|
PANORAMA 6
ALÖEMEENE VERGADERING ,,A. N. W. B.”
Groep van deelnemers aan de op 21 Augustus onder leiding van den heer Ed. Bergsma op het Kasteel Doorwerth (nabij Arnhem)
gehouden algemeene vergadering van den „A. N. W. B.” Het bezoek aan de vergadering was nog betrekkelijk groot, niettegenstaande
de verschillende door het bestuur georganiseerde tochten door slecht weer mislukt zijn. (foto s V.F.B.)
ZEILWEDSTRIJDEN VAN „DE NIEUWE MÉÉR".
Door de Zeilvereen. „De Nieuwe Meer” te Amsterdam zijn Zondag j.1. nationale
zeilwedstrijden gehouden op De Groote Poel, nabij Aalsmeer. De belangstelling
was zeer groot, zoowel van de zijde der deelnemers als van de toeschouwers.
Hierboven een overzicht van de baan tijdens den wedstrijd voor punters.
Het bedrog van Jakob
et benieuwt mij wie van ons beiden het meest
heeft ondervonden in zijn leven?’'
De oudste der beide mannen deed deze vraag en
keek nieuwsgierig zijn jongeren metgezel aan.
„Ik !” antwoordde Jacques Wijland onmiddellijk
met een melancholiek air,
. Kortman, de oudere heer, lachte. Ze waren pas
eenige weken met elkander bekend. Het gesprek had plaats
in het restaurant van een hotel waar beiden gelogeerd
waren.
„Arme kerel ! Neem een „poesje” 1”
„Neen, dank-je Kortman! Ik drink nooit
dadelijk na het diner, Als iemand evenwel
reden heeft zijn zorgen te verdrinken^ ben
ik ’t!”
„Ik heb allang gemerkt, dat je karretje
niet op een zandweg gereden heeft.”
„Werkelijk? Ja, ik begrijp, dat het wel
sporen zal hebben nagelaten. Heb je lust mijn
geschiedenis te hooren?”
„Ja, als jij lust hebt ze mij te vertellen.”
„Zeker! Ik heb er nog geen mensch over
gesproken, sinds ik weer in Holland ben; men
wil wel eens zijn hart luchten. Bekentenissen
verlichten de ziel1 — Rooken ?”
Kortman nam een sigaar uit den koker,
dien Wijland hem voorhield en nadat beiden
even hadden zitten dampen, begon de laatste
zijn verhaal.
„Van mijn geboorte af was, om ’t eens
dichterlijk te zeggen, mijn levensweg meer
met distels dan met rozen bezaaid. Toen mijn
vader nog leefde, hadden we het arm, en toen
hij stierf, nou, toen werden we er niet rijker op.
Moeder had de grootstemoeite om fatsoenlijk haar armoede
te verbergen. Toen ik vijftien jaar was, ging ik van school
en kreeg een betrekking als jongste klerkje op bet bureau
van een dagblad. Ik klom daar langzaam op en toen ik een
en twintig was, verdiende ik duizend gulden per jaar. Toen
had ik het ongeluk krankzinnig verliefd te worden en begon
over trouwen te denken . .
„Op duizend gulden salaris ?”
„Ja! De liefde scherpte mijn ijver. Ik had geen lust in
mijn betrekking te blijven, jaarlijks een kleine verhooging te krijgen en
in ’t vooruitzicht te leven na tien jaar eerst in staat te zijn te kunnen
trouwen. Ik vertrok naar Indië en na vijf jaar had ik mij opgewerkt
in de journalistiek en een flinke positie verworven. Vier maanden
geleden werd mij de gelegenheid gegeven met een jaar verlof naar
Nederland terug te gaan. Vol vreugde maakte ik mijn toebereidselen
voor de reis, toen de mail mij twee vreeselijke brieven bracht. De
eene brief meldde mij, dat mijn moeder plotseling overleden was aan
een hartverlamming, uit den ander vernam ik, dat het meisje dat ik
liefhad en ik bij mijn terugkeer ten huwelijk had willen vragen, met
een ander getrouwd was,
Ik twijfel er aan, Kortman, of iemand anders twee zulke
slagen in één klap ontvangt.”
„Arme kerel! En toch keerde je terug ?”
„Ja ! Mijn energie was geknakt. Ik had geen lust in Indië
te blijven, en gaf mijn betrekking op. Ik had aardig wat
bespaard, en besloot wat te gaan reizen om mijn leed te
vergeten. Het zou mij trouwens nu niet moeilijk vallen,
wanneer ik wilde een goede betrekking te krijgen. En zoo
ben ik thans hier in Holland en boemel wat rond !”
„Erg treurig ! Je moet den kop er echter bovenop houden.
Denk er om, je bent nog jong 1”
„Ik voel me soms als iemand van twee en zestig, in plaats
van zes en twintig. Maar ik heb je alles nog niet verteld.
Kort voor mijn vertrek ontving ik een brief van een notaris,
geschreven op last van een oom van mij, een zonderling, dien
ik in geen twintig jaar gezien had. Hij scheen met moeder
W. P. GROENEVELDTt Dr. A. S. VAN OVEN + J. BODAAN.
Te ’s-Gravenhage is op 19 Augustus in den ouderdom van 74 jaar overleden de heer W. P. GROEN EVELDT, oudvice-president
van den Raad van Ned.-Indië. De overledene was ridder in de Orde van den Nederl. Leeuw,
ridder 2e klasse met de ster van de Orde van den Rooden Adelaar van Pruisen; ridder in de Orde van Franz
joseph ; commandeur in de Orde van den Draak van Anam en in de Orde van Cambodja. — Te Dordrecht is overleden
de heer Dr. A. S. VAN OVEN, oud-directeur van de Hoogere Burgerschool aldaar. Dr. van Oven was een man
van buitengewone capaciteiten op het gebied van onderwijs. — Na 34-jarigen diensttijd is aan den heer J.
BODAAN, hoofdinsp, v. h. Bouw- en Woningtoezicht te’s-Gravenhage, op verzoek eervol ontslag verleend. Bij zijn
afscheid werden den heer Bodaan door superieuren en collega’s talrijke blijken van hoogachting en erkentelijkheid
aangeboden.
getwist te hebben jaren geleden en door haar plotselingen
dood berouw gekregen te hebben. Hoe ’t zij, de oude man,
wiens dagen geteld schijnen te zijn, wil mij zijn geheele vermogen
nalaten als ik, en dat is de ironie van ’t noodlot, als
ik een meisje trouw, dat hij jaren geleden als zijn dochter
heeft aangenomen.” *
„Dat klinkt romantisch ! En wat doe je?”
„’t Afpoeieren I”
„Heb je ’t meisje dan gezien ?”
„Neen, en ik wensch ze ook niet te zien ! De vrouwen hebben
afgedaan in mijn leven. Ik heb niet den minsten lust om
te trouwen.”
„Maar ’t geld, kerel 1 Denk om ’t geld !”
„Bah ! Wat kan geld me schelen. Ik kan fatsoenlijk leven,
dat is me genoeg.”
„Hm 1 En als je weer eens leerde beminnen ?”
Wijland stond op en knipte met de vingers.
„Liefde heeft bij mij afgedaan. Laat hij zijn geld maar aan
liefdadige instellingen vermaken. Ik wil onder deze voorwaarde
er geen cent van hebben. Het meisje zal me misschien
haten. Ziezoo, Kortman, ik heb je de grap verteld en nu
breek ik op.”
II.
Alle reizigers hadden de tram verlaten behalve Jacques
Wijland en een jonge dame, die in het verst verwijderde
hoekje zat. De conducteur telde zijn kas en
de overgebleven kaartjes.
$ „Je laatste rit?” vroeg Wijland.
„Ja, mijnheer 1 ’t Is welletjes 1” antwoordde
hij met een geeuw.
Dit werkte aanstekelijk. Wijland deed ’t
hem na en sloot een wijl de oogen ; ’t was al
laat en hij kreeg slaap. Een plotselinge ruk
door het stilstaan van de tram deed hem
wakker schrikken. Hij keek op en zag dat
zijn medereizigster hem oplettend aankeek.
Ze was eenvoudig, doch hoogst smaakvol gekleed.
Hij bemerkte nu ook, dat ze rusteloos
op haar zitplaats heen en weer schoof, haar
handen in den schoot wrong, kortom alle
teekenen vertoonde van angst of verdriet.
Niet brutaal of nieuwsgierig willende zijn,
wendde hij zijn blik van haar af, zichzelven
nochtans afvragende waarom zij hem zoo
oplettend en voortdurend had zitten aanstaren.
Eindelijk was de tram aan haar eindbestemming
en met een „goeden avond” tegen den
conducteur stapte Wijland uit.
Hij was nog geen vijftig passen voortgeloopen, toen hij
haastige voetstappen achter zich hoorde en zich omkeerende
de jonge dame uit de tram bemerkte. Iets in haar voorkomen
vertelde hem dat zij hem wenschte te spreken, daarom bleef
hij stilstaan en wachtte.
„Excuseer mij,” begon ze ademloos, „maar ik heb uw
hulp noodig.”
Het licht van de straatlantaarn stelde hem in staat haar
nader op te nemen. Het was een lief, sympathiek gezichtje,
dat naar hem opgeheven was ; doch thans verduisterd door
angst en verdriet. Haar oogen gloeiden koortsachtig. Hij stak de
hand in den zak. Zij raadde dadelijk zijn bedoeling.
„Neen,” zei ze afwerend. „Dat bedoel ik niet. Ik heb geld genoeg.
U kunt me op andere wijze helpen.”
„Ga mee,” zei hij vriendelijk, „en vertel mij waarmee ik u van
dienst kan zijn.”
Zijn houding boezemde haar vertrouwen in en ze wandelde met hem
voort. Het scheen haar evenwel moeilijk te vallen te spreken.
„Is u bevreesd zoo laat alleen over straat te moeten gaan?” vroeg hij
om haar vertrouwen te winnen.
„Daar dacht ik niet aan,” antwoordde ze. „Ik moest van huis om
MOTORCLUB „ZUID-HOLLAND".
Te ’s-Gravenhage is opgericht de motorclub „Zuid-Holland”, welke zich ten doel stelt
het bevorderen van het motor-toerisme. Op onze foto een groep van de oprichters,
waaronder de bestuursleden; (v. 1, n. r.): F. j. M. v. d. Seyp, comm.; J. L. Melchers,
; secr.; J. v. d. Loo, voorz.; W. J. v. Vlijmen, penningm. (foto Sijes)
EEN PRACTISCHE UITVINDING.
Door den heer A. Alt, rijwielhandelaar te Leiden,
is een zeer practische uitvinding gedaan, die het
mogelijk maakt met een gewone fiets zonder groote
krachtsinspanning tegen wind in te rijden. Zooals
de foto laat zien, is het mechanisme alleen aan
het achterwiel aangebracht en geschiedt de aandrijving
door een tweede ketting. Onregelmatig
trappen is niet meer mogelijk,,terwijl alle krachtsinspanning
benut wordt en de versnelling normaal
blijft. In de stad kan het toestel worden uitge
scnakeld, terwijl men onverschillig of het in of
buiten gebruik is, kan vrijwielen.
MILITAIRE SPORTWEDSTRIJDEN.
Door de groep Halfweg van de stelling Amsterdam zijn verleden week op het Sportterrein
van het fort „De Lieve” athletische wedstrijden gehouden, waarvoor bij de
soldaten zeer veel animo bestond. Onze foto stelt de finish voor van het nummer
100 Meter hardloopen.
|