|
PANORAMA 2
UIT HET ZWARTE BOEK r
VAN ’N TELEGRAFIST (
DOOR J. T. VAN LEfDEN
(Vervolg).
. en rekening met iemand die me eens in Chicago
den attorney en ’n dynamietpatroon op m’n
dak stuurde, namelijk : je liefhebbende echtgenoot
!’’
Mary trachtte kalm te blijven.
/ „En wat voor strafoefening denk je aan hem
te voltrekken ?" vroeg ze.
„O, ik ben niet van plan me er druk voor te maken,"
zei Hannock koeltjes. „Hij zal zichzelf straffen !’’ . Ze zag hem scherp, onderzoekend aan.
„Wat meen je daarmee ?’’
„Wel, denk maar eens aan : hij heeft op ’t oogenblik
z’n zak vol stukken van waarde, honderdduizenden
die hij mij ontstolen heeft. Goed, best; ik. gun ze hem,
daar ! Maar ik heb — jou ! En nu zullen we eens
zien wie van de twee hij kiezen zal."
Hij lachte weer zijn valschen lach, en Mary
voelde grooter
afschuw voor
hem dan ooit;
voor de honderdste
maal
dien dag vroeg
ze zich af hoe
ze ooit hadkunnen
meenen
voor dien man
eenige genegenheid
te hebben.
„Ik denk
zoo," ging hij
voort, „dat ik
de waarde van
mijn geld wel
terugkrijg, hoe
dan ook !"
„Je denkt te
min over hem,"
zei Mary verachtelijk.
„Als
hij op ditoogenblik
hierbinnen
kwam . .. ."
„Maar dat
wenschik juist!
En dat zal hij
ook! Luisternu
eens naar wat
ik zeg: als hij
zoo flink is als
jij denkt — en
dat is hij —
dan zal hij vandaag
vóór middernacht
hier
binnen « trachten
te komen!"
„Dat zal hij
zeker,"riep Mary
uit. „En met
de heele politie
„O — politie
DE DUITSCHE OPMARSCH IN HET OSTEN.
Met een door de Russische legérs blijkbaar niet te keeren zekerheid trekken de Duitsche troepen steeds dieper Rusland in, terwijl voor hen uitgaat een onafzienbare stoet mannen,
vrouwen en kinderen, die bij de nadering van den vijand huis en goederen in den steek hebben moeten laten, wijl heele dorpen in de asch werden gelegd. Steeds verder trekken
zij, de rampzaligen, van al hun bezittingen beroofd, overnachtend in de inderhaast meegevoerde wagens of in het open veld, terend op den meegenomen mondvoorraad, terwijl bij
iederen kilometer hun aantal vermeerdert met nieuwe slachtoffers, wier huis en bezittingen eenzelfde lot wacht. O! niet alleen op het slagveld worden de offers gebracht voor dezen
gruwelijken wereldkrijg. Neen, duizenden rustige burgers, eens welgesteld, zagen zich reeds op deze wijze tot den bedelstaf gebraeht. En voor deze offers, niet minder groot en
achter zich !"
politie . . . . Neen, hoor, maak
je daar geen voorstellingen van. Er is in dit district
geen politieman die er aan denkt tegen onze organisatie
op te tornen ! Menschlief, je zou versteld staan
wanneer je wist wat ’n invloedrijke beschermers
we hebben ! Hoogstens ondervinden we nu en dan last
van den een of anderen nieuwen politiechef, die nog
jong is en zich idealen maakt van plichtsgevoel en
zoo ; maar die wordt wel gauw murw. Neen, ik heb
een hooger dunk van je man dan jijzelf: alléén komtie,
en dat moet ik juist hebben !"
„En hoe dan ?’’ vroeg Mary, die hoe langer hoe
angstiger werd onder Hannock’s luchtig gepraat.
„O, hij zal ondervinden dat ’t binnenkomen hem
héél gemakkelijk wordt gemaakt!’’
„Bedoel je dat je hem hier wilt binnenlokken ?"
„Lokken ? Geen vinger zal ik uitsteken ! Het lokken
zal jij doen, en ik kom wel eens kijken — later !’’
„Maar wat wil je dan toch !" riep Mary, trillend
van vrees en onrust.
„De deur vpor hem openzetten. Kijk maar eens
hier. Dien ijzeren deksel van ’t kolengat laten we
vanavond, als bij vergissing, ’n beetje open. Dat komt
in de beste families voor als er pas brandstof gebracht
is. En ’n paar stukken kool laten we op ’t trottoir
liggen. Doodeenvoudig is ’t. Je begrijpt toch dat-ie
overal ’n toegang zoekt, die natuurlijk nergens vindt,
en dan als vanzelfsprekend in de val loopt!"
Hij liep een eindweegs terug in de richting vanwaar
ze gekomen waren, en vervolgde :
„Hij zal juist doen als wij nu ; in deze richting
loopen. Er staat hier immers geen stuk dat hem interesseeren
kan ? Zie je nu die koperen leuning langs
den muur ?"
Mary knikte zwijgend.
„Zie je er niets bizonders aan ? Neen, hè ? Maar
let nu eens op."
Hij trok een hefboom neer op een nabijzijnd schakelbord
en het electrisch contact uitte zich door een
knisterend geluid en het overspringen van blauwe
vonken. Zonder iets te zeggen wees hij naar de leuning.
Mary’s langzaam begrijpende oogen, star als die
van een slaapwandelaarster op den koperen stang
gericht, schenen van violet in zwart te veranderen.
Het gepolijste metaal zag er uit als te voren, maar
ze wist dat het een werktuig der vernietiging geworden
was. Ze staarde ernaar, met wijd open, verbijsterde
oogen.
Een beweging van Hannock bracht haar gedachten,
die als verstijfd waren geweest, weer tot werking.
wreed, wacht hun geen roem of eer, zooals den krijgsman ten deel wordt Voor hen slechts . . . medelijden.
Hij had een stalen paneel opgenomen, dat tegen den
muur stond, een rood geverfd stuk deurpantsering,
dat bij den bouw was overgebleven. Met groote inspanning
hief hij het op en hield het daarna enkele
oogenblikken met uitgestrekte armen boven het hoofd.
„Hoeveel stroom er op ’t oogenblik door die leuning
gaat zou ik je niet kunnen zeggen, maar dat
’t een behoorlijke portie is kan je zelf waarnemen.
Ziedaar !’’
Hij liet de stalen plaat vallen, tegelijkertijd snel
terugspringend.
De slag waarmee het gevaarte den koperen stang
trof werd verdoofd door het plotselinge sissen en gonzen
van een bleekblauwe vlam waaruit een verblindende,
bliksem-achtige lichtstraal opschoot; het
metaal boog, kronkelde, sloeg om en om als een stuk
papier dat in den haard verbrandt. Een benauwende
reuk van gloeiende verf, vermengd met de gasachtige
geuren die het ontbindende staal afgaf, vulde het
lage gewelf.
„Genoeg! genoeg!" stamelde Mary, terugdeinzend
naar den tegenoverliggenden muur.
Hannock sloot den stroom af en schopte tegen
het verschrompelde stuk paneel dat reeds tot asch
was overgegaan. Een lucht van brandend leer verspreidde
zich onmiddellijk daarna.
Met een uitdrukking van triomf in de lachende
oogen zag Hannock haar aan.
„Wel ?’’ was alles wat hij zei.
„O, Jim !" barstte ze hartstochtelijk uit, overspannen
van zenuwen na hetgeen ze gezien had,
„in ’s hemelsnaam, laat hem zoo niet sterven ! Geef
hem een kans ! Laat hem ten minste vechten voor
zijn leven ! Wees geen lafaard — hij is een man :
wees er ook een !"
Hannock haalde de schouders op.
„’t Is z’n eigen schuld . . . ."
„Maar ’t is onmenschelijk; ’t is duivelsch !" gilde
ze, ging op hem toe, en greep zijn arm. „Wreek je
dan op mij — doe met me wat je wilt, maar maak
hem niet af als ’n hond, zonder een woord van waarschuwing
! Het is afschuwelijk — ik kan de gedachte
nauwelijks dragen !"
Hij schudde haar af.
„O ja, dat kan je wel; dat zal je trouwens wel moeten.
En méér dan dat : je zult er bij zijn, en het heele
tooneel bijwonen !"
„Ik .... zal er bij zijn . . . ?’’ stamelde ze.
„Er vlak bij ! Hier op deze plek !’’ Hij stampte met
den voet op den grond.
Mary sloeg de handen voor de oogen als om het
vizioen zelfs in haar verbeelding niet te zien, en zoo
bleef ze staan,
onbeweeglijk.
„En ’t eind
zal zijn datover.
een onbekend
den indringer,
die met een
stroomdraad in
aanraking
kwam/ndoodsbericht
in enkele
bladen zal
staan. En je zal
wel je mond
erover houden:
jij moet maar
niet bij de politie
komen, dat
is beter voor
je!”
„Denk je
dat ? denk je
dat?" riep ze,
stampvoetend
van machtelooze
woede. „Ik
ben geen zwakkeling!
Ik ken
’t leven van z’n
hardsten kant!
En ik zal alles
doen om hem
te wreken, alles,
begrijp je,
al zou ik de
rest van mijn
leven er de gevangenis
voor
ingaan ! Als je
hem vermoordt
dan zal je er
voor bloedefi,
Hannock, dat
zweer ik je!
En als ik je je oogen nog niet uitkrab, dan is ’t
alleen omdat ik je geen kans wil geven me nu al
onschadelijk te maken ! Ellendeling, moordenaar!’’
Haar oogen schoten de vonken van haar innigen
haat ; met opgeheven vuisten stond ze voor hem, en
haar stem was heesch van drift.
Maar Hannock bleef kalm.
„Neen, dat zou zonde zijn, je nu al onschadelijk
te maken. Jij moet juist de hoofdpersoon van het
stuk worden !’’
„Maar hoe dan ! zeg me dan hoe ! Denk je dat ik
er bij zal staan en toezien ? dat honderd mannen als
jij me zullen kunnen weerhouden om hem te redden ?
O, schat me niet te min, en hem ook niet : we hebben
je ééns te pakken gehad, en we zullen je nóg eens de
baas zijn ! Let op !’’
„Nonsens," zei hij koel. Hij deed een stap naar haar
toe. „Zie eens, m’n beste, de zaken kunnen nog wel
geschikt worden. Met mij valt te praten. Ik heb je
man aan ’n baantje geholpen toen ie zoo kaal was
als de ratten —• en hij heeft me verraden ; voor jou
ben ik goed geweest toen je ’n arm telegrafistje was —
en je hebt me lalten zitten, ofschoon ’t er eerst op leek
dat je me wel had willen trouwen. Dat zijn geen kleinigheden,
om van dat kwart millioen dollars nu maar
niet te spreken. Maar zooals ik zeg : alles is vatbaar
|