|
PANORAMA 2
UIT HET ZWARTE BOEK
VAN ’N TELEGRAFIST
DOOR J. T. VAN LEIDEN
IP..
(Vervolg).
te beginnen moest ik de kieren van
deuren en ramen met kleeren, dekens,
met de Perzische tapijtjes die op den vloer
lagen, dichtstoppen, opdat mijn gehamer
zooveel mogelijk zou gesmoord worden.
Op den tast opende ik de spiegeideur van de kleeren- •
kast, bedacht me toen weer. ..... Stel, dat mijn pogingen
gelukken, dat de deur week en ik veilig in ’t
vertrek daarnaast terechtkwam — zou men dan niet
aan de verwarring van kleeren en dekens merken
dat............. Op dit oogenblik
bewoog er iets in de kast, een
krakend geluid deed zich hooren
— ik stond onbeweeglijk,
luisterde gespannen.
Er was iemand in de kast —
dat leed geen twdjfel; ik voelde
liet met meer zekerheid dan
wanneer ik het gezien zou hebben.
Nu ruischte er even iets,
alsof een vrouwenrok bewoog,
en in mijn kloppende, strakke
ooren zwol dat kleine geluid aan
als tot een windgolf.
„Ik wachtte, ademloos. Dat
Andere en ik waren daar alleen
in de kamer, in de zwarte duisternis,
wetend eikaars aanwezigheid.
Zwijgend daagden we elkaar
uit tot een daad. En in dit
oogenblik, misschien alleen door
die tusschendeur gescheiden van
Mary, die ik tot eiken prijs
bereiken wilde, voelde ik hoe
begeerig ik aan hetleven hechtte.
Als door de hulp van een zesde
zintuig wist ik de aanwezigheid
van dat Andere, en mijn
zenuwen waren zoo sterk gespannen
— ik was nu eenmaal
geen inbreker van beroep —
dat ik bijna een meter achteruit
sprong toen een ratelend geluid
de stilte doorknarste. Het wTas
een klokje op den schoorsteenmantel
dat begon te slaan en
bijna lachte ik om mijn schrik,
ondertusschen het ding verwenschend
dat zoo tergend luid
en langzaam sloeg en me belette
de nadering van het Andere te
hooren. Want het naderde, het
kwam uit de kast en naar mij
toe, langzaam.........
Toen, met ’n ruk, greep ik
naar mijn lucifers, voelde in
plaats daarvan de revolver, die
ik vergeten wras , tusschen mijn
vingers. En op ’t zelfde oogenblik
deed het Andere wat ik
had wallen doen : tegenover me
brak een blauwgeel vlammetje
de duisternis. Onmiddellijk legde
ik juist boven het licntje
aan, een weinig naar rechts.
Nu mocht komen wat wilde.
De lucifer brandde helderder,
de vingers die de vlam beschutten
gloeiden rosé tevoorschijn.
En nu bloeide een gelaat op uit de duisternis, een
vrouwengelaat onder een grooten, gevederden hoed.
Twee witte gezichten staarden elkaar aan, met
groote, holle oogen, waarin de waanzin loerde, ....
De lucifer doofde en viel; duisternis en stilte wikkelden
de Andere en mij als in een tastbare omhulling.
Maar met een enkelen sprong was ik bij haar en greep
haar handen en hijgde : „Mary.........!”
„Stil!” fluisterde ze en legde de hand, die ik kuste,
op mijn mond. „Spreek heel zacht! We zijn hier nog
ruim een uur veilig, maar wees stil!”
Ze leidde me voorzichtig naar de deur, ontstak het
electrisch licht. „Het kan geen gevaar —ik hoorde je
de blinden sluiten.”
„Maar de buitendeur.........” waarschuwde ik.
„Die kan niemand anders openmaken dan hij. . .”
„Wie. .. .r
„Hij — graaf Saninovitch ; het is een slot dat hij
zelf heeft laten aanbrengen. Hij is nu in de speelzaal ;
vóór elf uur komt liij nooit terug.’’
„Maar wat beteekent dit alles, Mary ? Wie is Saninovitch,
wat ben jij zelf hier, in déze omgeving ?”
Het gevoel van betrekkelijke veiligheid had ons een
weinig tot kalmte gestemd, en, naast elkaar op de
sofa zittend, konden we zelfs een oogenblik schertsen
over onzen angst van daareven, onzen angst voor —
elkaar ! Maar Mary zag moe en bezorgd, en haar
handen voelden koud ; ze trilde in mijn arm dien ik om
haar heen had geslagen.
„Waarom schreef je me niet meer ?” vroeg ik. „Ik
wist niet, op ’tlaatst, of je nog leefde.........En hoe kom
je hier, wat doe je hier in Monte Carlo, onder dien
aangenomen naam ? Vertel me alles.........”
„Luister : ik werd uit dat pension gezet, omdat ik
H. W. Mesdag — Schemering.
Ter gelegenheid van het overlijden van den grooten Hollandschen zeeschilder Mesdag, reproduceeren wij hierboven
een van zijn werken, overgenomen uit het indertijd bij A. W. Sijthoff’s Uitgevers-Maatschappij te Leiden verschenen
Mesdag-album. In Panorama no. 19 van den eersten Jaargang plaatsten wij een der laatst genomen
portretten van den nu overleden schilder, over een volle pagina, terwijl wij nu op pagina 6 van dit nummer een
goed gelijkend portret van hem brengen, uit den tijd waarin hij zeer op den voorgrond begon te treden.
niet betaalde ; mijn piano-lessen wogen niet tegen de
rekening op en mijn bonten mantel bleef achter. . . .
Natuurlijk bekommerde niemand zich om je brieven,
en zoo wist ik van jou evenmin iets. Wat ik nog had
aan een of twee armbanden en ’n paar ringen, verkocht
ik, totdat ik ten slotte op straat zwierf, opgepakt zou
worden als er geen redding kwam. Ik begreep dat ik den
een of anderen doortastenden maatregel moest nemen,
niet zoeken en rondloopen, maar ergens ’n slag slaan. . .
’n Oogenblik dacht ik over ’t Amerikaansch Gezantschap,
maar daar zouden ze misschien te veel van me
willen weten — en te wreten kómen — dus, zonder veel
met mezelf te redeneeren, stapte ik de Engelsche
Ambassade binnen, ’t Kostte me heel wat leugens
eer ’t me gelukte eerst bij den secretaris, toen bij den
gezant te w’orden toegelaten. Maar ’t lukte, en ik liet
me niet verdrijven, ofschoon de gezant me herhaaldelijk
zei dat „gevallen” als ik bij den consul thuishoorden.
Ik deed verontwaardigd, zei dat ik geen aalmoes wou
hebben, dat ik werken wilde, dat elk baantje aan ’t
gezantschap voldoende voor me was, zelfs dat van
werkster.........Zijne Excellentie lachte, en hij scheen
er schik in te hebben dat ik gemakkelijk sprak en niet
dom bleek te zijn. Maar toch stuurde hij me naar den
consul. Die wilde me afschepen met vijf pond, en een
half uur later stond ik weer op de stoep van den gezant.
Ik wachtte tot ik hem uit de cour zag komen en liep
zónder, aarzelen tegen hem aan, als bij ongeluk. Z’n
wandelstok, dien hij onder den arm had terwijl hij
zijn handschoenen aantrok, trof me vrij pijnlijk aan
mijn wang, en hij was te veel gentleman om me niet
aan te spreken en z’n leedwezen te betuigen. Nu kwam
hij zoo gemakkelijk niet van me af. „De consul wil me
een fooi geven, Excellentie,” zei ik verontwaardigd.
„Kunt u me niet één, hoogstens twee weken iets te
doen geven, totdat mijn man terug is ? Ik kan machineschrijven,
stenografeeren, uw telefooncentrale bedienen.........”
Hij zag me een
oogenblik glimlachend aan, zei
toen : „ik bewonder uw vasthoudendheid
— kom morgenochtend
terug!”
„Nu had ik vasten grond onder
de voeten. Hij zou me niet
zoo gemakkelijk weerkwijtraken
En den volgenden morgen zat
ik op ’t kantoor van den tweeden
secretaris, waar me de onnoozelste
dingen werden opgedragen :
opbergen van vijf jaar oude correspondentie,
overschrijven van
landbouwrapporten die niemand
ooit lezen zou. Maar gedurende
de vele uren dat de secretarisin
’t kabinet van den gezant confereerde,
maakte ik me den tijd
met beter werk ten nutte ; ik
ben er de vrouw niet naar me
lang met kleinigheden op te
houden. Van een gebroken electrischen
waaier die onder in ’n
kast lag, nam ik tien meter
draad, en ’n ongebruikten telefoonhoorn
vond ik op ’n middag
. in de portiersloge. Na wat gezoek
in de donkere gang die naar
de kamer van den gezant leidde,
en na drie dagen voorzichtig
werken, had ik bij stukjes en
brokjes de particuliere leiding
van Zijne Excellentie aan de
mijne geschakeld. En toen gebeurden
er groote dingen ! De
heele geschiedenis van graaf
Saninovitch lijmde ik aaneen :
de man isin geheimenFranschen
dienst; men zegt dat hij ’t is
die Kitchener’s Afghanistansche
grensplannen in handen wist te
krijgen, en in verband stond met
’t aftreden van Lord Curzon.
Verleden jaar Maart werd hij
op Jamaica door de Britsche
autoriteiten gearresteerd omdat
hij de forten van Port Royal fotografeerde
; maar hij ontsnapte.
En op ’t oogenblik is hij in ’t
bezit van kaarten en plattegronden
van ieder onderdeel
van Gibraltar. Natuurlijk zoekt
men hem en hoopt men die papieren
uit zijn handen te krijgen.
Ziedaar wat de telefoon
me leerde. En toen ik genoeg
wist, toen op ’n morgen een geheim
politieman van ’t Engelsch
Departement van Buitenlandsche Zaken telefoneerde
dat Saninovitch in Nizza gezien was — toen
stapte ik regelrecht naar den gezant. Ik zei hem
wat ik wist, maar weigerde te vertellen hoe ik eraan
kwam. Dat gaf me prestige tegenover hem. Hij hield
zich goed, maar ik kon zien dat hij paf was. En denzelfden
avond zat ik op den trein, in een gereserveerden
coupé, als Lady Chisselden, voor welke rol het gezantschap
me de uitstekendste papieren had meegegeven,
om nog niet te spreken van een ruimen credietbrief
en een koffer vol modieuze toiletten, dien eigen
middag in alle haast gekocht. Et voila !”
Ik had in spanning geluisterd, maar toch zag ik
bezorgd naar de klok : de tijd ging voorbij en het uur
zou om zijn eer we ’t wisten.
„Het hindert niet,” zei Mary kalm ; „nog ’n half
uur.........en in ’t uiterste geval kom ik hier nog eens
terug : ik heb den tijd. Het is me om die papieren te
|