|
„doe zooals ik zeg !”
te voorschijn en gaf
beschermde ! — „Eenvoudig dit ; wanneer die dame
mij de papieren geeft, is de zaak afgeloopen, en
voor goed !”
„En wanneer ze weigert ?”
„Dan zal ik er haar later toe dwingen !”
Morlay keerde zich tot Mary. „Geef hem die papieren
!”
Ze aarzelde, ook in haar angst de rol niet vergetend
die ze behoorde te spelen. Nu immers was het ’t
oogenblik zijn vertrouwen niet te verliezen.
Maar hij herhaalde bevelend :
Mary haalde de enveloppe
die met uitgestrekten arm
aan Saninovitch.
Hij trad op de lamp toe,
en nu eerst zag ik de kleine,
korte revolver van zwart
metaal die hij in de hand had.
Hoffelijk als te voren zei
hij : „U zult me wel willen
toestaan dat ik even den
inhoud bezie —* om vergissingen
te voorkomen.”
Hij stak zijn wijsvingertusschen
de enveloppe, scheurde
ze open, en boog voorover
om den inhoud te zien.
Öp dat oogenblik wierp
Morlav zich op hem.
Mary hield haar adem in
en sloeg de handen voor ’t
gezicht. Maar een kreet deed haar opzien : Saninovitch,
met een snelle beweging van zijn lenig lichaam,
wrong zijn rechterhand los en sloeg zijn aanvaller
met het achtereind van zijn revolver op ’t
hoofd. Hij sloeg twee-, driemaal, en ’t geluid van het
metaal op den schedel was afschuwelijk om aan te
hooren. Mary rukte de kastdeur open toen de man
neerviel : „O ! hij vermoordt hem ! Hij vermoordt
hem !”
Maar ik hield haar bij den arm vast, want in ’t
spookachtig halfdonker zag ik dat Saninovitch Morlay’s
jas en vest openrukte en met de hand in den
dubbel toegeknoopten binnenzak woelde. Ook hij was
een slachtoffer van het toeval, hoe juist zijn redeneering
ook zijn mocht dat, na zijn ondervinding
met de waarclelooze papieren, de echte zich hoogstwaarschijnlijk
op Mary’s — gewaanden handlanger
moesten bevinden !
Nu bracht Saninovitch een gele enveloppe uit
den binnenzak te voorschijn. Er was maar één mogelijkheid
: die enveloppe moest in ons bezit komen.
Ik nam een zwaren stoel bij de pooten en sloeg
Saninovitch met de leuning op ’t achterhoofd. Met
een kreun viel hij neer en bleef naast Morlay liggen.
Het was afgrijselijk — maar het was ’t natuurlijk
gevolg van al onze vorige daden. En ik geloof
dat we dankbaar waren omdat
op dat oogenblik de
spirituslamp uitdoofde. We
bleven ’n minuut lang in’t
donker tegen elkaar geleund,
zwijgend; Mary’s hand zocht
de mijne, en ik voelde hoe
haar geheele lichaam schokte.
Maar er viel geen tijd te
verliezen. Ik stak een lucifer
'aan, vulde de lamp bij.
„We moeten weg, hoe eer
hoe beter,” zei ik. me snel
overtuigend, maar zonder
eenige voldoening te voelen,
dat de enveloppe inderdaad
de veelgezochte stukken bevatte.
Mary zag hulpeloos om
zich heen. Ze wees op Morlay:
„Kijk — hij komt
bij !”
„Ben je klaar ?” vroeg ik
scherp, mezelf dwingend tot
een kordaat, gevoelloos optreden.
„Ja,” antwoordde ze, mat
en gelaten, terwijl ze haar
hoed en mantel nam. „Maar
waarheen zullen we gaan ?”
„Dat zullen we zien. Maar pak je boel bijeen, en
haast je. Ik zal intusschen in de gang gaan staan
en uitkijken. Hier, houd de enveloppe bij je.”
Mary nam de enveloppe aan, raapte de revolver
van Saninovitch op, terwijl ik in de gang ging heen
en weer loopen om desnoods Mary’s terugtocht te
dekken,. want ik zou het geheel niet onwaarschijnlijk
vinden, wanneer de Rus handlangers had, die
een oogje in het zeil hielden.
En tóen gebeurde het noodlottige, dat al ons afschuwelijk
werk nutteloos maakte.
Mary hoorde in de gang, even nadat ik de deur
achter me gesloten had, haastige voetstappen, een
vloek, een kreet, en ze was overtuigd dat ik in een
valstrik geloopen was. Vage geluiden kwamen tot
haar, als van een man die protesteerde, zich verzette
tegen meerdere personen die hem iets afdwingen
wilden, en het scheen haar als hoorde ze dien man
met geweld wegsleepen. En haar overspanning zei
haar dat ik die man moest zijn. Wat moest ze doen ? !
Straks zouden ze de deur openbreken, binnenkomen
NA EEN GEVECHT OP GALLIPOLI.
Een hoogst interessante opname, genomen vanuit de stellingen der Gealliëerden. De Turken zoeken het slagveld af om hun dooden en gewonden
op te sporen, gevallen bij een aanval op een stelling der Australiërs op Gallipoli. Op den voorgrond ziet men de draadversperring der stelling,
waartusschen enkele geweren, door de Turken weggeworpen, toen hun aanval werd afgeslagen.
en ook haar meesleepen, Ze schudde Morlay, die de
oogen opende, bij den arm. Er was maar één weg
tot redding : hem, die nog niets wist, tot vriend
houden. Hij kon haar helpen, haar leven verdedigen
als ’t noodig was.
Morlay zag haar mat aan. niet begrijpend. Ze legde
een natten handdoek op zijn hoofd, gaf hem wat
cognac te drinken.
„Zijn we de papieren kwijt ?” vroeg hij angstig.
„Neen, neen, hier zijn ze —■ maar vlug, vlug,
of ’t is te laat ! we moeten weg !”
„Maar hoe ?” Hij stond langzaam op, betastte
zijn hoofd.
„Hier — van ’t balcon loopt een brandladder
naar beneden ; op de binnenplaats komt een bergruimte
uit ; loop die door en je bent op straat. ïk .... ik
kom wel terecht.”
„Maar waar vinden we elkaar terug ?”
„In elk geval moeten we Italië uit . . .
„In Triest dan, over drie, vier dagen : Hotel Kristol.”
„Goed !”
Morlay opende de balcondeuren. „Geef me mijn
papieren dan.”
Mary aarzelde een oogenblik. Maar er viel niet
te kiezen Een weigering zou nieuwe, gevaarlijke
AAN DÈ MASURISCHE MEREN.
Een der gedenkwaardige plekken, waar de Russen zich gevestigd hadden toen zij door Von Hindenburgs leger omsingeld werden, bij welke
gebeurtenis de Duitschers een aantal soldaten tegelijkertijd krijgsgevangen hebben gemaakt, dat tot heden in dezen oorlog nog niet overtroffen is.
Het is wel moeilijk in te denken, dat er uit dit zoo vreedzaam uitziende meertje nog na maanden de lijken van Russische soldaten werden
opgehaald, die in de verwarring bij hun terugtocht te water waren geraakt. {Ver. Fotobur.)
verwikkelingen te voorschijn roepen. Ze gaf de met
zooveel offers veroverde stukken terug. Alles zou. opnieuw
moeten begonnen worden.
„Maar ik kan jou toch niet alleen laten . . .” aarzelde
Morlay. „Wat moet je beginnen ?”
Ze drong hem naar de brandtrap. „Ik zal me er
wel doorslaan !” En met een plotselinge ingeving
voegde ze er aan toe : „Ik heb dat graag over — voor
jou I”
PANORAMA
Morlay daalde de ladder af.
Zich omkeerende, zag Mary in het strakke, doodsbleeke
gelaat van den Rus. Hij lag onbeweeglijk ;
zijn mond ademde zwak. Ook nu, weerloos als hij was,
ging er iets beangstigends van hem uit, dat wraak
voorspelde. Ze schoof een kussen onder zijn hoofd,
wierp toen snel al wat haar in de hand kwam in een
groote reistasch ; één enkele gedachte vervulde haar :
mij terug te vinden, te weten wat er van mij geworden
was — al het andere beteekende voor haar niets
meer; alles moest daaraan opgeofferd worden.
Toen ze de gang afliep, vond ze mij aan’t eind daarvan,
de laatste verontschuldigingen
in ontvangst nemend
van drie Guardie di
Pubblica Sicurezza, die een
geboeiden man in hun luidden
wegvoerden.
„Wat is er gebeurd ?”
vroeg ze ademloos.
„Niets, niets,” zei ik haastig.
„Er was ergens herrie
in een van de kamers hier ;
de politie werd gehaald en
in de verwarring hield men
mij nota bene voor den dader.
Maar na _ wat vechten en
argumenteeren kwam alles
terecht. Nu vlug — ik laat
een rijtuig voorkomen !” En
ik snelde haar vooruit, de
trap af, haar achterlatend met de hopelooze gedachte
hoe blind en dwaas en zonder noodzaak zij
een fortuin had weggeworpen.
In het rijtuig leunde zij haar hoofd op mijn schouder,
snikkend. „Zullen ze alles niet ontdekken eer
we aan het station zijn ?”
„Natuurlijk ! Maar we gaan niet naar ’t station —
we nemen een boot!”
En dien avond, terwijl we aan het dek zaten, onder
een fonkelenden sterrenhemel, vertelde ze mij wat
er gebeurd was en wat we verloren hadden.
VI.
Onze haastige vlucht uit Genua blijft in mijn herinnering
een bonte reeks verwarde beelden. We kwamen
aan een kade, waar luidruchtige muziek en gezang
uit matrozen-café’s klonk, en waar lastige douanebeambten
in blauwe uniformen heen en weer stapten
en ’t ons lastig maakten. Een hield ons zelfs met
geweld tegen toen we naar de haven wilden om daar
zoo mogelijk een bootje te huren dat ons naar de pier
van een der kleinere vrachtlijnen kon brengen. Wat
precies het geval was, begrepen we niet ; misschien zag
men ons voor smokkelaars aan. En zooveel is zeker,
dat een kwaad geweten ons een beangstigende contrabande
bleek te zijn. Maar
we rolden ook door deze
moeilijkheid heen, en moesten
alleen nog een kwartier
lang argumenteeren met een
koppigen zeeman, die de zee
veel te ruw vond om ons
in zijn bootje naar de Papayani-lijn
te brengen, die
ik, omdat ze hoofdzakelijk
vracht en bijna geen reizigers
vervoert, voor ons doel boven
de grootere en meer bekende
lijnen verkoos. De man bezweek
ten laatste voor een
handvol geld, en roeide ons
naar den kustvaarder Laminian,
na ons met allerlei
verhalen omtrent schipbreuken
en ongelukken in de baai
verontrust te hebben.
Maar de op en neer dansende
boot kwam tenslotte
naast de scheepsladder te
liggen, en een officier hielp
ons aan boord. Hier werd
ons niets anders gevraagd
dan de vracht te willen betalen,
en dien nacht sliepen
we lang en zwaar in onze
kleine hut, doodelijk vermoeid als we waren na de
spannende gebeurtenissen van den afgeloopen dag.
We waren betrekkelijk veilig. De boot zou de geheele
Italiaansche kust langs varen, in Napêls en
Bari aanleggen en Triëst tot einddoel nemen. Er
waren slechts twee andere passagiers aan boord,
van wie we weinig merkten, en die er niet uitzagen
of ze gevaarlijk voor ons konden zijn.
(Wordt vervolgd),
61 (5a)
|