Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1771 tot 1775 van 11897
Nummer
1915, nr. 62, 2 aug. 1915
Blad
08
Tekst
Amsieruuin - nacig. ASSMAN&C0., ZUIVERAARS, Keizersgracht 310. - Amsterdam. Int. Telef. 4202. Bekr.: 1878-95, 1906-10-12-14. Dames! Vanaf f 1.50 zend ik U franco huis een MOOIE HAARVLECHT volgens toegezonden staal. Van uitgevallen Haren worden mooie Vlechten gemaakt a f 1.— H. DE GROOT, Kapper Aelbrechtskolk 5, Rotterdam. Telefoon 637. Het Receptenboekje der Delftsche Slaolie N.V. Tandmiddelen-Fabrieken „ATOL", vh. L. POOL & ZONEN, Amsterdam. ARNHEM (GROOTE MARKT) hotel des Pays-Bas Eerste en oudste Hotel ter plaatse metieder modern comfort. Omnibus aan het Station. ARNHEM.. Hotel Oranje-Nassau, yvyoccA _jric_trac E>ISCUITFABR1E.K= DE. LINDEBOOM = FAWÉP B.VAN DOESBURG Ook verkrijgbaar in luchtdichte, luxe verpakking. tegenover het Station (links). Mod. ingericht. Matige prijzen. Dir. F. SIMON. LICHT- en ROOKGAS Zonder Leiding. F. W. Seeholdl, IJselmonde. CTeleff. Int. Rotterdam). No. 4022 Net VAN RON’s \ MOSTERD Koopjeslij at- gratis op aanvraag VICTORIA'- MAÏZENA HET NEUSJE VAN DEN ZALM ■BI VERKRIJGBAAR BIJ IEDEREN WINKELIER BBBJ met 80 bladzijden druks, bevat recepten van de navolgende gerechten: Onder de rubriek Hors d’oeuvres Kalfsvleesch croquetten Garnalen-croquetten, Croquettes a la Miianaise, Poolsche croquetten, Fondus au Parmesane, Croustades a la Reine, Caisses a la Neptune, Macaroni au Gratin. Onder de rubriek Aardappelgerechten Gebakken aardappelen, Pommesfrites, Pommes pailles, Pommes au Nid, Pommes Gaufrettes, Pommes Croquettes, Pommes Dauphine, Pommes Chips, Pommes Lyonnaises. Verder zijn in het receptenboekje o.a. rubrieken gewijd aan Salades, Koude en warme sausen, Vieeschsoorten, Wild en gevogelte,Vischgerechten, Eiergerechten, Meelgerechten, Taarten en gebak. Duidelijk en op overtuigende wijze wordt in het receptenboekje aangetoond, dat het I TRANSPON. Medisch hygiënisch antizweetpoeder, bereid door J. BLOMBERG Jr. Apotheker, Den Haag. In strooibussen & 50 ct. bij alle Apothekers verkrijgb. 'ieke ennwen— hebben voor hun herstel in de eerste plaats een kalmeerend middel noodig. MUNHARDT’s ZENUWTABLETTEN kalmeeren volkomen. Prijs per koker 50 cent. 3 kokers f 1.40. - Verkrijgbaar bij Apothekers en Drogisten. Pharm: fabriek A. MIJNHARDT, Zeist. Glazenwasscherij en Jalouziënfabriek „Algemeen Belang”, te Amsterdam, Egelantiersgracht 171. Tel. N. 4763. Speciaal adres voor het schoonmaken, zuiveren en onderhouden van Kerken, Scholen, Huizen, Fabrieken en Kantoren, in en buiten Amsterdam. FRANSFIN. De Koningin der Mondwaters en Tandpasta’s. Mondwater f 0.95. Tandpasta f 0.45. FRANSFIN Tolfet-Crême. Verwijdert pukkels, vetwormpjes, sproeten, roode vlekken. Geheel onschadelijk. Prijs f1.20. Station voor Maalderij en Bakkerij te Wageningen. - Onder Rijkstoezicht. De Directeur van het Station voor Maalderij en Bakkerij te Wageningen, brengt ter kennis van belanghebbenden, dat de N.V. tot Exploitatie der Kon. Luxe-Broodbakkerij V. h. PAUL C. KAISER, Vijzelstraat 5—13. Amsterdam, den verkoop van haar brood onder controle van het Station heeft gesteld en dat uit het onderzoek van monsters melkbrood, roggebrood en beschuit blijkt, dat deze aan de eischen, daarvoor door het Station aangenomen, hebben voldaan. Afnemers hebben recht op gratis onderzoek van monsters brood en beschuit. Aan belanghebbenden worden dienaangaande gaarne inlichtingen verstrekt. De Directeur voornoemd Wageningen, 20 Maart 1915. BOONSTRA. „THEOPHILE”. Utrechtschestraat 118, Amsterdam BESTE HAARKLEUREN HAARGROEIMIDDEL. Afgehaald f 2.— per flacon. Franco toezending 12.15 per postwissel of f 2.25 aan postzegels als ook tegen f 2.25 rembours. OVERTOLLIGE HAREN in ’t gezicht, op de armen, enz. verdwijnen oogenblikkelijk bij het gebruik van ons gegarandeerd onschadelijk DEPILATORIUM (ontharingsmiddel). Fl. 1.50 per flacon met gebruiksaanwijzing, Franco toezending na ontvangst van postw. a FL 1.65. Wed. 3. RAVE, Melkmarkt 4, ZWOLLE. vallen van ’t haar, wenden zich in vertrouwen totJ. OERATI, Haarkundige, Amsterdam, Zoutsteeg 4. Aan hen, die na onderzoek tot behandeling worden aangenomen, wordt herstel gegarandeerd. Het „Nieuws van den Dag” schreef onder meer: Een feit is ’t dat onderscheidene hier wonende personen van allerlei leeftijd getuigen door hem weder in het bezit van den haardos te zijn gekomen. Ziekenwagerifies te huur. TANDMIDDELEN zijn gewoonlijk gearomatiseerd met essences, waaronder pepermunt den boventoon voert. Velen nu houden niet van pepermunt. Voor dezulken is Stark’s Cherry Toothpaste een welkome afwisseling. Het heeft een fijnen, pittigen smaak, verwekt een frisschen adem en het geregelde gebruik ervan is het beste, dat gij voor Uw mond en tanden doen kunt. Verkrijgbaar in aluminium doozen van 25 en 40 ct., in tuben van 20 en 40 ct. en in potten van 60 en 80 ct. Vraagt het bij Uwen winkelier. Kan die het U niet leveren, schrijf dan naar de fabriek (14, de Riemer St. DEN HAAG) met opgave welk artikel gij verlangt, onder bijvoeging van het bedrag in postzegels, waarvan gij een postzegel moogt gebruiken om Uwen brief te frankeeren en gij ontvangt het verlangde franco per keerende post. Wij doen dit slechts ter kennismaking en niet om met de detaillisten te concurreeren. A. HOOGENDIJK Jzn. Vlaar IMPORTEUR der dingen. ECHTE DOUROPORTWIJNEN en CHAMPAGNE „QUEEN” Luxe proefkistjes: Portwijnen *j2 fl. . . . . f 4.05 Champagne „Queen” 3/2 fl. . „ 4.50 tegen inzending van postwissel. gebruik van Delftsche Slaolie in de Keuken groote voldoening geeft. Het boekje bevat vele wenken en raadgevingen voor het gebruik, benevens getuigenissen van verbruiksters uit alle standen, die den smaak der met Delftsche Slaolie gereed gemaakte spijzen ais om strijd roemen en op de besparing wijzen, die het gebruik met zich brengt. Het receptenboekje der Delftsche Slaolie, met bijlage omtrent het gebruik van Delftsch Plantenvet Delfia, wordt gratis en franco toegezonden aan iedere belangstellende, die met vermelding van dit blad, het aanvraagt aan de Afdeeling Reclame der Oliefabrieken Calvé- Delft te Delft. FRANSFIN ontharingsmiddel. Verwijdert haar op ongewenschte plaatsen. Prijs f1.20. Weigert namaak. Depots: Amsterdam Paleisstraat 23b; Den Haag, Prinsestraat 80; Rotterdam, Hoofdsteeg 7; Utrecht, Voorstraat 72; Arnhem, Bakkerstraat 5. Verder in alle voorname zaken. Museum PANOPTICUM, AMSTELSTRAAT, AMSTERDAM. TEL. 1049. Geopend van 1O uur ’s morgens tot 1O uur ’s avonds. Groote Attractie voor Landgenoot en Vreemdeling. Wassen Beelden en Groepen, o.a. Indische Kampong, Hindelooper en Marker Kamer, Bezoek van H. M. de Koningin aan de Krotwoningen, Groepen van gekroonde Hoofden, Z. H. Paus Benedictus XV, Indische Dwaaltuin, Per Lift naar het Middelpunt der Aarde, enz. enz. Aan het Museum is een speciaal Atelier verbonden tot het vervaardigen, repareeren en verhuren van Was-figuren voor magazijn en winkel-étalage. IN MAISON BAKKER, II HOOGSTRAAT 12, - DEN HAAG, | LUNCHT MEN LEKKER.
PDF
Nummer
1915, nr. 63, 5 aug. 1915
Blad
01
Tekst
No. 63 (6a) 5 AUG. 1915 AFZONDER. LIJKE NUMMERS 7'/2 CENT Gei llustreerd-weekblad ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 va/ i i -r t-j px cx * <=t i i > -r a \ / a d a MAAT^GHADDi,;. f r i n a rs HET BEGIN VAN HET TWEEDE OORLOGSJAAR De opmarsch der Duitschers en Oostenrijkers aan de Bug. Duitsche versterkingen worden naar de gevechtslinie aangevoerd. De Oostenrijksehe reserves ziet men rechts op de foto. De strijd in het Oostenrijksch-Italiaansche grensgebied. Koning Victor Emanuel op een van zijn inspectietochten bij de troepen aan het front. Italiaansche troepen, gekampeerd in het bezette Oostenrijksehe gebied. Versche Engelsche troepen naar het front. soldaten, die pas afgericht zijn, maken zich gereed naar het vertrekken. De gewonden aan de Dardanellen. front te Met vervoer der gewonden aan boord der oorlogsschepen brengt natuurlijk zijn eigenaardige moeilijkheden met zich, zooals ook bovenstaande foto doet zien. (P.F.fi.) De opmarsch der Italianen, Italiaansche ruiterij trekt door een Oostenrijksch Engelsche dorpje, dat door hen bezet is. Het gebruik van zoeklicht. Sedert de vliegeniers der Geallieerden weder eenige nachtelijke aanvallen gewaagd hebben, maken de Duitschers weer een veelvuldiger gebruik van hun moderne zoeklichten. (foto's V.F.B.) De fourageering. Duitsche proviandwagens trekken door een OostPruisisch-Russische grensplaats. De verwoesting in Oost-Pruisen. Nog een kijkje in het bijna totaal verwoeste plaatsje Ortelsburg. Zooals men ziet bestaat het nu voor het grootste gedeelte uit ruïnes.
PDF
Nummer
1915, nr. 63, 5 aug. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA UIT HET ZWARTE BOEK VAN ’N TELEGRAFIST DOOR J. T. VAN LEIDEN ............................................................................. W’^lF (Vervolg). > n ofschoon we wisten dat andere moeilijkheden ons wachtten, dat het einde van ons nieuwe avontuur nog in de verre verte lag, genoten we, zooveel als onze stemming toeliet, van de kortstondige rust die ons geboden werd. Naast /elkaar zaten we aan het dek, zoo min mogelijk pratend over verleden of toekomst. Den tweeden avond konden we de vuren der ijzersmelterijen op Elba zien, en den volgenden morgen glinsterde de vergulde koepel van den Sint-Pieter in het zonlicht. „Rome !” riep Mary, en in haar oogen waren bewondering en angst te zamen. „Ik wilde dat het 't Vrijheidsbeeld in de New-Yorksche haven was/’ zei ik met een zucht. Dien avond liet onze boot haar anker vallen in de haven van Triëst, en het kwam er nu maar op aan den vasten wal te bereiken zonder al te lastig gevallen te worden door carabinieri, guardi of douanen. Maar terwijl we, dit bepratend, over de verschansing leunden, wachtend tot de loopbrug zou uitgelegd worden, las ik den naam van een grooten Cunardstoomer naast ons: de Slavonia. „De boot waarmee Morlay uit New-York vertrok,” zei ik. En Mary voegde er aan toe : „misschien gaat hij er wel mee terug .... als hij durft!” Het duurde lang eer er op het volgestapelde dek, waarover nu de matrozen druk heen en weer sjouwden met kisten en balen, wat ruimte gekomen was om ons door te laten, en terwijl we nog afwachtend stonden toe te kijken — waarom zouden we ook’ naar onze landing verlangen ! —• begon de draadlooze telegraaf op de Slavonia te knetteren. Ouder gewoonte, onwillekeurig, lazen we het bericht met onze ooren ; het zou ons, die zoo lang onze dagen en nachten aan de telegraaf gewijd hadden, onmogelijk geweest zijn de vonkentaal niet te beluisteren. Mary greep mijn arm; haar vingers tikten de telegraafteekens mee. „Niemand —> van — dien —• aard — aan — boord —■ zend — vollediger — beschrijving.” Twee, drie minuten bleef het stil; toen begon de geheimzinnige Hertziaansche stem opnieuw : „Gezantschap — gaf — geen — nadere — beschrijving — man — en — vrouw — worden — gezocht —► wegens — diefstal —-en —• poging — tot — moord — te — Monte — Carlo — en — Genua.” We zagen elkaar ademloos luisterend aan. „O — maar, dit is wel de grootste veine die we konden wenschen !” fluisterde Mary aan mijn oor. „Stil, ze antwoorden weer . . . .” „Spreek — met — autoriteiten —-te — Triëst.” Opnieuw een pauze, en dan kw’amen er nog drie woorden van het land-station, vele kilometers ver op een bergtop : „Ja — goeden — nacht.” De electrische stem van de drijvende staalmassa, die zacht te deinen lag aan haar ankerketting, antwoordde : „Goeden — nacht!” „Wat moeten we doen ?” vroeg Mary. „Aan boord van de Slavonia gaan ! In Triëst is men op ons voorbereid ; op het schip weet men blijkbaar niets van ons. Als we nu maar ieder afzonderlijk en met T noodige aplomb aan boord komen, dan moeten we de rest aan ’t geluk overlaten. Van hedenavond af kennen we elkaar dus voorloopig niet meer,” „Ja . . . . maar als Morlay aan boord is ?” „Wat zou het ? Aan jouw goede trouw kan hij nog altijd gelooven ; waarom zou hij je anders Triëst als punt van samenkomst hebben opgegeven ? Die berichten over ons zullen trouwens wel van Saninovitch zijn uitgegaan. Wat Morlay aan boord zou doen, is me niet recht duidelijk ; zijn geheele rondreis kan ik me trouwens niet anders verklaren dan als een poging om zijn spoor uit te wisschen of ergens onderweg zijn buit zoo mogelijk te gelde te maken. Blijkbaar is hij van gedachte dat jij hem op de een of andere manier van nut kunt zijn.” Mary dacht na. We waren weer geheel in onze avonturiersrol. De spanning van het gevaar was opnieuw over ons gekomen. Mochten we al gedurende onze bootreis voor enkele uren de zorg van ons hebben geschud, ons een poos verbeeld hebben dat ook wij in de windstilte leven konden — met de nadering van het gevaar kwam ook de wil om |e strijden en te overwinnen weer over ons. De moede, melancholieke trek verdween van Mary’s gezicht; ze was tot handelen en doortasten bereid. „Dan zal ik aan wal gaan en eerst zien uit te vinden of Morlay in het hotel Bristol is,” zei ze. Maar de gedachte aan de moeilijkheden waaraan ze zich ging blootstellen, aan de scheiding ook na die dagen van ongestoord samenzijn, maakte me week, en ik vroeg, bijna smeekend : „laat mij gaan !” Ze lachte, en wilde haar lach spottend doen klinken. „Gekheid —• dat kan ik alleen doen. Ik ben OCHTENDSTEMMING. Bovenstaande foto, genomen in het door de Duitschers bezette stadje Wilkowischki (Russisch Polen), brengen wij niet in de eerste plaats als „oorlogsfoto”, al ontvingen wij ze van onzen correspondent wel als zoodanig. — Ons trekt op dit plaatje veeleer het in-rustige en -kalme van dit vroege-ochtendtafereeltje, dat niets gemeen heeft met al het wreed gebeuren van den oorlog. Integendeel — wat een vrede en rust gaat er van het geheel uit; hoe wazig rijst, op den achtergrond, de. kerk in het eerste morgenlicht; hoe goed „doen” de menschen op den voorgrond het (V.F.B.) ’t nu eenmaal begonnen.” „Mary,” zei ik, „willen we dit alles opgeven, ergens samen naar een vergeten hoek vluchten . . . .” Ik sloeg den arm om haar heen. Ze weerde me af. „Wees niet sentimenteel. Eer we dat kunnen doen — moeten we geld verdiend hebben. En er valt nu geld te verdienen. Jij laat je naar de Slavonia roeien en neemt ’n hut. Ik laat me aan land brengen, als ’t met dezen wind ten minste mogelijk is. Of ik Morlay vind of niet, ik kom later op den avond ook aan boord —■ alsof ik juist met den trein van Venetië kwam, zie je. En dan ben ik weer Miss Allen, zooals ik me aan Morlay heb voorgesteld ; Miss Allen, die door Italië reist om antiquiteiten op te pikken voor rijke Amerikanen en Engelsehen.” Ik gaf ten laatste toe ofschoon de gedachte dat ik goed en wel in mijn hut zou geïnstalleerd zijn, terwijl zij door den donkeren avond in het dansende, slingerende bootje aan wal zou gaan, me wanhopig maakte. De wind was nu heviger geworden, en de regen sloeg bij stroomen neer. . Maar Mary liet zich niet ontmoedigen. Ik drukte haar nog eenmaal de hand, en toen ging ze. Aan de kade riep ze een voorbijgaand huurrijtuig aan en reed naar het hotel Bristol. Daar vroeg ze den portier of de bagage van miss Allen uit Venetië aangekomen was. Neen, er was niets voor haar aangekomen, en Miss Allen was door die mededeeling natuurlijk zeer verslagen. „Ik moet met de Slavonia mee. Weet u ook warjnëer die afvaart ?” De voorkomende portier antwoordde : „tegen den morgen.” „Maar dan moet ik dadelijk aan boord !” „Ik vrees dat het onmogelijk zal zijn. Er staat een hevige wind, de bora, en niemand zal u nu willen roeien,” verklaarde de man met een gebaar van medelijden. „Maar ik* moét aan boord!” riep Mary, en haar wanhoop was ditmaal geen spel. „Hoe zijn de andere passagiers er dan gekomen ?” „Die zijn veel eerder gegaan, zoo gauw de bora zich aankondigde. Ik spreek nu natuurlijk alleen van de reizigers uit dit hotel. Van de andere weet ik het evenmin als u.” „Waren het er veel ?” Ze zag den portier met gespannen verwachting aan. „Drie heeren, geloof ik.” Hij liet den wijsvinger langs de lijst der bezoekers glijden, die op zijn lessenaar lag. „Mr. Beltman, mr. Morlay, en mr. Woods, een Engelsche predikant.” Mary reikte den portier een geldstuk. „Wanneer mijn bagage komt, laat die dan nazenden, al stormt ’t nog zoo hard. Ik zal den brenger goed betalen.” De portier boog diep en bestelde op Mary’s verzoek een rijtuig. Maar de koetsier wilde alleen komen als hem dubbele vracht werd betaald —« op dit uur en in dezen storm. Ze reed naar het kantoor van de boot. Het was gesloten. Ze zocht den Cunard-tender — hij was verlaten en donker. Wanhopig liep ze de kaden langs, heen en terug, telkens weer ; lederen zeeman klampte ze aan, met radelooze welsprekendheid en fantastische beloften ; maar het was vergeefs. Niemand walde haar roeien. Het kon eenvoudig niet. Het was dwaasheid hun booten en hun levens te w’agen. En hun gezichten bleven hard en afwijzend, ook toen ze vijftig, honderd, tweehonderd lira bood. Knarsend en schommelend tegen de kade, stak een witgeschilderde stoomsloep boven de groep mannen uit met wie ze stond te onderhandelen ; en op eens liet ze de verbaasde zeelieden in den steek. Want aan den boeg stond, kalm alsof het een zonnige lentemorgen was, een officier te rooken, den zuidwester over de oogen gedrukt, tot aan de voeten in een oliejas gehuld. Ze ging op hem af. Zou hij haar naar de boot wallen brengen ? En ze wees naar de lichten van de Slavonia, die in de verte glinsterden. Wat zou het warm en huiselijk en gezellig daar ginds zijn ! De officier zag sprakeloos en verbaasd op haar neer. Hij nam zijn sigaar uit den mond en trachtte haar gezicht te onderscheiden door haar natten, verkreukelden reissluier heen. Of hij haar naar de boot zou willen brengen ? Neen — dat kon hij tot zijn spijt niet. Zeker, hij had stoom op, en het volk was aan boord, maar deze sloep was. het officieele inspectie-vaartuig van den havencommandant. Het was niet voor passagiersvervoer bestemd, alleen voor den keizerlijk Oostenrijkschen gouvernementsdienst. Ze smeekte het hem, bijna schreiend. Het speet hem, maar de havencommandant zou zulk een onregelmatigheid zeker niet toestaan. „Waar is de havencommandant ?” vroeg ze hartstochtelijk. De officier blies langzaam den rook van zijn sigaar uit en keek haar nogmaals verbaasd aan. Ja — de commandant was in zijn kantoor, in het havengebouw .... maar de officier haalde de schouders op en glimlachte, en Mary begreep dat het zoo gemakkelijk niet was toegang tot den havencommandant te krijgen. Dat prikkelde haar wilskracht ; wranneer die havencommandant zulk een bovennatuurlijke en tyrannieke macht was, die over haar lot naar welbehagen kon beschikken, dan walde ze sterker zijn dan
PDF
Nummer
1915, nr. 63, 5 aug. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA die macht. Ze ging naar het directiegebouw. Aan de poort stond een geüniformd wachter, die haar lang ondervroeg en haar toen met een gebaar van twijfel naar een anderen autoriteit in uniform verwees. Deze hoorde haar geduldig aan, ontbood toen een ordonnans, die haar naar de wachtkamer van den secretaris van den commandant bracht. Maar met dit weinige was een half uur gemoeid, en toen Mary in de wachtkamer zat, had ze de gewaarwording alsof men haar dagen lang door eindelooze gangen had geleid, of ze duizenden trappen beklommen had en ontelbare deuren doorgegaan was. En nu werd ze verzocht in de naastliggende kamer te komen, waar een jonge man met een korten, zwarten puntbaard haar vriendelijk te woord stond, maar haar met beslistheid te kennen gaf dat de commandant haar verzoek zeer zeker niet zou inwilligen. Hij begreep volkomen hoe moeilijk het geval voor haar was, dat het natuurlijk een groote teleurstelling voor haar zou zijn wanneer zij de boot miste, maar hij merkte beleefd op dat de haven-autoriteiten zich toch niet in dienst konden stellen van eiken reiziger die te laat voor een of andere boot was gekomen ! „Maar mijn zieke moeder, die misschien sterft in dien tusschentijd!” riep Mary wanhopig, en in haar angst en haar overspanning scheelde het niet veel of ze had in dit argument zelf geloofd. De secretaris stond op en klopte aan de deur van een vertrek waaraan het zijne grensde. Hij opende de deur, sloot ze achter zich en bleef in Mary’s herinnering vele jaren weg. Totdat hij zich eindelijk w-eer vertoonde en Miss Allen verzocht bij den commandant te komen. De commandant zat in een zacht-verlichte, met een week tapijt belegde kamer, aan een geweldig groot bureau-ministre, dat met boeken en kaarten overdekt was. Hij had een langen witten baard en zag er ernstig en vaderlijk uit. Terwijl ze hem haar moeilijkheden vertelde, schudde hij spijtig het hoofd. Maar ze liet hem nauwelijks den tijd tot spreken, en greep zijn arm, en barstte in tranen uit, en vond het eene welsprekende argument na het andere — tot ze, ten langen leste, als door een nevel, zag dat zijn hand zich uitstrekte naar een electrischen knop naast hem. Ze zag hem drie regels schrijven op een stuk papier; een bediende verscheen, en ontving order haar uit het gebouw te geleiden. — De havencommandant stond op en zag in haar betraande oogen. „Goeden nacht, signorina, en goede reis!” Hij hield de deur voor haar open en boog. Ze bleef nog een oogenblik staan, zonder woorden te vinden, beschaamd over zichzelf, haar tranen, haar smeeken, haar verzonnen pleitredenen, en zijn kalmte, zijn statige vriendelijkheid maakten haar het contrast tusschen hen beiden nog pijnlijker. „Vaarwel,” zei ze eindelijk, met trillende stem. „Vaarwel ; en ik dank u, nogmaals en nogmaals 1” Toen volgde ze haastig haar geleider, en was verwonderd zoo snel als ze langs de duizenden gangen en trappen weer buiten op de kade kwam. Nu volgde een oogenblik dat bijna e.en genot was : de slaperige, knorrige bemanning van de stoomsloep werd bijeengefloten ; de officier salueerde buigend toen Mary langs hem ging naar de kleine, nauwe hut die inderhaast voor haar in orde was gebracht; signalen weerklonken, touwen werden losgemaakt en de boot begon dansend den zwaren golfslag te doorklieven. Na een kwartier snerpte weer het schrille signaalfluitje, een zware stem gaf bevelen, hout kraakte tegen hoiit, een ijzeren ladder knarste in haar hengsels, en de commandant van de sloep kwam Mary berichten dat men langszij de Slavonia lag. Ze deed alsof ze zijn verwonderden glimlach en zijn onderzoekende oogen niet zag, nam ongedwongen de hulp aan die hij haar hoffelijk bood bij ’t beklimmen van de deinende ladder, en ging met vaste stappen naar boven. Een vrij groot aantal reizigers leunde over de verschansing van ’t promenadedek, nieuwsgierig uitziend naar de reizigster die met zulk een ceremonieel aan boord werd gebracht. Maar Mary liet zich niet van streek brengen door al die op haar gerichte oogen ; ze nam de houding aan die bij de omstandigheden paste : het hoofd rechtop, zonder om zich te zien, kwam ze aan dek, en regelrecht ging ze op het bureau van den purser af. EEN COMM UNICATIE-LOOPGRAAF. Fransche soldaten die langs een communicatie-loopgraaf voedsel brengen naar hun makkers in de eerste linie. De communicatie-ioopgraven zijn verbindingsgangen tusschen de eerste en tweede linie, waarlangs de voorziening van krijgs- * en mondbehoeften plaats heeft. Ik hoorde onder de toeschouwers ; schijnbaar onverschillig, een sigaar in den mond, liet ik haar voorbijgaan ; maar mijn hart sprong op van vreugde toen ik haar veilig aan boord wist. Hoe lang had ik al uitgestaard in de duisternis, den wind en den regen, me afvragend hoe ’t haar toch gelukken zou de haven uit te komen ! En nu was ze gekomen, en met haar fiere, vaste stappen ging ze me voorbij, en ik bewonderde haar houding en haar gang, die niets van hun vorstelijkheid verloren hadden, hoe ook haar mantel en haar hoed door den regen jammerlijk waren verkreukt en verfomfaaid. Zonder mij aan te zien ging ze langs me ; vergeefs trachtte ik haar met mijn oogen als te dwingen naar mij te kijken. Na enkele oogenblikken volgde ik haar langzaam naar het bureau van den purser ; ik zag haar echter juist de deur van een dekhut ingaan, die een steward onderdanig voor haar openhield. Weldra stond ik, VOOR HET NAGESLACHT VERLOREN. Het wereldberoemde slot van Graaf 'Mirbach in Posen (een Duitsche provincie) dat door de Russen geheel verwoest is. Vooral het inwendige van het kasteel is totaal geruïneerd. (V.F.B.) rookend, tegen den buitenwand van de hut geleund ; met mijn sleutel tikte ik : „Pas —• op — Morlay — is —» aan —> boord !” En dadelijk daarop seinde Mary terug : „Ik — weet — het.” Even was het stil; toen liet ze er op volgen : „Goeden — nacht — houd — moed — ik —• heb — je —♦ lief !” Het bloed steeg naar mijn wangen als was ik een jongen van achttien jaar die voor ’t eerst verliefd is, en fluitend ging ik naar mijn hut — waar ik droomde van ’n kleinwit huisje ergensaan’ n zuidelijkekust; Mary en ik woonden er, en waren verlangenloos gelukkig. De eerste twee dagen liet Morlay zich niet zien. Wanneer zich niemand in de gang vertoonde, die langs Mary’s hut liep, sloop ik bij haar binnen om te overleggen wat we doen zouden. Zoodra we over „zaken” praatten, was Mary altijd positief en kort aangebonden; dan stond haar gezicht strak, hard bijna, en geen glimlach kwam over haar mond. Maar o ! als ik kans zag over andere, alledaagsche dingen met haar te spreken : dan ontspanden zich haar trekken, dan klonk haar stem zooveel zachter, en dan gebeurde het wel dat ze mijn hand in de hare nam of haar hoofd aan mijn schouder liet rusten. En in die twee ,,vacantie”-dagen zaten we werkelijk ’n keer in haar gezellige, ruime statiehut samen sigaretten te rooken, en biscuits te knabbelen bij ’n half fleschje champagne. „Wat je ook doet,” zei ik, „laat Morlay niet merken wie ik ben! Hij moet ons niet samen zien. Ik blijf gewapend onzijdig. Er kan iets bizonders gebeuren — in Palermo of Gibraltar bijvoorbeeld, waar we aanleggen — en dan is ’t nuttig als ik in reserve ben gehouden om je zoo noodig te helpen.” Mary scheen aan iets anders te denken. Ze zei iachend : „verbeeld je dat een van de officieren je aan me voorstelt!” „O — dan zal je eenszien, hoe vervelend en onaangenaam ik ben. Dan laat je me gauw in den steek.” Ze knikte, en dacht weer na. „Nu hebben we twee weken voor ons ; Morlay is tot onze beschikking en niemand kan ons hinderen —- zouden we nu het verlorene niet kunnen inhalen ? Toen in Genua was ik zoo vast overtuigd dat hij me geheel vertrouwd zou hebben, waanneer er maar een kleinigheid gebeurd was om zijn geloof in mij te versterken. Maar die geschiedenis met Saninovitch stuurde alles in de war.” „En het is de vraag,” zei ik, „wat Morlay in dien tusschentijd van die geschiedenis gehoord heeft, of hij ze nu beter begrijpt en nu misschien anders over je is gaan denken !” „Ik weet het niet...... Maar wanneer het hem'gegaan is zooals ik denk, dan is hij overhaast gevlucht, evenals wij, heeft hij zich wel gewacht naar iets te informeeren, en sta ik tenslotte nog juist zoo tegenover hem als in ’t begin.” „Welnu,” antwoordde ik, „ga dan je gang en palm hem in.” Ik trachtte mijn stem onverschillig te doen klinken. „Ach, zie je — maar ik word zoo oud en leelijk,” zei Mary, en ze poogde ’t ongevoelig te zeggen allachte ze erbij. Maar ik antwoordde niet, balde mijn handen in de zakken en keek een anderen kant uit. „Nu,” zei ik na een poos, „hier aan boord, en noch in Palermo, noch in Gibraltar behoeven we dus bang te zijn voor Morlay. Al vermoedde hij iets, dan zou hij ons met officieele middelen toch niets kunnen maken zonder er zelf in te vliegen, ’t Eenige zou zijn, dat hij handlangers had en die op ons losliet. Maar dat geloof ik niet. Let er op : hij heeft tot nu toe niet anders gedaan dan zijn vervolgers ’t spoor bijster maken, en in New-York teruggekomen zal hij de papieren in veiligheid trachtep te brengen. Voor dien tijd moeten ze in ons bezit zijn, opdat de justitie ze tegen behoorlijke belooning van ons in ontvangst kan nemen.” „Ik zou ook kunnen wachten tot we hem op Amerikaanschen bodem hebben,” zei Mary. (Wordt vervolgd) 63 (6a) VII.
PDF
Nummer
1915, nr. 63, 5 aug. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 Eén jaar duurt thans de Europeesche oorlog, welken men aanvankelijk geen langeren levensduur had toegedacht dan 3 maanden. Dan zou . de uitputting in de strijdende landen wel zóó groot zijn, meende men, dat van een verder voortzetten van den krijg geen sprake zou kunnen wezen. En thans zijn de Geallieerden en de Centrale Mogendheden twaalf maanden aan het vechten én nog blijft voor een ieder duister, wanneer het einde van de ellende zal aanbreken. Zeker, de economische toestand in de verschillende landen — en niet alleen in de oorlogvoerende — moge verre van schitterend zijn, volhouden kunnen ze, naar het schijnt, nog wei. Duitschland is niet uitgehongerd, evenmin als Engelands verkeer ter zee gestaakt is, ondanks den duikbootenoorlog. Frankrijk zet den strijd met energie voort, terwijl de Donau-Monarchie er niet aan denkt om in elkaar te storten, gelijk de tegenstanders reeds lang geleden voorspelden. De Russen konden zelfs ondervinden, hoeveel veerkracht Oostenrijk-Hongarije nog bezit, al deed de hulp van den Duitschen bondgenoot hier zeer veel. Met dat al kan ’t Tsarenrijk, dank zij zijn onuitputtelijk menschenmateriaal, den strijd nog goed volhouden. België moge voor ’t grootste gedeelte bezet zijn, het leger bestaat nog en verdedigt het stukje Belgisch gebied, dat tot op heden vrij is gebleven. Kortom, ontzettende ellende is er geleden, millioenen menschenlevens zijn er vernietigd met het resultaat, dat de partijen nog vrijwel op dezelfde wijze tegenover elkaar staan als in het begin van den oorlog. Wat hebben we dus uit de gebeurtenissen van het laatste jaar kunnen ieeren? Dat een krijg, gelijk dezen, gruwelijke offers eischt en een geweldigen chaos in' de geheele wereld teweeg brengt, maar dat de verhouding tusschen de strijdende mogendheden nagenoeg gelijk is gebleven. Let wel, de onderlinge verhouding. Want vraag tenslotte niet, welk een schrikbarende ellende in elk land op zichzelf door den oorlog veroorzaakt wordt. Waarlijk, we gevoelen zeer veel voor de stelling, dat in een modernen oorlog van een overwinnaar geen sprake meer kan zijn, want hij, die op ’t slagveld wint, verliest tenslotte economisch weer evenveel. Dat economisch verlies moge thans nog niet zoo blijken, het zal zich na den vrede dubbel en dwars openbaren en doen gevoelen. Wanneer men dit alles eens nagaat, dan zal men het een verblijdend verschijnsel achten, dat er een krachtige beweging aan het werk is om den vrede mogelijk te maken en niet alleen dat, maar ook om waarborgen te verkrijgen, waardoor de kans op een duurzamen vrede aanmerkelijk grooter wordt. Wij doelen thans op den Anti-Oorlog Raad, over welk lichaam wij vroeger al eens in Panorama geschreven hebben. Terwijl het ons toen te doen was om de oprichting van den A.-O. R. en zijn plannen te bespreken, willen wij nu eens nagaan wat sinds de oprichting inderdaad bereikt is. Ook ditmaal wendden wij ons tot den secretaris, Mr. de J ong van Beek en Donk: aan zijn vriéndelijke voorlichting danken we het, dat we in de volgende regelen een en ander over de resultaten van den arbeid van den A.-O. R. kunnen mededeelen. Zooals indertijd was aangekondigd, bestond ’t hoofddoel van den Anti-Oorlog Raad in het tot stand komen van één centrale organisatie, één internationaal lichaam, dat de vredebeweging zou leiden. Dat lichaam is er nu en wei in den vorm van de Centrale Organisatie voor een duurzamen vrede. Zij is tot stand gekomen, dank zij het initiatief van den A.-O. R. en telt onder de aangesloten Vereenigingen, de nationale comité’s en bonden uit de neutrale staten, terwijl in het uitvoerend comité, dat aan het hoofd staat van de Centrale Organisatie, ook België, Italië, Engeland, Duitschland, Oostenrijk en Hongarije De vergadering van den Nederlandschen Anti-Oorlog Raad, gehouden j.i. Dinsdagmiddag in de zaai van de Oranje-Sociëteit, Prins Hendrikplein te ’s-Gravenhage. Het Bestuur van den Nederlandschen Anti-Oorlog „Raad. V.l.n.r, Mr. V. H. Rutgers; Mevr. W. Asser-Thorbecke, Penningmeesteres ; Jhr. Mr. Dr. B. de Jong van Beek en Donk, secretaris; Mr. H. C. Dresselhuys, voorzitter; j. H. Schaper, ondervoorzitter; Prof. Dr. D. van Embden ; Mr. Dr. D. A. P. N. Kooien. vertegenwoordigd zijn. Wat de tijdige voorbereiding betreft: daaraan ontbreekt het niet. Door openbare vergaderingen, door vlugschriftjes en door de uitgave van een maandelijksch orgaan (HolNEDERLANDSCHE ANTI-OORLOG RAAD. (Foüxded os the 8™ of October 1914.) HOLLAND NEWS THE HAGUE, 15th of July 1915. New series, Nü. 8. NEDERLANDSCHE ANJI-OORLOG RAAD. (Foxdé i.e 8 Qctobre 1914). NOUVELLES DE HOLLANDE. LA HAYE, 15 juillet 1915. Nouvelle Série, N“. 8. NEDERLANDSCHE ANTI-OORLOG RAAD. (Geoküxdet 8 Oktober 1914.) Hoilandische Nachrichten. HAAG, 15 Juli 1915. Neue Serie, N“. 8. Die „Hoilandische Nachrichten" werden unentgeltüch zugeschickt an die wichtigsten Friedenszeitungen und Friedensvereine und an alle Personen, welche dieselben zu erlangen wünschen; Beitrage zur Beförderung dieser Herausgabe werden aber geme empfangen. Man wird gebeten slch för die Zusendung zu wenden an Dr. B. de Jong van Beek en Donk, Theresiastraat 51, Haag (Holland). Standpunkt der Niederlandischen Regierung hinsichtlich zukünftiger Versuche zur Wiederherstellung des Friedens. Rede gehalten vom Minister Cort van der Linden in der Zweiten Kammer. (Juni 191a.) HET MAANDELIJKSCH ORGAAN. land News, Hoilandische Nachrichten, Nouvelles de Hollande), wordt de publieke opinie bewerkt, terwijl studiecommissies w.i. knappe en bekende mannen zitting hebben genomen, de verschillende kwesties nauwkeurig onderzoeken. De resultaten van die onderzoekingen zullen in het najaar na den waaraan vrede een dan ook de blijken. Dan zal er nl. onder leiding van de Centrale Organisatie voor een duurzamen vrede, een studie-congres te Bern bijeenkomen, waar de concrete oplossingen van de punten van het zgn. minimum-programma vastgesteld worden. Het plan is dan, om aan de hand van deze concrete voorstellen, bij de komende vredesonderhandelingen aan de vergaderde mogendheden een verzoekschrift in te dienen om, voor zoover betreft de nadere regeling van een internationale rechtsorganisatie, kort statencongres te doen bijeenkomen, neutrale staten zullen meedoen. En wat betreft de punten, die terstond bij den vrede in aanmerking genomen moeten worden, (zooals bv. het niet-annexeeren van gebied tegen de wenschen der bevolking in) men hoopt, dat door de gestadige propaganda, die ook in de oorlogvoerende landen gevoerd wordt, zich daar een publieke opinie zal openbaren, die deze principes aanvaardt. Tenslotte hoopt de A.-O.R. te bereiken, dat binnenkort de Nederlandsche regeering het initiatief zal nemen tot een samenwerking met de overige neutrale regeeringen, in het belang van den vrede. Twee opmerkingen wenschen we aan het bovenstaande nog toe te voegen, en wel aan het adres van hen, die óf met een zekere minachting, óf met een zeker .wantrouwen het werk van den A.-O. R. gadeslaan. Beide zijn even ongegrond. De minachting schijnt haar oorzaak te vinden in de dwaalmeening, die er bij sommige menschen heerscht, dat de vredesbeweging, door den A.-O.R. geleid, onpractisch en louter sentimenteel is. Dit is gewoon een dwaze opvatting. De A.-O. R. stelt zich waarlijk niet voor, dat nu maar in eens de vrede tot stand zal komen en dat er dan nooit meer gestreden behoeft te worden. Wat zij wil, is: de voorbereiding tot ’t tot stand komen van een internationale rechtsorganisatie op de basis van de punten van het minimum-programma. Waar in de staten afzonderlijk wel degelijk een rechtsorganisatie mogelijk is, gehandhaafd zoo noodig door de politie, daar kan dat toch even goed het geval zijn tusschen de staten onderling, mits de grondslagen van die organisatie hecht en stevig zijn, d.w.z. rechtvaardig en billijk. Ten nauwste bij dit punt aansluitend is de kwestie van het wantrouwen. Er zijn er, die vreezen, dat men in de kringen van den A.-O. R. naar vrede haakt, onverschillig tot welken prijs. Dit laatste is volkomen onjuist: wil er kans zijn voor de zooeven genoemde internationale rechtsorganisatie op gezonde basis, dan is een eerste vereischte, dat bij den vrede de onafhankelijkheid van de oorlogvoerende staten gehandhaafd blijft. Een eventueele inlijving van België bij Duitschland zou in A.-O.R-kringen zeer betreurd worden: zoo’n vrede te bereiken is dan ook niet de bedoeling! We gelooven hiermee voldoende te hebben aangetoond dat het streven van den A.-O.R. aller medewerking verdient. Het werk, dat hij verricht heeft en nog hoopt te verrichten zal in het belang zijn van de geheele menschheid. Men kan den A.-O.R. en allen die deze Vredesbeweging voorstaan, ten opzichte van die enkele ongeloovige Thomassen, die hun arbeid trachten te verkleinen, toevoegen, de woorden, die zich in het gebouw van het Departement van Justitie op bet Plein in den Haag bevinden : ,,Treek u niet aen wat yeder seght, Maer doet dat billyck is en recht.” E. v. R. De Nederlandsche Anti-Oorlog Raad en de weg tot den Vrede
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1771 tot 1775 van 11897