGEV/ER.S MAATSCHAPPIJ- LEIDEn DE GEALLIEERDEN IN DE VOGEZEN Generaal Joffre on een film Generaal Joffre is in Frankrijk de man, op wien alle hoop en vertrouwen van het volk in den uitslag van den oorlog gevestigd is. Naast VJCnci ddl uvmc up CCll mm» de portretten van de gekroonde hoofden der geallieerde landen, wordt ook zijn portret in alle bioscopen vertoond, hangt het in de binnenkamer van eiken rechtgeaarden Franschman. Geen wonder dus, dat hij door pers- en filmfotografen dikwijls wordt lastig gevallen. Op onze foto ziet men den generaal poseeren voor een filmfotograaf, die hem opwachtte bij een bezoek in de Vogezen. lil dc eerstö linie ^en MW© *n de eerste linie loopgraven der Geallieerden in de Vogezen. De vijandelijke stellingen bevinden zich op nog geen 100 meter afstand. Links op ———------------------------- 1 de foto (x) ziet men den ingang van de scherfvrije schuilplaatsen, waar, voor zoover er van rusten sprake is, de nachten worden doorgebracht.
PDF
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 liÈlUUlIlllIfcllIidlBb UIT HET ZWARTE BOEK VAN ’N TELEGRAFIST DOOR J. T. VAN LEIDEN .. (Vervolg). lijn uitgestrekte handen voelden aan weerszijden de wanden van een gang die als een nauwe tunnel was ; nog iets verder en ze raakten het kille oppervlak van een stalen deur. Ik stond weer stil. lantaarntje wilde ik niet aansteken ; gesteld dat hier iemand op mij loerde, dan mocht ik hem niet zoo’n gemakkelijk doel aanbieden. Terwijl mijn linkerhand instinctmatig naar mijn gereedschappen greep, voelde mijn tastende rechterhand de deur al wijken ; licht en geruischloos draaide ze open. Er zaten aan weerszijden zware grendels op de paneelen, van onderen en van boven, en ik verwonderde mij dat deze ongebruikt waren gebleven ; maar, de veronderstelling lag voor de hand dat dit in verband stond met het blijkbaar kort geleden aanvullen van den kolenvoorraad. Voor ik de ruimere gang binnentrad die achter de deur lag, nam ik mijn revolver uit mijn achterzak, betastte den cylinder om mij te verzekeren dat iedere patroon op haar plaats zat, en stak het wapen toen in den rechter zijzak van mijn jas. Langs den gladden muur voelde ik mijn weg tot ik wederom tegen een deur stuitte. Ook deze bleek ongesloten, en nu kwam een gevoel van in een val te worden gelokt met plotselinge scherpte over me. Het ging op deze manier te gemakkelijk. Een minuut lang stond ik te luisteren. Er was niets dan de stilte. Toen keerde ik terug naar het punt vanwaar ik gekomen was ; ik wilde weten of ik misschien gevolgd, bespied wrerd, of mijn terugtocht wellicht reeds afgesneden was. Maar ik vond alles onveranderd in den vorigen toestand. Opnieuw stond ik voor de tweede deur, en ditmaal duwde ik ze open. De ruimte waarin ik nu kwam was grooter dan de vorige, want aan weerszijden van de deurposten weken de muren, die ik betastte, verder uiteen. Nogmaals stond ik stil en luisterde. Het bloed klopte aan mijn slapen en zong in mijn ooren; geheimzinnig fluisterde de stilte. Een vreemdë spanning kwam over mij, de zekerheid bijna dat iemand mijn binnenkomen wist, mij hoorde, mijn voetstappen met luisterende ooren volgde. Het kon niet anders : ik werd hier binnengelokt ; men wachtte op me ; ik had slechts de nog benoodigde tien of twintig passen te doejn om in den zorgvuldig voor mij uitgezetten strik te vallen. Hoe ? — Ik wist het niet. Misschien zou ik straks in een kuil of een put stappen, misschien plotseling door een paar kerels overvallen worden ; misschien ook zouden er, bij *t openen van een volgende deur, eenvoudig een paar revolverschoten vallen. Zou ik licht aansteken ? Neen —■ in de duisternis lag misschien mijn redding. Als er iemand op mij loerde, mocht ook hij zijn aandeel in het onverwachte en in de spanning hebben. Nog stond ik onbeweeglijk, en het was alsof de duisternis tot me sprak, de stilte me iets te zeggen had. Mijn gezichtszin was uitgeschakeld, maar een vreemde, fijne gewaarwording van de dingen om me heen kwam over me als door de geheimzinnige werking van een zesde zintuig. Ik geloof niet dat ik ooit zoo sterk intuïtief gevoeld heb als toen, zoo duidelijk en overtuigend het overwicht van het instinct ondervonden op alle uitingen van het verstand. En ik moest op dat oogenblik denken aan wat Mary me zoo dikwijls gezegd had : dat de geest soms zijn zuiverste waarnemingen doet als hij op ingevingen en voorgevoelens let, waarmee het verstand geneigd is te spotten. Ik wdst, met niet te verwrikken zekerheid, dat ik niet alleen was. En ik kan het niet beter uitdrukken dan zóó : terwijl mijn gedachten normaal en welbeheerscht doorwerkten, werd, onafhankelijk daarvan, het draadloos station van mijn ziel opgeroepen door dat van een gelijkgestemde ziel. Het waren nog slechts zwakke vonken die oversprongen, de golflengten waren nog gering, maar het contact bestond, dit was buiten twijfel. En het moest een ziel zijn in angst en nood, gelijk de mijne, want alleen dan, in die groote, bijna ondraaglijke spanning, kan ons het bestaan van dit nieuwe zintuig ontdekt worden. Het was onhoudbaar. Met een ruk ontstak ik een lucifer. Er was niets om me heen dan een gewelfde kelH ET HINDENBURG-STANDBEELD TE BERLIJN. Op de Königsplatz te Berlijn is een standbeeld onthuld voor Generaal-Veldmaarschalk Von Hindenburg, den aanvoerder van de Duitsche legers die tegen de Russen strijden. Het gedenkteeken, dat kolossale afmetingen heeft, is van hout vervaardigd, en bestemd om „benageld” te worden. De onthulling geschiedde in tegenwoordigheid van Prinses August Wilhelm en vele andere autoriteiten, terwijl een talrijk publiek de plechtigheid bijwoonde. Wij geven hierboven het gedenkteeken na de onthulling, op het oogenblik dat ae officieele personen den eersten spijker in het beeld zullen slaan. Rond de Overwinningszuil (het gedenkteeken rechts van het beeld) vliegt de Zeppelin „Hansa”. derruimte, die aan het rechtereinde naar een gang of een trap scheen af te buigen ; rechts van de deur die ik binnengekomen was liep een koperen stang of leuning langs den muur naar den hoek waar het gewelf afboog. De lucifer brandde op en viel uit mijn opgeheven hand. Ik besloot op den tast de leuning te volgen tot aan het einde en daar opnieuw licht te maken. Maar zoodra de duisternis weer over me viel, begon elk van mijn vezels opnieuw te trillen, te seinen, zou ik willen zeggen ; electrische stroomen gingen van mijn hersens uit en vloeiden er binnen : de draadlooze stations trachtten wederom in contact te komen. En nu, voor ’t eerst, kwam een dreigend gevoel van angst over me ; mijn beenen beefden, het zweet begon mij klam van liet voorhoofd te droppelen. Maar het was geen vrees voor mezelf : Mary was in dit huis, ze was in mijn onmiddellijke nabijheid, en —• ze was in gevaar, want haar ziel riep angstig de mijne, sprak uit wat haar mond niet te zeggen vermocht .... Ik wachtte, wachtte totdat de seinen duidelijker zouden worden. Maar niets brak de stilte die mij als met een zwart laken van heel de levende wereld afsloot. En met droge lippen vroeg ik hardop, verwonderd en verschrikt van mijn eigen stem, die ik niet verwachtte en die heesch en gesmoord klonk : „wat heb je me te zeggen, Mary ; wat heb je me te zeggen ? !” Maar ik worstelde met mezelf, begrijpend dat ik mijn koelbloedigheid moest terugwinnen, dat er te veel op het spel stond om aldus voort te gaan met mijn tijd aan vage spiritistische séances te besteden, terwijl de harde werkelijkheid mij wachtte. En toch . . . en toch wist ik in deze oogenblikken van uiterste gevoelsspanning zekerder dan ooit dat er diep in mij dingen sluimerden, neen : te ontwaken begonnen, die me zeiden dat er beter en hooger leven voor me weggelegd was dan wat ik tot nu toe verspild had aan grove jacht op materieele winsten en genietingen .... Ik moest nu niet denken wat er aan dit avontuur voor mij te verdienen viel —zij, die mij het liefste op deze aarde was, liever dan geld en goed en genot, bevond zich in nood, in levensgevaar, en ik moest haar redden. In dit oogenblik zwoer ik dat dit ons laatste avontuur zou zijn, dat we samen ten onder zouden gaan of samen tot een reiner leven zouden herboren worden. Langzaam, met uitgestrekte handen, ging ik recht voor me uit, verder het gewelf binnen, op het punt aan dat me onweerstaanbaar, hoewel onzichtbaar, trok. Er was hier iets, iemand, waarvoor ik mijn leven wagen moest, iemand die in angst en pijn om mijn hulp riep. En ik doorleefde de vijf minuten die ik hier was, als een reeks van bange, dreigende uren, zóóveel was er gedurende dien korten tijd in me omgegaan. Plotseling, met een schok, bleef ik staan : het was alsof ik, dicht bij me, daar waar in den rechterhoek het gewelf afboog, twee zwak lichtende punten zag, twee als fosforesceerende kleine bollen —' wijd gesperde, angstige menschenoogen leken het, die glansden in de dichte, beklemmende duisternis. Ik aarzelde niet langer, en hoewel ik mijn hart tegen mijn borstkas bonzen hoorde, stak ik mijn lantaarntje aan. Mijn oogen, .aan het donker reeds gewend, knipten een oogenblik pijnlijk dicht toen het vlammetje opgloeide. Maar weldra was ik die. seconde van zwakheid meester, en ik zag om me heen. Ik stond voor een doodloopende ruimte, die klaarblijkelijk gediend had om een trap te bevatten welke naar een hoogere verdieping leiden moest. Langs den wand glom de koperen leuning die ik reeds te voren had opgemerkt. Opziende ontwaarde ik, in de schaduwen van de welvende zoldering, het gapende zwart van de boven mij liggende kamerruimte, en aan de onderzijde daarvan hing ’t bovenstuk van een zware ijzeren trap, welks benedengedeelte, op meer dan manshoogte, blijkbaar weggenomen was. En aan de ijzeren stijlen van die trap .... Ik gilde het uit; mijn geheele lichaam schokte. „Mary !” riep ik, „wat is er ?!” Geen antwoord volgde ; er was alleen de spottende echo van mijn stem. Aan de ijzeren stijlen van de trap lag Mary vastgebonden, met handen en voeten, zoo vastgesnoerd dat zij niet de geringste beweging maken kon ; een doek was over haar mond geknoopt, en in haar doodsbleek gezicht staarden, als fosforesceerende lichten, haar wijd-open angstoogen. Machteloos was ze, sprakeloos, veroordeeld tot lijdelijk toezien, beroofd van elk middel om zich te uiten ; maar de uiterste spanning van haar zenuwen, haar wil, haar verlangen, had een nieuwe en geheimzinnige macht in haar geschapen, een zesde zintuig, waarmee zij, als langs geestelijke wegen, haar hevig werkende gedachten op mij overgèbracht had, zonder geluid of beweging. Het
PDF
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA contact tusschen de beide draadlooze stations onzer innigste innerlijkheid was thans volkomen tot stand gekomen. Ik weet niet hoe ik de kracht en de vlugheid vond. Met één sprong had ik de onderste treden van de trap gegrepen. Ik heesch me op, klemde me met mijn voeten aan de stijlen vast, drukte er mijn lichaam vast tegen. Met twee, drie sneden van mijn zakmes kerfde ik den band weg die haar mond gesloten had gehouden, die in het vleesch van haar wangen gedrongen was en haar kaken gekneusd had. Haar tong was gezwollen, haar keel als verlamd, en ze kon geen geluid voortbrengen. Alleen bewoog ze zacht het hoofd heen en weer, als in hevige pijn. ,,0, daar zal hij voor boeten/' zei ik, trillend van woede; „de ellendeling ! Daar zal hij voor boeten !" Ik sneed de riemen door die haar enkels, haar middel en haar polsen aan het stugge ijzer bonden ; ze glimlachte zwak, vaag en dankbaar toen ik mijn hand op haar brandend voorhoofd legde, maar het was haar nog onmogelijk een woord te spreken. Een zacht kreunen, een onsamenhangend geluid was al wat ze uiten kon, als hadden de doodsangst van het wachten en de lichamelijke pijn haar denkvermogen en haar spraak verlamd. Nu sprong ik naar beneden, en langzaam, voorzichtig, met uitgestrekte handen, deed ik haar langs de ijzeren treden afglijden, tot ze zwaar in mijn armen viel. Ik legde haar zacht op den vloer, schoof mijn muts onder haar arme hoofd, dat gloeide, en met een dankbare zucht zag ze mij aan, terwijl haar hand naar de mijne tastte. Hoe lang had ze daar gelegen ? Twee, drie uren misschien. O —• Hannock, de ellendeling, hoe zou ik het hem vergelden ! Zou er hier water zijn ? Wanneer er ergens een buis liep, zou ik daarin een kleine opening kunnen boren . . . Ik deed een paar passen in de richting van den muur, maar keerde onmiddellijk bij Mary terug, toen een angstig geluid, als tot waarschuwing, aan haar droge, gezwollen lippen ontsnapte. Ik hield mijn lantaarntje zoo dat ik haar oogen kon zien en volgde den blik ervan. Die was op de glinsterende koperen leuning gericht, waarin het flikkerende, dansende vlammetje weerkaatste. Ik begreep de uitdrukking van doodelijken schrik niet waarmee ze onafgewend naar de leuning staarde, en ik knielde bij haar neer,* en vroeg: „wat is er — wat kan ik voor je doen ?" Langzaam nam ze het lantaarntje uit mijn hand en tikte er mee op den cementen vloer. Ik begreep haar onmiddellijk : ze tikte het attentie-sein waarmee de telegrafist aankondigt dat hij een bericht verzenden gaat. En aandachtig luisterend hoorde ik in Morseschrift: „De — leuning — is —- geladen!" Ik nam de lantaarn en richtte ze op den glinsterenden stang, zag haar daarna weer aan. En opeens begreep ik — begreep ik dén geheelen monsterachtigen, duivelschen toeleg. Snel greep ik een stalen stuk ge-, reedschap uit mijn tasch en liet het zoodanig op de leuning vallen dat het tevens den muur raakte. Er was een slag, een plotseling opspuitende vlam, en het razende sissen van een kortgesloten stroom, totdat het stuk metaal, gloeiend verhit en duizend kleuren uitsproeiend, op den vloer als iets levends te kronkelen lag. Dat was het gevaar waaraan ik zoo dicht langs gegaan was, en waarvoor Mary’s draadlooze stroom van wil en gedachten mij gewaarschuwd had ! Ik staarde naar de blazende slang, die nog haar vonken spattende' tong naar mij rekte, en ik Een intérieur-opname van de „oude” of bestaande Badkapel te Scheveningen. VERANDERINGEN AAN HET GEVERS-DEYNOOTPLEIN TE SCHEVÉNINGEN. Gezicht op de gebouwen aan het Gevers-Deynootplein te Scheveningen, die binnenkort zullen worden afgebroken. 1. Het politieposthuis, waarvoor reeds een ander in de plaats is gezet (la). 2. Het café- restaurant „de Burcht’’, dat voor afbraak onder den hamer komen zal. 3. De „oude” Badkapel, die geheel verscholen lag achter de omringende gebouwen en slechts door een smallen doorgang te bereiken was. Ter vervanging van deze kapel, die een der bezienswaardigheden was van de badplaats Scheveningen, wordt thans een nieuw bedehuis gebouwd. het gladde ijzer; ik EEN ZIJAANZICHT VAN DE OUDÉ BADKAPEL. (foto's J. v. d. Markt). voelde dat mijn bezweet gelaat aschgrauw werd. Maar nu keerde ook het besef tot me terug van de gevaren die ons nog wachten konden. Het gewelf rondzoekend vond ik het schakelbord, drukte den hefboom neer en sloot den stroom. En terwijl ik dit deed, uitte ik een kreet van vreugde, want juist naast het schakelbord liep een looden waterpijp ! In een oogwenk had ik een klein boorgat gemaakt, en in een loodlepel die zich tusschen mijn gereedschap bevond ving ik het dunne, spuitende straaltje water op. Het was verwonderlijk hoe goed het drinken Mary deed. Het gaf haar nieuwe kracht, en weldra kon ze ook enkele woorden spreken. „Wanneer je nu loopen kunt, moeten we hier vandaan, zoo spoedig mogelijk !" Ze knikte, en ik hielp haar opstaan. Ze leunde zwaar op mijn arm, maar ik was toch verbaasd zoo snel haar oude wilskracht weer terugkwam. „Ja, we moeten weg,” zei ze. En na enkele stappen gedaan te hebben, voegde ze er aan toe : „misschien had je den stroom niet moeten afsluiten . .. „Waarom ?" vroeg ik. „Hannock heeft ongetwijfeld controle daarop ..." „Bedoel je dat hij dus onze vlucht ontdekt kan hebben ?" — Ze knikte. „Des te beter," zei ik vastberaden. „Dan zullen we het uitvechten !" We gingen door de beide pantserdeuren terug naar de plek waar ik me in het keldergewelf had laten afzakken ; onze terugtocht was niet afgesneden, en dit kwam me bijna verdacht voor. Het was me of er een nieuw gevaar loerde, of een andere valstrik ons wachtte. Maar alles bleef stil en rustig ; Hannock was blijkbaar zoo zeker geweest van 't gelukken van zijn list, dat hij geen extra maatregelen genomen had. Met inspanning van al mijn krachten tilde ik Mary op mijn schouder, tot zq den rand van het kolengat met haar handen grijpen kon. Ik duwde haar zoo ver ik kon naar boven ; ze hielp dapper mee en schoof het zware ijzeren deksel opzij met een flinkheid die me verbaasde. Op haar knieën kwam ze op het natte plaveisel te liggen, stond toen vlug op en zag om zich heen. „Loop de straat uit," riep ik naar boven, „ik volg je!" En op hetzelfde oogenblik schokte met een schrik de gedachte door me heen dat ik het eerst naar buiten had moeten gaan om uit te kijken, haar daarna omhoog had moeten trekken, al begreep ik wel dat dit veel moeilijker geweest zou zijn. In mijn angstige haast greep ik tweemaal mis, gleden mijn handen uit op hoorde Mary’s voetstappen verklinken op het asfalt boven me. Maar met een laatsten ruk heesch ik me naar buiten, keek in de richting die ze gegaan was. Haar silhouet teekende zich honderdpas verder tegen een verlicht winkelraam af; ik snelde haar na.... En op hetzelfde oogenblik schoot een geweldig groote toer-automobiel als een roofdier op Mary af; twee mannen sprongen er uit: Hannock en Morlay. Een doordringende gil — en eer nog de machine geheel stilgestaan scheen te hebben, hadden de beide ellendelingen Mary erin gesleept, en raasde het benzinemonster gonzend de straat uit. In enkele seconden had dit tooneel zich afgespeeld ; door de leege, donkere straat donder-’ de het revolverschot dat een toegesnelde politiepatrouilleden automobiel tevergeefs‘nazond. (Wordt vervolgd) 73 (11a)
PDF
Nummer
1915, nr. 73, 9 sept. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 ZEILWEDSTRIJDEN VAN DË KONINKLIJKE. Onder begunstiging van goed zomerweer hadden deze week op de Zuiderzee de zeilwedstrijden plaats van de Koninklijke. De belangstelling voor deze wedstrijden was zeer groot. Links : Een spannend moment gedurende den strijd tusschen kiel- en middenzwaardjachten. Midden : De „Leopoldine” van de 10-Meterklasse, winster van den Zeven-Provinciënprijs. Rechts : De start van de kiel- en middenzwaardjachten om den Six-prijs. (foto's V.F.B.) ’n Omschemi.dlbfflar vertrouwen. Naar het Engelsch van A. G. GREENWOOD D e auto vloog de verlaten heide over en den heuvel op. De drie inzittenden keken naar het jachthuis, dat daar eenzaam boven op den heuveltop stond. „Voor geen geld der wereld zou ik daar willen wonen,” verklaarde lady Audley met een huivering. „Hoe eenzaam ! Er is nergens een ander huis te zien.” De jonge geestelijke, die tegenover haar zat, knikte. „Ik ben benieuwd,” zei hij, „wat voor soort van kluizenaar hier woont.” Daar werd plotseling de voordeur geopend ; een man rende den verwaarloosden tuin door, terwijl hij met de armen zwaaiende, aan den auto te kennen gaf te stoppen. „Stop 1” beval lady Audley, door de spreekbuis aan den chauffeur. Een groote man,zonder hoed met grijs haar, verscheen ademloos aan het portier. „Reist u naar Teigncombe?” vroeg hij. „Excuseer mij, ik ben een dokter, mijn naam is Keighley. Iemand hier heeft een ongeluk gekregen en nu geestelijken bijstand noodig”. „Ah !” De uitroep van den geestelijke trok de opmerkzaamheid van den dokter. „Hij is stervende, mijnheer,” ging hij voort. „Als u ..” „Wel zeker 1” antwoordde de jongeman bereidwillig. „Natuurlijk, wil ik hem helpen ! Wacht u maar niet HET KAMP VAN LAREN. Een onzer fotografen heeft deze week, gewapend met zijn camera, eens een dagje doorgebracht bij onze soldaten in het kamp van Laren, en een serie aardige foto’s gemaakt van het soldatenleven aldaar. Hierboven een foto van het kader van het kamp, dat zoo welwillend was voor onzen fotograaf te poseeren. HET KAMP VAN LAREN. Links *. als het signaal „Voor de keuken” is geblazen. De manschappen komen met hun eetketels en borden naar de keuken om het middageten te halen. Midden : de veelbesproken „regimentszoon” voor zijn tent aan den middagmaaltijd. De bewering dat de jongen geen onderwijs geniet is onjuist. Hij wordt eiken dag per fiets naar school gebracht. Rechts: De „regimentszoon” temidden van zijn „slaapies”. (foto's t,RembrandV') op mij, lady Audley. Ik zal later wel naar Teigncombe loopen.” „Maar mijnheer Allendale . ..” Dokter Keighley keek haar aam „Mijn patiënt is vanmorgen gedurende de jacht in een doornhaag gevallen. Hij is blind! Het is een treurig geval. Zijn hersenen zijn aangedaan. De minste schok, de geringste opwinding zal hem dooden ! Hij verlangt dringend naar een predikant en schijnt een heimelijk verdriet te hebben. Het is een geluk dat deze eerwaarde heer juist ...” „Het is de voorzienigheid Gods,” viel de heer Allendale hem in de rede. „Laat mij u niet ophouden, mevrouw. Ik zal met genoegen straks wandelen.” Hij groette de dame beleefd, steeg uit den auto en volgde haastig den dokter. „Hierheen, mijnheer! De kamer is donker, maar er is niets waarover u kunt vallen.” De dokter opende de deur van een kamer. Bij hetflikkerend haardvuur zag de heer Allendale in den donkersten hoek van het vertrek een rustbed en daarop een menschelijk wezen, wiens hoofd geheel verbonden was. „Deze geestelijke heer kwam Juist hier voorbij,” legde de dokter uit op kalmen toon. „Is hij een bedrieger? Een zwendelaar ? Hou je me voor den gek? Hoe kom je zoo opeens aan hem ? We zijn mijlen ver van eiken sterveling verwijderd. De duivel haal je, Keighley, als je me bedriegt! Zeg, ben jij een hemeldra gonder?” „Als je dat zoo noemen wilt, ja! Ik ben een predikant,” antwoordde Horace HET KAMP VAN LAREN. Het officierscorps in de eenvoudig gemeubelde loods aan den lunch. VETERANEN CRICKET-WEDSTRIJ D. Zondag j.1. is te ’s-Gravenhage een Veteranen Cricket-wedstrijd gespeeld tusschen het Isbrückers Haagsch elftal en het Amsterdamsche, waarin het Haagsche elftal overwinnaar bleef. V.l.n.r. de heeren; Vorstius, jhr. v. Witsen ; Elias; Joosten; Mr. Red; v. d. Kloot; v. d. Waarde; de Bordes; Leembrugge; Sweerts; v. Walgeren ; Jhr. v. Karnebeek; van Vollenhoven. (foto Sijes) ’N VAAN DEL UITGEREI KT. Op 5 Sept. werd te Valkenburg in tegenwoordigheid van vele autoriteiten het vaandel uitgereikt aan het vrijwillige landstormcorps „De Limburgsche Jagers”. Hierboven het uitreiken van ’t vaandel door Generaal Neeteson aan den commandant van den vrijwilligen landstorm (VJF.B.) AMSTERDAMSCHE WIELERBAAN. De deelnemers aan de match è trois, over 1 K.M. in 3 manches, welke Zondag verreden is. Van links naar rechts: Didier, kampioen der onafhankelijken, winnaar van het nummer; Schilling; De Crasto.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1851 tot 1855 van 11897