|
15 PANORAMA
De piccolo kwam waarschuwen dat er
van ’t ziekenhuis getelefoneerd werd, en
de dokter stond op.
„Ja, jongen, ik kom,” zei hij, en onder
’t gaan legde hij z’n hand op den schouder
van ’t verwonderd duizendpootje.
Spoedig daarna was hij weer bij ons.
„Ik moet naar m’n patiëntje. Hij heeft
erge pijn. Ik vrees voor de een of andere
complicatie.”
„Maar hoe is dat ongeluk nu eigenlijk
gebeurd, dokter?” vroeg ik.
Hij zag ons ernstig aan. „’t Werd hem
eindelijk te machtig. Vanochtend stond
hij op de bovenste verdieping, aan de
open deuren van de lift,en keek in dien
donkeren, diepen koker. Toen sprong hij
naar beneden . . . .”
Bij ’t weggaan keek de dokter nog over
zijn schouder naar ons om : „vertel het je
vrouw en je kinderen en je kennissen en iedereen
allemaal schuld aan hebben !”
-ÉÉNZELFDE GEDACHTE
over de ijzeren balustrade, die het breede bordes
> A _ op de tweede etage van de groote huurkazerne afsloot,
ij keek Cyprian Beek met belangstelling naar beneden in
le straat, waar een groep arbeiderskinderen vroolijk aan
p het spelen waren.
Drie weken geleden had hij, gekleed in een armelijke
plunje, in dit groote gebouw waar vele huisgezinnen woonden, een
kamertje gehuurd. Als consciëntieus journalist en schrijver had hij het
noodig gevonden eenigen tijd te leven te midden van een armelijke
bevolking, ten einde gegevens te verzamelen voor een reeks artikelen
over „De werkbijen der maatschappij” in het letterkundig tijdschrift
„De Planeet”. — „Pas op !” schreeuwde Cyprian opeens.
Een eenvoudig gekleed jong meisje stak de straat over en wilde den
grooten ingang van het gebouw binnengaan, toen ze bijna door de
spelende kinderen werd het onderste boven geloopen.
Het jonge meisje, door den uitroep gewaarschuwd, sprong achteruit
en bedankte den jongeman met een glimlach, doch op hetzelfde
oogenblik veranderde de glimlach op haar gelaat in een uitdrukking
van grooten schrik en wees ze met den wijsvinger naar boven. Snel
volgde Cyprian de aanwijzing en keek naar boven, doch zag nog slechts
hoe er een bundeltje v&n een hoogere verdieping naar beneden viel vlak
boven zijn hoofd. Instinctmatig strekte hij de beide handen uit als
hij tegelijkertijd een bons op het hoofd voelde, waardoor zijn hoed over
zijn oogen zakte en zijn pijp hem uit den mond viel. In zijn oogenblikkelijke
blindheid greep zijn linkerhand het bundeltje goed vast, dat
scheurde, terwijl hij het vastgreep, doch in
zijn val gebroken werd en nu ook door zijn
rechterhand werd vastgegrepen. De diep in
zijn oogen gedrukte hoed belette hem te zien
wat het was, doch een luid geschrei, dat uit
het pakje kwam, terwijl hij dit naast zich op
het balkon neerlegde, zei hem dat het een
levend wezen bevatte.
Met een krachtigen ruk en ten koste van
een ontvelling aan zijn neus, gelukte het
hem zich van zijn onvrijwillig masker te
ontdoen, juist intijds om de jonge dame voor
zich te zien staan hartelijk lachende over
het op zoo grappige wijze geëindigde ongeval.
„Vergeef me,” zei ze met tranen van het
lachen in de oogen, „maar zoo’n combinatie
van tragedie en comedie was te sterk voor
mij. Ik moest lachen om uw pogingen uit uw
hoed los te geraken of schreien van dankbaarheid
jegens God voor het redden van de
kleine.”
JOANNISTHEELEN.
De Weleerw. hr. JOANNIS THEELEN
uit Beesel in Limburg, die
een dezer dagen benoemd is tot
Bisschop van Nicopoli in Bulgarije.
en zeg dat we er
EEN FRAAI KERKRAAM.
Mevrouw de Weduwe A. van Vollenhoven-van
Staveren heeft de Groote Kerk te Rotterdam
ter nagedachtenis van wijlen haar echtgenoot,
Antonie van Vollenhoven, een zeer fraai kerkraam
geschonken. Het is een uitnemend stuk
glasschilderkunst, voorstellende „De Bergrede”,
ontworpen door den heer Velthuis en afkomstig
uit de ateliers van den heer J. L,
Schouten, te Delft. In tegenwoordigheid der
schenkster. H. M. de Koningin, Z. K. H. Prins
Hendrik, de Ministers en verdere autoriteiten
is het raam Donderdag j.1. op plechtige wijze
officieel onthuld.
Mr. L-.H . W. REGOUT.
Tot tijdelijk en buitengewoon Gezant
bij Z. H. den Paus is benoemd
Mr. L. H, W. REGOUT,
lid van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal, oud-minister van
Waterstaat. Mr. Regout werd den
27en October 1861 te Maastricht
geboren,promoveerde op 22-jarigen
leeftijd als civiel-ingenieur aan
de Leuvensche Universiteit en in
1896 tot doctor in de rechten aan
de gemeentelijke Hoogeschool te
Amsterdam. In parlementaire kringen
geldt hij als een persoonlijkheid
van erkende bekwaamheid
en als begaafd redenaar, die zoowel
in als buiten het Parlement in
zijn welverzorgde redevoeringen
blijk gaf van zijn uitgebreide kennis.
HET ROOIEN DER AARDAPPELEN.
DE VEILING.
Ia heusefi, lezer, U hebt goed gelezen: Goudmijnen in Nederland. Het zijn natuurlijk geen echte goudmijnen,
d want aan goud in den grond is ons vaderland even arm als het rijk is aan dat kostbare metaal boven den
grond. In klinkende munt dan natuurlijk. Wat wij met goudmijnen bedoelen, zijn de honderden hectaren
bouwgrond in de Streek (Noord-Holland), beplant met vroege — z.g. „nieuwe” aardappelen. —- Als U daar eens,
zooals wij gedaan hebben, thans een kijkje ging nemen, nu de rooitijd in vollen gang is, dan zoudt U over ons
opschrift niet verbaasd zijn geweest. Want er wordt daar geld verdiend; geld bij hóöpen. ’s Morgens vroeg, heel
vroeg, om drie uur, is de landman al op zijn akker om te rooien, zoo hard het maar gaan kan. Gelukkig als de
„stoelen” (aardappelplanten) rijk beladen zijn! Want dat beteekent dan natuurlijk een dubbele oogst. Tijdens
het rooien worden de aardappelen reeds gesorteerd in „groote” en „kleine”. — Dan komen zij aan de veiling
van de marktvereeniging „De Tuinbouw” aan ’t station Bovenkarspel. Dat is me daar ’s middags om een uur
of twee een groote bedrijvigheid. Soms komen er 300 en meer schuiten aan den afslag, alle volgeladen met
Cyprian keek haar aan, terwijl ze de
kleine in de armen nam en het suste, en
bewonderde de bekoorlijkheid en lieflijkheid
van haar verschijning.
„Om ’s hemelswil geen verontschuldigingen,”
antwoordde Cyprian. „Ik ben
overtuigd, dat mijn figuur bespottelijk
genoeg was om elke uitbarsting van vroolijkheid
te wettigen.”
„Ja, werkelijk 1” stemde het jonge
meisje opnieuw lachende in.
Dezen keer werkte de vroolijkheid zoo
aanstekelijk, dat Cyprian er luid mee
instemde.
„Ik ben blij dat u niet boos op mij is,”
zei het jonge meisje. „O, hemel, daar
komt de moeder van de kleine 1 Kijk in
vredesnaam ernstig, anders verdenkt ze
mij nog van ongevoeligheid, die ik zeker
ben niet te bezitten.”
Op deze wijze leerde Cyprian Beek juffrouw
Claire Edwards kennen, die in W.
157 van Popham’s huurkazerne woonde.
Gedurende de dagen die volgden, betrapte
hij er zich op, dat hij als ’t ware
instinctmatig het balkon opliep tegen den
tijd dat het jonge meisje naar huis terugkeerde
met een pakje naaiwerk in de
hand.
Het meisje interesseerde hem, omdat
ze zoo geheel verschilde van de vrouwen uit haar omgeving. Bovendien
was ze onuitsprekelijk lief en mooi. Haar zacht rond gelaat,
de fraai gevormde wenkbrauwen, de lachende bruine oogen waren van
een zeldzame bekoorlijkheid. a Cyprian zag haar gelaat des nachts in
zijn droomen en des daags tijdens zijn werkzaamheden.
Juist in dezen tijd deed Claire hem een verrassend voorstel.
,,U schijnt zoo alleen,” zei ze tot hem, toen ze hem weer op het
balkon, dat rond het geheele reusachtige gebouw liep, ontmoette, „en
blijkbaar zonder vrienden. Ik ben ook alleen, er is hier niemand, dien
ik ken. Ik zou graag eens met u praten. Waarom zouden we niet
samen verkeeren ?”
Onze journalist was door het vrijmoedige voorstel zoo verbluft,
dat zij dit opmerkte en teleurgesteld vervolgde :
„Misschien vindt u mijn idee niet goed? Als dat zoo is, zeg ’t mij
dan dadelijk. Misschien is het in Yorkshire, waar u zegt vandaan te
komen, geen gewoonte.”
„Ik vrees dat ik u niet goed begrijp,” zei Cyprian verward.
„O, hoe grappig !” lachte het meisje. „Iedereen begrijpt dat toch 1
Of,” onderbrak zij zichzelve, terwijl een donkere blos over haar
bekoorlijk gezichtje vloog, „u denkt toch niet, dat ik bedoelde „geëngageerd
zijn”, is ’t wel? Hoe dom van mij,” ging ze gejaagd voort,
„natuurlijk, vele menschen bedoelen met „verkeeren” dat ze geëngageerd
zijn. Maar ik meende ...”
„Och, ’t was dom van mij,” zei Cyprian,
angstvallig verdere verontschuldigingen willende
vermijden. „Het is heel vriendelijk
van u, dit te willen voorstellen. U moet mij
mijn Yorkshiresche stommiteit vergeven. Ik
begrijp nu dat uw bedoeling is met elkander
vriendschappelijk om te gaan, waarbij voor
het overige ieder voor zichzelf zorgt, en zijn
eigen onkosten betaalt, terwijl als men
„geëngageerd” is, alleen...”
„Natuurlijk, dan zou jij voor ons beiden
moeten betalen,” ging het meisje lachend
voort, het voor beslist houdende, dat haar
voorstel was aangenomen.
„Goed begrepen dus. We zijn twee kameraden.
En nu zou ik dadelijk öp je kameraadschap
beslag willen leggen, om van avond
ergens heen te gaan.
’t Kan mij niet schelen waarheen 1”
HET VERLADEN DER, AARDAPPELEN.
vroege aardappelen. Sommige dagen bedraagt de aanvoer 20.000 en meer halve H.L, Als u nu even nagaat dat
de gemiddelde prijs van een zak aardappelen f 2.50 bedraagt, dan beteekent dat in ’t drukst der campagne een
omzet van f50.000 per dag. lederen dag een halve ton! Of er dus goud in den grond zit, al is het geen
baar goud. Het afslaan der schuiten gaat evenals op de aardbeienveiling te Beverwijk, waar wij U onlangs van
vertelden, per electrisch afmijntoestel. Na afloop der veiling begint de drukte bij t verladen. De aardappelen, aangevoerd
in zakken op zwaarte van 36 K.G., worden nu overgestort per baal ter gewicht van 50 K.G. Wagons bij wagons
worden nu volgeladen, tot eindelijk de „goederen”-trein gereed staat. Treinen met 40 a 50 volgwagons zijn
in den drukken tijd geen zeldzaamheid. — De meeSte groothandelaars koopen voor Duitsche firma’s waarnaar
iederen dag de aardappeltreinen worden verzonden. Natuurlijk gaat niet alles naar Duitschland, maar blijft er
ook een groot gedeelte in het land voor binnenlandsch gebruik. Dat de omzet aan station Bovenkarspel
van beteekenis is, kan blijken uit het feit, dat b.v. op 8 Juli j.1. reeds voor een millioen gulden geveild was’
GOUDMIJNEN IN NEDERLAND.
|