|
15 PANORAMA
bedaren te brengen, wat haar eindelijk gelukte. Maar nauwelijks
was hij weder een weinig tot zichzelven gekomen,
nauwelijks had zijn bezorgde echtgenoote de diggelen
bijeengeraapt en geschuierd, en stond ze gereed, om alles
aan de pensionhoudster te gaan
rapporteeren, -j- als de oogen
van den lijder zich op een bewegend
donker voorwerp vestigden,
en hij eensklaps naar
den wand vloog om met een
feilen mep. . . . een Chineesch
bordje aan stukken te slaan.
De vrouw begon nu te schreien,
de man echter loerde met een
fanatieken blik het, natuurlijk
ontsnapte, vliegje na.
„O, o, o, ’t is nog niet genoeg,”
jammerde zij. Hij gaf
geen blijk, dat hij haar verstond,
ja, het leek wel of hij
zelfs van haar aanwezigheid in
het vertrek geen notie had,
want den blik van doodelijken
haat op het behang achter zijn
echtgenoote vestigend, liep hij
voort, als wilde hij door haar
henen stappen, en stond voor
zij het wist op haar voet met
bijbehoorende eksteroogen.
„Au, au,” jammerde zij.
„Wat au ?” snauwde hij, voor een wijle tot staan gebracht,
„wat jij met je au ?”
„Au, au, je staat op mijn voet.
De patiënt trok zijn voet terug ; hij had het niet bemerkt.
„Ga nu eens zitten,” vermaande zijn ega hem, en leidde
hem bij de hand naar zijn leunstoel. Zij nam dan plaats
tegenover hem, en trachtte hem kalm en zakelijk te onderhouden
over den toestand.
„Je bent hier voor je rust gekomen,” begon ze welmeenend,
„je mag je niet opwinden. En die jacht op die dieren
maakt je zóó overstuur, dat je over e$n etmaal of wat
in mekaar zult zakken, afgezien nog van de schade, die je
om je heen aanricht. Ik voor mij geef geen gulden voor den
fijnsten inboedel zoolang jij er middenin zit, met ook maar
éen vlieg tegenover je. Maar geloof me, dat jagen geeft niks.
„Daar zit weer zoo’n ellendeling,” riep de patiënt plotseling
uit, en hij vloog overeind, „wacht, jij, menschenmoordenaar,
jij, longen-, lever- en nierenbesmetter, ik zal
je even afdrogen. Jou, bacillendrager, van mij zal je geen
satisfactie hebben, smeerpoets.”
Met moeite weerhield de vrouv£ hem, en ontwikkelde
haar denkbeelden : ze zou een vensterhor koopen, hier
en daarvan die lijmlinten als griezelige centimeters ophangen,
schotels met vliegenvergif, lijmstokken en vallen neerzetten
Die dan nog rondvlogen, zouden ze voorzichtig dood zien
te slaan, zonder den inboedel in den grond te boren.
„Ik heb geen rust als ik er een zie,” riep
Berlijn als in razernij uit, „ik kan me niet
inhouden. Ik móet er op los.”
En als in hallucinatie staarde hij naar het
plafond, waarop hier en daar vliegen als
kleine acrobaten met hun zuigvoeten vastgeklemd
ondersteboven rondpassagierden. „De
vuilpoetsen, wie weet waar zevandaan komen,”
bromde hij woest, „van welke mestvaalten,
beerputten of rottende kadavers ...”
De vrouw onderbrak zijn gruwelijke mijmerijen
met het voorstel om de wapenen
tegen het vliegengevaar te gaan inkoopen.
En zoo geschiedde.
Het woon- en het slaapvertrek beide waren
onkenbaar geworden ; alom zag men lijmstokken
in flesschen, borden met formalineoplossing,
vallen als viezerige kaasstolpen op
kasten, tafels en elders opgesteld. Overal waar
’n haak, kram, duim of spijker voorhanden was, hing daaraan
een vies lijmlint; de ramen waren van horren voorzien. Het
hielp. De vliegenplaag was tot een minimum ingekrompen.
Toch zwierven er nog verscheidene langs plafond en muren,
en de patiënt, eenmaal door een woesten haat tegen het
viiegenvolk bezield, was niet bevredigd door de honderden
lijken, die alom aan de stokken en linten kleefden. Hij
wilde persoonlijk ook medewerken om het menschdom
ALG. NED. BOND VAN SCHOENFABRIKANTEN.
Onder voorzitterschap van den heer Jos. de Pont, hield de Algemeene Nederlandsche Bond van Schoenfabrikanten
verleden week te Tilburg zijn jaarlijksche vergadering, die door een 20-tal leden uit verschillende oorden des lands werd
bijgewoond.
van de afschuwelijke plaag — bloedvergiftiging, steenpuisten,
negenoogen, tuberculose, cholerine, en meer bezoekingen
van dien aard te — verlossen en overal liep hij
rond met een afgedragen muil in de hand, in gangen en
EEN AARDIG GEZELSCHAP.
Een onzer abonné’s zond ons bovenstaande opname .van een nest jonge
honden met verzoek deze foto in „Panorama” te willen opnemen. Als bijzonderheid
deelde men ons nog mede dat de vader is Sanon, van den heer
W, C. Teurlings te Rotterdam en de moeder juno, eigenaar de heer Th.
J. van Straaten eveneens te Rotterdam.
BELGISCHE H ERDERSHON DEN.
Een nes giadharige Belgische Herdershonden, geboren 9 Juli 1915. Moeder is de op verschillende tentoonstellingen
te ’s-Hage en Rotterdam bekroonde Nora, eigenaar de heer J. J. van Wette te den Haag. De vader
is de in sportkringen bekende Max II, geboren te Moll in België. Deze verwierf zeer vele eere- en speciale prijzen.
Dit nest jongen zal op de a.s. tentoonstelling te Amsterdam, welke gehouden wordt op 11 en 12 September,
worden geëxposeerd. Op de foto zijn duidelijk zichtbaar de mooie zwarte maskers welke dit ras kenmerken.
portalen, in de keuken en op het erf, ja, in de naburige
boerderij, en sloeg ze deerlijk meestal mis, maar nu en
dan ook raak. De oogst van insecten was niet in verhouding
tot de ontzaglijke inspanning en den pijlsnellen
achteruitgang van zijn zenuwgestel. Voeg hierbij de eindelooze
vermaningen van zijn welmeenende echtgenoote,
en de daaruit voortvloeiende tweedracht, en ge zult begrijpen,
hoe het uur waarop de landelijke rustkuur geëindigd was,
een uitkomst voor ’s mans zenuwen
heeten mocht.
Dof-oogig, hol-wangig,en met
een gelaatskleur als een graszode,
was Berlijn nauwelijks een
schaduw meer van wat hij geweest
was, toen hij zijn verdiepinkje
weer betrok in de
stad, waar het ook niet alleswas,
maar althans de gehate insecten,
betrekkelijk schaarsch waren.
De dokter, bij zijn bezoek zoozeer
verbaasd over het uiterlijk
van zijn patiënt, geloofde even
aan een smakelooze grap : dat
de man zich namelijk als overledene
gegrimeerd had. Doch
al spoedig bespeurde hij de ijselijke
werkelijkheid: de rustkuur
daarginds was Berlijn als een
levensgevaar geweest, als het
gapend graf. Het kosttehemheel
wat moeite, om zelfs met de
hulp van de trouwe echtgenoote
den ontredderden Berlijn te
doen herstellen van zijn mislukte rustkuur, van het verblijf
in de gezonde, landelijke omgeving, waar, letterlijk naar
zijn eigen woorden, ’s mans graf had gegaapt, — iets wat
gij lezers, naar ik hoop niet gedaan hebt bij het lezen van
dit droef relaas, hetwelk trouwens bij dezen onherroepelijk
ten einde is.
(k.p.b.;
DE GESCHIEDENIS VAN HET
WONDER-EI DAT GROEIDE
DOOR HENKIE
!an eieren gesproken,” geen mensch had het
woord „eieren” in zijn mond gehad, maar
Teunis Roskam met zijn gewone onstuimigheid
verstond de vraag : „Hoe komt hij
er bij,” door een der aanwezigen geuit,
verkeerd, en maakte er gebruik van om een
van zijn verhalen te luchten
„Van eieren gesproken, jullie hebt zeker nooit gehoord
van dat merkwaardige ei dat mijn broer eens had ?”
Hij keek vragend den kring rond (ik mag wel schrijven :
uitdagend, vijandig dat iemand het zou durven wagen te
knikken). Niemand knikte evenwel; eenigen zeiden „nee,”
anderen schudden hun hoofd en de rest deed
geen van beide of allebei. Teunis was voldaan
en stak van wal.
„Dat dacht ik wel,” ging hij voort. „Ik
verwachtte niet dat jullie ervan zouden
weten, ofschoon er kans op was, want er is
reusachtige reclame over gemaakt en het bericht
ervan in alle mogelijke buitenlandsche
bladen overgenomen.
„De geschiedenis werd het eerst meegedeeld
in een geïllustreerd blad, waarin
twee foto’s waren afgebeeld van een ei op
verschillende tijdstippen zooals de begeleidende
tekst meldde. Ze waren genomen op de
helft der oorspronkelijke grootte.
Het bericht bevatte het volgende: „Wij
drukken hier twee merkwaardige foto’s af
van een ei, die ons zijn toegezonden door
den heer Benjamin Roskam, eigenaar van
het hoenderpark „Nooit gedacht.” Deze heer
schrijft ons: „De eerste foto was genomen twee dagen
nadat ik het ei vond. Het was een veel kleiner ei dan door
een van mijn kippen gelegd wordt; nauwelijks zoo groot
als een musschenei. Ik plaatste het als een curiositeit
BLOEMBOLLENVEILINGEN TE BEVERWIJK.
0d initiatief van het Hollandsch Bloemkweekers Genootschap, afdeeling Beverwijk, worden sinds eenigen tijd aldaar zoogenaamde droge veilingen gehouden van Bloembollen. Terwijl deze veilingen vroeger op langen termijn werden
aehouden geschieden ze nu uitsluitend a contant. Dat de veilingen, die onder leiding van de heeren Jb. Meijer, A. P. Kochx en H. Sluiter in hotel „De Zon” worden gehouden, door veel koopers worden bezocht, bewijst het feit dat
in 4 weken tijds van f 30.00 tot f 40.000 bollen werden geveild.
|