Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1716 tot 1720 van 11897
Nummer
1915, nr. 56, 12 juli 1915
Blad
03
Tekst
PANORAMA OORLOGSNIEUWS VAN VERSCHILLENDE FRONTEN VOOR DE LANDING. manschappen van de Australische artillerie worden aan de Dardanellen aan land gezet. Op den achtergrond ziet men het Engelsche slagschip „Implacable”. HERSTELLENDEN. Twee in de laatst geleverde gevechten op Galhpoli gewonde Engelsche soldaten op een morgenwandeling. OP VERKENNING. let verkennen van een vijandelijke streek is niet alleen een van e gewichtigste, maar ook een van de gevaarlijkste opdrachten. Is voorzorgsmaatregel tegen onverhoedsche aanvallen loopen e verkenners dan ook meestal zoo verspreid mogelijk, om den ijand minder trefkans te geven en zich in tijd van nood ge- . 'makkelijker te kunnen dekken, VERDEKT OPGESTELD. Duitsche soldaten, .die in een op een afstand onzichtbare schuilplaats, de bewegingen van den vijand gadeslaan. ALS ER NIET GEVOCHTEN WORDT . . . . Wanneer de activiteit van den vijand even vermindert, verlaten .ie mannen de benauwde gangen om zich een oogenblik te koesteren in de zon, Dan is het een genot voor- hen vrijuit de I fnssche zomerlucht te kunnen inademen. OP WEG NAAR HET VADERLAND. Eeniqen der 500 Italiaansche reservisten aan boord van het stoomschip ,,Duca d’Abruzzi”, dat hen van New-York naar Napels bracht, waar zij bij hun regimenten zullen worden ingelijfd. VOOR HET MOEDERLAND. Typen van Atrikaansche soldaten zooals er thans in hef Italiaansche leger strijden, PROF. GUSTAVE COHEN. DE KONING DER BELGEN. Koning Albert van België laat zich door een van zijn officieren verslag uitbrengen over de jongste krijgsverrichtingen. UIT HET ITALIAANSCHE LEGER, Een afdeeling van den Italiaanschen Veld~telegraafdienst noteert berichten voor den stat. De bekende hoogleeraar aan de Arnsterdamsche Universiteit, professor Gustave Cohen. die in het Fransche leger dient en onlangs bij het verdedigen van een loopgraaf in het Argonnerwoud, door een granaatscherf werd gewond. Professor Cohen is thans weder herstellende, 56 ,(2bj
PDF
Nummer
1915, nr. 56, 12 juli 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 De dubbelganger in ’t vuur. Hij was alleen in zijn luxueus gemeubelde vrijgezellenkamers op een avond in Februari. Zijn beide beenen rustten op een anderen stoel, terwijl naast hem een tafeltje stond met een karaf wijn en een kistje sigaren. Op zijn knieën lag een boek, waarin hij het laatste halfuur had zitten lezen. Er brandde slechts één licht in de kamer, achter zijn stoel en zóó geplaatst dat al het schijnsel op zijn boek viel. Dientengevolge was zijn gelaat eenigszins in de schaduw : maar aangezien zijn stoel min of meer parallel stond met het vuur in den open haard, werd zijn gelaat af en toe door de opflikkerende vlammen hel verlicht. Hij was gekleed in dinertoilet, wat hem als een man van de wereld deed kennen. Nadat hij eenigen tijd nadenkend in het vuur had zitten staren, nam hij zijn boek weer op en begon te lezen. Nauwelijks was hij echter bezig of hij hoorde de deur van zijn kamer achter de zware portières opengaan. ,,Drommels, wie kan dat zijn!” mompelde hij. „Ik heb Petersen toch gezegd dat ik niet gestoord wilde worden.” Een tweede slag was het bewijs dat de deur gesloten was en baron van Steenstraete keerde zich naar den kant vanwaar het geluid kwam. Hij zag de groene gordijnen vaneengaan en een man de kamer binnentreden. „Goeden avond, baron !” zei een kalme duidelijke stem. „Goeden avond !” herhaalde deze onwillekeurig, daarna beleedigd : „Hoe durft u hier . . „Ik moet me verontschuldigen,” viel de vreemdeling den baron in de rede op uiterst beschaafden doch beslisten toon. „ Ik zie dat ik u stoor. Ik dacht u reeds in kostuum te vinden, want het is al laat 1” „Ik begrijp u niet,” zei van Steenstraete. „Laat? Waarvoor laat ?” „Wel voor het bal masqué bij de Goudoevers I” antwoordde de vreemdeling. „Die Stuartskostuums zijn zeer bewerkelijk. Je mag dus wel voortmaken met je te kleeden,” De baron fronste de wenkbrauwen. „U zegt, dat ge u verontschuldigen moest,” zei hij, uit de hoogte. „Mij dunkt een verklaring zou het eerst noodig zijn ; hoewel ik niet twijfel of de verontschuldiging zal ook noodig wezen.” De vreemdeling lachte. „De verklaring is gereed,” zei hij, „over de noodzakelijkheid van een verontschuldiging zullen we later spreken.” Terwijl hij sprak, sloeg hij ’n langen ulster open en toonde aan de verwonderde oogen van den baron een fraai kostuum uit den tijd van Karei denTweeden. VanSteenstraete bemerkte nu opeens welk een wondervolle gelijkenis de vreemdeling met hemzelf toonde. Haar, oogen, neus, kin, alles was sprekend het zijne. Ook de rijzige gestalte kwam volkomen met zijn eigene overeen. De baron was vlug van begrip en daarom was het voor hem niet moeilijk tot de conclusie te komen, dat de vreemdeling die sprekende gelijkenis voor het een of ander (goed of slecht) doel wilde aanwenden. Hij scheen hierdoor evenwel niet in ’t minst van zijn stuk gebracht. Met zijn gewone nonchalance lag hij achterover in zijn stoel en keek den indringer aan. Deze laatste gaf den baron in koelbloedigheid niets toe ; hij trad zoo vrij op, alsof hij in zijn eigen huis was. Zijn handelingen rechtvaardigden echter de achterdocht die de baron reeds bij zijn binnentreden tegen hem had opgevat. Uit zijn overjas haalde hij een revolver en een klein fleschje te voorschijn. Daarna wierp hij zijn jas op een stoel en keerde zich naar van Steenstraete. Deze volgde al zijn bewegingen met de grootste belangstelling doch zonder de minste vrees. Eindelijk trok de vreemdeling een stoel naar zich toe en plaatste dien tegenover den baron aan den anderen kant van den haard. Voorovergebogen, met de revolver in de hand, begon hij : „Allereerst, baron, moet ik u vriendelijk verzoeken, geen gerucht te maken. Er is niemand hier in dit deel van het huis, dat weet ik, en u zoudt dus moeite hebben gehoor te krijgen. Dit kleine speeltuig is geladen, en dit fleschje is vol chloroform. Ik twijfel er niet aan, dat, met een schot in uw schouder (ik verzeker u, ik kan goed schieten !) het mij niet moeielijk zou vallen een weinig chloroform op uw zakdoek te doen. Ik zou het ten zeerste betreuren, als ik tot een dergelijke onaangename behandeling moest overgaan. De beslissing ligt evenwel in uw handen.” De baron glimlachte. „Ik verzeker u,” antwoordde hij, „het is voor mij van groot belang u niet voor deze moeilijke noodzakelijkheid te moeten plaatsen.” „Dank u,” zei de vreemdeling. „Dan zal ik u de gevraagde verklaring geven : De Goudoevers geven vanavond een gemaskerd bal.” „Zoo is ’t!” „Het was uw plan daar heen te gaan in het kostuum van een hoveling van Karei II”. „Ja!” „Het kostuum dat u zoudt dragen, was volkomen gelijk aan dat wal ik nu draag.” ATTAQUEEREN! Een met levensgevaar door een Italiaansch officier genomen foto van een stormaanval door een Itaiiaansche afdeeling op een door Oostenrijkers bezette hoogte. „Ik dacht dat u het mijne reeds aanhad. Ik acht u vrijmoedig genoeg om het mijne te . . . leenen, zonder er mij permissie voor te vragen ; en mijn slaapkamer is niet op slot.” „Ah zoo, baron ! Neen, om u de waarheid te zeggen, dacht ik u reeds gekleed te vinden. Ik wilde u niet noodzaken u voor mij weer te ontkleeden. Bovendien zou ’t mogelijk hebben kunnen zijn, dat ik dit proppenschietertje had moeten gebruiken en dan zou ik het kostuum beschadigd hebben. VAN DE AMERIKAANSCHE VLOOT. Een Amerikaansch matroos toont een dame, die op een oorlogsschip der Vereenigde Staten op bezoek is, het mechanisme van een der groote kanonnen. Daarom heb ik voor een copie gezorgd. Ik ben nochtans gevoelig voor het compliment, dat u er geen verschil tusschen ziet.” De baron glimlachte weer. „Satansche kerel 1” bromde hij. „Hoe wist je wat ik vanavond dragen zou ?” vervolgde hij luid. „Och, ik was juist bij Helmhout, toen uw bestelling kwam, baron 1 Ik was er natuurlijk niet toevallig. Zulke dingen worWAAR DE STRIJD HET HEVIGST WOEDDE. Bovenstaande foto van in brand geschoten Naphtabronnen in de omgeving van Boryslav, toont wel op verschrikkelijke wijze, hoe groot de verwoesting is, waaraan in den oorlog nijvere fabrieks-centra bloot staan en wat het zeggen wil, als er in een streek „gevochten” is den altijd voorbereid door .... laat ons zeggen de Voorzienigheid. Maar ik ga voort met mijn verklaring : U zoudt vanavond dansen met juffrouw Goudoever, nietwaar ?” De Baron knikte. „Na den dans zoudt ge u met de jonge dame hebben afgezonderd ?” De baron keek den ander verbaasd aan. „En haar hebben ten huwelijk gevraagd.” De baron richtte zich uit zijn liggende houding op, zonder echter zijn beenen van den stoel te nemen. Voor een oogenblik was hij verstoord, doch daarna liet bij zich weer lachend achterover vallen „Je bent verwonderlijk goed ingelicbt,” zei hij. De vreemdeling boog en vervolgde : „U hadt afgesproken een bepaalde soort masker te dragen om .... de herkenning gemakkelijker te maken.” „Wel, vervloekt !” riep de baron uit en de vreem deling begreep dat zijn mededeeling juist was. Hij leunde een weinig meer naar voren en zijn hand omsloot vast de kleine revolver. „Ik moet dat masker van u leenen !” zei hij zacht. „Aha! Dat verschaft mij dus de eer van je bezoek!” riep Van Steenstraete uit. „Ik heb me al voortdurend afgevraagd, waaraan ik toch het genoegen te danken had ; al je informaties zijn ^uitstekend. Nu, vat ik ’t, het is het masker, dat je hebben wilt.” „Juist,” antwoordde de vreemdeling, „en tevens de ver zekering, dat u niet naar het bal zult gaan. Twee baronnen Van Steenstraete zou allicht eenig .... misverstand ten ge volge hebben.” „Volkomen waar,” stemde de baron toe. „Ik apprecieer ten volle uw streven om mij mogelijke moei lijkheden te sparen,” ging de vreemde voort. „En waar is nu het masker?” vroeg hij. „Op de sofa daar,” antwoordde de baron. „Mag ik u vragen, op welke wijze u er voor gezorgd hebt, dat ik niet komen zal ? Want dat zult u toch ook wel geregeld hebben ?” „Dat heb ik,” zei de vreemdeling. „Ik ben genegen er mee te volstaan als u op uw eerewoord beloven wilt, binnen twee uren niet op het bal te verschijnen en niet op eènige wijze alarm te maken.” „En als. ik weiger?” „Dan,” ging de vreemdeling op dreigenden toon voort, „zal ik verplicht zijn u chloroform te geven en u vast te binden. Mocht u tegenstand bieden, dan zal ik niet aarzelen u in den schouder te schieten. Ik kan u de verzekeringgeven, dat een schot uit deze revolver bijna geruischloos is. De voorbereiding van dit plan heeft mij heel wat moeite gekost en ik zal het uïtvoeren met of zonder uw wil. Ik zou het evenwel betreuren als u mij noodzaakt u een blauwe boon toe te dienen,” voegde hij er aan toe, met den vinger veelbeteekenend aan den trekker. „Daf zou alleronaangenaamst zijn,” mompeL... Van Steenstraete. „Ik geef u mijn woord op een voorwaarde.” „En die is ?” „Dat je mij een korte uiteenzetting geeft van je . . . van de werkzaamheden die je op het bal van de Goudoevers zult verrichten.” „Met pleizier ! ’t Is simple comme bonjour. Het lastigste werk is al gedaan. Ik ga naar het bal; zal juffrouw Goudoever ten dans vragen en haar dan voorstellen den dans uit te zitten. Juffrouw Goudoever en haar ouders verwachten geloof ik, beslist een huwelijksaanzoek van baron Van Steenstraete. (Dit zou, als ik het zeggen mag, een prachtige verbintenis wezen.) Ik zal dus mijn wensch te kennen geven een stil plekje op te'zoeken en juffrouw Goudoever in de niet onnatuurlijke verwachting van een heerlijk tête-a-tête zal mij naar haar boudoir of een andere stille plaats leiden. Ik doe dan eenige druppels chloroform (een paar maar), op mijn zakdoek ; juffrouw Goudoever houdt tijdelijk op te bestaan ; ik bevrijd haar van haar diamanten collier en wandel daarna kalm de deur uit met tweehonderd duizend gulden in mijn zak. Zooals u ziet, eenvoudig als de dag !” „Zeer eenvoudig,” stemde de baron toe. „Dus tot halftwaalf ben ik stom. Denk erom, ik geef u niet langer.” „Het is lang genoeg, dank u,” zei de vreemdeling. „Ook wel bedankt voor uw masker, ik zal het u morgenochtend terug sturen.” Terwijl hij sprak, deed hij zijn ulster aan, stak het masker in zijn zak en schoof de portière opzij de. „Goeden avond,” vervolgde bij, „ik bied u nu de beloofde verontschuldiging aan !” ' De deur sloeg dicht en baron Van Steenstraete was weer alleen. Hij barstte in een bartelijken lach uit. • „Ha, ha, ha! Wat een geluk dat ik niet behoefde op te staan, anders zou hij gezien hebben dat ik mijn voet verstuikt heb. Eigenlijk een bof, dat ik vanmorgen van ’t paard gevallen ben, toen ik met Willy Goudoever een wandelrit deed, en dat ze weet, dat ik onmogelijk op het bal komen kan van avond. Het is wel jammer voor mijn ondernemenden vriend, den collier-dief. Ik vrees dat hem dit avontuur nu slecht zal opbreken.” En zijn boek opnemende, begon bij weer te lezen. iron Van Steenstraete zat in een gemakkelijken clubstoel en staarde droomend
PDF
Nummer
1915, nr. 56, 12 juli 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA UIT OOST-PRUISEN EN BEZET POLEN De heer Moussault deelt sigaretten uit aan krijgsgevangene Russen, die bezig zijn met . het opruimen van puin in Meidenburg. De automobielen met Duitsche officieren en journalisten uit de neutrale landen, waarbij de heer M. als eenige Hollandsche persfotograaf, in het totaal verwoeste Soldau. O p deze pagina en de voorpagina geven wij de eerste foto’s van de schitterende serie opnamen die de heer Moussault van de Vereenigde Fotobureaux te Amsterdam heeft meegebracht van zijn tocht door Oost-Pruisen en het door de Duitschers bezette RussischPolen, tot welken tocht hij met eenige andere journalisten uit neutrale landen, als eenig Hollandsch fotograaf door de Duitsche regeering was uitgenoodigd. Wij spraken den heer Moussault eenige uren na zijn terugkeer en natuurlijk was onze eerste vraag naar den indruk dien de door de Russen bezette streek op hem gemaakt had. Het antwoord dat hij gaf was al zeer somber. „In de elf maanden, die ik nu reeds geregeld op het oorlogsterrein vertoef, heb ik nog nooit zulk een indruk van ontzettende verwoesting gekregen als juist op deze reis.” Of de verwoesting dan werkelijk zooveel erger was dan in België, vroegen wij hem. „Ongetwijfeld”, was zijn beslist antwoord, „doch”, voegde hij er direct bij, wij „moeten niet vergeten, dat de landstreek op zich zelf reeds een veel meer verlaten indruk maakt daar ze niet zoo dicht bevolkt was als België. Ook hebben door de gevechten, die bij het terugtrekken der Russen hebben plaats gehad, de meeste plaatsen enorm geleden.. Vele zijn absoluut in een ruïne veranderd.” Een zeer weemoedig gevoel had onzen, fotograaf, die nu toch al heel wat ellende gezien had, bekropen, bij het bezoek van het Hindenburghaus te Koningsberg, waarin, ofschoon het gebouw nog pas gedeeltelijk voltooid is, reeds honderden door den oorlog verminkten geoefend worden om zoo bruikbaar mogelijk ïn de maatschappij terug te keeren. Het is dan ook wel een treurig gezicht, een man die in de kracht van zijn leven den strijd introk, zich nu te zien oefenen in het besturen van zijn fiets door middel van het mechanisme, van zijn Van de stad Orteisburg in Oost-Pruisen zijn er niet anders dan puinhoopen over Het op het oogenblik nog pas gedeeltelijk voltooide Hindenburghaus te Königsberg, waar de verminkten leeren loopen, w.erken, eten, enz. Prof. Hoeftman, de leider van het Hindenburghaus, met een van zijn leerlingen, Schlick genaamd. Deze heeft armen en voeten in den strijd verloren, Een van de leerlingen van het Hindenburghaus, die zich reeds aardig weet te behelpen. Een landbouwer, die zich nu ook met kunstledematen moet leeren behelpen kunsthanden of een ander die nog onbeholpen met2ijn kunstledematen staaf te graven. Verscheidenen der verpleegden misten handen en voeten. Onze foto’s spreken, dunkt ons, voldoende voor zich zelf. Dit zijn geen plaatjes - zooals er reeds meermalen in verschil ­ lende tijdschriften verschenen zijn, afbeeldingen overgenomen uit de prijscourant van de een of andere fabriek van kunst handen en -voeten doch dit zijn foto’s der werkelijkheid, foto’s die dit stuk oorlogsellende in zijn vollen omvang illustreeren. En nog dagelijks wordt hef aantal dezer ongelukkigen met honderdtallen vergroot ’ Ondanks alle ellende is er in deze reis toch nog een klein humoristisch lichtpuntje ge weest, In de meeste plaatsen werden de vertegenwoordigers der neu trale pers aan hef begin van de gemeente door den burgemeester en de notabelen officieel ontvangen. Was het de tijd ervoor, dan werden de keeren de lunch of het diner aangeboden en nu was het zeer vermakelijk dat het menu naar één model samengesteld was. n.k Königinsuppe, Schlei, Blau (een vischsoort), Salat, Hollandische Kase, zoodat de journalisten en bege leidende officieren gedurende 14 dagen tweemaal per dag hetzelfde menu te doorworstelen kregen. Deze spijzen schenen dus wel era in trek te zijn in de bezochte streek, doch het zal wel niemand verwonderen, dat de reizigers wel eens naar iets anders verlangden. Plaatsruimte belet ons op het oogenblik meerdere van deze, zooals reeds gezegd, hoogst belangrijke serie opnamen te geven, doch in ons volgend nummer hopen wij er nog wel enkele te brengen. Voor bijna eiken leerling van de Hindenburgstichting wordt een andere tform van kunstledematen vereischt. (Foto's Ver. Fotobureauxj.
PDF
Nummer
1915, nr. 56, 12 juli 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 KONINKLIJK BEZOEK AAN HET FRANS HALSMUSEUM TE HAARLEM. Verleden week brachten H.M. de Koningin-Moeder en Prins .Hendrik ieder een bezoek aan het Frans-Halsmuseum te Haarlem, waar een tentoonstelling is georganiseerd van Oude Kunst, waarvan wij in een onzer vorige nummers bij de opening der expositie reeds enkele foto’s brachten. Met zeer veel belangstelling werd een en ander door de hooge gasten bezichtigd. Links: H.M, de Koningin-Moeder in het Frans-Halsmuseum. Rechts: Z. K. H. Prins Hendrik op bezoek. VJ. n. r., de directeur van het museum G. D. Gratama; Jhr. mr, F. W. van Styrum, voorz. v. h. uitvoerend comité; Jhr. mr. dr. A, Roëll, voorz. van het eere-comité; Z. K. H, Prins Hendrik; jhr Mr. W. B, Sandberg, Burgemeester van Haarlem. De Schurk en de Zuigeling NAAR WALTER H. LIGHT Sim Fraser strompelde de kleine keuken binnen, waar hij zijn vrouw zag zitten, gebogen over hun kind dat op haar schoot lag. Jim was vermoeid en teleurgesteld. Vermoeid, omdat hij den geheelen dag op zoek was geweest ; teleurgesteld, omdat hij overal tevergeefs had aangekïopt. Hij was hongerig ook I Zijn laatste dubbeltje had hij besteed voor de tram, omdat hem verteld was dat er in de nabijgelegen stad werk te krijgen was, als hij er gauw bij was. Zijn haast om daar te komen had hem beroofd van het laatste geldstuk, dat hem een stuk brood had kunnen verschaffen en zijn haast was bovendien vruchteloos geweest. Hij wandelde terug, na de geheele stad doorzocht te hebben en de lange terugtocht had den half verhongerden man volkomen uitgeput. Maar Jim dacht weinig om zich zelven, toen hij daar naar zijn vrouw en kind stond te kijken. Hij was stil binnengekomen en zijn vrouw was van zijn aanwezigheid onbewust. Hij keek naar zijn vrouw, zijn Nellie, die hij beminde, toen hij haar trouwde ruim een jaar geleden op het toppunt van zijn voorspoed en welvaart, als vast werk tegen een weekloon van twintig gulden welvaart heeten mag ; zijn Nellie die hij nu in zijn tegenspoed aanbad. Een groote prop kwam er in Jims keel, toen hij de diepe groeven op haar voorhoofd, de blauwe kringen om haar oogen en haar bleeke wangen zag. Alleen haar blauwe oogen stonden nog even klaar, haast nog helderder nu ze gericht waren op het kleine evenbeeld van haar Jim dat in haar schoot lag, het kleine juweel dat haar dit jaar geschonken was. Nellie was lijdende eri dat deed Jim meer leed dan iets anders. Zij wist dat morgen de crisis komen zou. De weinige meubelen, die hun nog waren overgebleven, zouden morgen op straat gezet worden, want hun huishuur was zeer ten achteren en John Marwood, de man die kort geleden de rij werkmanswoningen gekocht had, was hardvochtig, kende geen medelijden. Meermalen de laatste maanden had Jim dien John Marwood vervloekt, want deze man was zijn kwade genius geweest. Behalve de huisjes had Marwood ook de fabriek gekocht waar Jim werkte en deze laatste was hiervan het slachtoffer geworden. Marwood had hem zonder opgaaf van redenen ontslag gegeven en, alsof het Noodlot hierdoor nog niet voldaan was, had Jim sedert nergens meer werk kunnen vinden. Een. bittere trek kwam op Fraser’s gelaat, toen hij, terwijl hij voor steun de leuning van een stoel vatte, dit schilderijtje aanschouwde van móedergeluk en huiselijke ellende en hij dacht aan den ellendeling, die van dit alles de schuld was. De bittere trek maakte .echter plaats voor een glimlach van geluk, toen Nellie plotseling opkijkende, hem met een blijden kreet van verrassing verwelkomde. Haastig lei ze de zuigeling in de wieg en kwam met uitgestrekte armen hem te gemoet. „Jim I” riep ze uit. „Ik heb je niet thuis hooren komen. Heb je . . . ?” O«, L.. KAISER. t Mr. J. LIMBURG. Door een noodlottig ongeval kwam een dezer dagen Dr. L. KAISER te Amsterdam, om het leven. De overledene was een zeer gezien en bekend Ingezetene der hoofdstad. Mr. j. LIMBURG, Lid der 2e Kamer, die onlangs den dag. herdacht waarop hij voor 25 jaar promoveerde tot doctor in de rechten. Ze wilde zeggen ,,heb je werk gekregen,” maar deblikzijner oogen, nadat de glimlach weggestorven was, zei haar genoeg. Ze liet de armen zakken en boog het hoofd om de tranen te verbergen, die uit haar oogen welden. H. M KONINGIN-MOEDER TE HAARLEM. Tijdens Haar bezoek aan Haarlem op Maandag 5 Juli bracht H.M. ook een bezoek aan de Mariastichting, waar zij door dr. L, C, Proot werd rondgeleïd. H.M. onderhield zich op minzame wijze met de patiënten en verraste de zieken op bloemen. jim onderdrukte een zucht en de armen om haar heenslaande. drukte hij een kus op haar voorhoofd. ..Neen, vrouwtje,” zei hij nederig, „geen werk ! Het noodlot is tegen me. Huil niet, lieveling,” ging hij voort, terwijl hij een mislukte poging deed om luchthartig te praten. .Misschien ...” Zij rukte zich van hem los, keek hem aan met vlammende oogen, het hoofd trotsch in den nek geworpen. „Jim,” zei ze, „ik ben een zelfzuchtige lafaard. Ik denk teveel aan mijzelve. Gazitten. jongen, en ik zal je gauw wat eten geven, je ziet er hongerig en vermoeid uit. Sara Brewster heeft mij wat soep gebracht. Ga zitten en eet er wat van, ze is lekker. Ik heb er zelf een diep bord van opgegeten,” loog ze dapper, „en de kleine Jim had je eens moeten zien drinken.” Zij schepte een bord vol dampende soep en zette dit voor haar man neer. Hij schudde evenwel het hoofd. „Ja, ja, je moet eten.” drong ze aan, snel en luid sprekende, opdat hij niet zou bemerken hoe vermoeid en hol haar stem klonk. „Ga nou zitten als een brave jongen en eet je bord leeg en onderwijl zal ik je vertellen welk plannetje ik heb bedacht.’ Jim lichtte het hoofd op en keek haar met vragenden blik aan. „Wat . . . wat heb je in den zin, lieveling?” Maar het was nu Nellie’s beurt om het hoofd te schudden, „Geen woord voordat je bord leeg is,” verklaarde zij. „Ik zou maar toegeven.” Werktuiglijk at jim de soep en brokkelde er een stuk brood in dat ze naast zijn bord had neergelegd. Na de eerste scheppen, die zijn eetlust aanwakkerden, at hij sneller en was verbaasd over de kracht die het warme voedsel hem gaf. Nellie zat stilzwijgend toe te zien. tot de laatste schep naar binnen was, de laatste kruimel brood was opgegeten en hij met een dankbaren blik het leege bord van zich afschoot. „Zoo is ’t goed,” zei ze, „en nu zal ik je wat vertellen, jim ! Ik ga naar Marwood Hall I” Haar man sprong op. „Heusch,” ging ze voort. „Ik heb me dit vast voorgenomen, doe maar geen moeite om mij hiervan af te brengen. Ik ga naar mijnheer Marwood om hem te vragen ons nog eenig uitstel te geven van huishuur. Eenmaal zullen we toch geluk hebben en dan zullen we alles terugbetalen. Hij zal naar mij luisteren. Ik weet het zeker!” Zij sprak snel als om zichzelf te overtuigen dat ze gelijk had. jims gelaat drukte echter niet de minste blijdschap of hoop uit, „Het is volkomen nutteloos, lieveling,” zei hij, terwijl hij opstond en haar in de armen nam. „Het is dapper, maar je moet het niet doen. Hij zal je wegsturen ; hij zal je uitlachen en heleedigen, zooals hij mij gedaan heeft. En,” voegde hij er fier aan toe, „ik wil niet dat mijn Nellie beleedigd wordt.” Nellie kuste hem tweemaal voor belooning. „Jim,” hernam ze, „ik ben niet bang 1 Het is om mijn huis. ons huis te redden, dat ik gaan
PDF
Nummer
1915, nr. 56, 12 juli 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA wil. je moet me niet tegenhouden» Jim !” Hij deed zijn .uiterste best orh haar van haarvoornemen af te brengen, doch vruchteloos. Eindelijk wikkelde ze haar kind in een doek, nam het in de armen en vloog de deur uit. De bediende op Marwood Hall fzooals de fabrikant in zijn arrogantie zijn huis gedoopt had) keek geringschattend op de armelijk gekleede vrouw neer, die met haar kind op den arm den heer Marwood te spreken vroeg. Hij probeerde haar weg te sturen, maar zij liet zich daartoe niet bewegen. „Zeg dat juffrouw Fraser hem slechts een oogenblik verlangt te spreken/' zei ze. „Hij kan niet meer doen dan weigeren:” De lakei liet haar in de vestibule wachten, terwijl hij naar zijn meester ging. Nu Nellie een gedeelte van haar voornemens ten uitvoer had gebracht, vroeg ze zich af wat soort van man deze John Marwood eigenlijk wezen zou. GYMNASTIEKVEREENIGING HOOGEZAN D-SAPPEM EER. Deze vereeniging, die onder leiding staat van den héér W. H. Taconis en 175 leden telt, hield Zondag 4 Juli op het Sportterrein te Sappemeer een Gymnastiekuitvoering met Athletisehe wedstrijden ten bafe van fret Groene Kruis. Tegenwoordig waren o.a. de Inspecteur voor Lichamelijke Opvoeding, de heer M. T. Graafland en de voorzitter van het Noorder-Gewest, de heer W. Meulman, De uitvoering, die zeer in den smaak van het publiek viel, werd opgeiuisterd door de muziek van het fanfarecorps Hoogezand-Sappemeer. JACOBA VAN DER PAS. Zaterdag j.l. trad de begaafde en bekende solodanseres, Mejuffrouw v. d. Pas op in een tuinfeest ten huize van Mevrouw Taco Mesdag te ’s-Gravenhage, waarvan de baten komen ten voordeele van het Haagsche Steuncomité en het Nationaal steuncomité voor beeldende kunstenaars. Naar aanleiding hiervan bieden wij onzen lezers hierbij een reproductie aan van het door den heer j. Gabriëlse geteekend portret van Mej.„ van der Pas. Zij had hem nog nooit gezien, want het buiten lag op een afstand van de fabriek en de arbeiderswoningen, en Marwood tiet de fabriekszaken grootendeels aan zijn procuratiehouder over. Dit feit deed Nellie hopen dat de eigenaar niet met den waren staat van zaken op de hoogte was en genegen zou zijn aan haar smeekbeden gehoor te geven. Haar hart bonsde haar in de keel, toen de huisknecht terugkwam en haar afgemeten meedeelde, dat mijnheer Marwood te spreken was en of ze hem maar volgen wilde. Hij bracht haar in een studeerkamer aan het eind der gang en sloot de deur achter haar. Voor den schoorsteen stond een forschgebouwde man van omstreeks vijf en dertig jaar, die met een paar koude oogen de binnentredende jonge vrouw aankeek. Zoodra zij hem zag, deed ze een zwakken kreet hooren en drukte haar kind krampachtïg tegen de borst. „Jij 1” mompelde ze. „Jij 1” Ze kon niet meer zeggen. „Ja,” antwoordde de man met een hoonenden lach. „Waarom verwondert je dat? Je verlangt me te spreken.” Nellie strekte haar hand uit om aan den muur steun te vinden. „Neen, neen,” zei ze. „Het is een vergissing, een . . . afschuwelijke vergissing. Ik vroeg den heer Marwood te spreken en jij . .. jij bent Victor Hartgreave.” De man boog spottend. „Victor Hartgreave van weleer is thans John Marwood,” zei hij. „Wat kan ik voor je doen, juffrouw Fraser?” Een nevel kwam voor Nellie’s oogen, de kamer scheen in het rond te draaien, toen zeeg ze bewusteloos op den grond. Gelukkig viel ze achterover tegen den wand, waardoor haar val gebroken en de kleine in haar armen geen letsel bekwam. Met een duivelschen glimlach op het gezicht keek de man op de bewustelooze vrouw neer. Geen glimp van medelijden verzachtte de hartvochtige trekken. „Zoo, eindelijk ben je toch gekomen,” mompelde hij. „Eindelijk heb ik jou 1 Ik wist wel dat je eenmaal in mijn handen zou vallen.” „Neen, blijf zitten ! Ik heb je een en ander te zeggen !” Nellie trachtte op te staan van den stoel waarop de man, die zichzelven John Marwood noemde, haar had doen plaats nemen. Zij zag dat haar kind haar was afgenomen en in een anderen stoel lag te slapen. Weer trachtte zij op te staan. „Ik moet gaan,” zei ze huiverend. „Ik had niet moeten komen. Ik wist niet.........” Marwood duwde haar weer op haaf stoel. „Neen,” zei hij, „nog niet. Ik moet je eerst wat zeggen, luister 1” Hij trok een stoel naar voren en nam daarop plaats, de beenen over elkander geslagen, de armen op de borst gevouwen en begon : „Vijf jaren geleden, toen je een dienstbode was in het huis van mijn oom, deed ik Jou- de eer aan verliefd op je te worden. Ik betoonde je alle mogelijke attenties en hoewel, om je recht te doen wedervaren, je me niet in ’t minst aanmoedigde, had ik alle hoop je voor mij nog te winnen.” Dezen keer was het te laat om het haar te verhinderen, Nellie sprong van haar stoel op. „Ik moet naar huis,” zei ze stroef. „Ik wil niet naar je luisteren.” Zijn antwoord was een hatelijke lach. „Je moet luisteren,” dreigde hij. „Ik heb de kamerdeur gesloten ; het is dus nutteloos een scène te maken.” Nellie zonk in haar stoel terug en verborg haar gezicht in de handen. Ze was te zwak, dat voelde zij, om het tegen dezen wreeden man te unnen opnemen. Hij ging voort met een zachte eentonige stem „Ik hoopte je te winnen en was zelfs niet bezorgd, toen ik hoorde dat ik een medeminnaar had in den persoon van een zekeren Fraser. Je ziet, ik meende dat men voor geld de meeste vrouwen kan koopen, — voor geld en positie. ïk had een weinig van beide en ik kreeg nog meer. Mijn liefde was HET MIJNENGEVAAR, Voor eenigen tijd liep het Noorsche Tankschip „Maricopa’ ter hoogte van Doggersbank op een mijn, waardoor een gat werd geslagen in den voorsteven. Wanneer men het gat beziet, dat op onze foto duidelijk te zien is, kan men zich eenigszins een voorstelling maken van de verschrikkelijke uitwerking die het springen van een mijn tengevolge heeft. minstens even goed als die van Fraser en daarom dacht ik in het voordeel te zijn.” „Neen, neen 1” het was een gekreun, dat van Nellie’s lippen kwam. „Jouw liefde was heel anders, ze was geen ware liefde. Ze zou verdwenen zijn in een maand. Ze zouden je niet met mij hebben laten trouwen. Jims liefde is EEN HELD VAN BORDPAPIER. Sinds eenigen tijd wordt in „Frascati” te Amsterdam met groot succes opgevoerd het blijspel van A. Bisson : Een held van bordpapier. V. 1. n. r. Mejuffrouw M. van Biene ; Mevr. C. Blankestein; de heer P. Perin; de heer N, Boney, Mevr. D. Poons- v. Biene; de heeren Lageman, Meester, Jurgens, Specht en van Koster. DE VRIJWILLIGE LANDSTORM TE AMERSFOORT. Den 2den Juli werd den door het Dep. v. Oorlog nieuw benoemden Luit. Landré, commandant van den Vrijwilligen Landstorm, Afdeeling Amersfoort, door den sergeant dier afdeeling een sabel met inscriptie overhandigd als blijk van hoogachting van het kader en de manschappen. De plechtigheid, die werd opgeluisterd door de muziek van het Bataljon, geschiedde op de plaats der Infanteriekazerne (foto Serré,)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1716 tot 1720 van 11897