Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1736 tot 1740 van 11897
Nummer
1915, nr. 58, 19 juli 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 Z. K. H. PRINS HENDRIK TE GOES. In ’t begin der vorige week bracht Z. K. H. Prins Hendrik een bezoek aan Goes. Maandagavond presideerde de Prins in de Groote Sociëteit aldaar een vergadering, waarin, in verband inet de oprichting van een afdeeling van het Roode Kruis, een tweetal redevoeringen werden gehouden om het groote nut van het Roode-Kruiswerk uiteen te zetten en voor de jonge afdeeling propaganda te maken. Links: Aankomst van Z. K. H. de Prins te Goes. Rechts: Z. K. H. bezichtigt eenige exemplaren van het prachtig Zeeuwsche paardenras. ken Zaterdagavond kwamen we in de sociëteit bijeen, de notaris, de kantonrechter, de ontvanger en ik, en wanneer de dokter kans zag | kwam hij ook. Dat gebeurde niet dikwijls, want hij had ’n zeer drukke practijk en het lukte hem maar zelden er een uurtje uit te breken. Ook dan stond hij een groot deel van den avond aan de telefoon, en maar al te vaak werd hij te midden van een gesprek weggehaald. Ons clubje werd „de Praters” genoemd, omdat we niet omberden, niet domino’den, niet lazen, ook niet overmatig dronken, maar louter en alleen bijeenkwamen om te praten. En dat ging niet over koetjes en kalfjes, niet over de schandaaltjes van den dag en evenmin over effecten, politiek of vrouwen ; neen, ik herinner me niet ooit leerzamer sociëteitsuurtjes gekend te hebben dan die Zaterdagavonden, waarvan ik altijd ’n gedachte rijker naar huis ging. De notaris vertelde van erfenis-intriges die hij meegemaakt had en die ons de merkwaardigste kijkjes gaven op den omlaaghalenden invloed van het geld op overigens brave menschen ; ook had hij ’n groote verzameling boeren-slimmigheden op zijn repertoire, die heel vermakelijk waren. De rechter raakte niet uitgepraat over de behendigheid waarmee beroepsmisdadigers zich wisten te verdedigen, de veelsoortige trucs van hun vak en de moeilijkheden die er aan verbonden waren om van hun schuld niet alleen wettelijk maar ook moreel overtuigd te zijn ; hij maakte de ingewikkeldste gevallen mee, wist van veel humoristisch’, maar ook van veel ellendigs te vertellen. De ontvanger was de vertrouwde van weduwen en gepensionneerden, en had van heel wat fatsoenlijke armoe gehoord, die ons dikwijls stil maakte van medelijden. Wat mijzelf betreft, ik had een uitgebreide verzameling van avonturen en anecdoten uit mijn Indische officiersjaren, waarvan de dokter, zooals hij plagend zei, maar de helft geloofde omdat het alles zoo ver weg en zoolang geleden gebeurd was. Ja, de dokter 1 Als die vertellen ging, hielden we allemaal graag onzen mond, want niet alleen bracht hij ons telkens weer in verbazing en bewondering over de nieuwe wonderen van de chirurgie, maar vooral boeiden ons zijn echt menschelijke verhalen over het verschrikkelijke lijden, over den wanhopigen strijd met den dood, over het verdriet en de pijn en het moedig gedragen leed dat hij dag in dag uit bijwoonde. Hij was uiterlijk een ruwe man, en hij verontschuldigde dit door te zeggen dat je bij dat eeuwige snijden en zagen wel onverschillig moest blijven, wilde je het volhouden. „Verbeeld je dat ik huilen moest bij elk been dat ik afzet 1” placht hij te zeggen. Ik weet dat hij een hart van goud'had, maar als je hem voor de eerste maal bijwoonde, en zijn kort-affe manier van spreken hoorde, zou je dat zoo dadelijk niet denken. Wanneer hij op de soos kwam, was het eerste wat hij deed het avondblad inzien. „Ik lees maar eenmaal in de week de krant,” zei hij. Zoodra hij binnenkwam, snelde de piccolo met de versche Rotterdammer op hem toe, wel wetend dat hij bij den dokter geen seconde te laat moest komen. En zoodra de krant was doorgezien — dat duurde geen kwartier — moest er thee voor hem klaar staan, niet te sterk, niet te slap ; en wee, zoo daaraan iets mankeerde. Maar als hij zijn kopje, met een onderzoekend gezicht en gefronste wenkbrauwen, leeggedronken had, dan begon hij te vertellen. *) Deze schets berust op een ware gebeurtenis. Van iemand die sublimaat had genomen, en blij was dat hij stierf ; van een patiënt die tegen alle regelen der wetenschap in met een poover restje nieren jaren lang in leven bleef; van een vrouw die haar vijf kinderen in een badkuip verdronken had om ze voor ellende te bewaren. Maar den avond waarvan ik u verhalen wil was hij anders dan gewoonlijk. Hij zag den piccolo, die hem de krant te laat bracht en op zijn kleine beenen te beven stond, opmerkzaam aan en zei : „je ziet er moe uit, jongen — krijg je wel te eten ? Slaap je wel lang genoeg?” En toen ging hij met den buffetchef staan praten en wees herhaaldelijk naar den piccolo, „Wel, dokter,” vroeg ik, „scheelt er wat aan van avond ? DE TAKS VAN DEN PRINS POSEERT! De overal bekende Taks van den Prins vergezelde Z. K. H. ook op zijn tocht naar Goes. Ofschoon hij zich op zijn vele reizen in den regel nogal op zijn gemak gevoelt, gaf hij dezen keer duidelijke teekenen van onrust en ondernam hij een wandeling door het belangstellend publiek. Een Goesche schoone ving den zwerveling op, bracht hem tot kalmte en poseerde even met hem voor onzen fotograaf. Daarna werd Taks in den Prinselijken auto gezet en vermaand om rustig te wachten op zijn meester, wat hij toen ook deed. last van sentimentaliteit?” Hij zuchtte. „Zoo iets,” zei hij kort. „En hoe komt dat ?” We trachtten hem aan ’t praten te krijgen, en toen zijn thee op was en hij den piccolo vriendelijk had toegeknikt omdat het zoo’n bizonder lekker kopje was geweest, gelukte dat ook. „Verbeeld je wat me vandaag gebeurd is : wordt me daar dat kleine duvelstoejagertje van ’t hotel De Kroon binnengebracht — twee ribben en ’n pols gebroken.” „Dat jongetje met al die koperen knoopen ?” vroeg de notaris. „Ja,” knikte de dokter. . We kenden hem allemaal, ’t chasseurtje, want we aten nog al eens in De Kroon, maar wat hadden we overigens ooit notitie van hem genomen ? Nu hem een ongeluk overkomen was, herinnerden we ons hem opeens allemaal. „Van de trappen gevallen ?” informeerde de ontvanger. „Ik zal ’t je vertellen,” ging de dokter voort. „Dat kind met z’n bleeke gezicht is dertien jaar. Juist zoo oud als jouw oudste jongen” — hij wees naar den kantonrechter — „voor wien je onlangs zoo doodsbenauwd was toen hij wat hoestte, en ’n jaar ouder dan mijn Willem, dien ik wel onder ’n glazen stolp zou willen zetten om hem voor zorg en verdriet en ziekte te behoeden. Van ’s morgens zes uur — zijn jullie een van allen ooit om zes uur op ? — tot ’s avonds twaalf is dat schaap in dienst. Jij gooit hem je jas toe, en jij je hoed, en ik m’n stok, en ’n ander stuurt hem om ’n boodschap of om ’n auto ; de ober jaagt hem de trap op naar kamer zooveel, en de portier snauwt hem af omdat ie zoo lang wegblijft en de directeur geeft hem ’n oorveeg als hij met z’ moeien rug tegen den muur leunt. Uren lang draait hij de vleugeldeuren rond om menschen in en uit te laten en daarbij neemt hij duizendmaal z’n pet af. Hij mag zien hoe rijke, lustige menschen, in avondtoilet, pratend en lachend in - en uitloopen, hoe ze af-en aansnellen in rijtuigen en automobielen, en de kostelijkste maaltijden verschalken waarvan hij de onooglijke, dooreengehutselde resten krijgt. „Stel je eens voor, heeren : dat ventje is daar achttien uren bijna zonder rusten aan ’twerk, op een leeftijd die zorg en toezicht, frissche lucht, goede verpleging en gezond voedsel vereischt. Hij is de voetveeg van iedereen, moet van den morgen tot den avond voor iedereen klaar staan. Krijgt hij ’n enkelen keer een fooi, dan grist de portier hem die uit de hand — wat denk je wel, lummel 1 die was natuurlijk voor mij bestemd ! Als hij naar beneden gaat om te eten — een half uur mag hij daaraan besteden — vindt hij koude, onsmakelijke overblijfselen, die de koksjongens niet meer lustten, en als hij aanmerking maakt slaat de kok hem om de ooren. Dikwijls ook heeft hij geen tijd om te eten, want bezig is hij den heelen dag : al het werk waar een ander geen zin in heeft, wordt hèm opgedragen. Als het voorjaar is, en andere kinderen in de wei spelen, leegt hij de aschbakjes in de hall ; als het een heldere vriesdag is en de jongens buiten sneeuwballen gooien, helpt hij de bezoekers in hun overschoenen. De buitenlucht geniet hij alleen op weg naar huis, ’s nachts om twaalf, en op weg naar ’t hotel, ’s morgens om zes. In den tijd daartusschen slaapt hij, de enkele uren waarmee menig sterk, volwassen mensch ’t op den duur niet zou uithouden. Als wij onze kinderen naar bed hebben gebracht, en ze ingestopt en goedennacht gezoend, en bezorgd gezegd dat ’t alweer halfnegen is, en dat ze maar lekker moeten slapen — dan neemt hij natte paraplu’s aan, en toetert om ’n auto, en draait de deur om en om, en rent trappen op en af. „Als hij nu nog maar eens ’n vriendelijk woord hoorde ! Hij herinnert zich niet dat iemand ooit lief voor hem is geweest. Gebeurt het jullie wel, dat je er zoo razend spijt van hadt een ruw woord tegen een van je kinderen gezegd te hebben — ofschoon het verdiend was ? Tegen dien jongen is niemand ooit anders dan ruw geweest.” De dokter zweeg even, en weer ging z’n blik naar den piccolo, die bij ’t biljart de punten stond aan te teekenen ; waarom lag dat kind nog niet in bed ? vroeg ik me af. De notaris schudde meewarig ’t hoofd. „Maar wat voor ouders zijn dat dan die zoo iets toelaten !” zei hij verontwaardigd. „Ouders? Z’n vader heeft ie nooit gekend; z’n moeder schijnt ergens in Brussel rond te loopen. Slapen doet hij op ’n zolder tusschen andere wrakke en mislukte zwervers, in de een of andere achterbuurt; dat kost hem vijftien cent per nacht, en daarmee is juist z’n weekloon gemoeid. Kleeren en eten heeft hij vrij .... O ja, ze behandelen hem royaal, daar in De Kroon ! Kunnen jullie ’t begrijpen dat hij nu en dan, als ’t toezicht even verslapte, wegsloop naar ’n plaats waar men zelfs hem wel even met rust liet, en dat hij daar ging zitten snikken van machteloos verdriet ? Dat waren nog z’n gelukkigste oogenblikken, zei de arme drommel.” PICCOLO DOOR J. T. VAN LEIDEN '
PDF
Nummer
1915, nr. 58, 19 juli 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA De piccolo kwam waarschuwen dat er van ’t ziekenhuis getelefoneerd werd, en de dokter stond op. „Ja, jongen, ik kom,” zei hij, en onder ’t gaan legde hij z’n hand op den schouder van ’t verwonderd duizendpootje. Spoedig daarna was hij weer bij ons. „Ik moet naar m’n patiëntje. Hij heeft erge pijn. Ik vrees voor de een of andere complicatie.” „Maar hoe is dat ongeluk nu eigenlijk gebeurd, dokter?” vroeg ik. Hij zag ons ernstig aan. „’t Werd hem eindelijk te machtig. Vanochtend stond hij op de bovenste verdieping, aan de open deuren van de lift,en keek in dien donkeren, diepen koker. Toen sprong hij naar beneden . . . .” Bij ’t weggaan keek de dokter nog over zijn schouder naar ons om : „vertel het je vrouw en je kinderen en je kennissen en iedereen allemaal schuld aan hebben !” -ÉÉNZELFDE GEDACHTE over de ijzeren balustrade, die het breede bordes > A _ op de tweede etage van de groote huurkazerne afsloot, ij keek Cyprian Beek met belangstelling naar beneden in le straat, waar een groep arbeiderskinderen vroolijk aan p het spelen waren. Drie weken geleden had hij, gekleed in een armelijke plunje, in dit groote gebouw waar vele huisgezinnen woonden, een kamertje gehuurd. Als consciëntieus journalist en schrijver had hij het noodig gevonden eenigen tijd te leven te midden van een armelijke bevolking, ten einde gegevens te verzamelen voor een reeks artikelen over „De werkbijen der maatschappij” in het letterkundig tijdschrift „De Planeet”. — „Pas op !” schreeuwde Cyprian opeens. Een eenvoudig gekleed jong meisje stak de straat over en wilde den grooten ingang van het gebouw binnengaan, toen ze bijna door de spelende kinderen werd het onderste boven geloopen. Het jonge meisje, door den uitroep gewaarschuwd, sprong achteruit en bedankte den jongeman met een glimlach, doch op hetzelfde oogenblik veranderde de glimlach op haar gelaat in een uitdrukking van grooten schrik en wees ze met den wijsvinger naar boven. Snel volgde Cyprian de aanwijzing en keek naar boven, doch zag nog slechts hoe er een bundeltje v&n een hoogere verdieping naar beneden viel vlak boven zijn hoofd. Instinctmatig strekte hij de beide handen uit als hij tegelijkertijd een bons op het hoofd voelde, waardoor zijn hoed over zijn oogen zakte en zijn pijp hem uit den mond viel. In zijn oogenblikkelijke blindheid greep zijn linkerhand het bundeltje goed vast, dat scheurde, terwijl hij het vastgreep, doch in zijn val gebroken werd en nu ook door zijn rechterhand werd vastgegrepen. De diep in zijn oogen gedrukte hoed belette hem te zien wat het was, doch een luid geschrei, dat uit het pakje kwam, terwijl hij dit naast zich op het balkon neerlegde, zei hem dat het een levend wezen bevatte. Met een krachtigen ruk en ten koste van een ontvelling aan zijn neus, gelukte het hem zich van zijn onvrijwillig masker te ontdoen, juist intijds om de jonge dame voor zich te zien staan hartelijk lachende over het op zoo grappige wijze geëindigde ongeval. „Vergeef me,” zei ze met tranen van het lachen in de oogen, „maar zoo’n combinatie van tragedie en comedie was te sterk voor mij. Ik moest lachen om uw pogingen uit uw hoed los te geraken of schreien van dankbaarheid jegens God voor het redden van de kleine.” JOANNISTHEELEN. De Weleerw. hr. JOANNIS THEELEN uit Beesel in Limburg, die een dezer dagen benoemd is tot Bisschop van Nicopoli in Bulgarije. en zeg dat we er EEN FRAAI KERKRAAM. Mevrouw de Weduwe A. van Vollenhoven-van Staveren heeft de Groote Kerk te Rotterdam ter nagedachtenis van wijlen haar echtgenoot, Antonie van Vollenhoven, een zeer fraai kerkraam geschonken. Het is een uitnemend stuk glasschilderkunst, voorstellende „De Bergrede”, ontworpen door den heer Velthuis en afkomstig uit de ateliers van den heer J. L, Schouten, te Delft. In tegenwoordigheid der schenkster. H. M. de Koningin, Z. K. H. Prins Hendrik, de Ministers en verdere autoriteiten is het raam Donderdag j.1. op plechtige wijze officieel onthuld. Mr. L-.H . W. REGOUT. Tot tijdelijk en buitengewoon Gezant bij Z. H. den Paus is benoemd Mr. L. H, W. REGOUT, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, oud-minister van Waterstaat. Mr. Regout werd den 27en October 1861 te Maastricht geboren,promoveerde op 22-jarigen leeftijd als civiel-ingenieur aan de Leuvensche Universiteit en in 1896 tot doctor in de rechten aan de gemeentelijke Hoogeschool te Amsterdam. In parlementaire kringen geldt hij als een persoonlijkheid van erkende bekwaamheid en als begaafd redenaar, die zoowel in als buiten het Parlement in zijn welverzorgde redevoeringen blijk gaf van zijn uitgebreide kennis. HET ROOIEN DER AARDAPPELEN. DE VEILING. Ia heusefi, lezer, U hebt goed gelezen: Goudmijnen in Nederland. Het zijn natuurlijk geen echte goudmijnen, d want aan goud in den grond is ons vaderland even arm als het rijk is aan dat kostbare metaal boven den grond. In klinkende munt dan natuurlijk. Wat wij met goudmijnen bedoelen, zijn de honderden hectaren bouwgrond in de Streek (Noord-Holland), beplant met vroege — z.g. „nieuwe” aardappelen. —- Als U daar eens, zooals wij gedaan hebben, thans een kijkje ging nemen, nu de rooitijd in vollen gang is, dan zoudt U over ons opschrift niet verbaasd zijn geweest. Want er wordt daar geld verdiend; geld bij hóöpen. ’s Morgens vroeg, heel vroeg, om drie uur, is de landman al op zijn akker om te rooien, zoo hard het maar gaan kan. Gelukkig als de „stoelen” (aardappelplanten) rijk beladen zijn! Want dat beteekent dan natuurlijk een dubbele oogst. Tijdens het rooien worden de aardappelen reeds gesorteerd in „groote” en „kleine”. — Dan komen zij aan de veiling van de marktvereeniging „De Tuinbouw” aan ’t station Bovenkarspel. Dat is me daar ’s middags om een uur of twee een groote bedrijvigheid. Soms komen er 300 en meer schuiten aan den afslag, alle volgeladen met Cyprian keek haar aan, terwijl ze de kleine in de armen nam en het suste, en bewonderde de bekoorlijkheid en lieflijkheid van haar verschijning. „Om ’s hemelswil geen verontschuldigingen,” antwoordde Cyprian. „Ik ben overtuigd, dat mijn figuur bespottelijk genoeg was om elke uitbarsting van vroolijkheid te wettigen.” „Ja, werkelijk 1” stemde het jonge meisje opnieuw lachende in. Dezen keer werkte de vroolijkheid zoo aanstekelijk, dat Cyprian er luid mee instemde. „Ik ben blij dat u niet boos op mij is,” zei het jonge meisje. „O, hemel, daar komt de moeder van de kleine 1 Kijk in vredesnaam ernstig, anders verdenkt ze mij nog van ongevoeligheid, die ik zeker ben niet te bezitten.” Op deze wijze leerde Cyprian Beek juffrouw Claire Edwards kennen, die in W. 157 van Popham’s huurkazerne woonde. Gedurende de dagen die volgden, betrapte hij er zich op, dat hij als ’t ware instinctmatig het balkon opliep tegen den tijd dat het jonge meisje naar huis terugkeerde met een pakje naaiwerk in de hand. Het meisje interesseerde hem, omdat ze zoo geheel verschilde van de vrouwen uit haar omgeving. Bovendien was ze onuitsprekelijk lief en mooi. Haar zacht rond gelaat, de fraai gevormde wenkbrauwen, de lachende bruine oogen waren van een zeldzame bekoorlijkheid. a Cyprian zag haar gelaat des nachts in zijn droomen en des daags tijdens zijn werkzaamheden. Juist in dezen tijd deed Claire hem een verrassend voorstel. ,,U schijnt zoo alleen,” zei ze tot hem, toen ze hem weer op het balkon, dat rond het geheele reusachtige gebouw liep, ontmoette, „en blijkbaar zonder vrienden. Ik ben ook alleen, er is hier niemand, dien ik ken. Ik zou graag eens met u praten. Waarom zouden we niet samen verkeeren ?” Onze journalist was door het vrijmoedige voorstel zoo verbluft, dat zij dit opmerkte en teleurgesteld vervolgde : „Misschien vindt u mijn idee niet goed? Als dat zoo is, zeg ’t mij dan dadelijk. Misschien is het in Yorkshire, waar u zegt vandaan te komen, geen gewoonte.” „Ik vrees dat ik u niet goed begrijp,” zei Cyprian verward. „O, hoe grappig !” lachte het meisje. „Iedereen begrijpt dat toch 1 Of,” onderbrak zij zichzelve, terwijl een donkere blos over haar bekoorlijk gezichtje vloog, „u denkt toch niet, dat ik bedoelde „geëngageerd zijn”, is ’t wel? Hoe dom van mij,” ging ze gejaagd voort, „natuurlijk, vele menschen bedoelen met „verkeeren” dat ze geëngageerd zijn. Maar ik meende ...” „Och, ’t was dom van mij,” zei Cyprian, angstvallig verdere verontschuldigingen willende vermijden. „Het is heel vriendelijk van u, dit te willen voorstellen. U moet mij mijn Yorkshiresche stommiteit vergeven. Ik begrijp nu dat uw bedoeling is met elkander vriendschappelijk om te gaan, waarbij voor het overige ieder voor zichzelf zorgt, en zijn eigen onkosten betaalt, terwijl als men „geëngageerd” is, alleen...” „Natuurlijk, dan zou jij voor ons beiden moeten betalen,” ging het meisje lachend voort, het voor beslist houdende, dat haar voorstel was aangenomen. „Goed begrepen dus. We zijn twee kameraden. En nu zou ik dadelijk öp je kameraadschap beslag willen leggen, om van avond ergens heen te gaan. ’t Kan mij niet schelen waarheen 1” HET VERLADEN DER, AARDAPPELEN. vroege aardappelen. Sommige dagen bedraagt de aanvoer 20.000 en meer halve H.L, Als u nu even nagaat dat de gemiddelde prijs van een zak aardappelen f 2.50 bedraagt, dan beteekent dat in ’t drukst der campagne een omzet van f50.000 per dag. lederen dag een halve ton! Of er dus goud in den grond zit, al is het geen baar goud. Het afslaan der schuiten gaat evenals op de aardbeienveiling te Beverwijk, waar wij U onlangs van vertelden, per electrisch afmijntoestel. Na afloop der veiling begint de drukte bij t verladen. De aardappelen, aangevoerd in zakken op zwaarte van 36 K.G., worden nu overgestort per baal ter gewicht van 50 K.G. Wagons bij wagons worden nu volgeladen, tot eindelijk de „goederen”-trein gereed staat. Treinen met 40 a 50 volgwagons zijn in den drukken tijd geen zeldzaamheid. — De meeSte groothandelaars koopen voor Duitsche firma’s waarnaar iederen dag de aardappeltreinen worden verzonden. Natuurlijk gaat niet alles naar Duitschland, maar blijft er ook een groot gedeelte in het land voor binnenlandsch gebruik. Dat de omzet aan station Bovenkarspel van beteekenis is, kan blijken uit het feit, dat b.v. op 8 Juli j.1. reeds voor een millioen gulden geveild was’ GOUDMIJNEN IN NEDERLAND.
PDF
Nummer
1915, nr. 58, 19 juli 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 BOND VAN STEEN HOUWERS-PATROONSVE R E EN IGl NGEN IN N EDERLAN D. Verleden week Woensdag en Donderdag hield de Bond van Steenhouwers-Patroonsvereenigingen in Nederland zijn negende algemeene jaarlijksche vergadering in „Buitenlust” te Utrecht, onder voorzitterschap van den heer C. G. Simons uit Amsterdam. Hierboven een foto van de vergaderden. VEREENIGING VAN HANDELAREN IN BOUWMATERIALEN. De Vereeniging van handelaren in bouwmaterialen hield Woensdag 1.1. te Haarlem haar 22e algemeene vergadering, onder leiding van den heer W. A. Lensink, die in zijn openingsrede het 10-jarig bestaan herdacht. Aanvankelijk was het het voornemen dit feit te herdenken door het organiseeren van een tentoonstelling van bouwmaterialen, doch wegens de tijdsomstandigheden is dit niet gebeurd. II. Er brak nu een aangename tijd aan voor Cyprian Beek. In het begin deed hij zijn best zich de opvatting van het meisje eigen te maken en elkander te beschouwen als twee eenzelvige menschen, zonder vrienden of kennissen, die behagen schepten in elkanders gezelschap als een paar trouwe kameraden. Langzamerhand begon zich bij hem zijn gevoel te wijzigen, tot hij eindelijk tot de overtuiging kwam, dat hij tot zijn ooren verliefd was geraakt op het jonge meisje. Hij was gaandeweg tot het besef gekomen dat dit meisje uit de lage volksklasse even beschaafd en welopgevoed was als de jonge dames die hij steeds ontmoet had. Nochtans, hoewel hij zeer liberaal was in zijn opvatting betreffende rang en stand, zei zijn gezond verstand hem toch, dat het voor zijn positie en toekomst de reinste dwaasheid zou zijn, om zich een vrouw te kiezen uit de onderste lagen der maatschappij. Hij dacht zoo niet als hij met Claire wandelde. Dan vergat hij vooroordeel en besluiten en was hij zich alleen bewust dat ze mooi was en even goed als mooi. Vreemd genoeg kwam het hem dan voor alsof de rollen verwisseld waren en hij integendeel geen partij voor haar was. Zij scheen hem dan een meisje ver boven hem verheven, alsof ze de dochter van een baronet was, en hij een slechtbetaalde pakknecht in een warenhuis, waarvoor hij zich bij haar had uitgegeven. Dit was niet geheel bezijden de waarheid, want in werkelijkheid nam hij gedurende eenigen tijd deze betrekking waar. Als men het leven van ’n vlijtige, doch arme groote-stadsbevolking wil bestudeeren, is het niet voldoende er onder te wonen, maar moet men zich ook geheel bij hen aanpassen en alle verdenking van een bespieder bij hen wegnemen door met hen en onder hen te werken. Je leeft daar in een atmosfeer van wantrouwen, wordt als een indringer beschouwd, waardoor je verhinderd wordt een juisten kijk op het leven daar te krijgen. Cyprian was geen dwaas en had alvorens hij zijn intrek in de groote huurkazerne van Popham nam, zich de nederige betrekking van pakknecht in een warenhuis verzekerd. Het salaris was geen beletsel. Claire kende hem dus als een voor een schamel loon werkende ondergeschikte, niet in staat om over trouwplannen te denken, alvorens zijn vooruitzichten wat beter werden. Aldus redeneerde hij tot zichzelf. Over haar eigen werkkring bewaarde zij een onverklaarbaar stilzwijgen. „Het hindert niet hoe ik aan den kost kom,” zei ze op een avond, dat ze beiden in een bioscooptheater zaten. „Ik heb nog geen enkele maal om jouw vertrouwen gevraagd. Je vertelde mij vrijwillig alles over je werk. Je bent niet boos, is ’t wel ?” ging ze voort, terwijl ze hem verlegen aanzag. „Ik zou je gaarne alles van me vertellen als ik kon.” Er waren tranen in haar oogen en ze onderdrukte een zucht. Het volgende oogenblik was ze echter weer het vroolijke meisje van altijd. „Laat ons voor het tegenwoordige leven,” zei ze, naar Cyprian meende met voorgewende luchthartigheid. „Laat ons niet aan de toekomst denken. Ik wil me van avond amuseeren, met jou. Het zal de laatste dag van een gelukkigen tijd zijn.” — „De laatste dag?” vroeg Cyprian. „Och, let toch niet op wat ik zeg,” zei ze snel. „Ik praat onzin vanavond. Let op, we krijgen weer een nieuw nummer.” EEN MILITAIRE PLECHTIGHEID. Verleden week had op het Malieveld te ’s-Gravenhage de plechtige beëediging plaats van den bij het regiment Grenadiers benoemden reserve-2e-luitenant W. j. van Duysberg, ridder der Militaire Willemsorde, bij kon. besluit van 5 Juli j. 1. benoemd tot officier. Bij den Boxeropstand in China was luitenant Van Duysberg als tolk verbonden aan het Nederlandsch Gezantschap te Peking en onderscheidde hij zich bij een aanval op het Gezantschap dermate, dat hij benoemd werd tot ridder in de Militaire Willemsorde. Links op de foto de commandant van het regiment Grenadiers, luitenant-kolonel Jhr. Van Suchtelen van de Haare. Gedurende den rit naar huis in de tram babbelde Claire voortdurend. Ze scheen in een opgewonden stemming. Cyprian had haar nog geen enkelen keer zoo gezien. Ze bereikten het vierkante massale gebouw, waarin beiden een klein vertrekje bewoonden en stapten het balkon op, zooals zij zoo vaak deden. Beiden leunden over de balustrade en keken naar beneden in de nu uitgestorven straat. Claire was nu ook stil geworden. Plotseling werd Cyprian de bekooring die van het meisje uitging te sterk. Wat maalde hij om het oordeel der wereld, die dwaze bekrompen wereld ? Hij beminde haar, dat was voldoende. Hij trok haar naar zich toe, nam haar in de armen en kuste haar. Zij zuchtte van geluk en een oogenblik rustte haar hoofd tegen zijn schouder. Een oogenblik slechts, toen maakte zij zich zacht uit zijn omarming los en staarde met betraande oogen in de duisternis. „Laat me . . . laat me even denken,” zei ze. „Je bemint mij, Cyprian, vanavond ; doch morgen zul je mij haten. Ja, je zult mij haten,” ging ze treurig voort, „je moet mij haten, want ik ben een lafaard. Maar vanavond . . . beloof me dat je mij niet zult volgen . . . beloof ’t mij !” „Ik beloof ’t je !” zei Cyprian. „Vanavond, Cyprian, heb ik je lief, heel, heel lief,” ging ze voort, nam zijn hoofd tusschen haar handen en kuste hem innig op de lippen. Toen vloog ze de trappen af en was verdwenen. Den volgenden avond, na volbrachte dagtaak, wachtte Cyprian met angstig verlangen op het meisje, dat hij liefhad, — hij wachtte evenwel tevergeefs. Zij was verdwenen. * * ♦ Ongeveer een jaar later, Cyprians boeiende artikelen over het leven der lagere volksklasse hadden hem een welverdienden naam bezorgd in de letterkundige kringen, gaf de uitgever van „De Planeet” een diner aan letterkundigen en schrijvers met wie hij op eenigerlei wijze in relatie stond. Cyprian Beek behoorde ook tot de genoodigden. Zijn gelaat stond ernstig en aan zijn slapen vertoonden zich eenige grijze haren, een gevolg van zijn tevergeefs zoeken naar Claire. „Ah, geachte vriend,” zei de uitgever, terwijl hij hem de hand schudde. „Er zijn al heel wat gasten. Je ziet er verdrietig uit. Dat moet niet, hoor 1 De geheele wereld ligt voor je. Kom, ga mee, ik moet je in kennis brengen met een nieuwe ster in onze letterkunde, hetzelfde genre als jij 1 Ah, mevrouw, mag ik u voorstellen : de heer Cyprian Beek, Lady Claire Maxwell I” Cyprian keek op en zag — Claire Edwards. „Wat een zonderlinge samenloop van omstandigheden, dat we beiden eenzelfde idee hadden en beiden elkander bedrogen,” zei Lady Claire later, toen ze elkander wederkeerig de noodige verklaringen gegeven hadden. „Wat zou ik hebben moeten doen als je je aanzoek niet herhaald had ? Ik zou mij uit de wereld hebben teruggetrokken, want ik had je nimmer meer onder de oogen durven komen, nadat ik je vroeger zoo slecht behandeld had. Het was onvoorzichtig een dochter van het volk te worden en ik heb er voor geboet. Want, geloof me, ik heb je steeds liefgehad. Ik was echter te laf en durfde niet te trouwen met een pakknecht uit een warenhuis. Nochtans, ik ben al dien tijd diep ongelukkig geweest, omdat ik daartoe toen den moed gemist had. Doch nu is alles goed !” En ze kuste hem voor de tweede maal. (foto de Gilde). MINISTER POULLETTE UDEN. Verleden week heeft de Belgische Minister Poullet een bezoek gebracht aan het Vluchtoord Uden. V. 1. n. r.: Jhr. Mr. Ch. Ruys de Beerenbrouck, Reg. Comm. voor de vluchtelingen in Noord.-Brab. en Zeeland; J. W. Sijstermans, Burgemeester Vluchtoord Uden; Z. Ex. Belgisch Min. van Kunsten en Wetenschappen, Poullet; Jhr. Mr. Snoeck Hurgronje; overste J. R. A. Wilhelm, Reg. comm. v. h. Vluchtoord Uden; J. M. A. Zoetmulder, Civ. Ing., Bouwleider Vluchtoord Uden; Mr. Dony, Belgisch Consul te ’s-Hertogenbosch, R. Standaart, chef van den bouw der verplaatsbare woningen; R. W. Verdegen, directeur der Werkverschaffing in het Vluchtoord Uden. BUSTE JAN L,. SPRINGER. In ’t gebouw der Academie van Beeldende Kunsten te ’s-Gravenhage wordt o.a. ook tentoongesteld een door den Belgischen beeldhouwer Stefan de Vriendt uit klei vervaardigde buste, voorstellende den heer Jan L. Springer, den onlangs overleden directeur der Academie, die 9 jaar aan het hoofd stond dezer inrichting. EEN VLAAMSCHE BETOOGING. Verleden week Zondagmiddag hield een groot aantal Vlamingen een betooging in het Bosch van Bredius in het Gooi, ter herdenking van den Gulden Sporendag in 1302, Honderden Vlamingen en Nederlanders hadden aan den oproep van de redactie van de „Vlaamsche Stem”, die dezen „Vlaamschen” dag had georganiseerd, gevolg gegeven. Coers’ Zangkoor uit Utrecht luisterde de bijeenkomst, die schitterend geslaagd mag heeten, op. (foto D. v. Kreveld.) NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 59, 22 juli 1915
Blad
01
Tekst
No. 59 (4a) 22 Juli 1915. Afzonderlijke Nummers f 0.073 UITGAVE A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ LEIDEN = RED. EN ADM. DOEZAS'TRAAT 1, TEL. 1. HET OPENLUCHTSPEL OP DEN HONDSBERG TE OISTERWIJK Hamul [de derde van links), met zijn vrienden (Foto's V. D e Katholieke Kunstkring te Oisterwijk had een aantal beroepsspelers en dilettanten uitgenoodigd, om Zondag lö Juli op een opengehakte plek in het bosch nabij Oisterwijk onder leiding van Vincent Berghegge en W. van der Veer, op te voeren het bijbelsch tooneelspel „De Verloren Zoon van pater Willem Smulders. De vertooning is schitterend geslaagd. De belangstelling was grooter, dan men ’s morgens had durven hope< terwijl het weder er toe bijdrtfeg, dat deze dag er een geworden is van groot genot voor de aanwezigen. Pater Smulders heeft in dit tooneelspel getoond te beschikken over een groofedrama- Helon [v. d. Veer). Links: Asor fv. Staalduynen). Rechts: Enan [Arbous], oudste zoon van Helon F. B.f Hamul vertelt zijn slaven dat hij zijns vaders huis gaat verlaten tische kracht, terwijl er gedeelten in voorkomen van groot, en innigstmenschelijkgevoel. Van deninhoud van het stuk deelen wij het volgende mede: Het eerste bedrijf verplaatst ons op het terras van het huis van den HerdersvorstHelon, enkele uren voor het vertrek van diens jongsten zoon Hamul. Het tweede bedrijf, ruim 9 maanden later’ speelt in Arabie, waar Hamul sedert 7 maanden in overdaad en verkwisting leeft, — op den dag dat hij t laatste feest geeft. Hef derde en laatste bedrijl speelt wieder in het ouderlijk huis, w>aarin Hamul is teruggekeerd. Den 19en, 20en, 21 en en 22en Juli is hef stuk herhaald. Hamul verlaat het huis van zijn vader
PDF
Nummer
1915, nr. 59, 22 juli 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 UIT HET ZWARTE BOEK b VAN ’N TELEGRAFIST | DOOR J. T. VAN LEIDEN | (Vervolg). diepliggende oogen waren scherp en helder. „Ik zocht nog naar ’.t licht toen u binnenkwam,” antwoordde Mary bedaard. Maar de toon van Saninovitch’ stem had me genoeg bewezen dat hij haar de rol, die ze nu op zich genomen had, niet lang zou laten spelen. Hij stond vlak voor haar en zag haar nog altijd strak aan. Voor ’t eerst was er iets als een glimlach om zijn mond. Geen man, die zich door een vrouw van de wijs zal laten brengen, dacht ik. Hij deed nog een pas vooruit, zoodat haar zelfs de ruimte tot opstaan zou ontbroken hebben ; toen zei hij rustig : „het is niet de eerste maal dat men met vrouwen op me jaagt; wanneer er dus een vriendelijk tegen me is, ben ik gewoon op mijn hoede te zijn. Ik houd ze dan zooveel mogelijk in mijn gezelschap, teneinde beter te kunnen nagaan wat ze uitvoeren.” Hij bukte zich naar het koffertje, maar bleef Mary onafgewend aanzien. Zijn hand rustte op de veer waarmee de verborgen lade geopend moest worden, maar hij bracht ze nog niet in werking. „Het leek me volstrekt niet,” ging hij voort, „dat u vanavond thuis wilde blijven. Daaromkwam ik wat eerder terug. Nu zullen we eens zien wat u uitgevoerd hebt.” Hij drukte de veer omlaag en knikte een paar maal met het hoofd toen hij de ledige ruimte zag. ,,Het spijt me, maar ik moet u de onmiddellijke teruggave vragen van de documenten die hierin lagen. Dwing me niet ze u met geweld af te nemen.” „Ik kan u niets teruggeven, want ik heb niets,” zei Mary kalm. Hij maakte een ongeduldig gebaar. „Gekheid ! Nu moet deze comedie uit zijn ” Hij greep haar handen, die ze hem ontrukte, maar hij was haar te sterk en te vlug. Voor ze twee passen gedaan had in de richting van het balcon, had hij opnieuw haar polsen omklemd; hij schuddehaar heen en weer, drukte haar»dan achterover op de canapé en schroefde de handen op haar keel: „de papieren terug — of. ...” Maar ik hield dit niet langer uit. Hij had den rug naar me toegekeerd — de kans was te mooi. Eer hij ’t geluid van de openvliegende balcondeuren had gehoord, had ik mijn hand achter in zijn kraag geklauwd en rukte ik hem achterover ; nog terwijl hij viel greep ik wat ’t dichtst in mijn buurt was, een tabouret, sloeg die op zijn schedel aan stukken. Met een doffen smak kwam hij op het dikke tapijt neer, bleef dan roerloos liggen. Mary, de handen voor de oogen, smoorde een kreet ; daarna zagen we elkaar een seconde aan, eikaars gedachten radend. . . . De weg naar de misdaad is breed en gemakkelijk. „Sluit de gordijnen !” beet ik haar toe. Met een paar handdoeken bond ik eerst de handen, dan de voeten van den bewusteloozen man aan elkaar. In het midden van een derden doek legde ik een zwaren knoop, wrong hem dien in den mond, knoopte de uiteinden stevig achter zijn nek vast. „Zoo — dat geeft ons den tijd te ontsnappen.” Ik veegde het zweet van mijn voorhoofd, dorst Mary niet aanzien, die met trillend lichaam bij de deur stond, luisterend. Ik hoorde haar tanden klapperen. „Moed, kleintje !” Ik trachtte mijn stem een vasten klank te geven. Op een tafeltje stond een karaf; ik rook er aan: whiskey. „Hier, drink; ’t zal je goed doen.” Ik nam zelf ook een slok, keek naar Saninovitch, die scheen bij te komen. „Maar nu —” Ik zag rond. Zou Mary langs het beddelaken kunnen afzakken ? Maar een gedachte sprong in me op ; ik greep den knop van de gangdeur : de deur was open ! Saninovitch, bij zijn binnenkomen door het ongewone bezoek verrast, had verzuimd ze te grendelen. Ik zag de gang langs — niemand. Mijn besluit was genomen. „Vlug — je bagage ! Pak alles zoo gauw mogelijk bij elkaar : we kunnen nog juist den nachttrein naar Genua halen. Ik wacht je in de hall.” Mary’s zelfbeheersching was bewonderenswaardig. Met groote kalmte gaf ze het kamermeisje haar bevelen, terwijl ik naar beneden ging na nog een laatsten blik op Saninovitch te hebben geworpen, die teekenen van terugkeerend bewustzijn begon te geven. Ik zag toe hoe Mary aan het bureau haar rekening regelde, daarna rustig den auto afwachtte — Saninovitch’ auto, die altijd tot haar beschikking stond ! — en naar DE VLOOTUITBRÊIDING IN AMERIKA. In Amerika is men hard bezig met het uitbreiden der vloot. Onlangs gaven wij reeds een foto van het te water laten van de „Pennsylvania”, terwijl wij hierboven de super-dreadnought „Arizona” reproduceeren, die voor enkele dagen, onder zeer veel belangstelling, van stapel is geloopen. het station reed, waar ik haar spoedig inhaalde. In het overvolle hotel, waar komende en gaande reizigers tot diep in den nacht dooreen wemelden, had men haar vertrek nauwelijks opgemerkt. V. Eerst den volgenden morgen, gemakkelijk ge­ ïnstalleerd in een eerste-klasse coupé, die buiten ons geen andere reizigers bevatte, kwam langzamerhand een gevoel van betrekkelijke veiligheid en rust over ons. We gaven den indruk van een jong getrouwd paar ; een groote bos anjers, violetten en rozen, aan een tusschenstation gekocht, versterkte dien nog, en we lieten de reizigers, die nu en dan bescheiden ons compartiment binnengluurden, in dien beveiligenden waan. De trein snelde Italië binnen in het blanke, milde zonlicht dat de Middellandsche Zee overstraalde, de violette, zuidelijke zee. En lui geleund in onze kussens, speelden we onze rol van jonge, gelukkige menschen, die voor hun loutere genoegen reisden, zoo goed, dat onze zenuwen er inderdaad den wreldadigen invloed van gevoelden. Bij Ventimiglia stond de conducteur lang en ernstig met een geüniformd beambte bij ons portier te praten ; nu en dan zagen ze naar binnen. Het scheen dat ze iets of iemand zochten, en op eens, als bij afspraak, begonnen ze ons met een reeks radde, Italiaansche vragen te overstelpen. Voor zoover onze kennis van de taal ons toestond te begrijpen was het hun om onze paspoorten te doen ; het hart klopte ons in de keel, maar we bedwongen ons, zaten hand in hand tusschen onze kussens en onze bloemen, en beantwoordden hun vragen met een vriendelijk schouderophalen. Mary glimlachte de beide mannen toe, maakte een gebaar van allerliefste wanhoop: „we zijn Engelschen, we verstaan u niet !” De beambten spraken nog wat met elkaar, terwijl wij ons weder als tortelduiven tegen elkander drongen ; ze zagen nog eens om en gingen toen heen, terwijl we een van hen zeggen hoorden : „verliefde idioten . . . Neen, die zijn ’t niet !” Na een lange stilte zei Mary : „hoe lang zullen we dit kunnen volhouden.... We zoeken het avontuur, en eiken keer is het zoo drukkend en beangstigend ! Wat zouden we doen als deze reis eindigde met ons van aangezicht tot aangezicht met Hannock te brengen ?” Ik zag in haar moede grijze oogen, en ik had wel willen antwoorden : gooi die Gibraltar-papieren weg — laten we met het restje van je credietbrief ergens ons geluk gaan zoeken, werken, hard werken voor ons bestaan in een vergeten Italiaansch dorpje ... . Maar ik zei: „Ja — Hannock ! Die wordt ons noodlot — dien ontkomen we niet! we dachten veilig te zijn, omdat de wereld groot en wijd is, maar onze weg richt zich weer op hem, langs Morlay. Kan hij iemand meer haten dan ons, die hem verraden hebben ?” Mary rilde. Ze hield de handen voor ’t gezicht. „O — die man is mijn nachtmerrie......... ik ben bang voor hem als een vogel voor een slang !” Maar het was me of mijn moed groeide door haar angst. Ik voelde dat ik haar beschermen moest. Ik greep haar hand en hield die in de mijne en zei: „wat er ook gebeurt, we zullen er ons doorslaan. Samen zijn we onoverwinnelijk !” De trein snelde voort tusschen de blauwe bergen, door de golvende velden en stopte niet eer voor we in Genua aankwamen. Daar was ons eerste werk ons in een hotel te installeeren, om van daar uit de verblijfplaats van Morlay na te sporen. We begonnen met de lijsten van aangekomen vreemdelingen door te zien, ofschoon half overtuigd dat hij niet onder zijn eigen naam zou reizen. Ook informeerden we aan de post en bij de politie. Alles zonder resultaat. Er zat niets anders op dan de hotels af te loopen. Dat deden we den volgenden dag ; ieder een aantal voor onze rekening nemend. We begonnen met de voornaamste : daarin was natuurlijk een misdadiger veel veiliger dan in obscure logementjes die door de politie worden afgezocht. Na overal vergeefs gezocht te hebben ging ik volgens afspraak naar ’t Grand Hotel, waar we elkaar zouden treffen. Ik zag in de hall rond, rookte ér een sigaret, liep de aangrenzende zalen binnen. Mary was niet te zien. Zou ze nog niet terug zijn, zijn spoor ergens gevonden hebben, hier in ’t hotel misschien ? Onverschillig slenterend liep ik de gangen af van de eerste, de tweede, de derde verdieping.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1736 tot 1740 van 11897