|
PANORAMA 12
De dubbelganger
in ’t vuur. Hij was alleen in zijn luxueus
gemeubelde vrijgezellenkamers op een
avond in Februari. Zijn beide beenen
rustten op een anderen stoel, terwijl
naast hem een tafeltje stond met een karaf wijn en
een kistje sigaren. Op zijn knieën lag een boek, waarin
hij het laatste halfuur had zitten lezen.
Er brandde slechts één licht in de kamer, achter
zijn stoel en zóó geplaatst dat al het schijnsel op zijn
boek viel. Dientengevolge was zijn gelaat eenigszins
in de schaduw : maar aangezien zijn stoel min of meer
parallel stond met het vuur in den open haard, werd
zijn gelaat af en toe door de opflikkerende vlammen
hel verlicht. Hij was gekleed in dinertoilet, wat
hem als een man van de wereld deed kennen.
Nadat hij eenigen tijd nadenkend in het vuur had zitten
staren, nam hij zijn boek weer op en begon te lezen. Nauwelijks
was hij echter bezig of hij hoorde de deur van zijn kamer
achter de zware portières opengaan.
,,Drommels, wie kan dat zijn!” mompelde hij. „Ik heb
Petersen toch gezegd dat ik niet gestoord wilde worden.”
Een tweede slag was het bewijs dat de deur gesloten was
en baron van Steenstraete keerde zich naar den kant vanwaar
het geluid kwam. Hij zag de groene gordijnen vaneengaan
en een man de kamer binnentreden.
„Goeden avond, baron !” zei een kalme duidelijke stem.
„Goeden avond !” herhaalde deze onwillekeurig, daarna
beleedigd : „Hoe durft u hier . .
„Ik moet me verontschuldigen,” viel de vreemdeling den
baron in de rede op uiterst beschaafden doch beslisten toon.
„ Ik zie dat ik u stoor. Ik dacht u reeds in kostuum te vinden,
want het is al laat 1”
„Ik begrijp u niet,” zei van Steenstraete. „Laat? Waarvoor
laat ?”
„Wel voor het bal masqué bij de Goudoevers I” antwoordde
de vreemdeling. „Die Stuartskostuums zijn zeer bewerkelijk.
Je mag dus wel voortmaken met je te kleeden,”
De baron fronste de wenkbrauwen.
„U zegt, dat ge u verontschuldigen moest,” zei hij, uit de
hoogte. „Mij dunkt een verklaring zou het eerst noodig
zijn ; hoewel ik niet twijfel of de verontschuldiging zal ook
noodig wezen.”
De vreemdeling lachte.
„De verklaring is gereed,” zei hij, „over de noodzakelijkheid
van een verontschuldiging zullen we later spreken.”
Terwijl hij sprak, sloeg hij ’n langen ulster open en toonde
aan de verwonderde oogen van den baron een fraai kostuum
uit den tijd van Karei denTweeden. VanSteenstraete bemerkte
nu opeens welk een wondervolle gelijkenis de vreemdeling
met hemzelf toonde. Haar, oogen, neus, kin, alles was sprekend
het zijne. Ook de rijzige gestalte kwam volkomen met
zijn eigene overeen. De baron was vlug van begrip en daarom
was het voor hem niet moeilijk tot de conclusie te komen,
dat de vreemdeling die sprekende gelijkenis voor het een of
ander (goed of slecht) doel wilde aanwenden.
Hij scheen hierdoor evenwel niet in ’t minst van zijn stuk
gebracht. Met zijn gewone nonchalance lag hij achterover
in zijn stoel en keek den indringer aan. Deze laatste gaf den
baron in koelbloedigheid niets toe ; hij trad zoo vrij op, alsof
hij in zijn eigen huis was. Zijn handelingen rechtvaardigden
echter de achterdocht die de baron reeds bij zijn binnentreden
tegen hem had opgevat. Uit zijn overjas haalde hij een
revolver en een klein fleschje te voorschijn. Daarna wierp hij
zijn jas op een stoel en keerde zich naar van Steenstraete.
Deze volgde al zijn bewegingen met de grootste belangstelling
doch zonder de minste vrees. Eindelijk trok de vreemdeling
een stoel naar zich toe en plaatste dien tegenover den
baron aan den anderen kant van den haard. Voorovergebogen,
met de revolver in de hand, begon hij :
„Allereerst, baron, moet ik u vriendelijk
verzoeken, geen gerucht te maken. Er is
niemand hier in dit deel van het huis, dat
weet ik, en u zoudt dus moeite hebben gehoor
te krijgen. Dit kleine speeltuig is geladen,
en dit fleschje is vol chloroform. Ik
twijfel er niet aan, dat, met een schot in uw
schouder (ik verzeker u, ik kan goed schieten
!) het mij niet moeielijk zou vallen een
weinig chloroform op uw zakdoek te doen.
Ik zou het ten zeerste betreuren, als ik tot
een dergelijke onaangename behandeling
moest overgaan. De beslissing ligt evenwel
in uw handen.”
De baron glimlachte.
„Ik verzeker u,” antwoordde hij, „het is
voor mij van groot belang u niet voor deze
moeilijke noodzakelijkheid te moeten plaatsen.”
„Dank u,” zei de vreemdeling. „Dan zal
ik u de gevraagde verklaring geven : De
Goudoevers geven vanavond een gemaskerd
bal.”
„Zoo is ’t!”
„Het was uw plan daar heen te gaan in
het kostuum van een hoveling van Karei II”.
„Ja!”
„Het kostuum dat u zoudt dragen, was
volkomen gelijk aan dat wal ik nu draag.”
ATTAQUEEREN!
Een met levensgevaar door een Italiaansch officier genomen foto van een
stormaanval door een Itaiiaansche afdeeling op een door Oostenrijkers
bezette hoogte.
„Ik dacht dat u het mijne reeds aanhad. Ik acht u vrijmoedig
genoeg om het mijne te . . . leenen, zonder er mij permissie
voor te vragen ; en mijn slaapkamer is niet op slot.”
„Ah zoo, baron ! Neen, om u de waarheid te zeggen, dacht
ik u reeds gekleed te vinden. Ik wilde u niet noodzaken u
voor mij weer te ontkleeden. Bovendien zou ’t mogelijk hebben
kunnen zijn, dat ik dit proppenschietertje had moeten
gebruiken en dan zou ik het kostuum beschadigd hebben.
VAN DE AMERIKAANSCHE VLOOT.
Een Amerikaansch matroos toont een dame, die op een oorlogsschip
der Vereenigde Staten op bezoek is, het mechanisme
van een der groote kanonnen.
Daarom heb ik voor een copie gezorgd. Ik ben nochtans gevoelig
voor het compliment, dat u er geen verschil tusschen
ziet.”
De baron glimlachte weer.
„Satansche kerel 1” bromde hij. „Hoe wist je wat ik vanavond
dragen zou ?” vervolgde hij luid.
„Och, ik was juist bij Helmhout, toen uw bestelling kwam,
baron 1 Ik was er natuurlijk niet toevallig. Zulke dingen worWAAR
DE STRIJD HET HEVIGST WOEDDE.
Bovenstaande foto van in brand geschoten Naphtabronnen in de omgeving van Boryslav, toont
wel op verschrikkelijke wijze, hoe groot de verwoesting is, waaraan in den oorlog nijvere
fabrieks-centra bloot staan en wat het zeggen wil, als er in een streek „gevochten” is
den altijd voorbereid door .... laat ons zeggen de
Voorzienigheid. Maar ik ga voort met mijn verklaring
: U zoudt vanavond dansen met juffrouw
Goudoever, nietwaar ?”
De Baron knikte.
„Na den dans zoudt ge u met de jonge dame hebben
afgezonderd ?”
De baron keek den ander verbaasd aan.
„En haar hebben ten huwelijk gevraagd.”
De baron richtte zich uit zijn liggende houding
op, zonder echter zijn beenen van den stoel te nemen.
Voor een oogenblik was hij verstoord, doch
daarna liet bij zich weer lachend achterover vallen
„Je bent verwonderlijk goed ingelicbt,” zei hij.
De vreemdeling boog en vervolgde :
„U hadt afgesproken een bepaalde soort masker te
dragen om .... de herkenning gemakkelijker te maken.”
„Wel, vervloekt !” riep de baron uit en de vreem
deling begreep dat zijn mededeeling juist was.
Hij leunde een weinig meer naar voren en zijn hand
omsloot vast de kleine revolver.
„Ik moet dat masker van u leenen !” zei hij zacht.
„Aha! Dat verschaft mij dus de eer van je bezoek!” riep
Van Steenstraete uit. „Ik heb me al voortdurend afgevraagd,
waaraan ik toch het genoegen te danken had ; al je informaties
zijn ^uitstekend. Nu, vat ik ’t, het is het masker, dat je
hebben wilt.”
„Juist,” antwoordde de vreemdeling, „en tevens de ver
zekering, dat u niet naar het bal zult gaan. Twee baronnen
Van Steenstraete zou allicht eenig .... misverstand ten ge
volge hebben.”
„Volkomen waar,” stemde de baron toe.
„Ik apprecieer ten volle uw streven om mij mogelijke moei
lijkheden te sparen,” ging de vreemde voort. „En waar is
nu het masker?” vroeg hij.
„Op de sofa daar,” antwoordde de baron. „Mag ik u
vragen, op welke wijze u er voor gezorgd hebt, dat ik niet
komen zal ? Want dat zult u toch ook wel geregeld hebben ?”
„Dat heb ik,” zei de vreemdeling. „Ik ben genegen er mee
te volstaan als u op uw eerewoord beloven wilt, binnen twee
uren niet op het bal te verschijnen en niet op eènige wijze
alarm te maken.”
„En als. ik weiger?”
„Dan,” ging de vreemdeling op dreigenden toon voort,
„zal ik verplicht zijn u chloroform te geven en u vast te
binden. Mocht u tegenstand bieden, dan zal ik niet aarzelen
u in den schouder te schieten. Ik kan u de verzekeringgeven,
dat een schot uit deze revolver bijna geruischloos is. De voorbereiding
van dit plan heeft mij heel wat moeite gekost en
ik zal het uïtvoeren met of zonder uw wil. Ik zou het evenwel
betreuren als u mij noodzaakt u een blauwe boon toe te dienen,”
voegde hij er aan toe, met den vinger veelbeteekenend
aan den trekker.
„Daf zou alleronaangenaamst zijn,” mompeL... Van Steenstraete.
„Ik geef u mijn woord op een voorwaarde.”
„En die is ?”
„Dat je mij een korte uiteenzetting geeft van je . . . van
de werkzaamheden die je op het bal van de Goudoevers zult
verrichten.”
„Met pleizier ! ’t Is simple comme bonjour. Het lastigste
werk is al gedaan. Ik ga naar het bal; zal juffrouw Goudoever
ten dans vragen en haar dan voorstellen den dans uit te
zitten. Juffrouw Goudoever en haar ouders verwachten
geloof ik, beslist een huwelijksaanzoek van baron Van Steenstraete.
(Dit zou, als ik het zeggen mag, een prachtige verbintenis
wezen.) Ik zal dus mijn wensch te kennen geven een
stil plekje op te'zoeken en juffrouw Goudoever in de niet
onnatuurlijke verwachting van een heerlijk tête-a-tête zal
mij naar haar boudoir of een andere stille plaats leiden. Ik
doe dan eenige druppels chloroform (een paar maar), op mijn
zakdoek ; juffrouw Goudoever houdt tijdelijk op te bestaan ;
ik bevrijd haar van haar diamanten collier en wandel daarna
kalm de deur uit met tweehonderd duizend gulden in mijn
zak. Zooals u ziet, eenvoudig als de dag !”
„Zeer eenvoudig,” stemde de baron toe. „Dus tot halftwaalf
ben ik stom. Denk erom, ik geef u niet langer.”
„Het is lang genoeg, dank u,” zei de
vreemdeling. „Ook wel bedankt voor uw
masker, ik zal het u morgenochtend terug
sturen.”
Terwijl hij sprak, deed hij zijn ulster aan,
stak het masker in zijn zak en schoof de
portière opzij de.
„Goeden avond,” vervolgde bij, „ik
bied u nu de beloofde verontschuldiging
aan !”
' De deur sloeg dicht en baron Van Steenstraete
was weer alleen.
Hij barstte in een bartelijken lach uit.
• „Ha, ha, ha! Wat een geluk dat ik
niet behoefde op te staan, anders zou hij
gezien hebben dat ik mijn voet verstuikt
heb.
Eigenlijk een bof, dat ik vanmorgen
van ’t paard gevallen ben, toen ik met
Willy Goudoever een wandelrit deed, en
dat ze weet, dat ik onmogelijk op het bal
komen kan van avond.
Het is wel jammer voor mijn ondernemenden
vriend, den collier-dief.
Ik vrees dat hem dit avontuur nu slecht
zal opbreken.”
En zijn boek opnemende, begon bij weer
te lezen.
iron Van Steenstraete zat in een gemakkelijken
clubstoel en staarde droomend
|