Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1756 tot 1760 van 11897
Nummer
1915, nr. 60, 26 juli 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 Vervolg van pag. 12. jaar. Ze moest nu de school verlaten, en dit was de groote slag. Immers ze zou den eenigen werkelijk hooggestemden man niet meer dagelijks zien, en zonder eenige voeling meer met het ideale, vreugdeloos tusschen hare minderwaardige ouders moeten voortleven. Te zeer verdiept in gedachten van weerzin tegen die duistere toekomst, was reeds de dag van haar afscheid gekomen. Vóór zij het zelve recht wist, stond ze voor het laatst als leerling voor den edeldenkenden mijnheer Ekman, die haar zachtkens de hand drukte, dan nog éénmaal over de haren streek, en „Dag Avondschoon” lispelde. En dit was alles. Het drong nu plotseling tot haar door, hoe schrikkelijk haar verlatenheid zou zijn, ja, reeds was in dit oogenblik van stilte na zijn woorden. Versuft van verdriet dwaalde zij de school uit ; haar tred was onwezenlijk. Haar jonge hart schreide of het breken zou. BOND VAN CHRISTELIJKE LETTERKUNDIGEN. Te Laren hield de Bond van Christelijke Letterkundigen op Woensdag 21 Juli zijn algemeene vergadering. Hierboven een foto van de aanwezigen. (V.F.B) Ze hielp haar moeder in het huishouden. En deed dit met groeienden tegenzin. De blijmoedigheid van haar moeder ergerde haar, de goedlachsheid van haar vader ergerde haar, het liedje van een buurmeisje ergerde haar. En deze ergernis was haar dagelijksche kwelling en haar trots tevens. Ze bepeinsde die ergernis en haar ziel werd hoovaardiger en hoovaardiger. Ze keerde zich meer dan ooit in zichzelve, en deed haar werk met den dag slechter. De berispingen van haar moeder lieten haar volmaakt onverschillig. Uitgaan wilde ze zoo goed als nooit. Waarheen trouwens? Op de straat? Naar de kerk? Eens een enkelen keer naar een schouwburg? Neen, neen, het was haar te gewoon, dat alles. Het wekte haar afschuw, het was onverdraaglijk. Als alles, als letterlijk alles. Ze walgde van haar bestaan. Op een middag kon ze het niet meer verkroppen. Ze voelde zich dood-alleen in de wereld temidden van al die menschen, die zij allen als grof en dom en zielloos had leeren zien. Haar moeder, begaan met haar verdriet, kwam naast haar zitten, en nam haar troostend bij de hand. Maar Trees trok die hand weg. En dit was een groote ontsteltenis voor de moeder, want het geschiedde met een gebaar van grenzenloozen weerzin. „Maar kind,” zei meer droef dan verwijtend de arme vrouw. O, als het meisje haar toen haar leed bekend had, zoo ze die hand in de hare had gehouden, zoo ze eens goed haar verdriet had uitgeschreid, wie weet, wellicht had die eenvoudige vrouw iets van de verdwaaldheid van dit jonge kind begrepen, en haar zóó getroost dat het behouden gebleven was, want ook een alledaagsche moeder is een moeder. Wie weet, wie weet. . .... VERDREVEN. De Parlementaire journalisten, tijdens’t Comité-Generaat der Tweede Kamer, buiten wachtend tot zij weder binnen worden geroepen, poseeren voor onzen fotograaf. Zittend v.l.n.r. (vanaf het kruisje) Mr. J. j. van Bolhuis. (N. R. Crt.); G. P. Bon, (Het Centrum en De Res. Bode); C. K. Elout, (Handelsbl.); F. F. Frederiks, (Corresp-Bureau); J. j. de Roode, (Het Volk); W. N. van der Hout, (Het Vaderland); M. van Raaite; (Nieuws v. d. Dag). Hiernaast staande C. D. Wesseling, (De Tijd) en M. Moresco. (Corresp.-Bureau). Staande, 2e rij v.l.n.r. (vanaf het kruisje): W. C. van Meurs, (N. Crt); N. Vas Dias, (Corresp.-Bur.); D. Hans, (Telegraaf) en Mr. joh. j. Belinfante (Corresp.-Bur.). Het meisje zag nergens uitkomst meer. Een seconde lang had ze het plan gehad, naar Ekman te gaan om troost, doch wat zou die haar troosten ? Had hij haar getroost bij hetschrikkelijk afscheid ? En ook : dien man zou zij niet durven bezoeken, verheven als hij was in zijn schoone idealistische levensopvatting. En wat zou ze bij hem komen klagen, zij, van wie hij het zeer hooge, het bijzondere verwachtte.........Neen, neen, dat ware dwaasheid. En op een avond —■ het maanlicht blaakte met een diepen blauwen glans, de akkersschitterden, als ijle zilveren pluimen waren de boomen aan den wallekant achter hun woning, de gansche wereld leek een ijskoud klaar kristal — op een avond liep ze gedruischloos naar den boord van het water. In dwaze bewondering bleef ze staan voor de diepe, glanzende vaart, en dan zuchtte ze eens. Behoedzaam klom ze over het tuinhek, en, nauwelijks zelf begrijpend, gelijk spelend, als ware de wereld waarvan zij afscheid nemen ging, een niets, zoo liep ze langzaam langs den glooienden oever het water in. Wanneer de grond haar begaf, stiet ze een korten gil uit. Haar vader en moeder, die in de huiskamer naar gewoonte domino speelden, hoorden er niets van. Den anderen dag werd Treesjes lijk gevonden. Toen mijnheer Ekman het vernam, zei hij, die het weten kon : ,,Dat kind was te fijngevoelig voor de gewone, alledaagsche wereld.” ONZE GRAFISCHE KUNSTENAARS FRANS HOGERWAARD O nze voorplaat geeft een verkleinde reproductie van de ets „Italiaansche Binnenplaats” door den Prix-de-Rome Frans Hogerwaard. Deze talentvolle schilder, die niet alleen geruimen tijd in Italië doorbracht, maar ook in Frankrijk en Spanje zijn studiën voortzette, vertoeft thans weer in ons land en heeft met zijn zeer persoonlijk werk op verscheidene tentoonstellingen de aandacht getrokken. Den laatsten tijd etste hij verscheidene groote platen, die merkwaardig zijn van opgevoerde etstechniek en waarin zich toch de schilder niet verloochent. De plaat die wij weergeven behoort aan den kunsthandel Goupil, die ons met goedvinden van den etser vergunning gaf den lezers van Panorama de primeur aan te bieden. Er zijn namelijk nog geen afdrukken in den handel gebracht. EEN JUBILEUM, Ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de Firma H. E. van IJsendijk, koffiebranderij te Rotterdam, heeft deze •firma' voor eenige dagen aan ongeveer 350 cliënten een diner aangeboden in de Diergaarde te Rotterdam. In het geheel namen er 750 personen aan deel. (Foto Meijer). BATAVIASCHE BEDELAARSKOLONIE. Te Batavia, de hoofdstad van ons schoone Insulinde, bestaat een vereeniging tegen openbare bedelarij, die zich ten doe! stelt bedelaars door middel van werkverschaffing in hun onderhoud te doen voorzien. Onder toezicht van een opzichter verrichten de inlanders weef-, vlechtarbeid, enz. Voorwaar wel een nuttig werk dat deze vereeniging op zich genomen heeft. (V.F.B) Onze nieuwe Foto-Wedstrijd. V oor onze nieuwe abonné’s, die de voorwaarden in ons nummer 52 (52b) van 28 Juni voor den nieuwen wedstrijd niet hebben gelezen, herbalen wij hier de bepalingen, die zij dienen te kennen om met succes te kunnen deelnemen. Gevraagd wordt in te zenden een of meer kinderportretten, geheel naar de opvatting van de(n) inzender(ster) De foto’s, die wij liefst opgeplakt ontvangen, mogen niet kleiner zijn dan 9 X 12; doch vergrootingen mogen worden ingezonden. De uitgevers van „Panorama” verkrijgen het volle en uitsluitende reproductierecht der bekroonde inzendingen. De inzendingen moeten geschieden onder een motto; naam en adres van de(n) inzender(ster) moet in een gesloten couvert worden bijgevoegd, op welk couvert hetzelfde motto moet voorkomen. Voor terugzending der niet-bekroonde inzendingen sluite men postzegels in. De wedstrijd, waaraan uitsluitend abonné’s mogen deelnemen, sluit 15 Augustus a.s. Inzendingen met opschrift „FotografieWedstrijd” te adresseeren aan Redactie van Panorama, Doezastraat 1, 3, 5, Leiden. De volgende prijzen worden ter beschikking gesteld: Een le Prijsvan . . f 25.-— Een 2e ,, „ . . - 15.— Een 3e „ „ . . - 10.— Bovendien geven wij nog een extra geslaagde kinderportret, waarbij PANORAMA een rol speelt. Drie Prijzen van ..f5. Vijf „ „ . . - 3.— Tien „ best uit fraaie boekwerken. van f 10.- voor het aardiaste en best NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 61, 29 juli 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 UIT HET ZWARTE BOEK VAN ’N TELEGRAFIST DOOR J. T. VAN LEIDEN ........................................ . (Vervolg). Tij dankte haar met vormelijke hartelijkheid en legde de enveloppe in haar uitgestoken hand. Ze bleef er nog met verbaasde oogen naar staren toen hij de kamer al verlaten had. Snel kwam ik uit mijn schuilplaats te voor- _ u JL schijn. Zou het geluk ons zoo zonder eenige moeite het begeerde in handen gespeeld hebben ? Het was bijna niet te gelooven. Mary’s eerste opwelling was, de enveloppe open te scheuren, maar bij nader inzien stak ze haar friseerlamp aan, zette er een leeg spiritusblikje met water op. Na enkele minuten begon het water te koken, en nu hield ze de enveloppe boven den damp totdat de gom week werd. Voorzichtig, met ingehouden adem, opende ze den omslag door dien met het dunne achtereind van haar penhouder los te rollen. Er zaten drie netjes opgevouwen exemplaren van de Times in. Ik vloekte. „Hij neemt je in de maling, de gek !” zei ik woedend. Mary zat in sprakelooze verbazing. Ze vouwde de kranten weer dicht, stak ze in de enveloppe en sloot deze zoo zorgvuldig dat er aan de buitenzijde geen enkele beschadiging te zien was. „Ik geloof ’t niet,” zei ze nadenkend. „Ik geloof dat hij mij op de proef stelt !” Ik keek haar vragend aan. „Zeker ! Hij denkt dat Saninovitch hem achtervolgt in plaats van mij ; hij wil me zijn papieren inderdaad tijdelijk in bewaring geven — maar eerst onderzoekt hij in hoeverre ik te vertrouwen ben. Als hij ziet dat ik er niet met de enveloppe vandoor ga, en dat ze nog onbeschadigd in mijn bezit is —■ dan zal hij me de echte papieren geven !” Ik bleef twijfelen. „Tenzij hij daarmee al vertrokken is, en ons uitlacht om onze onnoozelheid !” „Neen, neen. Geloof me, ik ken Morlay langer en beter dan jij. Die man is door een ongelukkigen misstap tot zijn tegenwoordige practijken gekomen, maar in den grond is hij niet slecht. Hij is zelfs onbedreven in ’t kwaad. Daar loopt hij nu met die pa pieren in z’n zak rond, in plaats van ze ergens in een soliede brandkast te leggen! Ach neen, als hij vandaag die ongelukkige waarden aan Sheklon terug geven kon en weer ergens, waar men hem niet kent, een braaf advocaatje worden, zou hij ’t doen. Ik weet ’t zeker: hij komt terug — misschien vanavond nog.” Nauwelijks had zij dit gezegd of er werd wederom geklopt en ik haastte mij opnieuw naar mijn donkeren schuilhoek. Mary zat weer over haar brief gebogen en riep even kalm als te voren : „binnen !” Zou Morlay waarlijk al terug zijn gekomen ? Het leek me onwaarschijnlijk. En het was Morlay niet. Ik hoorde hoe Mary verschrikt haar stoel achteruit schoof toen de welluidende baryton van Saninovitch vroeg: „Ik stoor toch niet ?” Ik greep naar mijn browning en stond als tot een sprong gereed. Hier dreigde een onmiddellijk gevaar, en ’t kostte mij al mijn zelfbeheersching niet te voorschijn te snellen. Maar ik begreep dat ik ’t beste deed de ontwikkeling der gebeurtenissen af te wachten, en ik zegende het toeval dat mij op dit oogenblik der beslissing hier gebracht had. „Wat beteekent dit ?” vroeg Mary, met een stem die misschien meer van angst dan van verontwaardiging trilde. „Dit beteekent eenvoudig, mevrouw, dat ik uw onverwacht bezoek even onverwacht kom beantwoorden.” Ze maakte een beweging om naar de electrische bel te gaan. Saninovitch hield haar met de eene hand tegen, met de andere, waarin hij zijn geopend zakmes bleek te hebben, sneed hij met een enkele beweging de draden der geleiding door. „Daarop was ik voorbereid, zooals u ziet. Ik raad u trouwens niet aan alarm te maken ; alles kan zeer goed in der minne en met kalmte worden afgehandeld. U hebt me slechts die papieren terug te geven welke u me ontnomen hebt, en ik zal u verder met rust laten.” Hij zei dit alles met een spottende hoffelijkheid die mij het bloed naar het hoofd deed stijgen. Door een kier van de kast kon ik in de kamer zien. Hij stond met den rug naar de deur, en bewoog de handen een paar maal achter zich heen en weer, als zocht hij den sleutel, teneinde de deur te sluiten. Mary was, achteruitgaande, bij het venster komen te staan, op den grootst mogelijken afstand van haar tegenstander. Ze antwoordde : „Ik heb-geen papieren, en ik kan ze u dus niet teruggeven. U behoeft ook niet naar den sleutel te zoeken ; ik heb dien in mijn zak. Het eenige wat u doen kunt is heengaan, anders open ik de balcondeuren en ik schreeuw de buurt bijeen.” Hij deed een paar passen voorwaarts. „Dat zou DE EENIG OVERGEBLEVEN BEWONER. Tusschen de pusnhoopen van het bij de verschillende gevechten totaal verwoeste plaatsje Scherwind in Russisch Polen, heeft een ooievaar zijn nest gebouwd op een schoorsteen, die midden tusschen de ruïnen overeind is gebleven. (foto Ver. Fotobur.) onverstandig van u zijn. Menschen als u moeten niet te veel de aandacht op zich vestigen. Wanneer u die papieren werkelijk niet meer hebt, zal ik u dwingen me te zeggen waar ze zijn.” Mary’s adem ging zoo snel en hijgend, dat ik hooren kon hoe ze streed om haar zelfbeheersching terug te winnen, en de vastbesloten, wreede uitdrukking op het gezicht van den Rus bewees haar dat hij in staat was zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Maar terwijl ik klaar stond haar te hulp te komen werd er wederom op de deur geklopt. Saninovitch was onmiddellijk bij de deur. Ik zag nogmaals het mes in zijn snel heen en weer gaande hand schitteren, en het electrisch licht ging uit. De kamer was in volslagen duisternis gehuld. Het kloppen herhaalde zich, en Mary’s stem klonk helder en weer geheel rustig : „binnen !” Even drong er een lichtstraal in de kamer van uit de flauw verlichte gang. Het was Morlay die binnentrad, de deur achter zich sluitend. Mary had gelijk gehad : hij was teruggekomen ! Het was geen tijd voor beschouwingen, maar in de oogenblikkelijke stilte die over ons viel, trof mij het theatrale van den toestand : daar in de kamer bad zich een driehoek van elkaar vijandige krachten gevormd, elkaar in zwijgende spanning als uitdagend tot het eerste woord, de eerste daad ; en over ben allen hing de duisternis met een sombere dreiging. Maar nu klonk Morlay’s stem vast en helder: „Bent u daar ? Is er iets niet in orde ?” „Blijf staan waar u staat !” riep Mary. „Ja, ik ben hier. Maar er is nog iemand in de kamer. Iemand die ons beiden kwaad wil!” „Ah !” zei de stem bij de deur. Saninovitch zweeg. Geen geluid verried waar hij zich bevond, en het maakte zijn aanwezigheid te angstwekkender. „Blijf vooral bij die deur en zorg dat hij er niet uitkomt !” Mary’s stem trilde niet, maar klonk hoog van ingehouden zenuwachtigheid. „In orde — ik ben klaar,” zei de man bij de deur. En een kort klik-klak bewees dat hij den haan van zijn revolver spande. Toen lachte hij even : „maar waarom moet dit alles in het donker gebeuren ?” „Hij heeft de draden doorgesneden !” riep Mary. Morlay kwam een stap verder de kamer in, en sprak in de donkere ruimte voor hem. „Wilt u zoo goed zijn, meneer de indringer, te zeggen waar u staat ?” Er kwam geen antwoord. „Hebt u een lamp, of een ander licht dat u kunt aansteken, mevrouw ?” vroeg Morlay kort en zakelijk. „O, weest u toch voorzichtig!” waarschuwde ze. „Hebt u een lamp ?” herhaalde hij op bevelenden toon. „Alleen ’n friseerlichtje— ’t geeft nauwelijks licht !”. „Steek ’t dan aan alstublieft!” „O —' ik durf niet!” riep ze,, in een onberedeneerden angst dat elke stap in welke richting ook den dood zou brengen. „Steek ’t aan !” gelastte Morlay. „Er zal niets gebeuren. Ik heb hier een geladen en gespannen 38 kaliber revolver — zes schoten voor dien man als hij zich beweegt!” Beiden, Mary en Morlay, maakten een onwillekeurige beweging en trachtten met hun starende oogen de duisternis te doorboren, want van de plaats waar Saninovitch stond klonk een onverschillige, bijna spottende lach. Mary, met blinde, tastende handen, zocht zich een weg tot bij haar kaptafel. De lamp rinkelde op ’t marmeren blad toen ze hem uit ’t étui nam ; een lucifer schraapte, knetterde even, en vlamde op. De blauwre spiritusvlam werd grooter; een trillend, vaal halfdicht scheen door de nu spookachtig uit zijn zwartheid oplevende kamer. De beide fel-starende gezichten zagen de ruimte af tot ze hun blikken lieten rusten op een plek tusschen de kast, waarin ik me opgesteld had, en den verst afgelegen hoek. Daar stond Saninovitch, de armen over de borst gekruist ; hij glimlachte. Instinctmatig schoof Mary dichter naar Morlay toe ; hoe weinig had ze gedacht dat het deze man zou zijn van wien haar redding zou afhangen, en hoe slecht zouden wij zijn edelmoedigheid — of was het zucht tot zelfbehoud? —• beloonen ! Saninovitch was de eerste die de stilte verbrak. „Die vrouw liegt,” zei hij, met zijn onbewogen, verzorgd barytongeluid ; „ik . . . .” „Zeg dan toch iets !” riep Mary, radeloos nu van overspanning, tot Morlay, die onafgewend zijn revolver op den Rus gericht hield. „Druk op.de bel !” beval Morlay. „We zullen hem nog ’n kans geven.” „De draden zijn doorgesneden !” „Dan blijft me niet anders over dan met hem af te rekenen !” Nu deed Saninovitch een stap vooruit. „U maakt het uzelf en mij noocleloos moeilijk. Die vrouw is in ’t bezit van papieren die haar niet toekomen . . . .” „Welnu —’ en wat wilt ge daarmee ?” riep Morlay dringend, en ik begreep dat de toevallige omstandigheden hem beter op een dwaalspoor hadden gebracht dan wij ’t hadden kunnen doen : hij was overtuigd dat Mary zijn eigen papieren tegen Saninovitch
PDF
Nummer
1915, nr. 61, 29 juli 1915
Blad
03
Tekst
„doe zooals ik zeg !” te voorschijn en gaf beschermde ! — „Eenvoudig dit ; wanneer die dame mij de papieren geeft, is de zaak afgeloopen, en voor goed !” „En wanneer ze weigert ?” „Dan zal ik er haar later toe dwingen !” Morlay keerde zich tot Mary. „Geef hem die papieren !” Ze aarzelde, ook in haar angst de rol niet vergetend die ze behoorde te spelen. Nu immers was het ’t oogenblik zijn vertrouwen niet te verliezen. Maar hij herhaalde bevelend : Mary haalde de enveloppe die met uitgestrekten arm aan Saninovitch. Hij trad op de lamp toe, en nu eerst zag ik de kleine, korte revolver van zwart metaal die hij in de hand had. Hoffelijk als te voren zei hij : „U zult me wel willen toestaan dat ik even den inhoud bezie —* om vergissingen te voorkomen.” Hij stak zijn wijsvingertusschen de enveloppe, scheurde ze open, en boog voorover om den inhoud te zien. Öp dat oogenblik wierp Morlav zich op hem. Mary hield haar adem in en sloeg de handen voor ’t gezicht. Maar een kreet deed haar opzien : Saninovitch, met een snelle beweging van zijn lenig lichaam, wrong zijn rechterhand los en sloeg zijn aanvaller met het achtereind van zijn revolver op ’t hoofd. Hij sloeg twee-, driemaal, en ’t geluid van het metaal op den schedel was afschuwelijk om aan te hooren. Mary rukte de kastdeur open toen de man neerviel : „O ! hij vermoordt hem ! Hij vermoordt hem !” Maar ik hield haar bij den arm vast, want in ’t spookachtig halfdonker zag ik dat Saninovitch Morlay’s jas en vest openrukte en met de hand in den dubbel toegeknoopten binnenzak woelde. Ook hij was een slachtoffer van het toeval, hoe juist zijn redeneering ook zijn mocht dat, na zijn ondervinding met de waarclelooze papieren, de echte zich hoogstwaarschijnlijk op Mary’s — gewaanden handlanger moesten bevinden ! Nu bracht Saninovitch een gele enveloppe uit den binnenzak te voorschijn. Er was maar één mogelijkheid : die enveloppe moest in ons bezit komen. Ik nam een zwaren stoel bij de pooten en sloeg Saninovitch met de leuning op ’t achterhoofd. Met een kreun viel hij neer en bleef naast Morlay liggen. Het was afgrijselijk — maar het was ’t natuurlijk gevolg van al onze vorige daden. En ik geloof dat we dankbaar waren omdat op dat oogenblik de spirituslamp uitdoofde. We bleven ’n minuut lang in’t donker tegen elkaar geleund, zwijgend; Mary’s hand zocht de mijne, en ik voelde hoe haar geheele lichaam schokte. Maar er viel geen tijd te verliezen. Ik stak een lucifer 'aan, vulde de lamp bij. „We moeten weg, hoe eer hoe beter,” zei ik. me snel overtuigend, maar zonder eenige voldoening te voelen, dat de enveloppe inderdaad de veelgezochte stukken bevatte. Mary zag hulpeloos om zich heen. Ze wees op Morlay: „Kijk — hij komt bij !” „Ben je klaar ?” vroeg ik scherp, mezelf dwingend tot een kordaat, gevoelloos optreden. „Ja,” antwoordde ze, mat en gelaten, terwijl ze haar hoed en mantel nam. „Maar waarheen zullen we gaan ?” „Dat zullen we zien. Maar pak je boel bijeen, en haast je. Ik zal intusschen in de gang gaan staan en uitkijken. Hier, houd de enveloppe bij je.” Mary nam de enveloppe aan, raapte de revolver van Saninovitch op, terwijl ik in de gang ging heen en weer loopen om desnoods Mary’s terugtocht te dekken,. want ik zou het geheel niet onwaarschijnlijk vinden, wanneer de Rus handlangers had, die een oogje in het zeil hielden. En tóen gebeurde het noodlottige, dat al ons afschuwelijk werk nutteloos maakte. Mary hoorde in de gang, even nadat ik de deur achter me gesloten had, haastige voetstappen, een vloek, een kreet, en ze was overtuigd dat ik in een valstrik geloopen was. Vage geluiden kwamen tot haar, als van een man die protesteerde, zich verzette tegen meerdere personen die hem iets afdwingen wilden, en het scheen haar als hoorde ze dien man met geweld wegsleepen. En haar overspanning zei haar dat ik die man moest zijn. Wat moest ze doen ? ! Straks zouden ze de deur openbreken, binnenkomen NA EEN GEVECHT OP GALLIPOLI. Een hoogst interessante opname, genomen vanuit de stellingen der Gealliëerden. De Turken zoeken het slagveld af om hun dooden en gewonden op te sporen, gevallen bij een aanval op een stelling der Australiërs op Gallipoli. Op den voorgrond ziet men de draadversperring der stelling, waartusschen enkele geweren, door de Turken weggeworpen, toen hun aanval werd afgeslagen. en ook haar meesleepen, Ze schudde Morlay, die de oogen opende, bij den arm. Er was maar één weg tot redding : hem, die nog niets wist, tot vriend houden. Hij kon haar helpen, haar leven verdedigen als ’t noodig was. Morlay zag haar mat aan. niet begrijpend. Ze legde een natten handdoek op zijn hoofd, gaf hem wat cognac te drinken. „Zijn we de papieren kwijt ?” vroeg hij angstig. „Neen, neen, hier zijn ze —■ maar vlug, vlug, of ’t is te laat ! we moeten weg !” „Maar hoe ?” Hij stond langzaam op, betastte zijn hoofd. „Hier — van ’t balcon loopt een brandladder naar beneden ; op de binnenplaats komt een bergruimte uit ; loop die door en je bent op straat. ïk .... ik kom wel terecht.” „Maar waar vinden we elkaar terug ?” „In elk geval moeten we Italië uit . . . „In Triest dan, over drie, vier dagen : Hotel Kristol.” „Goed !” Morlay opende de balcondeuren. „Geef me mijn papieren dan.” Mary aarzelde een oogenblik. Maar er viel niet te kiezen Een weigering zou nieuwe, gevaarlijke AAN DÈ MASURISCHE MEREN. Een der gedenkwaardige plekken, waar de Russen zich gevestigd hadden toen zij door Von Hindenburgs leger omsingeld werden, bij welke gebeurtenis de Duitschers een aantal soldaten tegelijkertijd krijgsgevangen hebben gemaakt, dat tot heden in dezen oorlog nog niet overtroffen is. Het is wel moeilijk in te denken, dat er uit dit zoo vreedzaam uitziende meertje nog na maanden de lijken van Russische soldaten werden opgehaald, die in de verwarring bij hun terugtocht te water waren geraakt. {Ver. Fotobur.) verwikkelingen te voorschijn roepen. Ze gaf de met zooveel offers veroverde stukken terug. Alles zou. opnieuw moeten begonnen worden. „Maar ik kan jou toch niet alleen laten . . .” aarzelde Morlay. „Wat moet je beginnen ?” Ze drong hem naar de brandtrap. „Ik zal me er wel doorslaan !” En met een plotselinge ingeving voegde ze er aan toe : „Ik heb dat graag over — voor jou I” PANORAMA Morlay daalde de ladder af. Zich omkeerende, zag Mary in het strakke, doodsbleeke gelaat van den Rus. Hij lag onbeweeglijk ; zijn mond ademde zwak. Ook nu, weerloos als hij was, ging er iets beangstigends van hem uit, dat wraak voorspelde. Ze schoof een kussen onder zijn hoofd, wierp toen snel al wat haar in de hand kwam in een groote reistasch ; één enkele gedachte vervulde haar : mij terug te vinden, te weten wat er van mij geworden was — al het andere beteekende voor haar niets meer; alles moest daaraan opgeofferd worden. Toen ze de gang afliep, vond ze mij aan’t eind daarvan, de laatste verontschuldigingen in ontvangst nemend van drie Guardie di Pubblica Sicurezza, die een geboeiden man in hun luidden wegvoerden. „Wat is er gebeurd ?” vroeg ze ademloos. „Niets, niets,” zei ik haastig. „Er was ergens herrie in een van de kamers hier ; de politie werd gehaald en in de verwarring hield men mij nota bene voor den dader. Maar na _ wat vechten en argumenteeren kwam alles terecht. Nu vlug — ik laat een rijtuig voorkomen !” En ik snelde haar vooruit, de trap af, haar achterlatend met de hopelooze gedachte hoe blind en dwaas en zonder noodzaak zij een fortuin had weggeworpen. In het rijtuig leunde zij haar hoofd op mijn schouder, snikkend. „Zullen ze alles niet ontdekken eer we aan het station zijn ?” „Natuurlijk ! Maar we gaan niet naar ’t station — we nemen een boot!” En dien avond, terwijl we aan het dek zaten, onder een fonkelenden sterrenhemel, vertelde ze mij wat er gebeurd was en wat we verloren hadden. VI. Onze haastige vlucht uit Genua blijft in mijn herinnering een bonte reeks verwarde beelden. We kwamen aan een kade, waar luidruchtige muziek en gezang uit matrozen-café’s klonk, en waar lastige douanebeambten in blauwe uniformen heen en weer stapten en ’t ons lastig maakten. Een hield ons zelfs met geweld tegen toen we naar de haven wilden om daar zoo mogelijk een bootje te huren dat ons naar de pier van een der kleinere vrachtlijnen kon brengen. Wat precies het geval was, begrepen we niet ; misschien zag men ons voor smokkelaars aan. En zooveel is zeker, dat een kwaad geweten ons een beangstigende contrabande bleek te zijn. Maar we rolden ook door deze moeilijkheid heen, en moesten alleen nog een kwartier lang argumenteeren met een koppigen zeeman, die de zee veel te ruw vond om ons in zijn bootje naar de Papayani-lijn te brengen, die ik, omdat ze hoofdzakelijk vracht en bijna geen reizigers vervoert, voor ons doel boven de grootere en meer bekende lijnen verkoos. De man bezweek ten laatste voor een handvol geld, en roeide ons naar den kustvaarder Laminian, na ons met allerlei verhalen omtrent schipbreuken en ongelukken in de baai verontrust te hebben. Maar de op en neer dansende boot kwam tenslotte naast de scheepsladder te liggen, en een officier hielp ons aan boord. Hier werd ons niets anders gevraagd dan de vracht te willen betalen, en dien nacht sliepen we lang en zwaar in onze kleine hut, doodelijk vermoeid als we waren na de spannende gebeurtenissen van den afgeloopen dag. We waren betrekkelijk veilig. De boot zou de geheele Italiaansche kust langs varen, in Napêls en Bari aanleggen en Triëst tot einddoel nemen. Er waren slechts twee andere passagiers aan boord, van wie we weinig merkten, en die er niet uitzagen of ze gevaarlijk voor ons konden zijn. (Wordt vervolgd), 61 (5a)
PDF
Nummer
1915, nr. 61, 29 juli 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 12-UURSTOCHT DÓÓR 2U ! D-H O LLA N D. J.L Zaterdag is wederom een uithoudings-tocht georganiseerd, ditmaal n.L een 12-uursrit, door Zuid-Holland, welke als bijzonder geslaagd kan worden gememoreerd. Onder de tonen der muziek van een landweerbataljon vertrokken des morgens om zes uur van Plein 1813 te ’s-Graven hage, de ongeveer 700 deelnemers, meerendeels bestaande uit militairen. Slechts één dame nam aan den tocht deel en volbracht ook dezen. Klokslag 6 uur arriveerde de ruim anderhalf kilometer lange stoet te 's-Gravenhage, alwaar gereden werd naar de Maliebaan. Vele autoriteiten woonden de aankomst bij. Onze foto’s stellen voor, links: het vertrek van Plein 1813. Rechts: Gen. Neeteson complimenteert den heer Nieuwenhuysen, consul der A.N.W.B. en Ontwerper van den tocht, na aankomst der pedaairidders op de Maliebaan, (foto's Hiinians). ZWEMWEDSTRIJD TE * s -G R A V E N H A G E. In de zwem- en badinrichting te ‘s-Gravenhage zijn er j.1. Zondag voor de Nederl. zwemonderwijzers en onderwijzeressen wedstrijden gehouden. Hierboven een foto van de jury. Van 1. n. r.: de heeren A. v. d. Meer (Haagsche Zwem- en Poloclub), A. Kappenburg (Amsterdamsche Zwemclub), mevr. Triebels Koens (pres. Hollandsche Dameszwemciub), de heeren Tj. Visser (pres. Utr. Zwemclub), C. D. Fetter (Ned. Zwernbond), achteraan; mr. van Kappen. FOTOGRAFEEREN HUMORESKE, DOOR P. SCHRAVESANDE I k ben aan ’t fotografeeren begonnen! Dat is op zichzelf niets bijzonders. Heel veel menschen beginnen aan het fotografeeren en brengen het vrij ver in die kunst. Ik zal ’t er echter nooit ver in brengen, want ik ben er weer mee moeten uitscheiden. Mag ik U vertellen hoe de ongelukkige geschiedenis zich heeft toegedragen ? Mijn vrouw is de hoofdoorzaak ervan en toch heb ik een lieve, een heel lieve vrouw, dat zeggen al mijn vrienden en kennissen. Ze is in ’t minst niet bedillerig, ze is mooi en we zijn pas twee jaar getrouwd. Maar. . . ze is jaloersch en dat heeft ’t hem nu juist gedaan ! Op zekeren mooien vrijen Zaterdagnamiddag zeg ik : „Vrouwtje, ik zou wel eens aan ’t fotografeeren willen beginnen, Dan heb ik zoo ’s zomers Zaterdags ’s middags wat te doen en ’t moet een aardige lièfhebberij zijn, M’n vrind Stok doet het ook zoo verbazend aardig en ik zou niet weten waarom ik het ook niet Ieeren kon.” ATHLETIEK-WEDSTRI JDEN. Onder veel belangstelling hebben er de vorige week athletische wedstrijden voor de militairen der IVe Divisie te Tilburg plaats gehad. Vele bekende sportsmen op ’t gebied van athlethiek namen aan deze wedstrijden deel, o.a. de heer G. W. Schild Jr.. de speerwerper, waarvan hierboven een foto. HANDICAP-DRAVER1JEN. Bovenstaande opname geeft een mooi moment weer uit de Hanchcap-wedstrijden, welke 23 Juli 1.1. onder veel belangstelling te Leeuwarden hebben plaats gehad. Wl ELERSPORT. Bijzonder slecht heeft de Ned. Wiefer Bond het Zondag LI. getroffen met het verrijden van het betrouwbaarheids kampioenschap van Nederland, waarvoor het traject Amsterdam Maastricht was gekozen. Met buitengewoon slecht weer en modderwegen hadden de stoere rijders te kampen. Foto links stelt voor: de controle te Lent, waarvan de leiding berustte bij den heer H. Muda (heer met wit vest) consul der Ned. Wieler Bond uit Groningen. Foto rechts: geeft Rinus van der Wiel (rechts op de foto), als eerst aangekomene en Piet van der Wiel als tweede (links), (foto Daniels.) Mijn vrouwtje was dadelijk enthousiast. „Da’s goed, Piet. Dan kiek je mij ook eens, hè ? Ja, da’s leuk I Wanneer ga je ’t koopen ?” Dadelijk,” zei ik resoluut, „kom mee Lien, een toestel 9 bij 12.” Deze uitdrukking „9 bij 12” was vrijwel mijn heele kennis van de fotografiekunst, maar op mijn vrouw scheen die technische term een machtigen indruk te maken en bijna beschroomd vroeg ze ; „Wat is dat, Piet, 9 bij 12?” „Dat zijn de afmetingen, kind,” antwoordde ik zwaarwichtig, „maar vraag, me nu niets meer, want ik zal onderweg moeten overdenken wat ik allemaal noodig heb.” Dat zou zeker een onbegon ­ nen werk zijn, dat overdenken van mij, want al dacht ik een half jaar lang, dan zou ik nog niets meer weten dan „9 bij 12”, maar begrijpelijkerwijze wilde ik den schitterenden indruk, dien ik bij mijn vrouw gewekt had, niet wegnemen. We stapten dus in ernstig zwijgen door de straten en eindelijk een winkel binnen, waar de étalage vol stond met fotografie-toestellen, glazen bakjes en fleschjes, die voor mij even zoovele raadsels waren. „Mijnheer,” vroeg ik geHET NIEUWE MINISTERIE VAN BI N N EN LAN DSCH E ZAKEN. In ons vorig nummer plaatsten wij een foto hoe het nieuwe Ministerie van Binnenlandsche Zaken er aan de buitenzijde uitziet. Tot ons genoegen kunnen wij nu reeds onzen lezers er een klein idee van geven, hoe uiterst smaakvol het gebouw ook binnen is ingericht. (foto's Rembrandt). DE CROOTE HAL. Het historische torentje is uitwendig onveranderd gebleven. DE AUD1ËNTIE-ZAAL. HET SPORT=PANORAMA
PDF
Nummer
1915, nr. 61, 29 juli 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA GEÏLLUSTREERD OORLOGSNIEUWS EEN HOOGST BELANGRIJKE CONFERENTIE. Aan de conferentie die onlangs in Calais gehouden is, werd deelgenomen door Lord KJtchener en Minister Asquith, die speciaal voor dit doei naar Frankrijk waren gekomen. Op onze foto ziet men Lord Kitchener (in de auto stappende) en Minister Asquith (achter dezen) bij hun vertrek uit Calais. O EL Ml JNWERKÉRSSTAKING IN WALES BEËINDIGD In hoofdzaak wel door den Engeischen munitie-rninister Lloyd George zijn de stakende mijnwerkers in Wales bewogen hun arbeid te hervatten, zij het dan ook dat hun eischen niet ten volle ingewilligd zijn. Ongetwijfeld is de confe rentie te Cardiff, waarvan wij hierboven een foto geven (min. Lloyd George 3e van links) een van de belangrijkste in dezen oorlog, daar de kolennood zich heel spoedig liet gevoelen. wichtig, ..heeft U een fotografietoestel voor me, 9 bij 12, met alle benoodigdheden ?” De mijnheer begon onmiddellijk beleefd te buigen, liet mij verschillende toestellen zien en raadde mij eindelijk een toestel van 19 gulden te nemen. .,Dan moet U daarbij hebben”, begon hij, zijn vinger tegen zijn voorhoofd leggend, „een fleschje ontwikkelaar/’ ,,Juist/’ herhaalde ik, niet in ’t minst beseffend wat hij meende, „een fleschje ontwikkelaar.” „Een pakje fixeerzout, goudbad, platen en papier, baden, drukraampjes en ’n roode lamp.” „Jawel,” echo-de ik, „en een roode lamp, denkt U daar vooral aan !” Mijn vrouw keek me bewonderend aan. „Hoe weet je dat allemaal zoo ?” vroeg ze fluisterend. DE ENGELSCHE VROUW EN HET MUNITIEVRAAGSTUK. Een deputatie, waarbij zich de bekende suffragette Miss Pankhurst (midden op de foto) bevindt, heeft namens de Engelsche vrouwen haar diensten aangeboden voor den aanmaak van ammunitie. (V.F.B.) DEMAGNEETIN DIEN ST DER GENEESKUNDE. In een der Engelsche hospitalen zijn proeven genomen om met een ontzettend sterke magneet kleine granaatsplinters uit de oogen der soldaten te verwijderen. „Ja-a. . /’ zei ik geheimzinnig. Met deze opheldering scheen ze blijkbaar tevreden. „Zal ik U een en ander laten thuisbezorgen, mijnheer ?” vroeg de gedienstige winkelier. ^Neen, neen, ik neem het alles mee,” antwoordde ik haastig. „Hoe- veel krijgt U ?” „Dat is . . . eh . . /’ en na een oogenblik rekenen : „Drie en twintig gulden veertig cents.” Mijn vrouw schrok. Ze stootte mij aan m’n elleboog. ,,Sst,” zei ik zacht vermanend, „we zullen er voor meer geld plezier van hebben.” Met een aantal fleschjes en pakjes in mijn arm, mijn vrouw met het fotografietoestel, stapten we den winkel uit. „Nu vrouw,” zei ik zoodra de huisdeur achter ons was dichtgevallen en we nog op de trap waren? „nu moeten we beginnen met het maken van een donkere kamer. We EIGENAARDIGE WONINGEN IN RUSSISCH POLEN. Een typisch Russisch theehuis, zooals men dit aantreft, direct wanneer men de Duitsch-Russische grens gepasseerd is. Men kan niet zeggen dat het er zoo bijzonder smakelijk uitziet. (V F.B.) RUSSISCHE KRIJGSGEVANGENEN EN BUITGEMAAKTE MACHINEGEWEREN. De Russen houden er een zeer eigenaardige manier op na, om hun machinegeweren te verplaatsen. Door twee mannen worden deze moderne strijdwerktuigen, die op hun kleine wagen, veel op kinderspeelgoed gelijken, x voortgetrokken. DE VERWOESTING IN OOST-P R U I S E N . Hohenstein, het bijna geheel verwoeste stadje in Oost-Pruisen, wordt bezocht door de buitenlandsche journalisten, die door de Duitsche Regeering zijn uitgenoodigd, '(foto Ver. Fotobur.)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1756 tot 1760 van 11897