|
PANORAMA 2
UIT HET ZWARTE BOEK
VAN ’N TELEGRAFIST
DOOR J. T. VAN LEIDEN
. ........................................................
(Vervolg).
: antwoordde laconiek:,,Wel — en waarom
niet ?"
„Waarom niet ?"
Hij zag me verbaasd en medelijdend
aan.
„U bent nooit bij Sheldon geweest, dat merk ik
wel. Als *t zóó eenvoudig was, waarde beer .... Ten
eerste kunnen we op vage gegevens, bloote vermoedens,
niet telkens een politiemacht op de been brengen
en aan 't werk stellen, noodig voor ’t nemen
van zoo’n vesting! En ten tweede: juist omdat
zulk een onderneming tegenwoordig ’n stelselmatige
belegering, *n ware vestingkrïjg vereischt, mogen
we ons te voren wel tienmaal bedenken. Weet u wel
.dat bet gernakkelijker zou zijn Gibraltar in te nemen ?"
„Probeert u dat eens . . . ." antwoordde ik. „Maar
in ernst : het is mijn doel niet van u te verlangen dat
u voor een persoonlijke
aangelegenheid
mijnerzijds de geheele
politiemacht
van New York zult
mobiliseeren. Ik raad
u integendeel maatregelen
te nemen in
uw belang, beter gezegd
in het belang
van de justitie/'
„In het belangvan
de justitie ?"
,?Zeker. Ik kan u
belangrijke aanwijzingen
geven omtrent
een zaak, waarover
bij u, en bij
andere officieele lichamen,
onderzoekingen
aanhangig
zijn."
„En welke zaak is
dat ?" De attorney
zagmij doordringend
aan.
„Die van de Sheldon-waarden."
„Ik ben benieuwd.
Vertel me wat u er
van weet."
Ik zag hem glimlachend
aan. „Dacht
u nu werkelijk dat
ik zulk kostbaar materiaal
als ik bezit
klakkeloos aan u zou
overgeven ? Neen,
neen — de eene
dienst is de andere
waard !"
De attorneymaakte
een gebaar van
drift.
„We zitten hier
niet om te loven en
te bieden, waarde heer. Wanneer u iets weet dat van
belang is voor de justitie, behoort u dat zonder meer
mede te deelen."
„Het spijt mij wel," zei ik kalm, „maar dat kunt
u billijkerwijze niet van mij verwachten. Ik ben hier
gekomen om uw hulp in te roepen, de hulp van de
wet, waarop ieder burger in geval van nood recht
heeft. U wilt, of kunt, mij die niet verleenen. Goed.
Maar dan moet u niet verwachten dat ik u gratis
de mijne verleen."
De attorney sloeg met de vlakke hand op de tafel.
,,U durft wat zeggen ! Vergeet niet wat het verschil
is tusschen ons beider positie. Sheldon is een man die
sterk staat, door zijn relaties, zijn bezoekers, waaronder
zich zeer invloedrijke personen bevinden. Wanneer
u mij vandaag als overtuigingsbewijzen de roulettes
en dobbelsteenen van Sheldon bracht — ofschoon
ik ook zonder die wel weet wat hij uitvoert —
dan zou ’t me, onder de tegenwoordige verhoudingen
van stadsbestuur, nog onmogelijk zijn iets tegen den
man te beginnen. U daarentegen hebt slechts den
mond open te doen om mij te helpen. Wat u mij vraagt
is ondoenlijk ; wat ik u verzoek is daarentegen gemakkelijk
uitvoerbaar. Ziedaar het verschil."
„Ja, ja," zei ik eenigszins spottend. „U houdt
Sheldon voor onaantastbaar!"
„Dat doe ik niét," zei de attorney kwaad. „Beeldt
u niet in dat we niet alles in ’t werk stellen om den
vogel te knippen, maar we kunnen geen wonderen
doen."
„U bent bang dat er te veel groote mannen gemoeid
zouden zijn met een openlijk en rechtstreeksch
optreden," zei ik op den man af.
„Bang ben ik voor niets," antwoordde de ambtenaar
koel. „Maar overigens hebt u gelijk; dat wil ik
u wel ronduit zeggen. Het is een zaak waar in heel
wat reputaties gespaard moeten worden, en daarom
vereischt ze veel tact. En Sheldon weet dat drommels
goed. Daarom juist staat hij zoo sterk."
„Precies," zei ik, ópstaande. „En daarvan moeten
mindere reputaties, als bijvoorbeeld de mijne,
en die van de dame van wie ik u sprak, de dupe worden.
Het is inderdaad heel mooi. Het verhoogt mijn
eerbied voor de wet. Nu dan zal ik maar zien
wat ik zelf doen kan."
De attorney hield mij met een handgebaar terug.
„Wacht eens even ... ik wil u toch zoo niet laten
weggaan. Ik zou u twee man van mijn bureau kunnen
meegeven, in burgerkleeding."
Ik lachte hem in ’t gezicht uit.
EEN VERDEDIGINGSWERK UIT VROEGER DAGEN GERESTAUREERD.
De Drommedaris te Enkhuizen is met behulp van Rijkssteun thans geheel gerestaureerd, zoodat het massale bouwwerk in zijn schoone vormen
n u prachtig te voorschijn treedt. Deze verdedigingstoren, die in vroeger tijd den toegang tot de buiten- en binnenhavens van Enkhuizen beheerschte,
werd voltooid in 1540. Aan den muur hangen een paar zware ankers als herinnering aan een mislukten aanslag der Gelderschen
op de stad in het jaar 1537. Vanuit den doorgang onder den toren, nu geheel hersteld, heeft men een fraai gezicht op het oude stadsgedeelte
en de Zuiderzee.
„Doet u geen moeite. Twee man om een vesting te
nemen ! Spaar hun goeden naam, alstublieft. Er mocht
eens over gepraat worden. Ik wensch u goeden middag.”
„Maar u hadt me nog iets te vertellen omtrent
zekere aanwijzingen," riep de attorney nog. „En weet
u wel, dat u verplicht bent.........’’
„Ik weet alles," zei ik, en eer de man van zijn verontwaardiging
bekwam, was ik de deur al uit. Maar
ik hoorde hem nog in de telefoon zeggen : „laat dien
man overal volgen, Winstone........ "
En zoo reed ik weg naar mijn hotel, met een eigenaardig
soort van koele woede in mijn hart, een gevoel
van afkeer van de wet, de maatschappelijke
orde en de autoriteiten. Het was me nu duidelijk
dat ik tot het uiterste vechten moest, alleen, met eigen
krachten en middelen, en dit bracht me tot een wanhopige,
bijna dronkenmakende vastberadenheid.
Ik moest dus mijn lot in eigen handen nemen, mijzelf
zonder iemands hulp recht verschaffen. Welnu, ik
zou het doen, onverschillig op welke manier. Geen
weg zou te goed of te slecht zijn — wanneer hij naar
mijn doel leidde, zou ik hem volgen. Wanneer het
recht me in den steek liet, wanneer bureaucratie en
officieele sleur me als een uitgeworpene beschouwden,
dan zou ik hun toonen wat ik zonder hen vermocht.
Terwijl het rijtuig snel door de drukke straten
van de city ratelde, maakte ik tot in Inzonderheden
mijn plan op. Ik was in een hoek gejaagd, maar
nu zou ik ook voor mijn leven vechten ! En eigenlijk
was ik blij dat dit alles gebeurd, dat het zoover gekomen
was : mijn wil was erdoor gestaald, mijn ondernemingsgeest
en stoutmoedigheid tot het uiterste
erdoor opgezweept. Nu mocht komen wat wilde — ik
was bereid.
„En hier wonen wc nu !" zei Hannock.
Mary zweeg. Gedurende den geheelen verderen rit
had ze geen enkel woord met hem gesproken, onbeweeglijk
naast hem zittend. Hij had haar in zijn
macht ; moe en uitgeput van de worsteling, had ze
zonder ontroering naar het blauwachtig glinsterende
dolkmes gezien waarmee hij zat te spelen, en zijn
spottend : „revolvers maken zoo’n leven, zie je," had
haar koud gelaten. Ze nam den nieuwen toestand
aan zooals hij was ; naarmate de gebeurtenissen
zich zouden ontwikkelen moest ze nieuwe plannen
vormen. Zoo was
haar gewone methode,
en die had meer
dan eens uitkomst
gebracht.
„Hier wonen we
nu!"
Sheldon’s club lag
in het kwartier ten
zuiden van Washington
Square en een
weinig ten westen
van den grooten verkeersweg
Broadway,
die er gedeeltelijk als
een handels-, gedeeltelijk
als een villawijk
uitziet. Een
smaakvolle maar
eenvoudige deur en
een breede, met
eikenhout betimmerde
gang die naar
een eveneens eenvoudige,
doch sierlijke
hall leidde, deden
den oningewijde
in geen enkel opzicht
vermoeden dat het
gebouw iets anders
zou bevatten dan
wat het koperen
plaatje naast den
ingang vermeldde :
, ,The NeptuneClub/'
De beide vleugels
van de deur stonden
open, en op den
drempel hield een
portier in donkergroene,
weinig opvallende
uniform de
wacht
Aan de eene zijde
van de deur bevond
zich een weelderige
sigarenwinkel, aan de andere een kapperssalon voor
dames. In den winkel kon men rustig een havanna
uitkiezen om daarna al rookend weg te gaan
zonder zelfs flauw te vermoeden hoe dicht men bij
de meest bezochte speelzaal der 32ste straat was
geweest. In den salon kon men zich de prachtigste
ondulation-Marcel laten maken en in den wachtenden
automobiel weer wegrijden, zonder ook maar vaag te
beseffen dat op enkele passen afstand fortuinen werden
verloren en gewonnen.
Hannock leidde Mary, die gelaten en zonder te
weerstreven meeging, door den kapperssalon, haar arm
met den zijne tegen zich aandrukkend en haar zoo
de gelegenheid benemend te ontsnappen, al leek het
dat hij niet anders dan een gemoedelijk, vriendschappelijk
wandelingetje met haar maakte.
Hij knikte tegen een vrouwelijke bediende die achter
haar kas zat, en zwijgend drukte het meisje op den
knop van een electrische bel. Een deur achter in den
salon draaide open, en terwijl Hannock haar in een gang
leidde, merkte ze op dat de deur geheel met zware
stalen platen gepantserd was. Een volgende deur,
die daarna geruischloos openging, was evenzoo gepantserd,
en eerst toen deze zich achter hen gesloten
|