|
PANORAMA
j UIT HET ZWARTE BOEK ‘
j VAN ’N TELEGRAFIST ,
DOOR J. T. VAN LEIDEN
(Vervolg).
iaar mijn begeerten gingen verder: een
slag wilde ik slaan, niet gebonden zijn
aan een kruk binnen de wanden van een
nauw kantoor, en juist genoeg verdienen
om niet te sterven. Alleen nog in de
ruimte kon ik leven, met wijde horizonnen van steeds
grooter mogelijkheden om me heen.
En ten laatste kwamen er geen brieven meer van
Mary, en ik kon niet naar haar toe vliegen om haar
te redden. Ik zag haar in gedachten op straat, hongerig,
ellendig als ik, nagejaagd misschien door de politie. . . Het was ondraaglijk.
Zoo ging een maand voorbij,
en nog had ik weerstandsvermogen
genoeg om de beminnelijke
voorstellen van mede-zwervers
— mijn kameraden in dien
tijd! — af te slaan, die de
vernuftigst uitgedachte, onfeilbaar
gelukkende plannen tot
diefstal, inbraak en oplichting
voor me ontvouwden. Enkele
daarvan waren niet van bekoring
en romantiek ontbloot,
en wanneer je gebrek lijdt vervormen
zich je begrippen van
moraal op merkwaardige manier.
De deugd van een mensch
zetelt ongetwijfeld in zijn maag.
Op een avond — ik had er
ernstig over gedacht of ’t toch
maar niet wenschelijk zou zijn
mee te doen aan dat plan om
dien eeuwig-dronken grootvorst
van wat goudstukken te ontlasten,
die altijd en hoorbaar
in al z’n zakken dansten (wat
zou hij daar nu minder van
worden ?} — op een avond
slenterde ik voor de honderdste
maal tusschen deboulevardiers:
de geparfumeerde prinsen, zij
aan zij met onaantastbaar kuische
Amerikaansche schoonheden
; de geheimzinnige Oostenrijksche
graven met hun
in punten gedraaide knevels,
die zich neerbogen tot bejuweelde
Engelsche tooneelspeelsters
; de pasja’s en bey’s in
Oostersch weelderige dracht die
arm aan arm flaneerden met
van hoofd tot teen in Jaeger
gestoken Duitsche gymnasiumleeraren...
. heel de schare gemonocle-de
dieven, parasieten,
valsche spelers, aie hier hun
beroep uitoefenden. En voor
de honderdste maal luisterde,
loerde ik .... nu zou mijn
kans komen. Toen —
Een automobiel schoof langzaam,
voorzichtig door de dichtemenigte;
„LadyChisselden, de
nieuwe Amerikaansche schoonheid”,
hoorde ik iemand achter
mij zeggen. Er ging als een gegons
door de wandelaars ; vingers
wezen, hoofden bogen zich
om beter te zien. En de groote,
violet gelakte toerwagen, waarvan
het metalen beslag en de
kristallen lantarens schitterden
in de avondzon, stond naast me stil, trillend, hijgend.
De chauffeur maakte een handbeweging, als noodigde
hij de menigte uit hem door te laten. Op dat oogenblik
zag Lady Chisselden mij aan, en nauw merkbaar hief
ze den vinger, als tot een waarschuwing ; haar strak
op mij gerichte oogen zeiden een seconde lang : zwijgen!
De automobiel, vrijgekomen, sprong plotseling
vooruit, was honderd, duizend meters ver eer ik het
begreep, en ik stond daar nog, met bonzende slapen,
hijgend als had ik hard geloopen — en in mijn hersens
was maar éen gedachte : Mary !
III.
Als in een droom ging ik den weg dien de auto langs
gesneld was, als kon ik hem inhalen.En mijn verschrikte
gedachten wisten niet anders te herhalen dan dit eene
woord : Mary ! In dien grooten, violetten automobiel
had ze gezeten en haar bonten mantel gedragen als
een vorstin ; en de wandelaars hadden met eerbied
en afgunst en bewondering gezegd: „Lady Chisselden I”
Men kende haar al, haar faam ging rond — en hier
stond ik, haarman, en wist niet wat dit alleste beduiden
had. O — het kon niet anders dan goeds zijn, omdat zij
het deed ; en toch.........Als zij het wachten moe was
geworden, als het avontuur haar gegrepen had. . . , ?
Maar natuurlijk : nog dien avond zou ik het weten ,
niets zou eenvoudiger zijn dan in de vreemdelinge^*
lijst na te zien waar Lady Chisselden logeerde. En ik
trachtte mijn angst en mijn twijfel te verdringen.
Aan de zee vond ik mezelf terug, als ontwakend in
de vraag waarom ik eigenlijk al een kwartier lang naar
een motorjacht stond te kijken. Ik wilde wegslenteren,
maar over de loopplank kwam ’n man, ’n heer in
marine-costuum, die ine vluchtig aanzag. zich toen
Richard Polak. — "Terug van de Markt".
Neen, lezer, het is geen Gerard Dou, geen Vermeer of Metsu, zelfs geen schilderstuk dat wij hier reproducee'ren. ’t Is een specimen
van het kunstvolle fotografische werk, dat onze landgenoot, de heer Richard Polak, met zooveel smaak weet in elkaar te zetten. De
appreciatie van zijn werk bleef niet beperkt tot binnen de grenzen van ons eigen land, vooral in Engeland telt zijn werk vele bewonderaars.
Een goed bewijs hiervoor was de belangstelling in de tentoonstelling van zijn fotografieën te Londen door het bekende tijdschrift „The
Amateur Photographer” georganiseerd. De heer Polak heeft in zijn woning te Rotterdam een oud-Hollandsch intérieur doen inrichten,
waar hij zijn tafereeltjes enscèneert. Hij weet op meesterlijke wijze de belichting te bereiken en moet wel een goed kenner van de
oud-Hollandsche gewoonten, zeden en drachten zijn, om zulke resultaten te bereiken. Feitelijk doet hij fotografisch hetzelfde, wat
een tableau vivant geven wil. Doch dat is juist het knappe in Polak’s oeuvre. Bij hem mist men het tooneelmatige, opzettelijke, dat
de „levende beelden” vaak minder gestaagd doet zijn. Dank zij ook zijn voortreffelijk medewerkende „modellen”, lukt het den fotograaf
om het leven in zijn groepen te gieten. En dat is voorwaar geen kleine kunst.
omwendde tot iemand, wiens hoofd juist boven een
luik uitstak, en zei : „ja, de een of andere monteur,
’n practicus in elk geval.........ik zal er wel een vinden.”
Z’n accent klonk kenschetsend Amerikaansch. Ik
ging op hem toe. „Wat is er gaande ? Ik ben in ’t
vak.” De man zag me nu opmerkzaam aan. „Generator
defect — we zitten in ’t donker.” Ik volgde hem langs
de plank. „Allright — I’ll fix it.”
Na onderzoek leek ’t me een werkje van drie kwartier.
Dat kon ik nog waarnemen vóór den nacht. Ik rekende
uit: tien francs mocht ’t wel kosten ; dat beteekende
een avondmaal en ’n goed bed. Geen vijf minuten
had ik noodig om gereedschap ergens in de buurt te
huren ; toen ging ik aan den arbeid.
Met m’n gezicht dicht tegen ’t beschot, over mijn
werk gebogen, hoorde ik gedempte stemmen in den
salon daarnaast, rinkelen van glazen, ’t verschuiven van-
’n stoel. Het klonk niet onplezierig, dat wei-vertrouwde
Amerikaansch, waarin overigens ook Engelsche stemmen
zich mengden. Maar opeens deed een woord me
de ooren spitsen : Postal-Union Telegraph bonds —dat
klonk als uit Hannock’s tijd ! Ik zorgde dat ik ook in
de provisiekamer te doen had, die met ’n deur van den
salon gescheiden was, haalde ’n eind draad door den
wand om mijn houding te redden wanneer ik gevonden
werd. Nu kon ik heele stukken van ’t gesprek volgen.
Het leek me of een van ’t gezelschap ’n rechterlijke
autoriteit was, een ander, die zijn critische vragen
beantwoordde, ’n Amerikaansch speurder, agent van
een district-attomey of iets dergelijks. Ook twee politie-rechercheurs,
of misschien leden van ’t een of ander
detective-bureau, moesten er bij zijn ; er werd over
crimineele procedure gesproken met blijkbare kennis
van zaken. Nog een vijfde man was er, dien ik niet kon
thuisbrengen ; hij las namen en
cijfers voor van een lijst, die,
zooals hij uitlegde, ergens bij ’n
inbraak uit een brandkast was
gestolen.
„Driehonderd en twintig aandeelenNationale
Handelsbank’ ’,
las de stem zakelijk. „Een certificaat
van zeven en veertig
aandeelen United States Steel
Preferred ; twee idem van h mderd
idem elk Erie Railroad
First Preferred ; achttien chè
ques; zeven schuldbekentenissen;
. ..
„Voor ons waarschijnlijk
waardeloos,”merkte ’n anderop.
„Postal - Union Telegraph
bonds, geschat op 102.345 pd.
st.,” ging de lezer voort, en
de criticus van zoo even zei:
„dat is zeer belangrijk, want ’t
bewijst dat de telegraaf-maatschappij
en de speelzaal gedwongen
zijn samen te werken! ’ ’
Ik. volgde het gesprek met gespannen
aandacht, de handen
opgeheven naar mijn werk,
maar onbeweeglijk.
„Alles te zamen een kwart
millioen dollars verhandelbare
waarden, als we op dit lijstje
vertrouwen kunnen, wat wel ’t
geval moet zijn, want het werd
dien nacht van den inval uit
de brandkast van Sheldon genomen.”
Sheldon — de naam zond
me een schok door de leden,
als had ik een stroomdraad
aangeraakt. Maar het gesprek
ging voort.
„En Morlay is in Genua, zeg
je?” vroeg een Engelsche stem.
„Nu, of dezer dagen,” antwoordde
een Amerikaan. „Onze
Milaansche agent wist afschriften
van zijn telegrammen te
krijgen. De meeste waren in
cijfers, maar zijn vertrek naar
Genua stond in elk geval vast.”
„Daar zal ’t lastig zijn hem
te krijgen !”
„Maar als hij eerst naar Liverpool
gaat, zooals je te voren
zei en dan als ’t ware door een
achterdeur naar huis, namelijk
met ’n boot naar Quebec of
Montreal . . .
„Dat doet hij zeker niet. Hij
is te verstandig om op Engelsch
gebied te komen. Het is trouwens
niet eenvoudig een kwestie van hem ’t overbrengen
van zijn voorraad te beletten; wat we
noodig hebben is klinkende, tastbare bewijzen. De
handteekeningen van die chèques zijn.........”
Dit was het laatste wat ik hoorde, maar ik wist genoeg
: het zou me in de toekomst te pas komen. Mijn
conclusies waren gemaakt. En op hetzelfde oogenblik
haastte zich een steward met een blad met glazen
naar binnen. Zijn wantrouwende oogen zagen slechts
een electricien die druk aan ’t werk was. Een half
uur later stond ik weer aan wal; de francsstukken
rammelden in mijn zak. Als ik nu Mary zien kon en
spreken, haar zeggen wat ik daar aan boord gehoord
had. .... Maar — zou Lady Chisselden genaakbaar
|