|
PANORAMA 14
Het is anders geen lolletje om je leven in de weegschaal
te stellen voor de eer van je familie, ten minste dat ondervond
ik den volgenden avond, toen ik door den ouwenheer
boven geroepen werd. Hij liep zijn kamer op en neer als
een tijger in zijn kooi.
„Zeg schavuit, dat is zeker weer een van je dolle streken?’
zei hij tegen me, terwijl hij naar een brief wees, die op tafel
lag. Het was een van de brieven, dien ik geschreven had.
„Kijk ereis hier, vader,” zei ik op vriendschappelijken
toon. (Och, ik houd niet van ruzie in de familie en ... .
vader kan soms buitengemeen hardhandig zijn.) „Kijk
ereis hier, laten we de zaak nou eens kalm bepraten ! U is
er tegen dat Leentje met dat geestelijke jongmensch trouwt,
nietwaar? Welnu, dan varen we in één schuitje, want ik
ben er ook tegen, omdat. . . .”
„Zijn dat jouw zaken, kwajongen!” bulderde hij.
„Wel, ik ken de meisjes zoo’n beetje ! ’t Is zoo gelegen
als een jongeman een meisje het hof maakt, dan is zoo’n
schaap dadelijk d’r tramontane kwijt en zegt ze „Ja!”
Later heeft ze er spijt van en als de jongeman dan wat afkoelt,
wordt het engagement verbroken. Nou, en wij Meiers
houden eenmaal niet van schandaal in de familie en daarom
. . . .”
„Met die kletspraat heb ik niets te maken. Je breekt
het hart van je zuster met jouw vervloekte kunsten !”
„O, dat komt terecht. Mijn hart is ook al zoo dikwijls
gebroken geweest, en toch ben ’k nog springlevend. Bovendien,
’t is heelemaal niet besmettelijk. Neen, maak u daarover
maar niet bezorgd !”
Denk je nu dat vader vatbaar was voor mijn verstandige
praat ?, Geen denken aan, hoor. Hij nam een rijzweep van
den wand, pakte me bij een lichaamsdeel, dat ik fatsoenshalve
maar niet noemen zal en toen zag ik opeens niets
anders dan * „ * * *
Je zoudt
wachten dat
nu toch mogen verals
je op een gevoelige
manier in „contact” bent geweest
met je vader, omdat je aan
je zuster een dienst hebt willen
bewijzen, dat zoo’n meisje je er
dankbaar voor zou wezen. Jawel,
morgen brengen ! Leentje weigerde
een week lang een woord tegen me
te spreken en stelde zich voor
dit tekort aan conversatie met mij
schadeloos door voortdurend met
Antoon te zitten smoezen; een
ruil dien ik erg onverstandig vond.
Daarom besloot ik den knoop
radicaal door te hakken en schreef
„Tomahawk” een brief, waarin ik
hem uitnoodigde ons een visite te
komen maken.
ïk schreef mijn naam met een
druppel bloed, dien ik uit mijn
vinger had geperst na er met een
vischhaak in geprikt te hebben. Het deed
wel even zeer, maar dat is niets in vergelijking
met wat de jongens in zijn verhalen
te verduren hebben.
Ik verwachtte nu een brief in rooden inkt,
want „Tomahawk” zou toch niet met zwarten
schrijven, dacht ik, maar dat was toch
zoo. Het ergste was echter, dat vader den
brief openmaakte.
Hij dacht evenwel dat ’t een vriend van
mij was en had er geen bezwaar in, omdat
hij weet dat mijn vrienden allen brave jongens
zijn.
Pim Thonus was ook tuk om „Tomahawk”
te leeren kennen en hij beloofde me zijn
bloedsteenen dasspeld, die hij pas van zijn
vader gekregen had, als hij ook op de visite
mocht komen.
„Denk er wel om, ouwe jongen,” zei ik
tegen hem, „dat je je nu als een kerel gedraagt
en „Tomahawk” niet aangaapt als een wonderdier.
DE ÉÉRSTE NIEUWE LANDSTORML1CHTING.
De landstormplichtigen van de lichting 1915 verlaten, na in het locaal van den R.-K. Volksoona
aan de Amsterdamsche Veerkade te ’s-Gravenhage te zijn ingedeeld, het gebouw, om
zich onder geleide van officieren en onderofficieren der infanterie naar de verschillende
garnizoens te begeven (/oto Hipnans).
Houd je een beetje achterbaks ! Groote schrijvers kunnen
niet denken als ze zoo worden begluurd en een blik op
jouw domme tronie is voldoende om zoo iemand al zijn
ideeën te ontnemen.”
Ik dacht dat Pim beleedigd zou zijn, doch dat was zoo
niet. Hij weet wel, dat hij lang zoo’n intelligent uiterlijk
niet heeft als ik.
„Denk je dat „Tomahawk” je zuster zal trouwen ?”
vroeg hij.
EEN 4-DAAGSCHE AFST AN DSM A RSCH.
Het detachement van het 42e Bataljon Landweer Infanterie, ter sterkte
van 50 man, dat onder leiding van den Reserve len Luit. Langenhuysen
en Reserve 2en Luit. Koene, een afstandsmarsch van Etten-Leur naar
’s-Bosch—Geertruidenberg -Etten-Leur met volledige bepakking, zonder
achterblijvers, in 4 dagen heeft afgelegd. Onze foto werd genomen bij aankomst
te 's-Hertogenbosch, toen het detachement, model bepakt, p.lm,
60 K.M. had afgelegd in 17 uur tijds. De geheele afstand bedroeg ongeveer
129 K.M.
„Hoor eens, Pim,” zei ik, „als jij zoo afschuwelijk persoonlijk
wordt, dan snij je maar uit, hoor ! „Tomahawk”
komt om van mij eenige nieuwe ideeën en gegevens te krijgen
voor zijn verhalen. Auteurs zitten soms om stof verlegen
en ik kan hem daar wel aan helpen.”
SAMENVOEGING DÉR GEMEENTEN ALPHËN, AARLANDERVEEN ÉN OUDSHOORN.
De commissie, belast met het onderzoek inzake de wenscheiijkheid van het vereenigen der gemeenten Afphen,
Aarlanderveen en Oudshoorn, vergaderd op het raadhuis der gemeente Alphen, tot het uitbrengen van haar rapport.
Dr. P Dé JAGER, f
Te Bellingwolde overleed de 'heer P. L. DINKLA, oud-burgemeester dier gemeente. Dr. P. DE JAGER, uit
Ternaard, voorzitter der Vereeniging „Herema State” te joure, die een dezer dagen op 79-jarigen leeftijd is
overleden. Verleden week herdacht de heer W. v. d. HOEK te Amsterdam den dag waarop hij voor 40 jaar
in dienst trad bij de firma Boele en Zoon, Oliefabrikanten aldaar.
Enfin, het eind van het liedje was, dat ik Pim vertelde
dat „Tomahawk” in een villa woonde
een goed uurtje van ons dorp af
en hij mij voorstelde er eens heen
te gaan en de omgeving eens op
te nemen.
„Stel je voor dat we bij zijn huis
eens gingen kampeeren en ons
eigen potje koken, dat zou wel bij
hem in den smaak vallen,” zei ik.
Pim dacht niet dat we succes
zouden hebben, doch ik beloofde
hem een flink pak slaag als hij
niet meeging.
Den volgenden dag nam ik een
ouden ketel, een braadpan en een
paar bokkingen uit de keuken en
gingen we dus op weg.
Het huis van „Tomahawk”
stond geheel afzonderlijk, doch
zag er heel gewoon uit. Er liep niet
eens een waakhond in den tuin
rond. We kropen onder den heg
door en trachtten een glimp van
„Tomahawk” te krijgen, terwijl
hij zijn verhalen aan ’t schrijven
was.
„Ik ben er zeker van,” zei ik, „dat er een massa pistolen,
vergiftigde pijlen en scalpen in zijn kamer hangen ’ We slopen nu tot achter het huis om te zien of „Tomahawk
ook leeuwen, tijgers en andere prairiebeesten hield, doch
we zagen niets dan een zwarte poes en een meisje dat bloemen
plukte. Dat viel ons erg tegen en Pim zei dat hij voortaan
geen verhalen meer van „Tomahawk? lezen wilde, want dat
het toch allemaal leugens waren; maar hij is nog een jochie
en dat zei ik hem ook. Ik bracht hem onder ’t oog, dat als
we hier maar rondliepen en niets uitvoerden we de grootste
ezels op twee beenen waren ; we zetten ons dus aan ’t
werk om vuur te maken en onze visch te koken. Terwijl
we druk aan het hout sprokkelen waren, wie denk je dat
we daar opeens aan den anderen kant van het veld zagen
loopen ? Leen en Antoon, arm in arm !
Ik was woedend toen ik ’t zag. Ze waren zoo in wederkeer!ge
bewondering verzonken, dat ze ons niet zagen.
Het is belachelijk hoe dol sommige lui zijn om buiten te
loopen vrijen. Als een jongen op een meisje verliefd is,
behoeft hij daar toch niet openlijk mee te koop te loopen !
Antoon deed het zeker om te laten zien wat ’n martelaar
hij was, want verliefdheid is nog erger dan kiespijn, daar
weet ik van mee te praten.
Ik dacht er juist over, hoe we konden verdwijnen, zonder
door Leentje gezien te worden, toen het gebeurde ; dat is
te zeggen : Antoon en Leentje waren op den berm tegen
de haag gaan zitten met hun rug naar ons toe, toen we
opeens jagers en honden over het veld op ons hoorden
afkomen. Pim deed haastig de bokkiryen in ’n papier, opdat
de honden ze niet ruiken zouden.
ïk lachte hem eerst uit, maar toen ik over de hei keek,
zag ik de honden op ons aanstormen als dolle stieren.
Het is niet aangenaam om zoo’n koppel woeste dieren
op je te zien afkomen, maar wij Meiers denken niet aan
gevaar voor ’t vlak bij ons is. Ik kreeg opeens een idee,
want je mag me gelooven of niet, maar ik was zoo koel
als een watermeloen, terwijl Pim
een gezicht zette of zijn laatste
uur geslagen was.
Ik wist dat er geen minuut meer
te verliezen was en daarom maakte
ik de noodige toebereidselen, terwijl
Pim me stond aan te staren
als een idioot. Ik maakte de
beide bokkingen aan een lang
touw vast en wierp ze een eind ver
op de hei, dicht bij de plek waar
Antoon zat, die met zijn arm om
Leentjes middel haar aanstaarde
als een zieke schelvisch. Toen
maakte ik aan het andere eind
van het touw een schuifknoop,
kroop door de struiken tot dicht
bij Antoon en hing met behulp
van een langen tak de lus aan
een knoop van zijn gekleede jas.
Ik behoef je niet te vertellen
wat er gebeurde. De honden renden
op de lucht van de bokkingen
als furies over het land op den
berm toe, waar Antoon zat, die als een
ridder van de droeve figuur, zijn meisje in
den steek liet en naar den eersten den besten
boom vluchtte.
Op het oogenblik dat de honden hem
bereikten, hing hij met zijn handen aan
een dikken tak, terwijl de bokkingen in
de lucht zwierden.
Leentje kreeg van schrik een zenuwtoeval
en ik was blij dat „Tomahawk” het
niet zag.
Intusschen waren eenige jagers genaderd
en wilden de honden wegjagen, maar
ik zei dat ik eerst een woordje met Antoon
wilde spreken.
„Hoe lang kun je hier nog zoo hangen ?”
vroeg ik hem onder den boom staande.
„De honden hebben in geen week te eten
gehad en ze lusten er wel drie zooals jij.”
„Ik houd ’t niet langer uit,” steunde hij.
„Dat doet me genoegen,” zei ik, „want de helft van de
CONCOURS MOBILISATI E-MU2IEKCORPSEN
Te Bussum is op 23 en 24 dezer onder begunstiging van prachtig weer een concours gehouden
tusschen muziekcorpsen, opgerieht gedurende de mobilisatie. Verscheidene autoriteiten, ondei
wie Generaal P. Kleynhens, voorzitter v. h. comité tot ontwikkeling en ontspanning var;
militairen, gaven door hun tegenwoordigheid van hun belangstelling blijk. ( V.F.B.)
|