|
PANORAMA ö
DE BEEN-CACTUS
DOOR JOB STEYNEN
Herinnert
st was in den gezelligen ouden tijd, toen de
ernst des levens ons nog slechts bij geruchte
bekend was, en de dagen ons als even zoovele
pleizierreizen waren door één wereld
van werkelijkheid en vele werelden van verbeelding.
ge u niet, mijn
vrinden, dat vreugdseizoen' ten
huize van mejuffrouw Staas te
Amsterdam, de brave, de voortreffelijke
hospita, die geen
andere gebreken had dan haar
idee-fixe dat ze van hooge afkomst
was, en haar matelooze
liefde voor kamerplanten ? Het
is waar, deze laatste, voor het
overige onschuldige wezens,
trokken soms wat te veel van
de zorgende genegenheid der
bovenstebeste hospita tot zich,
zoodat onze doorregen runderlapjes
met rabarber wel eens
onverzorgd ter tafel werden
gebracht, doch diezelfde liefhebberij
pleitte toch ook voor
het fijne gevoel en den keurigen
smaak der goede vrouw,
en legden aldus, zij het ook
langs een omweg, getuigenis
af van haar hoogere afkomst.
Mijn grief tegen de kamerplanten-liefde
is echter, dat
deze de oorzaak was van een
hartverscheurende tragedie ten huize en in het gemoed
van mejuffrouw Staas. Ik zal ze u verhalen, hoezeer me ook
de herinnering aan dat droeve gebeuren in de ziel grijpt,
DE PRINS-HENDRIKSCHOOL.. (V,F,B.)
Exterieur van de Prins-Hendrikschool voor schipperskinderen te Vreeswijk,
directeur de heer H. v. d. Meij. Het gebouw werd ontworpen door den
architect Kuilers en gebouwd door den heer Reeskamp, beiden te Utrecht.
hoezeer mij ook het beroeren der na zooveel jaren zelfs
nog nauwelijks geheelde wonde pijnigt.
Op een morgen roept juffrouw Staas mij aan vanaf
haar kleine achterportaal twee hoog, het
eiland harer intimiteit temidden van den
oceaan van gemeenschappelijke trappen,
overloopen en portalen. Ik onderbreek
mijn afdaling naar de aardsche dreven en
treed haar woonkamer binnen. „U moet
nu toch eens komen kijken, mijnheer,”
begint ze met een eenigszins vette kropstem,
„ik zal u nü iets laten zien, neen
maar . . . .”
Tot mijn verwondering duikt de brave
vrouw gelijktijdig in de uiterste duisternissen
van haar alkoofje neer, en doemt
onmiddellijk weder aan de oppervlakte der
woonkamer op, met achterlating van een
huishoudschort, dat daareven gelijk een
mom der slavernij haar zwart sergen japon
aan het oog onttrokken had. Een wijle vrees
ik dat ze mij deze blijkbaar nieuwe jurk ter
taxatie zal voorleggen, maar, godlof, ze laat
de jurk (zooals de volksmond het zoo diepzinnig
en kristalhelder uitdrukt,) en leidt
mij zwijgend over de bloemen van een verschoten
karpet naar een tafel voor het venster.
Deze tafel is geheel beladen met planten van allerlei
slag. Ze brengt voorzichtig de hand te midden der potten, en
haalt een kleinen pot, met een stolpje bedekt, te voorschijn.
„U hebt nog al veel gezien, mijnheer,” aldus vangt ze
listiglijk aan, „u hebt nogal veel gezien, maar zeg ü me
nou eens wat u van deze rare plant denkt.”
Tegelijkertijd zet ze den pot in het raamkozijn, neemt
met liefdevolle behoedzaamheid de stolp eraf, en ik zie
nu een kort, dik stammetje geel en groen gevlekt, en hier
en daar van een grilligen knoest voorzien ; bladeren zijn
er niet aan.
„Wat denkt u daar nou wel van, mijnheer ?”
Ik zei, dat ik niets dacht.
Maar ze vroeg of ik wel ooit gedurende mijn aardsch
bestaan zoo’n plant ergens ter wereld gezien had.
„Ik moet het voorbehoud maken, dat ik over het
geheel maar weinig op planten gelet heb,” antwoordde ik,
„maar neen, zoo iets heb ik nooit gezien.”
OPENING PRI NS-H EN DRI KSCHOOL TE VREESWIJK.
Zaterdag had door Prins Hendrik (x) de plechtige inwijding plaats van de Prins-Hendrikschool te Vreeswijk. Deze stichting is de eerste in ons
land waar de kinderen van onze binnenschippers in de gelegenheid worden gesteld geregeld onderwijs te genieten. De leerlingen zullen geheel
intern zijn en een vijfjarigen cursus volgen. — Hierboven een groep der autoriteiten en genoodigden, die bij de opening tegenwoordig waren. (V.F.B.)
„Ja, het is een zeldzaam stuk.”
„Ja, dat schijnt.”
„Ik ben er echt blij mee, het is een soort, dat bijna niet
voorkomt ; de been-cactus. Het is een lieverdje, het is een
dot. Ach, mijnheer, ik ben zoo ongelukkig dat zij heelemaal
niet groeien wil ... .”
En de arme vrouw schreide bijna van teleurstelling.
Ze had den pot in de hand genomen, en keek als in een
matige zinsverbijstering den wonderlijken kleinen stam
aan, met zoo strakken blik als wilde zij het ding tot bloei
en vruchtbaarheid suggereeren.
„Zij wil niet, mijnheer. Zij wil niet, wat ik er ook al
aan heb gedaan. Ik heb ze mest gegeven, eigenhandig.
IJc heb ze onder een stollepie gezet als een fijne pendule.
Ik heb ze begoten zoodra ik maar zag dat het water op
haar schoteltje iets minderde. Ik heb haar verzorgd als een
kind maar zij doet het niet. Zij vertikt het.”
„ja, ja, het is jammer,” mompelde ik, wat verveeld.
„Jammer, mijnheer, jammer? Het is om wanhopig te
worden. En aan mij legt het niet, want geloof me, dat ik
voor mijn plantjes zorg. Kijk me die clivia eens .•. .
Ze wees naar een krachtige mooie plant met donkergroene
glanzende bladeren en een sierlijken roodgelen
bloemkelk erin.
Ik knikte bewonderend.
„Of wat zegt u van die ficus?” vroeg ze koortsig, terwijl
ze een plant met korte handvormige bladen voor den dag
bracht.
„Ja, ja,” -zei ik, „ze zien er goed uit.”
„En die aspedistra?” vroeg ze, „mag die er wezen?”
Ik zei, dat die er wezen mocht.
„En die azalea’s, of is dat niets?”
Ik antwoordde, dat het wel degelijk iets was.
„Lijden die gebrek bij me ?” vroeg ze, en zonder mijn
antwoord af te wachten voegde ze erbij: „o-zoo.”
Een groote nerveusheid maakte zich van haar meester.
Ik, begrijpend hoe weinig hier te troosten viel, wilde mij
onder het stamelen van eenige gemeenplaatsen terugtrekJ.
AALTSZ.
JHr Mr.
J. P. F. v. d. MIEDEN
VAN OPMEER, t
Te Rotterdam overleed een dezer dagen Jhr. Mr. J. P. F. v. d, MIEDEN VAN OPMEER, Ridder in de orde
van den Nederl. Leeuw, oud-kantonrechter, oud-arrondissementsschoolopziener, enz. De overledene was een in
breede kringen zeer geziene en geachte persoonlijkheid. — De heer A. G. HEINEKEN, oud-directeur van Heineken’s
Glazenwasscherij, is te Bussum, waar hij een bekend ingezetene was, overleden — Tot Commissaris van
Politie der le afdeeling te ’s-Gravenhage is benoemd de heer J. AALTSZ, Chef der centrale recherche aldaar. De
heer Aaltsz werd den 23en Juli 1865 te ’s-Hage geboren, trad aldaar den lOen Mei 1883 in politiedienst, en heeft
zich sedert dien, vooral als chef der recherche, doen kennen ais een hoogst bekwaam politieman.
ken, maar, alles,' zelfs haar afkomst in dit uur van droefenis
vergetend, vatte ze mij bij den arm, en weerhield me.
„Ach, die andere, dat kan me eigenlijk niet schelen,”
ijlde ze voort, „wat clivia! wat aspedistra1 wat ficus1 wat
al die rommel1 Die heeft zij hiernaast ook. (Met zij bedoelde
juffrouw Staas een buurvrouw, die op botanisch terrein
met haar om den voorrang dong). Maar die been-cactus.
Daar had ik haar de oogen mee willen uitsteken. Daar had
ik haar mee op haar plaats willen zetten. Daar had ik haar
den grooten mond mee willen stoppen. Maar als zij nou
niet groeit? Als zij het nou verdraait?
Ik sta machteloos als een pasgeboren kind, mijnheer.
Of sta ik dat niet?”
„Hoe komt u eraan?” vroeg ik, ineens haar woordenvloed
afdammend.
;„Ik heb ze van mijnheer Bruins gekregen, die op de
benedensuite heeft gewoond. Een maand geleden ; den
dag voor hij vertrok. Gunst, zoo ineens, hè. Ik begreep het
niet. Al dien tijd had^ik nooit
iets van hem gehad. En daar
kwam hij me ineens voor den
dag met zoo iets. Ik was er kapot
van. Zoo’n zeldzaam stuk,
hè? „Het komt uit Australië,
juffrouw,” zei hij, — „in heel
Europa is er geen tweede.” Ik
was weg, mijnheer, gewoon
wèg......... Maar als zij nou
niet groeien wil,” — herhaalde
ze haar refrein, — „maar als
zij het nou vertikt. . . .”
„Ik sta machteloos” en „het
pasgeboren kind” wachtte ik
ditmaal niet af, mompelde iets
van afscheid, iets van excuus,
iets van troost, dat het leven
zooveel teleurstellingen opleverde,
dat iedereen zijn lot
maar geduldig dragen moet,
enzoovoorts.
Ik daalde de trap naar de
begane aarde af, en al dalend
broedde mijn geest een vernuftig
plan uit. Ik was door
het verhaal der beproefde hospita
op een schrikkelijk vermoeden gekomen, te walgingwekkend,
te menschonteerend dan dat ik het hier
thans neer zou schrijven. Ik wilde zekerheid, zekerheid tot
St.-STEPHANUSKERK TE NIJMEGEN.
Model voor de restauratie van de Groote-of St-Stephanuskerk te Nijmegen
De lijsten en versieringen zijn op het model geheel in overeenstemming
met de oorspronkelijke, voor zoover deze nog aanwezig zijn. De kerk werd
gebouwd in de jaren 1249-1272 en vergroot in 1341-1361. Het model is gemaakt
door den heer J. M. H. Rief, modeleur te Nijmegen.
eiken prijs. Ik nam een enkelen rit voor vijf cent, en
tramde naar mijn vrind Bruins, die vóór een maand, zij het
ook met bloedend hart, naar een andere buurt had moeten
verhuizen.
Ik trof den achtenswaardigen jonkman
in hemdsmouwen aan een gedekte koffietafel
gezeten.
„Wat, o góden, voert mijnen gunsteling
voor mijn troon ?” galmde Bruins, die zich
gaarne van de taal der oude tooneeïdraken
bediende.
„Zeg, vertel mij eens,” zei ik, terwijl ik
plaats nam op den eersten den besten stoel,
„wat is dat voor een ding, waarmee jij onze
oude hospita Staas hebt opgeknapt ?”
„Ding? Staas? Opgeknapt? Ik begrijp
je niet goed . . .”
„Nou, zeg, je weet wel die been-cactus.”
„Die wat ? . . . . vroeg Bruins, die den
indruk gaf dat hij zich van het geval niets
herinnerde. Maar bijna gelijktijdig barstte
hij uit in een lach, die knalde als een mortierschot.
„Ja, ja was hij goed? was hij
goed ? Het was een been uit de soep,”
gierde hij, en stond op van zijn stoel en
liep de kamer in volle vaart rond, aldoor
kakelend van den lach.
„Een been uit de soep,” juichte hij.
„Onder een stolp,” jubelde ik.
„Ze heeft het begoten,” ....
„Een soepbeen, een soepbeen begoten . . . .”
Een wijle zongen wij dit dus voort, dan voerden wij
een begeesterden dans als fakirs uit, om ten slotte, ten prooi
A. G. HEINEKEN. T
|