|
PANORAMA 14-
NEDERLANDSCHE BOND VAN SIGARENWl N KELI ERS-VER EEN IGt NGEN . (foto „RewbrandC')
Door den Nederl. Bond van Sigarenwinkeliers-vereenigingen is op Dinsdag 17 Augustus in Café Hollandais te s’-Gravenhage de 10e algemeene vergadering gehouden. Aan de bestuurstafel v. 1. n. r.
de heeren JA. Hoekstra; E. M. J. de Vries, secr.; Joh, C. Tromp, voorz,; W. C. van Lonkhuyzen; W. van Piggelen, voorz. controlecommissie, P. A. C. Hofman, secretaris controlecommissie.
PH. A. v. GOETHEM. f
Voor eenigen tijd overleed te Ber
gen op Zoom de heer Ph. A. VAN
GOETHEM, hoofd eener openbare
lagere school aldaar. De overledene
was een in breeden kring zeer geziene
persoonlijkheid.
De genezing scheen op deze wijze echter al evenmin te
komen. Wel ondernam hij een groot aantal van de meest
verscheiden pelgrimstochten, en liet hij niet af alle mogelijke
proeven te geven van een zuidelijke vroomheid. Tevergeefs,
tevergeefs. Zoo vlood langzaam
alle vertrouwen van
hem. Hij stemde er eindelijk
in toe, eenige kwakzalvers bij
zich te ontvangen, lieden die
hem vanuit alle oorden des
lands hun, even probate als
belangelooze, hulp aanboden.
Hij keurde eindelijk, zonder
al te veel tegenstribbelingen
goed, dat men hem verbanden
met de uitwerpselen van een
zwarten bok 'om den hals
legde; hij nam met volmaakt
afgrijzen de zonderlingste en
walglijkste dranken in, waardoor
het bloed van onbekende
dieren was gemengd, gedrochten,
welke men in den nacht
geworgd had onder gunstige
gesternten ; hij dronk het bij
volle maan gekookte regenwater,
dat gediend had om twee nuchtere kalveren in te
wasschen ; hij at een weerzinwekkende brij van eikebladen,
ganzelever en bastaardsuiker. Wat at hij niét ? Wat dronk
hij niét in die dagen ? Maar, indien hij een oogenblik inkeerde
tot zichzelven, moest hij, hoe noode ook, bekennen, dat hij
zich voor al deze praktijken niet zoozeer leende omdat hij
er genezing van verwachtte, als wel om zichzelven een weinig
te verdooven en de illusie van een mogelijk herstel,
hoe vaag ook, nog te blijven koesteren. In het diepst van
zijn binnenst leefde geen zweem meer van hoop op genezing,
en wanneer hij aan zijn oude glorieuze leven terugdacht,
leek dat hem een tooverachtige droom, een vizioen van vorstelijke
heerlijkheden, welke hij nimmer weer genieten zou.
Op een avond in April was Cappelli na het middagmaal
wat gaan wandelen langs de zee. De lucht was onuitsprekelijk
diep en van een goddelijke klaarheid ; de teedere weemoed
van den komenden zomer vlotte reeds onder de
palmen en de oranjeboomen, en de kustweg met zijn zachte,
tintelende avondkleuren was vol van een wondere melancholie.
Plotseling klonk vanuit een tuin, die niet ver van den
weg gelegen was, een liefelijke gedempte muziek ; het was
het ritornel van een orkest, hetwelk hem zeer bekend
voorkwam. En dan, dan . . . stak een stem op. Een stem !
Machtig, stoutmoedig, trillend, levend, verbijsterend prachtig
1 God, dat was zijn eigen stem, zijn doode stem, die door
het wonder van dezen tijd, de phonograaf, daar plotseling
voor hem opdoemde als een schrikkelijk spook.
De tenor stond onbeweeglijk. Tot het einde stond hij
te luisteren naar die aria, welke hij op al zijn triomftochten
gezongen had voor de dol geestdriftige
menigten, in de groote
steden van alle landen van alle
werelddeelen.
Dan zweeg plotseling het instrument,
en wat hem meer nog dan
het spook van zijn doode stem
ontroerde ; toen deze zweeg was
het doodstil; geen handgeklap,
geen kreet, niets, niets dan stilte
alom, alom als een vreeselijke vergetelheid.
En dan, alleen daar in dien
kwellenden lentenacht, terwijl de
bloesemgeuren naar den sterrenhemel
als teedere gebeden opstegen,
gevoelde hij zich plotseling arm en
eenzaam, een uitgeschud man.
En met beide handen wild tegen
het gelaat gedrukt, begon hij bitter
te weenen.
EEN K1PPENHISTORIh
DOOR HENKIE
A r is geen mensch zoo handig als de oude Teunis Roskam
om het gesprek dat kanaal in te sturen, waarin
hij een boot heeft zeilen. Als er druk over den oorlog
geboomd wordt en hij heeft zin om over eieren te
praten, of over koffie, boonen of tabak, dan duurt
j het geen vijf minuten of hij heeft door hier en daar
een woordje in te voegen spoedig de leiding van het
gesprek en brengt dit zoo spoedig mogelijk in de haven
waarin hij het hebben wil. Is hem dat, wat weinig
voorkomt, op de gewone manier onmogelijk en wordt hem
den weg versperd, dan zeilt hij er midscheeps op in op een
wijze, die altijd succes heeft.
Midden in het gesprek over de landstormwet valt hij dan
in met:
„Kippenhouden is een voordeelig werk, dat zal ik jullie
bewijzen 1”
Prof. Dr. H. BOLKESTEIN.
Tot buitengewoon hoogleeraar in de faculteit der letteren en wijsbegeerte
aan de Rijksuniversiteit te Utrecht om onderwijs te geven in de oude geschiedenis
is benoemd dr. H. BOLKESTEIN. leeraar aan het openbaar
gymnasium te ’s-Gravenhage. Hij studeerde te Amsterdam en promoveerde
aldaar in 1906 tot doctor in de klassieke letteren. Tijdens de ongesteldheid
van den Amsterdamschen hoogleeraar Valeton nam hij diens colleges waar.
(foto „Rembrandt.”)
En zonder te letten op de opmerkingen die gemaakt worden
over zijn onbeleefdheid om zonder meer zoo maar in het
gesprek te vallen en, met volkomen negatie van alle protesten
dat er in ’t geheel niet over kippen gesproken werd,
en dat het niemand een haar schelen kon of kippenhouden
voordeelig is of niet, gaat hij onverstoorbaar voort, zijn
DE WAALHAVEN TE ROTTERDAM.
Sinds eenigen tijd is men te Rotterdam aan de Waalhaven bezig met het uitvoeren van een zeer belangrijk werk, namelijk het opspuiten
van den grond achter de haven. Men maakt daartoe gebruik van een „zuiger” (rechts op de foto) die de door baggermachines opge
haalde modder uit de baggerschuiten zuigt en dan vermengd met veel water, perst in de buis die op onze foto eveneens duidelijk
zichtbaar is. De buis heeft een middellijn van 3/4 meter, een lengte van ongeveer 3 kilometer en eindigt boven het land dat moet
worden verhoogd.
armen zwaaiende als een paar bramzeilen en zijn verhaal
klem bijzettende door de noodige hoofdknikken.
,,Ik stem toe,” begint hij dan, na den mond van den spreker
gesloten te hebben als een telescoop, „dat er menschen
zijn — gekken natuurlijk —
die in de pluimvee-kweekerij
zulke wanhopige resultaten
bereiken dat ze zich haasten
er zoo gauw mogelijk weer uit
te loopen.
„Mijn broer Benjamin, tien
jaar jonger dan ik, was ook
zoo’n dwaas. Alleen een gelukkige
zet — ’t was mijn zet! —
bewees dat je aan kippencultuur
geld verdienen kunt al
heb je er geen snars verstand
van.
„Ben beschouwde zichzelf
altijd als een geboren financieel
genie.
Hij besteedde al zijn vrijen
tijd met het bestudeeren
van de methodes van RockefelIer,
Morgan en andere beroemde
voorbeelden van wat
men doen kan met geld,
geen hart en nog minder geP.
C. V. o. DRIFT.
Verleden week herdacht de heer
P. C. v. d. DRIFT, brigade-rechercheur
van politie te ’s-Gravenhage
het feit, dat hij vóór 35 jaar in
den Haagschen politiedienst trad.
Voor- een reeks belangrijke misdrijven,
door hem tot klaarheid
gebracht, mocht de heer v. d. Drift
verschillende eervolle vermeldingen
en koninklijke onderscheidingen
verwerven. weten.
„Het is alleen de kans die ik noodig heb,” zei hij vaak en
broedde op plannen over het maken van „corners” en
„trusts” en becijferde daarvan de resultaten op papier.
Vennootschappen die mislukten maakten zijn vroolijkheid
gaande en hij legde mij. dan meestal uit, hoe /?/ƒ een millioen
winst zou hebben gemaakt zoo zeker en gemakkelijk als een
vogel vliegt.
„Kippencultuur, dat is je ware !” barstte hij op zekeren
avond tegen mij los en hij legde mij uit, hoe hij in een tijdschrift
verschillende populaire artikelen gelezen had waarin
werd aangetoond dat een idioot in deze branche fortuin zou
kunnen maken, — en hij was geen idioot ! Hij had de verschillende
becijferingen gecontroleerd en accoord bevonden.
Zelfs als de winst slechts de helft bedroeg, was ’t nog een
fortuin.
„Al wat hij noodig had waren kippen, natuurlijk een enorm
aantal, en kippenvoer ; de rest deden de beesten zelf.
„Het geluk wilde, dat juist toen Ben zoo liep te denken
en te kletsen over ’t houden van kippen, niet voor plezier
maar uit profijt, dat onze grootmoeder overleed en ons ieder
een duizend gulden naliet. Ben beschouwde dit als een aanwijzing
der Voorzienigheid. Hij pakte zijn erfdeel met beide
handen op en ook het mijne. We werden compagnons, later
als de winsten stegen zouden we een syndicaat vormen, om
die bij het reusachtig succes dat te wachten was weer te
converteeren in een trust. Aldus legde Ben mij het plan voor.
Ja, hij had een vèrzienden blik !
„Ben had ’n groot geloof in „cor-
, ners”. Ze regeeren de markt. Daarom
vertrok hij naar Overijsel naar ’n
streek die niet per spoor te bereiken
was, maar waar verscheidene
dorpen in en om lagen. Dat was
de plaats waar het kippenbedrijf
een aanvang zou nemen.
„Hij reisde alle dorpen af en kocht
iedere kip en iederen haan op die
te krijgen was en hij deed dit
werkje zoo goed, dat buiten onze
boerderij binnen een straal vaft
50 KM. geen kip meer te vinden
was.
„Je ziet,” zei hij tegen mij, „ik
heb ze te pakken (hij bedoelde de
bewoners). Ze zijn altijd gewend
geweest om kippen te eten en
eieren ; gewoonte is een tweede
natuur. Ze zullen voortaan hun
kippen en eieren bij mij moeten
koopen !
|