Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1841 tot 1845 van 11897
Nummer
1915, nr. 71, 2 sept. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA ö DE BEEN-CACTUS DOOR JOB STEYNEN Herinnert st was in den gezelligen ouden tijd, toen de ernst des levens ons nog slechts bij geruchte bekend was, en de dagen ons als even zoovele pleizierreizen waren door één wereld van werkelijkheid en vele werelden van verbeelding. ge u niet, mijn vrinden, dat vreugdseizoen' ten huize van mejuffrouw Staas te Amsterdam, de brave, de voortreffelijke hospita, die geen andere gebreken had dan haar idee-fixe dat ze van hooge afkomst was, en haar matelooze liefde voor kamerplanten ? Het is waar, deze laatste, voor het overige onschuldige wezens, trokken soms wat te veel van de zorgende genegenheid der bovenstebeste hospita tot zich, zoodat onze doorregen runderlapjes met rabarber wel eens onverzorgd ter tafel werden gebracht, doch diezelfde liefhebberij pleitte toch ook voor het fijne gevoel en den keurigen smaak der goede vrouw, en legden aldus, zij het ook langs een omweg, getuigenis af van haar hoogere afkomst. Mijn grief tegen de kamerplanten-liefde is echter, dat deze de oorzaak was van een hartverscheurende tragedie ten huize en in het gemoed van mejuffrouw Staas. Ik zal ze u verhalen, hoezeer me ook de herinnering aan dat droeve gebeuren in de ziel grijpt, DE PRINS-HENDRIKSCHOOL.. (V,F,B.) Exterieur van de Prins-Hendrikschool voor schipperskinderen te Vreeswijk, directeur de heer H. v. d. Meij. Het gebouw werd ontworpen door den architect Kuilers en gebouwd door den heer Reeskamp, beiden te Utrecht. hoezeer mij ook het beroeren der na zooveel jaren zelfs nog nauwelijks geheelde wonde pijnigt. Op een morgen roept juffrouw Staas mij aan vanaf haar kleine achterportaal twee hoog, het eiland harer intimiteit temidden van den oceaan van gemeenschappelijke trappen, overloopen en portalen. Ik onderbreek mijn afdaling naar de aardsche dreven en treed haar woonkamer binnen. „U moet nu toch eens komen kijken, mijnheer,” begint ze met een eenigszins vette kropstem, „ik zal u nü iets laten zien, neen maar . . . .” Tot mijn verwondering duikt de brave vrouw gelijktijdig in de uiterste duisternissen van haar alkoofje neer, en doemt onmiddellijk weder aan de oppervlakte der woonkamer op, met achterlating van een huishoudschort, dat daareven gelijk een mom der slavernij haar zwart sergen japon aan het oog onttrokken had. Een wijle vrees ik dat ze mij deze blijkbaar nieuwe jurk ter taxatie zal voorleggen, maar, godlof, ze laat de jurk (zooals de volksmond het zoo diepzinnig en kristalhelder uitdrukt,) en leidt mij zwijgend over de bloemen van een verschoten karpet naar een tafel voor het venster. Deze tafel is geheel beladen met planten van allerlei slag. Ze brengt voorzichtig de hand te midden der potten, en haalt een kleinen pot, met een stolpje bedekt, te voorschijn. „U hebt nog al veel gezien, mijnheer,” aldus vangt ze listiglijk aan, „u hebt nogal veel gezien, maar zeg ü me nou eens wat u van deze rare plant denkt.” Tegelijkertijd zet ze den pot in het raamkozijn, neemt met liefdevolle behoedzaamheid de stolp eraf, en ik zie nu een kort, dik stammetje geel en groen gevlekt, en hier en daar van een grilligen knoest voorzien ; bladeren zijn er niet aan. „Wat denkt u daar nou wel van, mijnheer ?” Ik zei, dat ik niets dacht. Maar ze vroeg of ik wel ooit gedurende mijn aardsch bestaan zoo’n plant ergens ter wereld gezien had. „Ik moet het voorbehoud maken, dat ik over het geheel maar weinig op planten gelet heb,” antwoordde ik, „maar neen, zoo iets heb ik nooit gezien.” OPENING PRI NS-H EN DRI KSCHOOL TE VREESWIJK. Zaterdag had door Prins Hendrik (x) de plechtige inwijding plaats van de Prins-Hendrikschool te Vreeswijk. Deze stichting is de eerste in ons land waar de kinderen van onze binnenschippers in de gelegenheid worden gesteld geregeld onderwijs te genieten. De leerlingen zullen geheel intern zijn en een vijfjarigen cursus volgen. — Hierboven een groep der autoriteiten en genoodigden, die bij de opening tegenwoordig waren. (V.F.B.) „Ja, het is een zeldzaam stuk.” „Ja, dat schijnt.” „Ik ben er echt blij mee, het is een soort, dat bijna niet voorkomt ; de been-cactus. Het is een lieverdje, het is een dot. Ach, mijnheer, ik ben zoo ongelukkig dat zij heelemaal niet groeien wil ... .” En de arme vrouw schreide bijna van teleurstelling. Ze had den pot in de hand genomen, en keek als in een matige zinsverbijstering den wonderlijken kleinen stam aan, met zoo strakken blik als wilde zij het ding tot bloei en vruchtbaarheid suggereeren. „Zij wil niet, mijnheer. Zij wil niet, wat ik er ook al aan heb gedaan. Ik heb ze mest gegeven, eigenhandig. IJc heb ze onder een stollepie gezet als een fijne pendule. Ik heb ze begoten zoodra ik maar zag dat het water op haar schoteltje iets minderde. Ik heb haar verzorgd als een kind maar zij doet het niet. Zij vertikt het.” „ja, ja, het is jammer,” mompelde ik, wat verveeld. „Jammer, mijnheer, jammer? Het is om wanhopig te worden. En aan mij legt het niet, want geloof me, dat ik voor mijn plantjes zorg. Kijk me die clivia eens .•. . Ze wees naar een krachtige mooie plant met donkergroene glanzende bladeren en een sierlijken roodgelen bloemkelk erin. Ik knikte bewonderend. „Of wat zegt u van die ficus?” vroeg ze koortsig, terwijl ze een plant met korte handvormige bladen voor den dag bracht. „Ja, ja,” -zei ik, „ze zien er goed uit.” „En die aspedistra?” vroeg ze, „mag die er wezen?” Ik zei, dat die er wezen mocht. „En die azalea’s, of is dat niets?” Ik antwoordde, dat het wel degelijk iets was. „Lijden die gebrek bij me ?” vroeg ze, en zonder mijn antwoord af te wachten voegde ze erbij: „o-zoo.” Een groote nerveusheid maakte zich van haar meester. Ik, begrijpend hoe weinig hier te troosten viel, wilde mij onder het stamelen van eenige gemeenplaatsen terugtrekJ. AALTSZ. JHr Mr. J. P. F. v. d. MIEDEN VAN OPMEER, t Te Rotterdam overleed een dezer dagen Jhr. Mr. J. P. F. v. d, MIEDEN VAN OPMEER, Ridder in de orde van den Nederl. Leeuw, oud-kantonrechter, oud-arrondissementsschoolopziener, enz. De overledene was een in breede kringen zeer geziene en geachte persoonlijkheid. — De heer A. G. HEINEKEN, oud-directeur van Heineken’s Glazenwasscherij, is te Bussum, waar hij een bekend ingezetene was, overleden — Tot Commissaris van Politie der le afdeeling te ’s-Gravenhage is benoemd de heer J. AALTSZ, Chef der centrale recherche aldaar. De heer Aaltsz werd den 23en Juli 1865 te ’s-Hage geboren, trad aldaar den lOen Mei 1883 in politiedienst, en heeft zich sedert dien, vooral als chef der recherche, doen kennen ais een hoogst bekwaam politieman. ken, maar, alles,' zelfs haar afkomst in dit uur van droefenis vergetend, vatte ze mij bij den arm, en weerhield me. „Ach, die andere, dat kan me eigenlijk niet schelen,” ijlde ze voort, „wat clivia! wat aspedistra1 wat ficus1 wat al die rommel1 Die heeft zij hiernaast ook. (Met zij bedoelde juffrouw Staas een buurvrouw, die op botanisch terrein met haar om den voorrang dong). Maar die been-cactus. Daar had ik haar de oogen mee willen uitsteken. Daar had ik haar mee op haar plaats willen zetten. Daar had ik haar den grooten mond mee willen stoppen. Maar als zij nou niet groeit? Als zij het nou verdraait? Ik sta machteloos als een pasgeboren kind, mijnheer. Of sta ik dat niet?” „Hoe komt u eraan?” vroeg ik, ineens haar woordenvloed afdammend. ;„Ik heb ze van mijnheer Bruins gekregen, die op de benedensuite heeft gewoond. Een maand geleden ; den dag voor hij vertrok. Gunst, zoo ineens, hè. Ik begreep het niet. Al dien tijd had^ik nooit iets van hem gehad. En daar kwam hij me ineens voor den dag met zoo iets. Ik was er kapot van. Zoo’n zeldzaam stuk, hè? „Het komt uit Australië, juffrouw,” zei hij, — „in heel Europa is er geen tweede.” Ik was weg, mijnheer, gewoon wèg......... Maar als zij nou niet groeien wil,” — herhaalde ze haar refrein, — „maar als zij het nou vertikt. . . .” „Ik sta machteloos” en „het pasgeboren kind” wachtte ik ditmaal niet af, mompelde iets van afscheid, iets van excuus, iets van troost, dat het leven zooveel teleurstellingen opleverde, dat iedereen zijn lot maar geduldig dragen moet, enzoovoorts. Ik daalde de trap naar de begane aarde af, en al dalend broedde mijn geest een vernuftig plan uit. Ik was door het verhaal der beproefde hospita op een schrikkelijk vermoeden gekomen, te walgingwekkend, te menschonteerend dan dat ik het hier thans neer zou schrijven. Ik wilde zekerheid, zekerheid tot St.-STEPHANUSKERK TE NIJMEGEN. Model voor de restauratie van de Groote-of St-Stephanuskerk te Nijmegen De lijsten en versieringen zijn op het model geheel in overeenstemming met de oorspronkelijke, voor zoover deze nog aanwezig zijn. De kerk werd gebouwd in de jaren 1249-1272 en vergroot in 1341-1361. Het model is gemaakt door den heer J. M. H. Rief, modeleur te Nijmegen. eiken prijs. Ik nam een enkelen rit voor vijf cent, en tramde naar mijn vrind Bruins, die vóór een maand, zij het ook met bloedend hart, naar een andere buurt had moeten verhuizen. Ik trof den achtenswaardigen jonkman in hemdsmouwen aan een gedekte koffietafel gezeten. „Wat, o góden, voert mijnen gunsteling voor mijn troon ?” galmde Bruins, die zich gaarne van de taal der oude tooneeïdraken bediende. „Zeg, vertel mij eens,” zei ik, terwijl ik plaats nam op den eersten den besten stoel, „wat is dat voor een ding, waarmee jij onze oude hospita Staas hebt opgeknapt ?” „Ding? Staas? Opgeknapt? Ik begrijp je niet goed . . .” „Nou, zeg, je weet wel die been-cactus.” „Die wat ? . . . . vroeg Bruins, die den indruk gaf dat hij zich van het geval niets herinnerde. Maar bijna gelijktijdig barstte hij uit in een lach, die knalde als een mortierschot. „Ja, ja was hij goed? was hij goed ? Het was een been uit de soep,” gierde hij, en stond op van zijn stoel en liep de kamer in volle vaart rond, aldoor kakelend van den lach. „Een been uit de soep,” juichte hij. „Onder een stolp,” jubelde ik. „Ze heeft het begoten,” .... „Een soepbeen, een soepbeen begoten . . . .” Een wijle zongen wij dit dus voort, dan voerden wij een begeesterden dans als fakirs uit, om ten slotte, ten prooi A. G. HEINEKEN. T
PDF
Nummer
1915, nr. 71, 2 sept. 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA MILITAIRE SPORTFEÊSTEN TE ABCOUDE. Door de Centrale Sportcommissie in de stelling Amsterdam zijn Zaterdag 28 Augustus te Abcoude zwem-, polo- en roeiwedstrijden georganiseerd, waarbij talrijke militaire autoriteiten aanwezig waren. Een drietal muziekcorpsen hielden den moed er in bij de zeer talrijke deelnemers. Wij geven hierboven een momentopname tijdens het nummer waterpolo. (V.F.B.) MILITAIRE SPORTFEESTEN TE ABCOUDE. Generaal Ophorst, (x) die de Zaterdag te Abcoude gehouden sportfeesten bijwoonde, deelt den prijswinners de medailles uit. (V.RÖ.J aan de hevigste lach-extaze, elkander te omarmen in alle richtingen. „Vertel het haar maar niet,” zei Bruins goedmoedig, „ze zou er misschien in stikken.” En we hebben nooit het geheim der exotische cactusplant verraden aan de arme Staas ; nooit heeft ze geweten, dat ze een maandlang een soepbeen gelijk een dierbaar gewas begoten heeft, en aldus aan een onwaardig voorwerp hare teedere genegenheid van liefdevolle weduwe heeft verspild. bel Donken en ik zaten aan een tafeltje op i het terras voor „Mille Colonnes” en verdeel- 5 den onze aandacht tusschen de talrijke voorbijgangers en onze glazen bier. Het was broeiend warm geweest, de zon begon nu te dalen — de schoone stad lag heerlijk in het wazige licht. „Zie je dien heer daar?” vroeg Abel me. Een man met een bleek, afgetobd gelaat liep langzaam, ineengedoken voorbij. „Dat is Karei Landers, — acht maanden geleden een boom van een vent, altijd vroolijk en opgeruimd, — Charley noemden we hem. Nu kijkt hij naar niemand meer om. Hij was geëngageerd met een knap, zwart meisje. Ze was altijd in zijn gezelschap en je zag ze hier vaak samen zitten in ’t café of buiten. Een maand of acht geleden keerde zijn gezondheid hem den rug toe, typhus ! En er kwam een maagkwaal bij ook.........” „En het meisje?” vroeg ik, geïnteresseerd. „Keerde hem ook den rug toe. Wil je de geschiedenis hooren ?” Ik knikte. Mijn vriend zette zich gemakkelijk in z’n rieten stoel en blies een paar rookwolken uit. „Karei Landers”, begon hij, „is de zoon van een kapitein die hem ’n aardig kapitaaltje naliet. Bovendien heeft hij een zeer goede betrekking op een der grootste financieele instellingen hier. En een knappe kop ook. Z’n accountants-examen heeft hij achter den rug. Op een der afdeelingen van de bank waar hij werkt zat een typewrite-stertje. Een knap, zwart ding. Weldra zag je haar dikwijls met Karei samen — ze verloofden zich. Toen werd hij ziek. En zwaar ziek. Maar hij beterde weer langzaam-aan en op een middag ging ik hem opzoeken. „Waar is zij ?” was zij# eerste woord. „Wie bedoel je ?” vroeg ik, voorgevend niet te begrijpen wie hij meende. Hij noemde haar naam. „Oh!” zei ik luchtig, „ze moet hier telkens naar toe gekomen zijn, maar je mocht geen bezoek hebben en ze wilden haar niet toelaten.” „Aha!” zei hij. „En toen ik hem verliet was hij in een blijder stemming dan sinds ’ t geval geweest was......... Nu moet je weten dat ik hier bijna iederen dag dineer. En dat zwarte meisje kwam hier geregeld met een mager heer — een echten dandy. Zijn naam werd mij genoemd: George van Buuren en hij werkt op ’t zelfde kantoor als Karei Landers. Zij scheen zich uitstekend te vermaken terwijl de arme Karei op het ziekbed lag. Den dag na mijn bezoek aan hem vernam ik dat zij met Van Buuren getrouwd was ... Ik stond met stomheid geslagen ! Enfin — ik ging Karei een dag later weer opzoeken. „Kan ik den heer Landers spreken ?” vroeg ik den ziekenoppasser die, nadat ik in den corridor gelaten was, geruischloos uit de ziekenkamer kwam. „Neen meneer, dat gaat niet,” zei de man. „Waarom niet ?” „U bent de heer die hem eergisteren heeft bezocht,” zei hij. „Dat ben ik,” antwoordde ik. „En tien minuten nadat U hem verlaten had ging zijn temperatuur naar boven en kreeg hij koorts.” „Niet door mijn schuld,” zei ik, doch plotseling kreeg ik een ingeving en voelde het bloed naar mijn wangen loopen. „Het.... het. . . Handelsblad” van dien avond,” stamelde ik. „Lag voor zijn bed meneer 1” . . . zei de oppasser. Ik begreep. Een huwelijks-annonce had in het blad gestaan dat ik achter gelaten had om hem te laten lezen . ... Wel, ik verliet de woning op staanden voet. Ondanks den slag genas Karei weer zoowat en vijf maanden later mocht hij het bed verlaten en kwam op een goeden morgen bleek en vermagerd op kantoor. Wat ik je verder ga vertellen heb ik uit goede bron, doch je behoeft èr tegen niemand een woord over te zeggen.” „Begrepen,” antwoordde ik. Wij waren sinds jaren vrienden en wisten wat we aan elkaar hadden. — „Welnu”, ging hij door, „Karei kwam ’t kantoor binnen en een jongste LIE8EPEPIÜ WIENER OPERETTE- ENSEMBLE. Het met groot succes in het Kurhaus-theater te Scheveningen onder directie van Georg Braun optredende Wiener Operette-Ensemble. 1. Else Heinrich, 2. Dir. Georg Braun, 3. Marga Graf, 4. Kalman Knaack, 5. Gollmer, 6. Frankl, (Regisseur). 7. Frl. Kapper, 8. Hareiter, 9. Hansi Klein, 10 Frau Knaack, 11. Kapelmeester Kollenberger, 12. Morgan, 13. Scheich, 14. Lewin, 15. Hugo Bender. (foto Wolf.) bediende stapte op hem af.” „Wat is er van uw verlangen, meneer ?” vroeg hij. „Niets Louis, niets” zei Karei. „Louis. zei de ander — „kent U me meneer?” „Tot op dat oogenblik denk ik, wist Karei niet hoezeer hij veranderd was. Als MILITAIR PROPAGANDA ZWEMFEEST TE ’S-GRAVENH AGE. Onder leiding van de Rotterdamsche zwemclub had Vrijdagavond in de zwemschool aan de Mauritskade te ’s-Hage een militaire zwemwedstrijd plaats, waaraan werd deelgenomen door Hollandsche en Belgische militairen (geïnterneerden). — Hierboven de officieele tribune met de militaire autoriteiten. Van links (x) naar rechts, zittend: Gen. Snijders, opperbevelhebber en de gens. Buijze, Hoogeboom en Loke (foto „Rembrandt”) een groote, zware vent was hij heengegaan, — als een magere, lange, schuifelend-loopende man keerde hij terug. Hij ging den verbaasden Louis voorbij en liet zich op zijn stoel vallen en nam zijn penhouder. In een oogenblik kwamen alle bedienden toeloopen, van den procuratiehouder tot de jongste bedienden toe. Ze waren blij hem weer te zien en hadden diep medelijden met hem. De eenige die zich niet vertoonde was, zooals je kunt raden, de heer George van Buuren. Kort en goed — Karei begon met noesten vlijt zijn verloren tijd in te halen. Ik vertelde je, geloof ik al, dat hij accountant is en het was zijn taak op geregelde tijden alle boeken te controleeren. Dat was ook nu, na zijn lange afwezigheid, zijn eerste werk. Op alle afdeelingen ging hij de boeken na^en hij werkte als een paard. Ook Van Buuren’s afdeeling kwam aan de beurt. Het haarfijne weet ik er niet van en van boekhouden heb ik niet te veel verstand, maar in ieder geval — Karei vond hier een tekort van vierduizend gulden. Onmiddellijk wendde hij zich tot Van Buuren. De twee hadden sinds Kareis terugkomst geen woord met elkaar gesproken en Van Buuren was slechts een halve maand vóór Karei ziek werd op de Bank gekomen, zoodat zij voor elkaar vrijwel vreemden waren. Van Buuren schijnt iemand met een helderen kop te zijn, de directie plaatste hem tenminste aan het hoofd van een afdeeling toen de oude heer Van Dam stierf en diens plaats open kwam. Om door te gaan — Van Buuren nam het boek voor zich en scheen de cijfers nauwkeurig na te gaan. „Tja,” zei hij toen — „4000 gulden te kort. Daar moet de oude heer Van Dam meer van weten!” „Meneer Van Dam is dood,” zei Karei strak. Van Buuren was bleek geworden en had zijn zenuwen niet meer in bedwang. „Het is een tekort van 4000 gulden, meneer Van Buuren,” zei Karei met nadruk. „Het kan me niet schelen hoeveel het is,” barstte de ander uit. „Ik — ik weet er niets van. Waarom wilt U mij naar den kelder helpen ! Ik ben een getrouwd man — ik denk dat U dat weet — en, voegde hij er aan toe — en ik zal spoedig vader zijn bovendien. Ik weet niets van die 4000 gulden, ik — ik begrijp niet.........” Karei sprak geen woord maar draaide zich op z’n hielen om en verliet het lokaal. Wel — we zijn allen zondaars, maar er is groot onderscheid tusschen den een en den ander. Na wat Karei deed, durf ik hem nauwelijks meer onder de zondaars rekenen. Hij schreef een chèque uit van vierduizend gulden en nam toen den kleinen grijzen heer Waalman in vertrouwen. Met hem, die het grootste deel van zijn leven in de kantoren van de Bank gesleten had, was Karei op zeer vertrouwelijken voet. „Dirk,” zei hij — „je hebt jaren naast den ouden Van Dam gezeten. Hij stierf in April — liet hij geld aan zijn weduwe achter?” Waalman keek verbaasd. „Van Dam is arm gestorven,” sprak hij toen, „zijn vrouw woont nu bij een broer in . .. „Wat deed Van Dam met zijn geld?” vroeg Karei. „Wat hij er mee dèèd? Hij leefde van het grootste deel, zooals iedereen en als hij wat overhield — och 1 Van Dam had een goed hart en hij leende wel eens wat zonder er ooit een cent van terug te zien. In vertrouwen — aan onzen vriend Van Buuren bijvoorbeeld . . . „Dirk, zeg me nog — en antwoord me rechtstreeks in Gods naam ! — waren Van Dam’s boeken in orde den laatsten tijd, ik bedoel, het geld van de Bank .... was dat. . „Wel heb ik van mijn leven,” viel Waalman hem in de rede — „de oude Gerrit van Dam — geen cènt zou hij aanraken die de zijne niet was!” „Welnu,” zei Karei en legde de chèque op Waalman’s lessenaar — „boek dat dan aan de credietzijde en alles sluit als een bus. En — geen woord, geen woord hier over met wien ook!” En daarmee ging hij naar zijn eigen lessenaar, Waalman, die begon te begrijpen, verbaasd achterlatend. Een paar uur later werd Karei bij de directie geroepen. Een voorgevoel zei hem waarom. „Zou de dwaas,” mompelde hij „dat gedurfd hebben. Hij heeft Waalman’s boeking natuurlijk karakter... DOOR KAPÉ
PDF
Nummer
1915, nr. 71, 2 sept. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 8 DE ZILVEREN-VOETBALWEDSTRIJDEN. Te Rotterdam zijn deze week voetbalwedstrijden gehouden om den zilveren bal. Wij geven hierboven de elftallen Sparta en Ajax, die in den eindwedstrijd uitkwamen. Sparta wist zich door dezen wedstrijd in het bezit van den bal te stellen. (/.F.B.) ONTWERP STADION TE ROTTÉRDAM. Maquette van het Rotterdamsche Stadion, dat onder leiding van de Rotterdamsche architecten de Roos en Overeynder zal worden gebouwd. Dit nieuwe sportterrein van de R. V. en A. V. Sparta* komt in den Spangenschen polder en zal in September 1916 worden geopend. niet gezien........... ” „Landers,” sprak de oudste firmant — „heb je dit boek gecontroleerd?” „Dat heb ik meneer,” zei Karei. — „Van Buuren was hier een paar minuten geleden. Hij vertelde dat je vanmorgen een tekort ontdekte van vier duizend gulden. Het is regel dat zulk een bevinding onmiddellijk gerapporteerd wordt. Het is nu half vijf.........” Karei glimlachte — een pijnlijke glimlach I „Het berust alles op een abuis meneer,” zei hij — „er is geen tekort.” „Maar meneer ! het boek hier voor me wijst het uit!” riep de directeur uit. Karei keek over zijn schouder. „Slaat U het blad om,” zei hij. De directeur deed het en zag aan de credietzijde de boeking: Ontvangen van K. Landers... Fl. 4000.— „Wat beteekent dat alles ?” riep hij uit. „Ga daar zitten, Landers, en spreek openlijk met me.” „Meneer, zei Karei, ziet u mij voor een eerlijk man aan ?’ ’ „Dat doe ik Landers”, zei de ander warm. „Denkt u dat meneer Waalman stelen zou?” „Neen — het idee is bespottelijk.” „Nu dan meneer — ik wilde u gaarne een paar dingen zeggen als u het mij veroorlooft. De oude heer Van Dam is doodarm gestorven, maar hij zou zich nimmer aan het eigendom van een ander vergrepen hebben” ......... De directeur hief Prof. Mr. H. B. GREVEN, Hoogleeraar in de faculteit der Rechtsgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit te Leiden, zal aan het einde van den loopenden cursus zijn functie neerleggen. 5O-JARIGE ECHTVEREENIGING. Donderdag 2 September a.s. hopen de heer en mevrouw P.J. F. SCHELLEKENS-VAN OOSTRUM te Wijk bij Duurstede, hun 50-jarige echtvereeniging te herdenken. W. POPPING. + Te Wijsten overleed een dezer dagen de heer W. POPPING, lid van de Prov. Staten van Drente. ALGEMEENENEDERLANDSCHEGEHEELONTHOUDERSBOND. Zondag 29 Aug. werd te Deventer de 19e algemeene jaarlijksche vergadering gehouden van den Algemeenen Nederlandschen Geheelonthoudersbond. — Wij geven hierboven een groep der vergaderden. (KF.B.) de hand op met een gebaar van protest. Den ouden heer Van Dam had hij dertig jaar gekend........... Intusschen beet Karei zich op de lippen. Hij had nog iets te zeggen, maar de woorden schenen hem in de keel te blijven steken. „Meneer,” kwam er met stukken en brokken uit — „meneer... Van Buuren trouwde haaf'. De ander knikte. Het meisje was zijn privé- stenografe geweest en hij had heel goed bemerkt hoe de zaken indertijd tusschen haar en Landers stonden. „Er zal spoedig een baby zijn, meneer,” fluisterde Karei „en .... oh God! meneer, laat de zaak verder rusten. De 4000 gulden zijn goedgemaakt, meneer. Ik ben een ziek man en ik .... ” Hij kwam niet verder en de grijze directeur ving Karei, die voorover uit z’n stoel viel, op ....” Mijn vriend zweeg en dronk haastig zijn glas uit, snoot zijn neus en trok heftig aan zijn sigaar die reeds lang uitgedoofd was. „Die schurk Van Buuren,” zei hij, „is het medelijden van zijn directie en van den armen Karei niet waard. Hij heeft ééns gestolen en hij zal het wéér doen. En Karei, die weer drie dagen na dien bewusten dag te bed moest blijven — hij heeft niet lang meer te leven... de arme, nobele kerel! Maar zijn daad zal hem hiernamaals worden aangerekend............. ” £ De luit. M. F. Reeser, winnaar van den lsten prijs voor den 2en behendigheidswedstrijd. De winnaars van den lsten behendigheidswedstrijd gehouden gedurende het militaire auto-concours in ’t Stadion. Links de luit. M. van Hulzen, winnaar van den eersten prijs. HET MILITAIRE AUTO-CONCOURS IN HET STADION. In tegenwoordigheid van verschillende militaire autoriteiten, o.w. Generaal-majoor Ophorst, die de voorstellingen tot het einde toe bijwoonde, zijn Zondag j.1. in het Stadion te Amsterdam behendigheidswedstrijden gehouden voor militaire autobestuurders. Het weer was waarschijnlijk oorzaak dat het publiek weinig talrijk was, hetgeen zeer te betreuren is, daar de vertoonde nummers zeer interessant waren. Wij geven hierboven een foto van een zeer spannend nummer: het herstellen van een brug, die door een in een hinderlaag liggenden vijand is stukgeschoten. Een komische afleiding, die zeer in den smaak viel van het publiek en gegeven werd tusschen de programma-nummers in. De geïnterneerde Engelsche vliegerofficier Reny die zich onder de toeschouwers bevond, in gesprek met Dr. Stürkop. (foto's V.F.B.) NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 72, 6 sept. 1915
Blad
01
Tekst
No. 72 (10b) 6 SEPT. 1915 ABONNEMENT PER AFZONDERKWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 LIJKE NUMMERS 7*/2 CENT / Gei llustreerd-weekblad . w SIJTHOFF'S UITGE.WER.S MAATSCHAPPIJ- LEID E Fi Aankomst in Engeland van de slachtoffers der „E13” De slachtoffers van de door de Duitschers aan de Deensche kust beschoten „E 13”. De veertien bij de beschieting van de Engelsche ,,E 13 om het leven gekomen matrozen worden, nadat zij door de Deensche boot „Vidar te Huil aan wal ♦ zijn gebracht, het Paragon-Station binnengedragen. De begrafenis der slachtoffers. De begrafenis mei militaire eer van de slachtoffers der ,,E 13”. Een reusachtige menschenmenigte had zich langs den weg dien de stoet volgde opgesteld, om den slachtoffers de laatste eer te bewijzen.
PDF
Nummer
1915, nr. 72, 6 sept. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 De hooge vrachtprijzen en het gebrek aan schepen-materieel zijn oorzaak dat de kleinste scheepjes (kleiner zelfs dan een binnenschip zooals men ziet,) gebruikt worden. Notedoppen van 400 ton (een normaal zeeschip is al gauw 5000!) zijn vrij veel in de vaart. 'ie in deze tijden door‘Rotterdam wandelt,of zwerft en als de meesten, de dingen aan den buitenkant ziet en verder niet, zal op deze wijze den indruk krijgen dat de oorlog geen vat op de levendige Maasstad heeft gehad en nog niet heeft ook. Voor hem zal de economische handelscrisis een frase of een legende lijken. In de stad toch is de gewone drukte. Het Beursplein is zelfs meer dan ooit een centrum, waar allerlei slag van menschen zich concentreeren. En ook de Boompjes heeft denzelfden aanblik als anders. De Batavierbooten liggen hoog langs den oever en op de kaden staan de goederen opgestapeld, zóó zeer dat men soms dagen noodig heeft om ze te vervoeren. De langzame sleeperswagens sjouwen er nog altijd doodnuchter voor de trams en op de Maasbrug is het nog steeds gewaagd zich buiten het trottoir te begeven, terwijl op die trottoirs zelfs de volte nog zoo is, dat de menschen liever tegen elkaar botsen dan rechts houden ... Maar wie verder gaat, wie zich laat overzetten naar Feyenoord en Charlois en Katendrecht of wie de wandelvaart maakt door de havens en die vroeger ook eens gedaan heeft, die ziet en voelt andere dingen. De anders zoo volle Rijnhaven telt nu een enkel scheepje. De Maashaven, de trots der havens, zoolang de enorme Waalhaven nog niet heel en al in gebruik is, is een groote effen watervlakte waaruit eenzaam de donkere dukdalven steken. Geen ,,avenue of boulevard” van zeeschepen, geen knarsende lieren, snorrende elevators, donderende kolentips en erts-lossers. Slechts een of twee schepen zijn omzwermd door een aantal kleinere en gehuld in wolken stuivend regeeringsmeel. Heel achterin ja ligt een vloot van verschillende schepen. Doch geen enkel opwekkend handels-geluid stijgt daaruit op, geen witte stoom puft uit de rompen, geen donkere rook wijst op de oer-krachtige machine-werking. ’t Zijn bannelingen in dezen havenhoek: ,,opgelegde” Duitsche schepen, die door Engelands heerschappij ter zee veiliger liggen te verinteresten hier, dan op den bodem van de zee. Maar dat die heerschappij niet onaangevochten is, toont de Engelsche Harwichboot, die Geregelde klanten van de haven zijn de Belgian Reliefbooten uit Amerika, waarvan er soms 7 in een week binnenkomen. Ettelijke millioenen hebben zij reeds aangebracht. stoutmoedig de geregelde vaart volhoudt. Zooveel . mogelijk in den donkeren nacht en daarom dan ook is alles zwart gemaakt. Geen witte stijlen of masten of dekken of booten; geen glimmend koper zelfs dat de vaart door den donkeren nacht verraadt. Alleen de Waalhaven biedt een wonderlijk-levendigen aanblik. Hier geen zeeschepen, doch de enorme watervlakte is overdekt met lange binnenschepen die een dicht bosch van masten en touwen doen oprijzen als een onuitwarbaar geheel. Meer dan duizend aken zijn hier de goedkoope pakhuizen van meel, ook van kolen, ook van voedingsmiddelen voor België. Het is een dorp van vijf-, Een treffend verschil: „De Maashaven in vredestijd, een en al drukte en bedrijvigheid”. zesduizend zielen, dat hier op ’t water zijn gezamenlijk leven leidt. Maar de Maas zelf heeft niet haar gewonen aanblik. De boeien houden geen schepen vast eri de water-oppervlakte is niet overzwermd door sleepbooten en motorvaartuigen .. . Geen wonder. Wijzen de cijfers niet uit, dat tegenover 10612 schepen van Aug. 1913 tot Aug. 1914 slechts een aantal staat van 3618 van Aug. 1914 tot Aug. 1915? Staat tegenover de dertien en een half millioen tonnen-inhoud niet het armzalige derde gedeelte van iets meer dan vier millioen in het oorlogsjaar? Zijn de gevolgen daarvan voor de stad, die een enorme bron van inkomsten heeft en hebben moet aan de havengelden, niet als een sombere terugslag van den strijd rondom ons? 841.000 gulden ongeveer in het oorlogsjaar tegenDe somberste boot uit de haven. De geheel zwart geverfde Engelsche Harwichboot, die de duikbooten trotseert. over ruim 2!/3 millioen in het jaar daarvoor is een vermindering die zich gelden laat. . . * * * En toch — al is dit alles somberstemmend, een zuivere afspiegeling van den totalen toestand is het niet. Wel is de handel in veel artikelen, door de contrabande-verklaring, zeer geschaad en in erts (waarop het havenbedrijf sterk was ingericht), zelfs zoo goed als te niet, doch de energieke Rotterdammers zouden geen Rotterdammers, geen handelslui zijn, als ze zich niet spoedig aan den toestand hadden aangepast en ervan gebruik wisten te maken. Een levendige handel heeft zich ontsponnen in die artikelen, die geen contrabande waren, die wellicht schaarsch zouden worden, die veel gevraagd werden ter vervanging van andere enz. £ Rijst, katoen, olie sijn in ontzaglijke hoeveelheden verhandeld. Er waren maanden dat de kaden overvol stonden met katoen; weken, dat alle buitenruimte door vaten met verschillende olie-soorten in beslag was genomen, omdat het niet de moeite loonde ze op te slaan in de pakhuizen, omdat elk oogenblik het gebrek aan wagons kan worden aangevuld of omdat de N.O.T.-formaliteiten móesten worden afgewerkt. Katoen en meel vormden de artikelen waarop ’t havenbedrijf steunde. En buiten het havenbedrijf zelf om is er in verschillende branches stevig verdiend. De reederijen maakten goede zaken, omdat de vrachten tot meer dan 2OO°/o rezen 1 Verschillende schepen werden aan buitenlandsche maatschappijen b.v. voor vervoer van Engeland naar Frankrijk voor hoogen prijs verhuurd. Verscheidene schepen werden ook tegen flinke prijzen verkocht. De assurantie-maatschappijen maakten goede zaken door de molest-premies en de geldhandel is er evenmin slecht aan toe. De binnenvaart maakt tegenover de buitenvaart een zeer goed figuur. Het aantal binnenschepen is slechts zeer weinig minder dan in normale tijden. Inderdaad, er is op verschillend gebied ook geld verdiend. Alleen de wijze waarop is anders dan in normale tijden, is minder algemeen, zoodat de arbeidende stand het minst daarbij betrokken is. De stad in haar geheel, de gemeente lijdt dan ook ongetwijfeld onder den toestand. De toekomst moge dan ook in vervulling doen gaan de woorden die de burgemeester sprak bij de steenlegging van het Raadhuis: ,,de natuurlijke, gunstige ligging van Rotterdam zal onder geen enkele omstandigheid den handel kunnen vernietigen. Daarom is ons vertrouwen boven de tegenwoordige toestanden uit gevestigd op de toekomst”. V. Stil, op een hoop bij elkaar, liggen nu de anders zoo bedrijvige elevators. Geregeld staan de kaden vol goederen. Nu eens is er gebrek aan wagons, dan weer wachten ze op uitvoer-consenten, meermalen ook zitten de pakhuizen propvol. Vooral katoen en olie zijn in enorme hoeveelheid aangevoerd geworden. De verhouding van de scheepvaart in Rotterdam van het normale jaar 1 Aug. 1913—1 Aug. 1914 tot het oorlogsjaar 1 Aug. 1914—1 Aug. 1915. Het Havenbedrijf te Rotterdam in Oorlogstijd
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1841 tot 1845 van 11897