|
PANORAMA 14
bij alleen wist dat de vrouw een vreemdelinge was, die een
paar maal per jaar in het park kwam, om, naar het scheen,
het nachtleven van nabij te zien. De heeren hield zij steeds
op een afstand en met de dames wisselde ze geen woord. —
,,That is all, Sir!” zeide hij.
Ik ging het park uit en liep de breede allee in. Nauwelijks
had ik een honderd meter geloopen of
ik zag de vrouw in ’t zwart voor mij
staan; ze scheen van achter een dikken
boom te zijn gekomen.
„Ik dacht wel dat U mij zoudt volgen,
monsieur,” zeide zij.
„Wie zou zich niet tot zoo’n charmante
vrouw aangetrokken gevoelen,”
antwoordde ik. Ze lachte... en riep . . .
„mais la dompteuse !”
,,Oh, die heb ik vroeger eens ontmoet,
toen zij het halssnoer verdiende
1”
Zij vroeg mij nu alle bijzonderheden
omtrent het leeuwenfeest te Makallah
en mijn reizen. Mijn eerste gedachten,
die ik betreffende haar gevormd had,
werden geheel weggevaagd, daar zij op
en top een lady was en bovendien een
buitengewoon intelligente vrouw. Bij
intuïtie gevoelde ik dat er tusschen
haar en mij een groote afstand bestond, dien ik tevergeefs
trachtte te definieeren.
Al pratend kwamen wij op het hoofdplein der stad, waar
bij de fontein een prachtige auto stond. Plotseling brak zij
het gesprek met een sierlijke buiging af en voor ik wist wat
er gebeurd was, was zij in den auto gestapt, die snel wegreed.
Ik was op die vreemde vrouw verliefd geworden, zooals
een schooljongen op een bakvischje kan verlieven.
Overgelukkig was ik toen de portier mij ’s morgens
een briefje bracht, waarin zij mij vroeg tegen den avond aan
de rivier te komen. Tegen acht uur was ze op de afgesproken
plaats. Ze was eenvoudig maar met veel smaak gekleed,
het scheen dat dit toilet haar buitengewone schoonheid nog
meer deed uitkomen, dan haar zwarte kleedij.
ontmoeting met u schijnt u zeer verheugd te hebben,”
zeide zij.
„Inderdaad zeer verheugd, Madame.”
Wij liepen zonder een woord te spreken en eindje langs de
rivier. Ik had haar wel willen kussen maar ik durfde niet . . .
Ik snoof den heerlijken geur van haar geparfumeerde kleeren
op.Ik geraakte hoe langer hoe meer in extase en ten slotte
ken ik mij niet meer bedwingen.
„Madame of mademoiselle, wie of wat u is, is mij onverschillig,
maar ik heb u iets te zeggen,” riep ik uit. „Ik ben
hier voor zaken en moet spoedig naar Bombay terug. De
tijd is kort en daarom ben ik misschien wat te haastig . . .
maar ik heb u lief ... Ga met mij mee naar Bombay.
Weigert ge. dan vertrek ik morgen naar Engeland.”
Ze zag me een tijd lang aan, alsof ze met haar oogen mijn
intiemste gedachten wilde raden ; toen zeide ze :
„U hebt mij lief .... Gisteren zag u mij voor het eerst en
nu hebt u mij lief. ... Is uw liefde voor mij, ofschoon ze
nog zóó jong is, heel sterk?”
„De tijd zal u de overtuiging geven I”
Weer lachte ze en antwoordde: „De tijd is kort... u heeft
me voor een fait accompli gesteld.............Ik wil u op proef
stellen . . . U moet mij een bewijs van uw jonge en krachtige
liefde geven .... Uw liefde moet zoo groot zijn dat U
zelfs uw leven voor mij zoudt opofferen als ik dat wilde . . .
Ik zeg dat niet om gewild-romantisch te zijn ; verre van dat,
maar omdat ik van den man, dien ik mijn hand wil schenken,
eisch, dat hij elk gevaar durft trotseeren, hoe groot het ook
is . .
„ik wil u het bewijs geven, Madame!”
Haar stem had minder gebiedend geklonken, doch nu nam
zii haar trotsche houding weer aan en op gedecideerden toon
sprak ze:
„Morgenavond, op dezen tijd, ben ik in het Casino-park
ÉEN ITALIAANSC H E BATTERIJ IN ACTIE.
Dezelfde foto’s, die ons een jaar geleden bereikten van de andere fronten,
komen ook nu van het Italiaansche front, zooals bovenstaande foto ook
weer doet zien.
bij het Hermes-beeld. . . . U geeft mij daar het paarlsnoer
van de dompteuse .... Adieu, tot morgenavond . . . !”
Zij boog en verwijderde zich snel in een zijlaan.
Ik wilde haar achternagaan, maar met haar oogen gebood
zij mij haar niet te volgen.
Ik was gek............Ik wilde zoo spoedig mogelijk de stad
verlaten en mijn handen niet met een misdaad bezoedelen,
maar telkens, tusschen den chaos van mijn gedachten, dook
het beeld van die mooie vrouw op.
Tegenover Miss Branton. die niets kwaads van mij vermoedde,
moest ik een valsche rol spelen, terwille van een
coquette, een volleerde oplichtster en geslepen dievegge... Ik
wilde me daartoe niet verlagen .... Met die vreemde vrouw,
die ik niet eens bij naam kende, had ik niets uitstaan, en ik
besloot mijn zaken zoo spoedig mogelijk af te doen en de
stad te verlaten. Maar, daar stond haar beeld weer voor mij
met een minachtenden lach om haar mond. . . Ik hoorde,
EEN GROOT MOMENT VOOR DE GESCHIEDENIS IN AZIË.
De zitting van de Japansche en Chineesche gedelegeerden op 25 Mei, waarin de traktaten beteekend zijn tusschen Japan en
China, waardoor de oorlog voorkomen werd. Aan de linkerzijde (China) in ’t midden H. E. Lou Tsen Tsiang, minister van
Buitenlandsche zaken, links Lu Piau. zijn secretaris. Rechts in de zelfde volgorde (Japan) Minister H. E. Hioki Eki, Yukieki
Obata, eerste secretaris van de Japansche legatie en Toru Takao, tweede secretaris van de Japansehe legatie. (V.F.B.) •
hoe zij mij hoonde.........Ik was geheel in haar netten gevangen,
gevoelde me machteloos om het weefsel te verbreken,
en besloot de daad te volvoeren. Ik ging naar het Casino in
de hoop Miss Branton te ontmoeten, en waarlijk : zij stond
voor het gebouw. Nauwelijks zag ze mij of ze kwam naar mij
toe en noodigde mij uit een beetje in het park te gaan.
En zooals alle artisten tegenover hun vrienden zijn, was ook
zij openhartig, en ze vertelde me precies hoe zij docr detectives
bewaakt werd om te voorkomen dat het collier gestolen
zou worden. De directeur van het Casino moest zorgen dat
niemand zich in de gang, die naar het tooneel liep, bevond,
als zij moest 'optreden, en tijdens ’t reizen was het de impressario
die voor de veiligheid van het paarlsnoer behoorde
te waken. Nu lag het op haar kleedkamer op een tafel ....
„Of ik het nog eens wilde zien ?” vroeg ze mij.
„Ja, natuurlijk . .
„Kom dan !” en ik volgde haar door de donkere gang,
langs de leeuwen, die in hun kooi uitgestrekt lagen. Eén
tilde traag den kop op en staarde ons na.
Toen wij haar kleedkamer binnengingen, sloegen een paar
honden aan. Ze zou het eerste maar binnengaan, want beHET
MACHTIGE WAPEN.
Uit een der lanceerbuizen van een Engelsch oorlogsschip wordt een torpedo
gelanceerd. Onze foto is genomen op het oogenblik dat het projectiel
de buis verlaat. Let op den rook rondom de buis.
halve Hector en Pluto, twee Duitsche doggen, liep ook Sultan,
haar grootste leeuw, in de kamer rond ; dat was haar
bewaking. Zé nam de zweep, die aan den post van de deur
hing en ging naar binnen, terwijl ik haar volgde.
De honden begonnen te kwispelstaarten toen zij de beesten
aansprak, doch gromden tegen mij en lieten bij elke beweging,
die ik maakte, hun tanden zien. De groote leeuw lag
op den grond en richtte zich snel op, toen hij haar zag. ’t
Beest kreeg een slag met de zweep en sloop grommend een
ijzeren kooi in, die hij geheel vulde. Het valluik van de kooi
sloot zij, toen de leeuw binnen was.
„Daar staat de doos, en kijk zoolang je wilt,” zeide
ze, „ik ga m’n Artistenblad even doorbladeren.”
Het sandelhouten étui had ik nu in mijn hand, die beefde,
•terwijl mijn hart bonsde alsof het m’n borstkas zou verbrijzelen.
’t Geleek wel of ik overal de mooie, vreemde vrouw -
zag en tegelijkertijd gevoelde ik een diep medelijden met
Miss Branton.........
Ik vond mezelf een schurk ....
Miss Branton zat in haar tijdschrift te lezen.
„Die goede Delcrasé!” riep zij uit, „heeft met zijn
tijgers een voorstelling gegeven in Dalude. De koning van
Utopia heeft de voorstelling bijgewoond en hem een lintje
gegeven.........De koningin was er niet bij, zij was weer
ongesteld. . . . Die mooie vrouw schijnt dikwijls ziek te
zijn . . . Nou, dan ben ik toch beter af met m’n halssnoer.
Wat heb je aan zoo’n lintje ..... Die brave Delcrasé is
echt jaloersch op mijn halssnoer. Zeg, kan jij de doos
openkrijgen ?”
„Ja . . .
Ik had juist het étui geopend en hetsnoer lag voor me. De
bruinachtige steen was bij het daglicht van fietsen glans . . .
Ik voelde geen grond meer . . . Ook m’n gedachten waren
weg, alles deed ik bij intuïtie. Ik stak het snoer in m’n zak,
sloot de doos en met een ruk aan de sleutel vernietigde ik
het slot. Ik deed of niemand in de kamer was, of er geen
gevaar bestond, want al had zij het gemerkt en ik haar met
m’n revolver gedreigd, dan had zij de beesten op mij los gelaten
en ik was verloren geweest.
Volmaakt kalm was ik na mijn daad
en zonder een enkele gedachte ; alleen
had ik een vreemd licht gevoel in m’n
hoofd.
„Heb je de doos weer op z’n plaats
gezet, want anders vind ik het ding
vanavond niet,” zeide ze achteloos.
Ik schrok van haar stem en ik knikte
bevestigend.
Zeg,” vervolgde ze, „als Sultan, Hector
en Pluto hier rond loopen is het
snoer beter bewaakt dan door duizend
geheime politieagenten . . .
’t Zweet brak me uit. Nu werd ik
warm als stond ik bij een oven, dan rilde
ik weer van koude; ik had de koorts van
angst voor ontdekking. Ik dacht na
hoeveel meter ik moest loopen eer ik
weer buiten het gebouw was, de meters
geleken mij wel mijlen ...........
„Mon ami, wat zie je bleek ! Scheelt
je wat ?”
„Ja .... ’t Is hier benauwd .... Die beesten zie je . . .
daaraan ben ik niet gewend ... .Ik wou wel weg . . .
„Ga maar vast naar buiten ik zal Sultan even los laten.”
ïk luisterde, hoorde het valluik open gaan, het loopen van
den leeuw en hoe zij de honden toesprak. Even later was ze
bij mij.
„ïk zal je het gebouw uit brengen anders vallen de detectives
je misschien lastig.”
En Miss Branton bracht den dief van haar halssnoer
buiten het gebouw.
Ik kon nergens meer rust vinden en liep de geheele stad
doelloos rond. Even ben ik nog in m’n hotel geweest, maar
’t was er niet uit te houden ; ’t geleek wel of iedereen me met
een wantrouwenden blik aanstaarde.
Ik had Miss Branton het snoer terug kunnen brengen en
haar alles zeggen, maar dan zag ik haar weer.
Maar zij zou nu alleen van mij zijn en ik zou haar dwingen
mij te volgen, anders ....
Na het diner in m’n hotel verkleedde ik mij en ging naar
de afgespróken plaats in het park bij het Hermes-beeld.
Onderweg kwam ik krantenjongens tegen, die hun extraeditie
schreeuwend ventten.
„Lees den brutalen diefstal van Het halssnoer van vijf
millioen francs!!”
ïn het park v/as weinig publiek ; slechts een oogenblik
stond ik bij het Hermes-beeld, of bij een zijlaan, die
tevens een van het park was, stopte een groote auto,
waarop vele koffers geladen waren. De schoone onbekende
stapte uit en kwam naar mij toe.
„Mon roi. . . ! Ik heb het gehoord ... Je bent een ridder . .
jij bent waardig bemind te worden . . . !”
„En nu ... . maar voor ik mijn vraag, die ik haar wilde
doen geëindigd had, gebood ze mij :
„Laat mij het snoer zien !”
Ik gaf het snoer in haar handen. De steen verspreidde zijn
bruinachtigen feilen lichtglans. Een blos kwam op haar gelaat,
haar handen trilden van aandoening. Zij begon het
snoer te kussen . . . .’t geleek wel of ze gek geworden was . . .
Ze bleef het daarna een paar minuten aanstaren en liet het
in haar réticule glijden. . ■
„Vous êtes mon roi, adieu !” zij boog en keerde mij den
rug toe.
Met één sprong was ik bij haar en greep haar bij den pols;
met de hand, die zij vrij had, trok ze een kleinen gouden dolk.
Ik liet haar even los en greep nu de gewapende hand, die
ik zoover omdraaide dat zij van pijn het wapen liet vallen,
dat ik schielijk opraapte . . .
Zij vluchtte weg en ik wilde haar achtervolgen, doch ik
fS,ÏFFRE
DE ..GENERAAL JOFFRE” BRUG.
Over een van de stroompjes bij de Yser is een pontonbrug geslagen, die
door de soldaten „Generaal Joffre” brug gedoopt is.
werd op den grond geworpen en voor ik wist wat er met
mij gebeurd was, zaten mijn polsen in de boeien.
Ik werd door twee detectives naar den auto gebracht,
waarin de chauffeur en de vreemde vrouw eveneens
geboeid zaten.
Ik kon niet nalaten haar toe te schreeuwen ;
„jij zal je straf ook niet ontloopen 1”
Een blik vol minachting was haar antwoord.
Het moet voor een dief, die door de politie geknipt is,
een gekke gewaarwording zijn als hij op het politiebureau
|