|
PANORAMA
MILITAIRE BEGRAFENIS.
Onder groote belangstelling is Dinsdag 20 Juli te Nijmegen de begrafenis met militaire eer
geschied van de beide slachtoffers van het treurig ongeluk dat voor eenige dagen plaats greep
in de H.B.S.-kazerne te Nijmegen en waarbij de korporaal C. van Hoftc uit Oud-Beierland en de
kanonnier 2e kl. J. Mets uit Amsterdam doodgeschoten werden, door een kameraad die bezig
was zijn geweer schoon te maken.
H. J. F. MIRANDOLLE. t
Voor eenige dagen is te Hilversum
overleden de heer H. J. F. MIRANDOLLE,
in leven oud-zeeofficier en
oud-ambtenaar der H.S.M. De overledene,
die algemeen geacht en bemind
was, had in verscheidene
liefdadigheidsvereenigingen ’n werkzaam
aandeel. (V. F. B.)
EEN NIEUW STATION TE MAASTRICHT
Wij brengen hierboven een foto van het nieuwe station te Maastricht, dat
weldra klaar zijnde, in alle opzichten een aanwinst zal blijken te zijn voor
de Limburgsche hoofdstad. (V. F. B)
AVONDSCHOON . DOOR JOB STEYNEN .— ’
h<
lh
reesje heette ze. Maar de romantisch aangelegde,
hooggestemde mijnheer Ekman, haar onderwijzer,
had haar ,,Avondschoon”
gedoopt.
Overdag zag het meisje
wat bleek, want heel
sterk was ze niet; haar
gezichtje leek dan smal,
en groot en diep deden
de oogen daarin, maar
’s avonds, ’s avonds 1
Ge hadt haar dan moeten
zien onder de les,
met haar van inspanning
roode wangen en
blinkende oogen ; het
zachtbruine krulhaar
maakte het kopje van
Trees tot iets ongemeen
fijns.
„Avondschoon,” fluisterde
de zachtzinnige
onderwijzer dan, terwijl
hij zijn teedere oogen
bijna geheel sloot, en het
kind langzaam over de
glanzende haren streek.
,,Avondschoon, ik heb
een bloem voor je meegebracht,”
heette het
een andermaal, - ,,een
fijne, mooie bloem, net
als jijzelf bent.”
En het meisje bloosde
dan diep, en werd bevangen
van een zoete
verrukking om zooveel
vriendelijkheid van iemand
tegen wien zij als
tegen een verheven wezen
opzag. Indien er iets van twist of onaangenaamheid
tusschen de andere kinderen heerschte, beduidde Ekman
baar, dat zoo iets te ver beneden haar was dan dat zij zich
de fijne blanke handjes ermede bezoedelen zou.
„De wereld is groot, kindje, wantrouw haar,” zoo ried hij'
haar welmeenend, - ,,bemoei je zoo weinig mogelijk met de
menschen, want je kunt er niets dan grofheid
en eigenbaat van leeren ; jij bent oneindig
veel beter dan die anderen.
Je bent voor iets beters bestemd, dat voel
ik. Er is iets, ik weet niet wat voor bijzonders
in jou.”
Allengs had het meisje, hoe verbaasd in
den aanvang ook, zich gewend aan de teedere
woorden, aan den zachtzinnigen blik, en aan
de weeke hand, die haar het hoofd streelde.
Allengs was zij gaan gelooven, dat zij werkelijk
iets bijzonders was, beter dan de anderen, en
dat het leven een ongewoon geluk voor haar
had weggelegd. De vriendinnen waren haar
DE VELDTOCHT IN DUITSCH ZUI D-WEST-AFRIKA.
Enorme ovaties zijn er Generaal Botha door zijn officieren en manschappen gebracht, bij het vernemen der laatste successen, die Botha’s
leger tegen het Duitsche leger in Duitsch Zuid-West-Afrika behaald heeft.
EEN TURN BETOOGING.
Te Deventer had Zondag 18 Juli op het voetbalveld van
„U. D.” een Gewestelijke Tumbetooging plaats vanwege
het Middengewest van het Ned. Gymnastiek-Verbond.
Ondanks de minder gunstige weersgesteldheid, namen
ongeveer 500 turnsters en turners aan de betooging deel.
Wij geven hierboven de turnsters tijdens het werken
aan de ringen.
EEN PROCESSIE. (K F.
Te Rome is onlangs met groote plechtigheid
een processie gehouden, waarbij de zegen is
afgesmeekt voor de Italiaansche wapenen.
EEN TREURIG OORLOGSBEELD.
Een blik in een Belgische loopgraaf na een door de Duitschers ondernomen stormaanval,
die werd afgeslagen. De soldaten, die op den grond liggen, zijn öf gewond, óf gestikt door
de vergiftige gassen.
vreemden, wederzijds was minachting in de onderlinge verhouding
; omgang had ze niet, ze hield van niemand uit hare
omgeving ; mijnheer Ekman vergoodde ze, maar te hoog
was deze boven haar verheven dan dat van uitwisseling
eener vertrouwelijke genegenheid sprake kon zijn. Hij had
haar dag-in dag-uit voorgehouden, de vogels, de bloemen,
den maneschijn en het mooie diepe grachtwater lief te hebben,
en ook muziek, schilderkunst en nog velerhande fraaie zaken.
welke te begrijpen haar ten eenenmale niet gegeven was, want
haar gezichtje mocht zoo nobel en schoon wezen als het was,
een innerlijk weerspiegelde het zeker niet. Dat fijne, edele gezichtje
behoorde aan een heel gewoon kind, dat voor hoegenaamd
niets aanleg had, haarledigheid doorstilzwijgen dekte,
en juist in hare weeke onbestemdheid eén verzetlooze prooi
moest worden van een idealist gelijk die verheven Ekman.
Thuis vond het kind ook geen vertrouwelijkheid, en schonk
zelve die ook aan niemand. Haar vader en moeder waren, nu
ja, misschien wel goeie menschen, maar erg gewoon’ De
vader rookte sigaren en des avonds trok hij soms naar een
naburig koffiehuis om een glas bier te drinken, en bier en
sigaren waren, naar Ekman’s zeggen, beide verwerpelijke
leelijkheden, op bet onzedelijke af. Thuis las hij de courant
of speelde met de moeder
dominee, — een laf
vermaak voor leege hoofden
en arme harten,
zooals Ekman dat noemde.
De moeder was, zoo
mogelijk, nog onbeduidender
dan de vader;
zij deed niets dan huishoudelijke
bezigheden,
en, wat het ergste was,
ze deed die nog met
pleizier ook, ze zong of
neuriede onderhaarwerk
en vond vreugde aan
allerlei onbeduidende
voorvalletjes. Een geluk
mocht het heeten, dat
Trees geen broers of zusters
bad, want met zulk
een vader en moeder
zouden die kinderen onuitstaanbaar
van alledaagschheidzijn
geweest,
en haar bijna onafgebroken
hebben getreiterd
met hun zingen» hun
lachen, hun praten, in
één woord, met hun bestaan.
Zwijgend en nukkig
kon het meisje soms urerr
lang in een hoek zitten.
„Wat scheelt er toch,
meidlief ?” vroeg de
moeder dan.
„Niets,” antwoordde
het kind norsch.
„Kom, je kunt ’t mij gerust vertellen, als er wat aan scheelt,”
zoo trachtte ze het meisje te overreden. Maar niets hielp,
en de moeder zag er gaandeweg vanaf haar tot vertrouwelijker
omgang te brengen ; ze hield Treesjes sombere buien voor
nukken, wel aan meisjes van haar leeftijd eigen, en welke
later wel zouden uitslijten. De gezonde, eenvoudige vrouw,
hoe kon ze' vermoeden, dat dit meisje al
een afschuw van het leven kreeg, en in de
uren van haar mokkend zwijgen dien afschuw
al denkend tot iets moois en benijdenswaardigs
verhief, iets wat voor gewoon voortlevende
kudde-menschen onbereikbaar was,
doch baar met haar bijzonderen aanleg
bereikbaar. En ze meende, dat het niet
het minste haar levensinzicht was wat
haar verre verhief boven ieder dien zij kende.
Zoo leefde zij voort tot haar zestiende
(Zie vervolg op pag. 16.)
|