|
PANORAMA 10
Sen ridder, onledig met het steekspel
-------------r~STr———
en mooie tooverlantaarn
voor groote-menschen.
Fijne, geestige platen.
Een allerpleizierigste
explicateur. En een ge-
, zellig muziekje, dat er
zoo heel-en-d’al bij hoort
— Ziedaar Doncker’s schimmenspel
Een met een zwart doek afwit
lichtvlak middenin, is de
bij elkaar
geschoten ruimte, met een meer dan een M
lantaarn zelf; daarin zitten de uitvoerenden allen
Twee man schuiven de platen in het lichtvlak, vijf
musiceeren er, en wel één op een piano, één op de
viool, één op de fluit, één op de guitaar, één op de
trommel. Doncker zelf staat in hun midden, en leidt de
geheele vertooning. Hij zegt er met zijn mooie klankvolie
stem, op pakkenden toon, den begeleidenden tekst bij
op. En die tekst is voortreffelijk van geestigheid.
De verlichting bestaat uit een 50-kaars electrische
lamp, die op zoowat een meter afstand van het witte
vertoonvlak is aangebracht. De schimmen zijn in'stroobord-
en lichter karton gesneden figuren, menigmaal
meesterlijk van snit en groepeering en soms dol-kluchtig
van voorstelling.
De tekst van zoo’n schimmenspel is één enkel, en dus
vrij omvangrijk vers, en al even aardig als de schimmen
zelve, zoodat ik maar zeggen wil, dat ik alle respect
heb voor den kunstenaar Doncker, eenvoudig, pretentieloos
man als hij is, die toch maar zulke curieuze reeksen
beelden en tevens zulke geestige gedichten daarbij bedenken
en vervaardigen kon.
Doncker heeft drie schimmenspelen op zijn repertoire
staan en wei ,,De liefde door alle tijden”, ,,De geschiedenis
der Schilderkunst” en „De Geschiedenis der Critiek”.
,,De Liefde door alle tijden”.
Ah, ge moet ze de revue zien passeeren, al de menschen,
die vanaf Adam tot u en mij met de liefde iets uitstaande
gehad hebben, en dat zijn d’r wat! En Doncker vertoont
ons eigenlijk nog maar alleen de voornaamste. Hij
begint met ons de wonderlijkste oerdieren te vertoonen,
en hoe ze, onbeschaafd als ze waren, krabden, trapten
en ruïneerden, om eindelijk, wanneer weer gepolijste zeden
intree in hun wereld doen, elkander in plaats van te
krabben te liefkoozen, inplaats van te bijten te kussen.
Daarna (ik spring heele tijdperken over, want anders kom
ik met zoo’n omvangrijk materiaal op geen stukken klaar,)
— daarna krijgen we een serie tooneelen uit het Oude
Testament te bewonderen; we zien
de Egyptenaren op den Nijl met hunne
dames rondroeien, we zijn tegenwoordig
bij Jozefs ontmoeting met Potiphar’s
echtgenoote; we zien Daelila
Samson’s weelderige lokken afsnijden;
wat zijn kracht als sneeuw voor de
zon verdwijnen doet, en wonen na
dit snoode werk het bezoek bij, dat
de Koningin van Saba *brengt bij
Koning Salomo; wij merken' in haar
gevolg een reeks van prachtige roofdieren
op, waarvan wij een tweetal
tijgers met bijbehoorende neger-voerlui
kiekten.
We zien de schoone Helena met al
de bekende narigheden in haar gevolg,
als het beleg van Troje, en het befaamde
paard. De Sabijnsche maagdenroof
laat niet na, ons, zorgvolle ouders,
broeders, grootouders, met afgrijzen
te vervullen, onder de tonen van „Dat
gaat naar Den Bosch toe, zoete, lieve
Gerritje”. We moeten het daarna aanzien
dat onze voorvaderen, de Batavieren,
om hun wettige echtgenooten
harten-azen, of het pepernoten of vierduitstukken
zijn ; we zien ridders
elkaar te lijf gaan om der wille van
een jonge, of ook wel een oudere dame,
en geen wonder, daar, volgens Doncker’s opvatting, ridders
individuen zijn, die „niet kunnen bestaan, zonder te hakken
en te slaan”. Wij kiekten voor onze lezers een
van deze merkwaardige individuen, en keken ons verder
'Napoleontische Charge.
Ko Doncker’s Schimmenspelen
‘Ko Doncker,
naar een teekenïng
door Sassy,
de oogen uit op de wonderlijke bedrijven uit den tachtigjarigen
oorlog, niet het minst op de inneming van Den
Briel, een schimmengroep, zoo fraai en krachtig, dat wij
het niet over ons hart konden verkrijgen er voor u,
lezers, geen kiek van te maken. Niet veel later deden
wij hetzelfde met een tweetal al even voortreffelijke
groepen: een charge van Napoleontische huzaren en eenspan
van ’s keizers artillerie. En na een reeks van nog
artillerie van Napoleon.
vele genoeglijke beelden en verzen hoorden we Doncker’s
diagnose :
De liefde zweeft om den wereldbol
Van Philadelphia tot Zwol
Op niet minder prettige manier behandelt deze kunstenaar
„in woord en beeld” de Geschiedenis der Schilderkunst.”
Daartoe gaan wij terug tot den tijd van Adam
en Eva.
Sen kijkje achter de schermen bij een vertooning van het Schimmenspel
Noach schildert zijn ark bruin, maai eigenlijk ,kan je
dat nog geen schilderen noemen.
Doch daar verschijnt te midden der stortregens boven
de ark een regenboog, en .. .
De regenboog! Ieder kent ze,
de iris,
Zonder welke de schilder een
redeloos dier is.
Mijn vrienden, hier kunnen
we eerst met fatsoen
Onz’ intrede in de schilderkunst
doen,
Want al dit water leert ons wel,
Dat thans de tijd rijp is
voor d’aquarel.
Egyptenaren, Grieken en Romeinen
vertoonen ons daarna
hun kunstwerken ; eindelijk komt
de beschermheilige der schilders,
Sint Lucas met zijn stier, op het
tapijt en
Nauw had hij zijn voet
op aarde gezet,
Of iedereen greep verwoed
naar het palet.
Nu gaat het er op los.
Later komt een zekere Da
Vinei den boel een beetje opfrisschen
met zijn zoogenaamde
Renaissance, waar hij groot
gelijk in heeft. De bloeitijd der Vlaamsche en Hollandsche school, en der
vermaarde Fransche school van Barbizon worden ons vertoond, en tenslotte
geeft Doncker een kostelijke parodie op de Larensche
Tijgers, door negers aan het &eel
meegevoerd.
--------------------- ----------------------------
een
binnenhuizenschool waarbij je je tranen lacht.
Het is alles binnenhuizen wat de klok slaat; binnenhuizen,
bevattende moeders met kinderen; en het
eenige verschil tusschen al deze als koek weggaande
schilderijen is, dat op het eene de moeder het kind aan
de hand houdt, op het andere op den schoot, op een
derde aan de borst, op een vierde in de armen, en op
een vijfde weer elders; enfin, die Larensche moeders houden
de kinderen als alle moeders in alle landen, alleen er
zijn niet overal hoopjes schilders bij de hand om al die
moeders met al die kinderen in al die houdingen en standen
te conterfeiten en naar Amerika te sturen . . . Dat heeft
Doncker allergenoeglijkst geparodieerd; daar gaat geen
aardappel vanaf.
In zijn derde Schimmenspel „De critiek” steekt hij
gezellig den draak met de kaste der critikasters.
Een criticus, zoo blijkt ons hier, „in woord en beeld”
wordt als vitter geboren, en er zijn massa’s van die
vitters.
Heele hoopen menschen hebben den critischen zin (of
onzin) vanaf het eerste levenslicht onder de leden.
Waarom schreeuwen b.v. die blikslagersche zuigelingen
soms zoo?
Wel, ....
Luide critiseert een elk
Al dadelijk de moedermelk.
En, onverbeterlijk, gaat hij zoo ook in zijn heele ver
dere leven te werk. Als kind in huis en op school, en
bij sport en spel, en later gehuwd, in huis , tuin- en
keuken-leven, kan hij zijn critischen kop onmogelijk dichthouden.
Daarbij komt nog, dat
Hij denkt dat zijn ergernis,
De heele publieke opinie is.
En het gaat daar gaandeweg ook
wel een beetje op lijken; tenminste
wat diegenen onder de critici betreft,
die zich' publiekelijk in de pers
gaan uitspreken, om ten gerieve van
het publiek hun meening over tooneel,
schilderkunst, muziek en aanverwante
artikelen in de ochtendbladen te doen
afdrukken. Tot groot ongerief echter
menigmaal van den betrokken kunstenaar,
die, op zijn beurt natuurlijk
ook critisch, den criticus, die hem
afkamt, eveneens afkamt en den prijzenden
recensent op zijn beurt prijst.
Maar als de criticus hem verzwijgt,
Denkt hij, dat-ie een beroerte krijgt.
Nu, wat den kunstenaar Doncker
aangaat, deze zal waarlijk niet tot een
beroerte behoeven over te gaan; immers
om strijd schonk de critiek zijn
fijn en geestig werk den lof welke
het dubbel en dwars toekwam, en
wij aarzelen niet onzen lof nog daaraan
toe te voegen.
Onzen lof plus de opwekking zoo’n
leutig schimmenspel te gaan kijken en hooren zoodra
ge er maar de kans toeziet. Denkt er aan, gij allen die
dit leest. En dat zijn er, zoo hopen wij, velen.
S.
Bestorming van Den Briel
|