|
PANORAMA
MEVROUW CORNELIE VAN ZANTEN.
Maandag 2 Augustus vierde onze vermaarde landgenoote, Mevrouw Cornelie van Zanten,
haar zestigsten verjaardag. Mevrouw van Zanten, die haar operaklasse van Berlijn naar
den Haag heeft verplaatst, is de eenige Nederlandsche artiste, die in vier landen : Italië,
Duitschland, Amerika en Nederland, aan opera’s verbonden was en haar partijen zong in
de taal van het land'. Hierboven Mevr. van Zanten (voor den vleugel) met een harer meest
bekende leerlingen, Tilly Koenen, die binnenkort een tournée door Amerika gaat maken.
en voelde een rilling langs zijn rug loopen. — „Voor mij
niet, hoop ik !” zei hij haastig. ,,Ik ben niet lekker, en ga
een beetje vroeg onder de wol.”
Meyer ging heen en toen Haasnoot een uur later op de
chambree kwam, zag hij dat Meyer, zijn slaapie, zijn brits
met een ander verruild had.
Er is een oud spreekwoord dat zegt dat een vrouw de
dikste vrienden tot vijanden kan maken ; een verzekeringsagent
doet dat zaakje veel beter en gauwer dan een harem
vol van de mooiste vrouwen. Meyer en Haasnoot waren
trouwe vrienden geweest gedurende hun geheelen diensttijd,
maar nu met dat bloedgeld in ’t vooruitzicht begonnen
ze elkander te haten.
„Dat gaat zoo niet langer,” zei Meyer op zekeren dag.
„Wat bedoel je?” vroeg de ander.
„Dat weet je net zoo goed als ik ! Jij bent bang voor mij
en ik voor jou. Dat is een ongezonde toestand. Dikwijls
bekruipt me de wensch dat ik tegenover
jou in de vuurlinie lag en dat is geen aangename
gedachte voor zoo’n vreedzaam
man als ik.”
„Wat moeten we dan doen ?” vroeg
Haasnoot.
„Opgeven I”
„Wat ? En me twintig gulden premie
die ik betaald heb?” riep Haasnoot uit.
„Zouden ze die niet teruggeven ?”
„Dat kun je aan je hart voelen!”
„Dan vind ik dat een smerigen zwendel,”
voer kleine Meyer uit. „Ik heb
twintig gulden betaald, opdat jij zou doodgaan
en ik vijfhonderd pop zou ontvangen ;
maar nou jij niet dood wil, moet ik mijn
geld terug, ’t Is zoo zuiver flesschentrekkerij,
anders niet!”
„Een van ons beiden moet sterven
zei Haasnoot. „Da’s de eenige manier !”
„Nou ik ben’t nog niet van plan,” antwoordde
zijn vriend. „Aan jou de "eer ?”
„Och, ik bedoel niet iverkelijk doodgaan,’
noot, „alleen ’t maar voorwenden, vat-je 1”
„Kerel, dat is een prachtig idee,” riep Meyer bewonderend
uit.
„En ’t is heel eenvoudig,” verklaarde Haasnoot. „Ik
heb er al lang over gedacht. Een van ons tweeën (en ik
vind ’t het beste dat jij dat bent) moet verdwijnen voor
goed. Je korte jas, je broek, schoenen en kepi leg je ergens
langs den waterkant. Ze zullen dan natuurlijk denken
dat je verdronken bent, mij de vijfhonderd gulden betalen
en die deelen we dan samen. Wat denk je van mijn plan?”
„Prachtig 1” verklaarde Meyer. „Er is slechts één ding
wat me in jouw voorstel niet bevalt, n.1. dat ik de grap moet
uithalen. Mij dunkt, jij zou dien zelfmoord veel beter kunnen
spelen, je bent nog zoo’n oude dilettant-tooneelspeler.”
„Neen maar dat is toch iets wat jou beter zou afgaan,”
meende Haasnoot. „Hier is een cent, we zullen gooien !
Kruis of munt. Kruis doe jij ’t, munt ik. — ’t Is kruis!”
„Wel vervloekt,” mopperde Meyer. „Ik vind het toch,
’ hernam Haasgoed
beschouwd, een gevaarlijk
plan. Zeg dat nou zelf.”
„Neen, geen praatjes meer,
Meyer. De zaak is nou beslist!
Jij doet het! Doe nou maar
geen moeite om ervan af te
komen. Jij moet je verdrinken en
ik zal voor de rest zorgen.”
„Ja, da’s alles goed en wel,”
merkte Meyer op, „maar op die
manier verdwijnen beteekent
eigenlijk uit ’t leger deserteeren.”
„Stel je gerust, het leger zal
zich wel zonder jou trachten te
redden. En wie weet, misschien
kun je wel onder ’n anderen naam
dienst nemen.”
„En mijn strepen dan ? Die ben
ik toch kwijt ?” mopperde Meyer.
„Die had je toch vandaag of
morgen kwijt geraakt,zoo’n brave
jongen als jij,” antwoordde Haasnoot
ongevoelig. „Laten we liever
eens praten hoe jij sterven zal.
Ik vind verdrinken het beste.”
„Een nare, natte dood !”
„Loop naar de pomp ! Wat zou jij dan willen ? Je kunt
je toch niet ophangen of je voor den kop schieten, want
dan zou ik je lijk moeten toonen en dat gaat niet, omdat
je nog leeft. Als je echter jezelf verdrinkt, dan gaat alles
heel gemakkelijk.”
Het duurde nog geruimen tijd, voordat Meyer er voor
te vinden was. Doch toen Haasnoot hem uitlegde dat hij
niet meer nat behoefde te maken dan zijn grooten teen,
stemde hij eindelijk toe. Er werd afgesproken dat hij
's avonds laat naar de trekvaart buiten de stad zou gaan
met burgerspulletjes in een stuk grauw papier. Zoodra
de kans schoon was, zou hij van kleeding veranderen, zijn
knevel afscheren zoo goed als dat in ’t donker gaan zou
en naar Utrecht vertrekken, terwijl hij zijn uniform en
kepi aan den waterkant zou neerleggen.
„En een brief,” zei Meyer. „Alle zelfmoordenaars schrijven
een brief, waarin ze meedeelen waarom ze ’t gedaan hebben.”
7
„ONZE TUIN”.
Verleden week Woensdag hield de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van onwettige en verwaarloosde
kinderen „Onze Tuin” een vergadering in het Brongebouw te Haarlem. Als voorzitter werd gekozen ds. W. W.
Meynen (x) uit Dordrecht. — Hierboven een groep van de vergaderden. (V.F.B.)
„Jij bent toch niet van plan te gaan vertellen dat je
zelfmoord pleegt om verzekeringsgeld te krijgen ?”
„Ben je niet wijs?” zei Meyer verontwaardigd. „Ik zou
den Dubbele 1) er wel eens tusschen willen nemen. Die
negert me voortdurend. Wacht, Haasnoot, ouwe jongen, ik
krijg daar een lumineus idee. Ik zal een brief achterlaten
die den Dubbele een paar slapelooze nachten bezorgen zal,
waarin ik schrijf dat ik me om hem verdronken heb. Kom
mee, Hazelnootje, we zullen ’t zaakie klaar maken.”
Twee uur later legde Meyer zijn soldatenpakje op den
oever neer, en bovenop het pakje den brief.
„En nu, vaarwel, Haasnoot, jongen,” zei Meyer. „Schrijf
me maar post-restante, Utrecht, zoodra je den aap te pakken
hebt,” en haastig ging hij heen om den laatsten trein nog te
halen. Den volgenden dag brak de bom los, toen Meyer gerapporteerd
werd als vermist en spoedig daarop zijn uniform
aan den waterkant gevonden werd. Het ergste kwam
evenwel toen de kolonel den brief opende en daarin las
!) Sergeant-majoor, omdat zijn strepen dubbel zoo breed zijn als
van een sergeant.
GENERAAL SNIJDERS TE HARDERWIJK.
Verleden week Vrijdag bracht Generaal Snijders, opperbevelhebber van Land- en Zeemacht,
een bezoek aan het Interneeringskamp te Harderwijk. Hierboven Z. Excellentie (1) bij het
verlaten der werkschool; naast hem (2) generaal Loke, commandant van genoemd interneeringskamp,
wiens vertrek als commandant aanstaande is?. Nummer 3 de Huzarenluit.
Brondgeest, de bekende tooneel- en sportman. (foto Du Houx).
dat Meyer zelfmoord had gepleegd om van de plagerijen
van zijn sergeant-majoor verlost te worden.
Dat gaf me een drukte in de kazerne, in de stad, de dagbladen
schreven er artikelen over ; ja zelfs zou er in de
Tweede Kamer over worden geïnterpelleerd. Meyer, bij zijn
leven een korporaal, dien weinigen kenden, werd bij zijn
dood een tweede Joffre.
De kolonel ging als een razende te keer ; en het leven
in het regiment geleek veel op de plaats, waar we na onzen
dood geen van allen hopen te komen. Er was slechts één
gelukkige kerel in de kazerne en dat was Haasnoot. Hij ging
zoo op in het vooruitzicht van zijn bezit van f 250, dat
niets zijn goede stemming kon bederven. Verzekeringsmaatschappijen
doen hun werkzaamheden echter niet met
onnoodige haast en in stede van de uitkeering bij keerende
post te ontvangen, verliepen er dagen en weken zonder dat
Haasnoot eenig levensteeken ontving, dan een paar getiepte
brieven meldende dat de zaak in
onderzoek was. Van geld evenwel geen
spoor! Meyer begon ondertusschen mooi op
zwart zaad te zitten en te gelooven dat
Haasnoot er met het geld van door was.
Het werd hem eindelijk te machtig en op
zekeren avond naar de stad terugkeerende,
trof hij Haasnoot in ’n bierhuis aan en stoof
dadelijk op hem af. „Nou heb ik je, jou
trouwelooze bandiet,” riep hij uit. „Waar
zijn mijn zuurverdiende centen ?”
„Het spijt me,” zei zijn vriend, „maar
ik heb slecht nieuws, allerberoerdst nieuws.
Ik had het nooit gedacht.”
„Wat is ’t 1” schreeuwde Meyer. „Vertel
op !”
„Ze willen ons niet betalen,” antwoordde
Haasnoot. „Ze keeren geen geld uit aan
zelfmoordenaars. Het was alles jouw stomme
schuld. Jij, ezel, met jebriefschrijverijl’
„Wat!” brulde Meyer. „Wil je zeggen,
dat ik me voor niemendal van kant gemaakt heb?”
' „Ja, zoo is ’t!”
„Wel ganssakkerlijsjes I” kermde Meyer. „Heb ik nou mijn
strepen voor niemendal weggegooid. Maar ik ga terug, . . .
ik ga naar den kolonel. Ik zal hem vertellen dat ’t een
misverstand was, ’n afschuwelijk misverstand!”
„Als je mijn raad wilt aannemen,” zei Haasnoot, „doe
dat dan niet. Dat zou jouw grootste stommiteit wezen !”
„Ik heb den laatsten keer jouw raad al gevolgd, jou
miserabele slampamper,” voer Meyer opnieuw uit, „en
wat heb ik daar mee gewonnen ! Nou zal ik ereis doen wat
ik wil,” en hiermee wandelde hij naar de kazerne.
„Nou,” ging Barend voort. „Meyer heeft bij den kolonel
en den sergeant-majoor een heel aardige ontvangst gehad.
Hij heeft ’t zoo prettig, dat toen ik hem laatst zag, hij er
sterk over dacht of het toch maar niet het beste was, om,
en nu in ernst, zelfmoord te plegen ; want als de krijgsraad
met hem afgerekend heeft, krijgt hij nog een appeltje
te schillen met de verzekeringsmaatschappij wegens oplichterij.”
TENTOONSTELLING VAN BELGISCHE KUNST.
Door de heeren Kennes en de Graef is te Scheveningen een tentoonstelling van Belgische kunst georganiseerd tot
steun van Belgische kunstenaars, die door den oorlog zoo zeer beproefd worden. De tentoonstelling, die werken van
de eerste Belgische artisten omvat, mag zich zeer in de belangstelling der badgasten verheugen, (foto Hijmans)
„EEN SOLDATENSLIPPERTJE”.
Met zeer veel succes wordt op het oogenblik in „Frascati” te Amsterdam onder regie van Jos van Lier opgevoerd
de klucht van Gaston Marot „Een Soldatenslippertje”. Wij geven hierboven een scène uit het tweede bedrijf. V. 1.
n. r.: A. Meester, Ch. Specht, A. Blankensteijn, E. Poons-v. Biene, J. Mulder, D. Lageman, Marie v. Biene, J. Jurgens.
Op het bed: V. Koster en M. Benoy. In het raam: P. Perin. (V.F.B.)
|