Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1741 tot 1745 van 11897
Nummer
1915, nr. 59, 22 juli 1915
Blad
03
Tekst
VEREENIGING VOOR VROUWENKIESRECHT. De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hield Zondag 18 Juli in Musis Sacrum te Arnhem onder leiding van Mevrouw Dr. A. Jacobs haar buitengewone algemeene vergadering. Vertegenwoordigd waren 59 afdeelingen. Na afloop der vergadering had in Musis Sacrum een gemeenschappelijke maaltijd plaats, gevolgd door een concert in den tuin. Niets. Op de vierde zag ik, aan den hoek van een zijgang, den rug van een vrouw in een donkerblauwe tailor-made ; ze stond te spreken met iemand in de zijgang, dien ik niet zien kon. De gele aigrette van haar hoed bewoog heen en weer. Mary! Ik kwam langzaam nader, ging in hun nabijheid op een bank zitten die tegen de trapleuning stond. „Maar dan heb ik den verkeerden sleutel !” hoorde ik haar lachend roepen. ,,Pardon/’ zei de stem van den onzichtbaren man hoffelijk, „uw sleutel is in orde — maar u past hem op de verkeerde kamer : de mijne !” „Ach — maar dan heb ik de eerste in plaats van de tweede zijgang genomen! Ik maak u mijn excuses !” Ze lachte weer vroolijk, en maakte den indruk van een argelooze jonge vrouw, die schik had in haar eigen vergissing, graag even een praatje maakte, om dan weer haar correcte houding te hernemen en dit kleine incident te vergeten. Maar de ander hield haarnogstaande. Ik zag om den hoek juist iets van zijn arm en schouder; hij had zijn hoedindehand; zijn stem klonk aangenaam en beschaafd. „U bent niet de eerste landgenoote die ik hier ontmoet; er zijn veel Amerikanen in Genua dit seizoen. Is u uit New York ?” „0 neen — uit San Francisco !” „En hebt u al veel van Genua gezien ?” „Niets — ik kwam juist aan......... ” Het gesprek ging in dien geest nog even voort; toen maakte Mary een beweging als tot heengaan. Ik stond op, liep hen langzaam voorbij. Mary tikte onder het zeggen van een afscheidsfraze met haar sleutel tegen het deurpaneel, als onwillekeurig ; maar mijn geoefend oor verstond die taal — ze was in Morse-schrift : „Dit - is - Morlay - blijf - uit - de - buurt !” Blijf uit de buurt ! ik wist wat dit zeggen wilde. Mary had hem ontdekt en ging zich aan hem vastklampen. Mijn rol was : te trachten in dien tusschentijd Morlay’s kamer te inspecteeren. Drie dagen later wist ik ongemerkt Mary’s kamer binnen te komen om verslag te doen. Ze stond aan het venster en haar gezicht zag vermoeid en wit. Het was als had ze een masker afgezet, en als toonde ze nu, zonder terughouding, haar désillusies en haar verlangen naar rust. Maar haar oogen lichtten toch even op toen ze me zag. Van Morlay zei ze maar een paar woorden : dat hij onder zijn eigen naam in ’t hotel was, dat ze hem dagelijks zag en sprak, maar nog geen kans had gehad .... toen, met haar kalme, diepe stem, vervolgde ze : „Saninovitch is hier — hij heeft me gezien.” „Hier ? !” „Hier in Genua. Hij reed me voorbij in een fiacre, van ’t Fransche Consulaat naar .’t Café Jazelli. Ik ontsnapte hem, toen hij voorbij raasde, door in een winkel te vluchten.” „En toen ?” „0, van alles.... maar vertel me eerst : wat deed je in dien tusschentijd ? Vond je gelegenheid om Morlay’s kamer te onderzoeken ?” „Gisteren — terwijl jij met hem dineerde,” zei ik, en ’t scheen dat Mary niet ongevoelig was voor den toon van jaloezie in mijn stem. Ze glimlachte even, maar zei eerlijk : „ik mag hem wel; hij maakt geen slechten indruk .” Ik haalde dè schouders op. „Ik liet me insluiten, toen ’t kamermeisje de deur even had opengelaten, lag ’n uur onder de canapé toen ik klaar was, en ontsnapte daarna op dezelfde manier als ik er in gekomen was.” „En ?” „Niets, ’t Was erg gemakkelijk : zijn koffer stond zelfs open. Maar ik vond geen enkel stuk. En toch — wat we er ook voor moeten doen : die waarden zullen we te pakken krijgen, met list, met geweld, met beide als ’t moet..... Het is waarschijnlijk een gevaarlijk spel, met leelijke kansen, maar we zijn ’t eenmaal begonnen !” „Ja — als Morlay zijn papieren bij zich draagt, wordt het er niet gemakkelijker op.” Ze dacht even na. „Weet je wat me verwondert ? Dat die lui van Scotland Yard ons hier niet in den weg loopen.” „Mij niet — ik heb ze naar Londen getelegrafeerd dat Morlay in Como zit. Ze zullen niet al te veel waarde hechten aan zoo’n bericht van ’n onbekende, maar blijkbaar houdt ’t ze toch even op. En al waren ze hier — ’t is de groote vraag of ze hem kennen, of ze zelfs zijn portret wel bezitten. Maar vertel me van Saninovitch.” „Hij stond voor ons, toen we dien eersten dag ’t hotel uitkwamen, Morlay en ik. Geen ontkomen mogelijk ! Ik hield me goed, deed also-f ik hem niet zag, maar gedurende onze heele wandeling, en ook tijdens de lunch, bleef hij in onze buurt. Morlay merkte ’t, al zei hij niets, en ik kon aan hem zien dat hij er onrustig en wat angstig onder werd ; hij is toch al zoo argwanend en schijnt te denken dat iedereen aan hem ziet dat hij iets te verbergen heeft. En Saninovitch denkt natuurlijk dat Morlay en ik handlangers zijn ; hij liet me alleen in de lift gaan en volgde Morlay, die nog wat op ’t stoombootbureau te doen had. zooals hij me vertelde, ’t Is wel eenigszins komisch . . . Toen ik dus van beiden bevrijd was, besloot ik snel naar Rome te gaan, de ambassade daar in te lichten. Maar ik werd gevolgd, nam een kaartje naar Busalla, stapte door de eene deur den coupé binnen en door de andere er weer uit. Of ik ongezien ben weggekomen weet ik niet. Natuurlijk zal Saninovitch nu Morlay dag en nacht door zijn agenten laten bespieden.” JUBILEUM Dr. c. P. BURGER Jr. Vrijdag 16 Juli had in de leeszaal van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam de huldiging plaats van den bibliothecaris der bibliotheek dr. C. P. Burger Jr., ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum. Tijdens deze plechtigheid werd de jubilaris vereerd met een welgelijkend door Hobbe Smith geschilderd portret met album van C. J. Mensing. waarin de opdracht, ’s Avonds vereenigden zich Dr. Burger (x) en zijn vrienden en autoriteiten aan een feestmaaltijd in Trianon. „Wel — dan kunnen we niet beter doen dan Morlay tegen den Rus beschermen ! Morlay’s veiligheid is ons wat waard op ’t oogenblik. Maar kwam je ten slotte in Rome ?” Ze knikte. „Ja, en ze gaven me de helft van het beloofde geld; de rest zou ik krijgen als Saninovitch gearresteerd was. Nu, ’t is in elk geval een goed begin.” „Eigenlijk vind ik Saninovitch bijzaak geworden,” zei ik. „Die beteekent nog maar tweehonderdvijftig pond. Maar Morlay ! Die heeft ’t artikel dat we noodig hebben !” „Schat onzen Russischen vriend niet te laag,” antwoordde Mary. „Hij is wraakzuchtig, intrigant, heeft den geheelen geheimen Franschen politiedienst INUKMIVIM achter zich — hij zal niet rusten voor hij ’t met ons uitgevochten heeft!” „Hij moet ’t weten. Zoo noodig zet ik ’t heele Engelsche ministerie van Buitenlandsche Zaken tegen hem op. Dat kan hem wel aan !” Maar Mary bleef de zaak ernstig inzien. „Hij laat ’t niet tot een open strijd komen. Hij verdedigt zich met duizend kleine listen.” „Had ik hem maar even op Amerikaanschen bodem te pakken, dan . . . .” „Daarheen laat hij zich niet meer lokken ! De eerste maal was genoeg voor hem. Neen, we’moeten Saninovitch tegen Morlay uitspelen ; met den eerste jagen op dien tweede !” We voelden ’t allebei wel : met praten hielden we èr bij elkaar den moed in; maar beiden voelden we hoe eenzaam we in de wereld en in onze moeilijkheden stonden ; we moesten ’t samen uitvechten, zonder den wettelijken steun dien „fatsoenlijke” menschen konden inroepen. We waren avonturiers, inbrekers, dieven .... Een oogenblik zaten we in gedachtenverzonken; toen schrikte een klop aan de deur ons op. „Stil!” zei Mary. „Morlay !” Ze rukte de kleerenkast open, duwde me er in ; en weer moest ik de vernederende rol spelen van den man die niet handelen mag maar toezien moet. En een seconde later had Mary „binnen” geroepen, zat ze ongedwongen aan tafel een brief te schrijven, en stond Morlay op den drempel. „Mag ik u een oogenblik spreken ?” Zijn stem klonk niet onaangenaam, hoffelijk zelfs. Mary was opgestaan. „Komt u binnen,” zei ze vriendelijk kalm. „Wat ik u vragen ga,” ging Morlay voort, „is iets zeer ongewoons. Maar ik heb u nu eenmaal als een ongewone vrouw leeren kennen . . . „In Amerika zoudt u me geëmancipeerd noemen, nietwaar?” lachte ze ongedwongen. „In Amerika zou me niet gebeuren wat me hier gebeurt,” vervolgde Morlay ernstiger. „Kort en goed, de zaak is. deze : ik word dag en nacht door iemand nagegaan en bespionneerd, om welke reden weet ik niet — misschien omdat ik papieren van waarde bezit, die men me afhandig wil maken, al begrijp ik niet hoe men daar achtergekomen is. Maar Italië is nu eenmaal ’t land van komplotten en intriges...” Hij haalde een gele, „officiéél” uitziende enveloppe uit zijn zak. „Ziet u eens : dit omslag bevat belangrijke brieven, die groote waarde voor me hebben, ofschoon geen handelswaarde. Het. . . het zijn aanteekeningen omtrent een uitvinding, waarop ik patent wil nemen .... Ik vrees dat het mijn vervolgers, concurrenten misschien, daarom te doen is; die gedachte laat me rust noch duur. Ze zouden in staat zijn me erom te vermoorden. Nu wilde ik u vragen: zoudt u die een paar dagen voor me willen bewaren ?” „Maar dat beteekent een groote verantwoordelijkheid voor me,” stamelde Mary. „Zeker — maar geen gevaar, want niemand zal u verdenken ze in uw bezit te hebben. U zei dat u over ’n dag of vijf in Napels denkt te zijn. Als ik u daar nu eens bijvoorbeeld in ’t Hotel de Londres ontmoette .....” „Ik weet ’t waarlijk niet .... ’t is zulk een zonderlinge opdracht . ... ” Mary speelde haar rol uitmuntend. „Wilt u ’t wagen ?” Ze zag beurtelings naar de enveloppe en naar hem. „Ja — als u er op aandringt — als ik er u mee helpen kan . . . .” (Wordt vervolgd). 59 (4a)
PDF
Nummer
1915, nr. 59, 22 juli 1915
Blad
04
Tekst
Het aanstaande nieuwe offensief der Serviërs. Uit de verschillende berichten blijkt telkens weer, dat de typhus-epidemie in het Servische leger aan het afnemen is en dat een nieuw offensief elk oogenblik verwacht kan worden. De Serviërs schijnen ook nieuwe zware kanonnen te hebben gekregen, bij het opstellen waarvan zij worden geholpen door Engelsche soldaten en matrozen. GEÏLLUSTREERDE Het nieuwe fervis Bij den aanvoer van het nieuwe zware geschut voor de Senrs, 2 gekomen, blijkbaar niet alleen om den Serviërs de behandefe dez tegen de Oostirijke ONVERDIENDE HAAT j^^^^^^^inettes zwarte oogen schittërden van woede. „Alweer de blonde vrouw !” mompelde ze en ze raapte de kaarten zenuwachtig bijeen, om ze voor de laatste maal te leggen, de laatste maal die zou beslissen of haar twijfel aan Cecil’s trouw gerechtvaardigd was of niet. Vreezende de waarheid te leeren kennen en toch besloten allen twijfel op te heffen, spreidde Ninette, het vurige Fransche schildersmodel, de kaarten voor zich uit, terwijl zij wachtte *op Cecil Thorne, den meester van het atelier en van haar hart. „Aha, deze is beter,” zei ze met een glimlach van voldoening. „Hier is het goede geluk. Misschien is Cecil mij toch trouw. Als ik hun taal maar kon verstaan ! Maar hij spreekt nooit Fransch tegen haar. Moed, Ninette! de laatste kaart zal ’t je zeggen of ’t de blonde dame of het zwarte meisje is, die door Cecil bemind wordt. Mon Dieu !” Ze had weer de kaart met de blonde vrouw gekeerd en Ninette barstte in snikken uit juist op het oogenblik dat de haar kamertje op, dat zich de b „Die kleine heks,” lach Ceci Greta haar vanmorgen e slee] Ze scheen niet erg verheugover ] mij in . . . Ha, Julia! Ikli blij schilderij is bijna klaar . .in zul was hier vanmorgen en t was leuifee De strijd in Duitsch-Zuid-West-Afrika. Met de overgave van het Duitsche leger dat in Duitsch-Zuid-West-Afrika tegen de legermacht van Generaal Botha streed, is de strijd daar beëindigd en ook deze kolonie voor Duitschland, voor’t oogenblik althans, verloren. Wij geven hierboven een interessante foto van Generaal Botha (geheel links) met zijn staf. Duitsch-Zuid-West-Afrika onder Engelsch bewind. Inboorlingen onder toezicht van Engelsche soldaten en officieren bezig met den aanleg van een spoorweg in Duitsch Zuid-West-Afrika. Links op de foto ziet men de arbeiders zich verfrisschen in een grooten plas, ontstaan door een regenbui. Sedert 10 jaar had het in deze omgeving niet geregend. De veldtocht in Polen. Russische officieren die in een loopgraaf der tweede verdedigingslinie in een ernstige studie van de stafkaart verdiept zijn in verband met een eventueelen terugtocht door het aanhoudend opdringen der Duitsche leqers. De „rustieke” tafel, waaraan de officieren gezeten zijn. komt in de omgeving wel tot haar recht. » deur van het atelier door den valschen Secil geopend werd, die zonder de neergebogen gestalte van het meisje te zien een vroolijk wijsje begon te fluiten. „Hoe kun je fluiten, als ik zoo ellendig ben,” riep Ninette uit, tusschen haar snikken door. » „Wat! Jij hier, Ninette 1 Goeie hemel, ik zag je niet eens 1” „Jij hebt tegenwoordig geen oogen meer voor me. Als een ander bier was geweest, zou je ze wel gezien hebben.” „Een ander zou zich niet zoo muisstil gehouden hebben en .... tranen ook ! Dat komt nu erg onpas, nu ik zoo’n groot geluk gehad heb. Luister, Ninette, en droog je tranen. Mijn schilderstuk. . . ” „Van mij ?” „Neen, neen 1 Het groote stuk „De morgenstond” zal door de tentoonstellingscommissie worden opgenomen. En als het geluk nu met ons is, en dat zal zoo zijn, dan zullen we — je weet wel wat!” Cecil sloot Ninette in zijn armen te vervuld van hoop en geluk om naar de oorzaak *van haar tranen te vragen. Ninettes twijfel verdween een weinig door de betuigingen van liefde, die Cecil haar in de ooren fluisterde. Ze kon niet gelooven, dat hij zoo slecht was haar te bedriegen en# toch — waarom niet haar portret tentoongesteld ? Kon „De morgenstond” niet even goed worden voorgesteld door een zwart- als door een blondharig meisje ? Die blonde dame was zeker niet mooier dan zij. Cecil onderbrak haar onaangename* droomerijen met de woorden : „Ninette, weet je wel dat mijn liefde voor jou mij een beter schilder gemaakt heeft ? Monsieur de Thales was hier vanmorgen en zei dat de warmte en ziel van „De morgenstond” bewonderenswaardig waren. De mededeeling dat zijn liefde voor haar ziel en warmte gebracht had in de oogen van een andere vrouw, was weinig bemoedigend voor Ninette ; ze maakte zich dan ook ruw uit zijn omarming los. Haastig haar hoed grijpende^ vloog ze het atelier uit, holde de trappen af en sloot zich in je volgen ?” „Neen, Cecil, maar ik > een somtijds als ik Ninette zi£ij gli ♦ trap opging en haar zwanogen als van een tijgerkat. Ceciiat me dat ze niet al te verliefd ce is. ] bloedige Fransche verani som „Dat is nu net iets r julli lachende de luchthartige st, ,,a wend op de liefdefvan eendere één ding zeggen, Julia, Nites li dan haar haat en daarom^, die wel zorgen dat haar liefgeen ; verkeeren.” Ninette was naar bovesslope telgat met ingehouden a
PDF
Nummer
1915, nr. 59, 22 juli 1915
Blad
05
Tekst
D OORLOGSNIEUWS ïuwe Servische geschut. : Serviërs, zijn er een tamelijk groot aantal Engelsche soldaten meeiandeh.g dezer moderne wapens te leeren, doch ook om hen in hun actie s Oost^nrijkers te steunen. De watertoevoer van Belgrado afgesneden. Een granaat, die vanuit Semlin over de Donau op Belgrado werd afgeschoten, trof juist de hoofdbuis van de waterleiding van deze stad. Er ontstond natuurlijk een metershooge fontein en het gevolg was, dat Belgrado voor eenigen tijd verstoken was van goed drinkwater. Op onze foto ziet men het gat door het projectiel geslagen en waarin zich nu een meertje gevormd heeft. aar . i en .t zich ai de benedenverdieping bevond. ” lachte* Cecil. „Ik denk dat de oude gen eek slecht ontbijt gegeven heeft, 3rheugi over het denkbeeld spoedig met ! Ik ban blij dat je gekomen bent. Het .. en zulk goed nieuws. De Thales bij was verrukt. Waarom kijk je deur? Ben je bang dat booze geesten ir ik bib een vreemd gevoel van angst tte zie, Zij gluurde naar mij, toen ik de zwarteoogen glinsterden onheilspellend . Cecil, lat meisje is gevaarlijk 1 Ik hoop liefd oj je is. De liefde van zoo’n warmverandu soms plotseling in haat.” iets ver jullie vrouwen,” antwoordde rtige aiist. „altijd jaloersch en wantrouran eer andere vrouw. Welnu, ik zal je lia, Nietes liefde is minder gevaarlijk arom zXk, die Ninette door en door ken,. ar liefd'geen reden vindt om in haat te boven eslopen en luisterde aan ’t sleuien adk i en van jaloersche woede braneeder v|s nu zijn stem. Het bijna eenige t Nineds kende was „dear” en zij hoorde zigen togen de blondharige Engelsche. bijna nitet bedwingen en wilde het atelier benedd van de trap haar bekende stemnette,”Hep de voorste der jongelieden arm t|»or de hare stekende, trad hij jou hierin zal helpen, maar dan ken je Ninette niet!” Opspringende van haar legerstede, zocht ze naar lucifers, doch kon er geen vinden. „Dat is niets,” zegt ze, „ik ken den ezel web Heb ik hem niet dikwijls erover heen gebogen gezien, alsof hij het doek zelf beminde! Dieu! Je hadt Ninette moeten tentoonstellen!” Ceruischloos, het hart vol wraak, sluipt ze de trap op naar het atelier. Het is er duister ; zelfs geen straal maanlicht verlicht haar den weg. „Au ! — Ha, de ezel !” Haar voet kwam niet onzacht in aanraking met den scherpen kant van den ezel. Zij onderdrukt evenwel den kreet, dien de pijn haar ontlokte, neemt een natten kwast en strijkt daarmee met een duivelsch gevoel van vreugde over, en nog eens over het doek, zoodat dit zelfs tot in de kleinste hoeken bedekt is met een dikke verflaag. „Daar,” roept ze uit. den kwast van zich afwerpende, en op ’t punt het atelier te verlaten. „Daar. mademoiselle Geelhaar, ik haat je! Ik haat je gouden haar, ten minste, ik zou ’t haten als Cecil niet hetzelfde haar had !” De gedachte aan Cecils blonden haardos, dien ze zoo vaak met vurige kussen bedekt had, bracht haar plotseling tot zichzelf en opeens kreeg ze berouw, (zie vervolg op pag. 8). enstoefeing in een droogdok. elsche mailen,onlangs een dienst gehouden in een droogdok. Het aantal toeils onze alblding laat zien, zeer groot. Links op de foto de aartsbisschop met gevolg. Russische krijgsgevangenen. Bij de laatste gevechten aan het Qosteüjke front werden door de Duitschers een groot aantal krijgsgevangenen gemaakt. Zij zijn lijdelijk achter het front ondergebracht, in een door prikkeldraad afgesloten ruimte, waarbij Duitsche soldaten de wacht houden. ,,Hallo, Thorne 1 Juist van je groot geluk gehoord! Geef ons de hand, ouwe jongen, voordat je te groot wordt en te voornaam om je oude vrienden nog te herkennen. Laat ons vandaag vrijaf nemen om je roem te vieren. Ga mee vandaag nog eens aan den boemel, morgen ben je te beroemd voor dergelijke banaliteiten.” Julia stond op en knikte glimlachend. „Doe dat, Cecil! Je hebt den laatsten tijd veel te hard gewerkt. Het zal je goed doen! Goeden morgen heeren, dag Cecil . . . Ninette!” Het laatste was geen groet, maar een uitroep. Ninette staarde haar aan met haar gitzwarte oogen en onwillekeurig sidderde Julia toen zij haar zijden japon bijeennam en de kamer uitruischte. „O, als ik maar wat Fransch kende, dan zou ik die kleine Fransche demon leeren dat ze mij niet zoo beleedigend aan moest staren. Ik hoop dat haar liefde voor Cecil hem geen schade zal doen in zijn werk. Ik zal echter de laatste persoon zijn om haar te veroordeelen om haar liefde.” Zorgeloos en luchthartig zooals de artisten in Quartier Latin zijn, die de studie der kunst gelijktijdig met die van het leven beoefenen, bracht Cecil Thorne met zijn vrienden een dag vol vermaak door en het was reeds zeer laat in den avond, toen hij naar zijn kamers terugkeerde. Alvorens naar zijn slaapkamer te gaan, bracht hij nog ongeveer een half uur in zijn atelier door met schikkingen te maken voorden volgenden dag. Toen hij Ninettes kamertje voorbijging, vroeg hij zichzelven af of ze al sliep. De vroolijke stemming waarin hij verkeerde en de hoopvolle en gelukkige toekomst die hem tegenlachte, deed zijn hart opspringen van vreugde en vroolijk fluitende vervolgde hij zijn weg. Met deze uitbarsting van vroolijkheid brak de laatste stroohalm. „Morgen,” denkt Ninette, „ik zal niet vergeten, dat ik leven en ziel .aan die oogen gegeven heb! Jij denkt dat je morgen beroemd zult zijn en dat dit blondharige, koudbloedige Engelsche dametje Ter leniging van den nood. Duitsche soldaten die in het Poolsche stadje Lowitsch middageten uitdeden aan de noodlijdende inwoners. In deze veldkeukens wordt speciaal voor de burgerbevolking gekookt. De Slachtoffers. Onze foto, genomen in een zaal van een ziekenhuis te Berlijn, brengt op uitnemende wijze in beeld de verschillende werktuigen, welke in Duitschiand gebruikt worden om de door verwonding of op andere manier stijfgeworden ledematen van de soldaten weder normaal te maken. Onder leiding van verpleegsters wordt hier door de mannen iederen dag geoefend.
PDF
Nummer
1915, nr. 59, 22 juli 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 HET ONGELUK IN HET BRIELSCHE ZEEGAT. Verleden week is met militaire eer te ’s-Gravensande ter aarde besteld het stoffelijk overschot Donderdagmorgen j.1. is te Hoek van Holland met militaire eerbewijzen begraven het lijk van van den bij het ongeluk met de marine-defensiesloep omgekomen adelborst le klasse der den milicien-matroos C. de Jong, die bij het vergaan der marine-defensiesioep in ’t Brielsche marine-reserve P. van der Does, uit Rotterdam. zeegat om het leven is gekomen. DOOR B. Dr.J.G.M. MASTBOOM H. J. SCHOEMAKER.f Verleden week herdacht Dr. J. G. M. MASTBOOM te ’s-Gravenhage in intiemen kring het feit dat hij vóór 40 jaren tot arts werd bevorderd. Hoewel aan deze gebeurtenis weinig bekendheid was gegeven, werden den jubilaris toch van talrijke zijden gelukwenschen aangeboden. — Te Deventer overleed na een langdurige ziekte de heer H. J. SCHOEMAKER, in den ouderdom van 67 jaar. De overledene was oud-wethouder en tot voor korten tijd R. K. lid der Provinciale Staten van Overijsel voor Raalte. vrouw verontwaardigd, ,,Marie heeft ruzie gezocht, alleen om te kunnen wegloopen en mij met het diner te laten zitten zonder hulp.” „Nou ja, ’t is in elk geval een mooie geschiedenis, de tweede meid op stel en sprong weg en geen hulp.” „Maar telegrafeer die lui dan af............. ” „Aftelegrafeeren ? Geen kwestie van, daar hebben ze zich voor vrij gemaakt, dat gaat niet.” „Maar wat moeten we dan doen, er is hier geen behoorJ. J. VAN WEEL.t J. H. WIJTKAMP. + Te ’s-Gravenhage is in den ouderdom van 70 jaar overleden de heer J. J. VAN WEEL, oud-lid v. h. hoofdbestuur der Zeeuwsche Maatschij. van Landbouw en oud-lid v. h. dagelijksch bestuur van het Nederlandsch Landbouw-comité. De overledene was ridder in de orde van Oranje-Nassau. — Een dezer dagen overleed te ’s-Gravenhage de heer J. H. WIJTKAMP, oud-leeraar aan de academie voor Beeldende Kunsten te Den Haag. De ontslapene was in kunstkringen een algemeen bekend en geacht persoon, wiens verdiensten naar waarde door zijn omgeving geschat werden. „En mijn diner begint om halfzeven. O, het zou wel prachtig zijn. Wat vind jij ervan Karei ?” vroeg ze aan haar man. Deze knikte glimlachend. „Nou, als Elsa het doen wilde, graag.........” „Nou maar, uitstekend hoor,” riep Elsa, „als jullie dan maar een japon voor me hebben. Je zult eens zien hoe handig ik ben en hoe uitstekend ik met de lui zal weten om g^ggggggggoo, dus omdat jij nu weer ruzie met je tweede meid hebt gemaakt, kan dat diner morgen niet doorgaan. Een mooie grap.” Mijnheer Lans begon driftig de kamer op en neer te _____ loopen. „Maar ik heb geen ruzie gezocht,” riep zijn De afdeeling belast met de corvée. De kamp-commandant. Een „onder-onsje” op de heide. De deelnemers aan de conferentie. De tent waarin vergaderd werd. lijk mensch te krijgen, geen enkel boerenmeisje kan tafeldienen. O, ’t is vreeselijk” en snikkend zakte mevrouw achterover in haar stoel. Prof. Dr. H. T. KARSTEN. + In den ouderdom van 76 jaar is Dinsdagmiddag te Amsterdam, na een ziekte van slechts enkele dagen overleden Prof. Dr. H. T. KARSTEN, oudhoogleeraar in de latijnsche taal en letterkunde aan de Amsterdamsche Universiteii. Prof. Karsten werd den 9en Mei 1839 te Amersfoort geboren en in 1882 benoemd tot hoogleeraar. — Zaterdag had in het crematorium te Westerveld onder groote belangstelling de crematie plaats van het stoffelijk overschot van den hoogleeraar. „Hemel, wat gebeurt er hier?” riep opeens een stem, en een aardig, blond meisje trad de serre binnen. , „O, ben jij daar Elsa, neen, nou moet je toch hooren,” riep mevrouw en snikkend en hokkend begon ze de droevige geschiedenis te vertellen van een jaagpartij, die Lans den volgenden dag met vier Haagsche vrienden moest hebben, die allemaal bij ben moesten komen eten en dat vanochtend de tweede meid was weggeloopen. Ja, ’t was een tragisch geval, dat moest Elsa toegeven, ze begreep dat het moeilijk was om die lui te ontvangen, maar dat Lans geen zin had om ze af te telegrafeeren, daar voelde ze ook wat voor. „O, ik weet wat,” riep ze ineens, „ik weet wat. Wat zouden jullie er van denken als ik voor gedienstige speelde?” Mijnheer en mevrouw Lans zagen verrast op. „Maar Elsa, je hebt toch tot zes uur kantoor?” vroeg mevrouw. „Neen, tot halfzes; de fabriek sluit om zes uur.” , NEDERL. CHRISTEN-STUDENTEN-VEREENIGING. Verleden week hield de Nederlandsche Christen-Studenten-Vereeniging gedurende eenige dagen haar 20ste Zomerconferentie op de heide nabij Nunspeet. Het aantal deelnemers bedroeg dit jaar 271, tegen 225 in het vorig jaar. Ook een achttal Belgische studenten hadden aan den oproep van het hoofdbestuur gevolg gegeven en waren opgekomen, terwijl talrijke autoriteiten van hun belangstelling blijk gaven door mede als gast aanwezig te zijn. TERUGGEVONDEN
PDF
Nummer
1915, nr. 59, 22 juli 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA EEN ZENDING WILDE DIEREN. Een dezer dagen kwam met het stoomschip „Billiton” te Amsterdam een zending wilde beesten aan uit Nederlandsch Indië. Op onze foto ziet men een Maraboe, een soort van kropooievaar, die in Indië van Regeeringswege beschermd wordt omdat hij veel lastige dieren verslindt. te gaan. Maar de fooien zijn voor mij, hoor !” — Ze maakte nog wat gekheid en er werd afgesproken, dat Elsa den volgenden dag om 6 uur present zou zijn. Al vroeg in den ochtend den volgenden dag kwamen de vrienden van Lans uit den Haag naar het kleine dorpje waar ze zouden jagen. In den auto, die aan een hunner behoorde, zaten zemetz’n vieren : Van Hall, die advokaat was, De Kort en Loos, die beiden een betrekking aan het ministerie hadden en Van den Wege, die van zijn rente leefde. Ze waren in een uitbundige stemming, praatten over fuiven, die ze kortgeleden meegemaakt hadden, tapten moppen over aardige, lieve meisjes, namen De Kort ertusschen, den eenige van het gezelschap, die nog ongetrouwd was. „Zeg eens, kerel,” riep Van den Wege, „ben je daar nu. heusch zoo afkeerig van ? Waarachtig ’t is zoo kwaad niet, je werkt of je fuift en thuis vind je altijd weer een lief vrouwtje, die naar al je wederwaardigheden luistert.” „Nou maar, lief zijn ze toch allemaal niet,” merkte Loos bedenkelijk op, die minder prettige ervaringen op dat gebied scheen te hebben, „dievrouwelijke lieftalligheid,” hij zuchtte eens en zijn vrienden vroegen hem medelijdend of hij het dan zoo hard had. Alleen De Kort mengde zich niet in het gesprek, engagementen, huwelijken, hij dacht er maar liefst zoomin mogelijk over. Een jaar of drie geleden was hij in stilte verloofd geweest. Het meisje, een officiersdochter, wier ouders vroeg gestorven waren, en die zich door werken een weg in ’t leven had moeten banen, had hij leeren kennen toen ze bij zijn ouders gedurende eenigen tijd hulp in de huishouding was. Maar door het intrigeeren van zijn familie, die zoo’n meisje zonder geld geen geschikte partij voor hem oordeelde, was het weer afgeraakt. Toch had hij er veel van geweten en nog steeds had hij er niet toe kunnen besluiten zich met een ander te verloven, hoewel hij genoeg met knappe, gefortuneerde meisjes in aanraking kwam. De auto had intusschen zijn plaats van bestemming bereikt. De heeren stegen uit voor het huis van Lans, die hen hartelijk verwelkomde. Toen, gewapend met geweer en weitasch, trokken zij er op uit. Om zes uur was Elsa present. Mevrouw Lans hielp haar de japon aantrekken, strikte haar het witte schortje voor en zette het kanten mutsje met de coquette, zwarte strikjes op het blonde hoofdje. „Een allerliefst dienstmeisje/’ prees ze. „Nou, en ik zal nu eens zien met wat voor lui jouw man omgaat,” plaagde Elsa, „ik ben nu in de gelegenheid om ze te leeren kennen, hoor. O gut, daar zijn ze al,” en met een gilletje stoof ze de keuken in, terwijl mevrouw Lans met een glimlach de heeren tegemoet ging, die stoffig en luidruchtig door de achterdeur naar binnen kwamen. „Wacht, ik zal u even naar de logeerkamer brengen, dan kunt u zich wat opknappen.” en gezamenlijk gingen ze naar boven, terwijl Elsa op een afstand met warm water volgde, dat ze bescheiden bij de waschtafels neerzette. Een half uur later gingen ze opgefrischt en in een goede stemming naar de eetkamer, waar Elsa aan het buffet de soep stond op te scheppen, die ze toen ging ronddienen. Met gespannen blik volgde mevrouw Lans al haar bewegingen. Waarachtig, ze deed het handig, en snoezig zag ze eruit. Die Loos scheen haar ook leuk te vinden ; hij bedankte haar tenminste met een lief lachje voor het neergezette bord ; dat had ze nu net gezien. Maar ineens zag ze Elsa verbleeken en met onzekere hand het bord voor De Kort neerzetten. Wat was dat nu, ’t was of ze de kluts geheel kwijt was ineens; als de lui het maar niet merkten. Maar gelukkig schenen de gasten er niets van te zien; als echte lekkerbekken zaten ze te smullen aan de goedverzorgde gerechten, onderwijl opsnijdend over hun jachtavonturen. Alleen de Kort scheen niet op te gaan in het algemeene gesprek. Verstrooid zat hij aan zijn snor te draaien en tersluiks keek hij telkens naar het dienstmeisje aan het buffet. Hij had haar herkend, onmiddellijk, toen hij de kamer was binnengekomen. Elsa, Elsa, zijn lief meisje, waarmede hij drie maanden zoo gelukkig was geweest. Maar wat deed ze hier? Was ze zoo aan lager wal geraakt, dat ze als tweede meisje was gaan dienen ? Als twééde meisje ? God, hoe was dat mogelijk. En hij was het geweest, die haar in die ellende had gestort. EEN NAPOLEON-TENTOONSTELLING. In het Stedelijk Museum te Amsterdam wordt door den bekenden verzamelaar, den heer A. Th. Hartkamp, een tentoonstelling gehouden van portretten, prenten, curiosa, enz., betreffende den genialen keizer en veldheer Napoleon Bonaparte. De geheele collectie is chronologisch gerangschikt, zoodat men door deze tentoonstelling een uitstekend overzicht krijgt van het leven en de daden van den grooten Corsicaan vanaf zijn jeugd tot aan zijn sterfbed. De expositie, die 15 juli — den datum van het inschepen aan boord der „Bellerophon" — is geopend, zal op 15 Augustus gesloten worden. Hij had zich laf maar laten leiden door zijn familie, en positie en fortuin verkozen boven geluk. En daar stond ze nu in een zwarte japon met een muts op bij het buffet in de eetkamer van een zijner vrienden, in nederige houding de bevelen afwachtend. Ze stonden van tafel op en volgden den heer des huizes naar zijn studeervertrek om daar een sigaar te gaan rooken. Maar De Kort kon niet blijven zitten. Hij moest er alles van weten en hij sloop naar de gang en wachtte. Daar kwam ze aan, met een blad met glazen nogal. En hij ging aarzelend op haar toe en zei schor : „Elsa, wat beteekent dat, wat is er met je gebeurd ?” EEN ZENDING WILDE DIEREN. Bij de zending wilde dieren, die onlangs te Amsterdam aankwam, was ook een zeldzaam fraai exemplaar van een Koningstijger, die de zeereis eveneens zonder nadeelige gevolgen heeft afgelegd. Onze foto werd na aankomst van het schip, in het ruim genomen. Maar er klonken voetstappen in de gang; hij keerde zich haastig om en Elsa schoof naar binnen. ’t Was Loos, die hem lachend op de schouders tikte. „Zeg, jij komt daar geloof ik met dezelfde bedoeling als ik ; ’t is een lief kindje hè ?” En hij begon schetterig te grinniken. „Ruk op,” mompelde De Kort woedend en liep knarsetandend door. God, ’t was om te huilen. Daar kwam ze weer uit de keuken en nog eens ging hij naar haar toe. „Elsa,” fluisterde hij, haar handen omvattend, „luister nu toch eens; hoe komt dat allemaal, laat ik je helpen, zeg me wat ik voor je doen kan, maar ga hier toch in godsnaam weg.........” „Ik heb jehulpen je geld niet noodig,” zei ze kort. „Maar, . . . .” „Elsa,” riep een stem van binnen. Verduiveld, daar had die mevrouw haar weer noodig; een mooi baantje.... „Maar dat meen ik niet zoo,” ging hij een oogenblik later voort, toen ze weer met een schaal langs kwam. „ïk . .., ik bedoel of we het niet allemaal weer bij zouden kunnen leggen. God, Elsa, ik heb zoo naar je verlangd al die jaren. Elsa, laat het weer worden zooals vroeger . . . .” „Maar je gaf je liefde voor me prijs, omdat ik maar de gezelschapsjuffrouw van je moeder was, en wil je me nu wei hebben, nu ik maar het dienstmeisje van je vrienden ben ?” „Elsa, al was je schoonmaakster, al liep je achter een kar met appelen, jij, jij bent de eenige, die ik tot mijn vrouw zou willen maken.” „Meen je dat ?” vroeg ze ontroerd, en ze sloeg haar armen om zijn hals en vertelde toen hoe alles in elkaar zat. En toen vijf minuten later mevrouw naar haar dienstmeisje kwam zoeken en mijnheer eens ging kijken waar die De Kort toch wel mocht uithangen, toen stonden ze daar nog in teedere omarming. Allen waren het er over eens, dat het maar beter was, het dienstmeisje verder van haar plichten te ontslaan en met veel drukte werden de twee gelieven naar binnen gehaald, waar met een goed glas wijn hun geluk werd beklonken. M ART H A-STICHTIN G. Voor enkele dagen hield de Martha-stichting te Alfen aan den Rijn, onder begunstiging van uitstekend weer, haar 32ste Jaarvergadering, welke zeer goed bezocht was. EEN NIEUWE VERKOOPHAL. Verleden week is in het abattoir te Amsterdam een nieuwe verkoophal in gebruik genomen, waarvan wij hierboven een foto brengen. De hal is zeer practisch gebouwd en is in alle opzichten een aanwinst voor het abattoir.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1741 tot 1745 van 11897