Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1701 tot 1705 van 11897
Nummer
1915, nr. 54, 5 juli 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA Een Leelijke Vergissing DOOR HENKIE jjpEgIMjggffien slank jong meisje met een gekleurden omslagdoek om het hoofd kwam uit een huis in de Rechtboomsloot en liep langzaam naar een roodgeverfde brievenbus, en toen ze een groote enveloppe gepost had, (een enveloppe die zoo dik en zwaar was dat er drie postzegels op zaten) keek ze een oogenblik nieuwsgierig rond. „Ik zal blij zijn als ik de locale kleur heb kunnen vatten,” zei ze tot zichzelf. Een klap op haar schouder stoorde haar in haar alleenspraak. Ze keek om en zag een roodharigen jongen kerel met een schrander gezicht, een pet op het hoofd en zonder boord en das. „Hallo, daar I” „Hallo !” „Waar mot jij naar toe ?” zei de kerel op familiaren toon. „Je kent me, geloof ik, is ’t niet ?” „Kan niet zeggen van wel 1” „Wat!” riep de kerel uit, terwijl hij een stap achteruit deed en met trotsch op zijn borst sloeg. „Ik ben Rooie Freek.” „O, zoo I” „Hoe heet jij!” „Mijn naam,” zei ze, „is Betje Rebbers I” „Jij hebt nog al verbeelding, geloof ik I” zei de Rooie brutaal. t „Ja,” bekende Betje, „dat geloof ik ook. En weet je wat nog meer ? Dat jij het land hebt aan werken !” Rooie Freek streek met zijn hand over zijn vurigen haardos en tikte haar daarna vertrouwelijk op den schouder. HET BOMBARDEMENT VAN KARLSRUHE. Onder de gebouwen die in brand geraakten of verwoest werden, bevond zich ook een kerk, die natuurlijk, toen de vliegers vertrokken waren, heel wat belangstelling trok. „Jij lijkt me,” zei hij. „Ik mag hangen als ik mijn tegenwoordige meid niet laat loopen voor jou.” „Kalm aan,” zei het juffie. „Kalm aan 1 Vergaloppeer je niet. Wat zijn jouw vooruitzichten ?” „Mijn wat ?” „Waar leef je van ?” hernam Betje Rebbers, „hoe verdien jij je centen ?” Rooie Freek fluisterde grinnekend achter zijn hand: „Erg makkelijk, hi, hi, hi 1 Vervloekt makkelijk !” „’k Wou ’k ’t ook kon zeggen 1” „Ja, ik zal ’t jou vertellen, maar — kop dicht! — Ik heb een fijn karweitje onderhanden !” „Ja ?” riep juffrouw Rebbers enthousiast uit. „Dat zou ik denken,” ging Rooie Freek trots vocyt. „Wat wij jongens van de vlakte niet weten, is niet de moeite waard om te weten. Een paar van onze jongens zullen van nacht een bezoek brengen aan een villa in het Willemspark”. „Toch niet bij jonkheer Rebbers ?” zei ze angstig. „Hoe weet je dat ?” vroeg Rooie Freek HET BOMBARDEMENT VAN KARLSRUHE. Voor eenigen tijd hebben vliegers der Geallieerden, terwijl de Koningin van Zweden er logeerde, bommen gegooid op Karlsruhe waardoor nog al wat schade is aangericht. Wij geven hierboven een foto van een gedeeltelijk verwoeste straat. op scherpen toon. „Wie heeft jou dat verteld ? Ik zal je op je mooie gezicht timmeren, knappe juffie Betje, als je me niet dadelijk zegt van wie je het weet.” „Geen mensch heeft ’t me gezegd,” antwoordde ze onrustig. „Ik raadde ermaar naar. Ik heb denzelfden naam, daarom viel me dat in.” „Ken je die villa soms ? Vooruit, vertel op wat je weet 1” Juffrouw Lize Rebbers was een jonge dame, die gewoon was verhalen te verzinnen ; het kostte haar dus ook nu geen moeite den ruwen klant een eenigszins geloofwaardig verhaal op te disschen, dat hij dankbaar slikte. „Zoo,” zei hij opgeruimd. „Dat treft mooi. Omdat je me zoo goed hebt ingelicht, krijg jij van mij een citroentje met suiker. Wat, wil je niet ? Wat drommels, je bent . . . .” „’t Is nog zoo vroeg,” pleitte zij. „Te vroeg om . . . .” Rooie Freek schaterde het uit. „Nou, ik ga er eentje nemen. Wacht maar, morgen krijg je champie, als alles goed gaat.” „Bedoel je met dat karweitje, waar je daar straks van sprak ?” „Ja. Ik en m’n kameraad, Flip de Doffer, hebben een mooi plannetje 1 Ik geloof dat jij wel zou willen hooren wat dat voor een plannetje is, hè ? Jij hebt er net zoo’n paar mooie oortjes voor.” „Laat mijn ooren er maar buiten,” weerde zij af. „Ik wil niks van jou plannetjes hooren. Ik geloof dat het voor jou veel beter zou zijn als je met je handen van een anders ooren en goed afbleef I” „Wel, jou kat!” mopperde Freek. „Ik zal je ons plannetje vertellen, omdat je ’t niet hooren wilt. Als je er om gevraagd had, had ik je niks gezegd.” „Da’s mannentaal!” „Nou luister !” zei de kerel, terwijl hij een klein meisje opzij duwde, dat hem in den weg liep. „Flip heeft de sleutels te pakken gekregen van den huisknecht, toen die ’m „om” had. En nou is ie bezig zich te kleeden . . ..” Het scheen blijkbaar de jonge vrouw met den omslagdoek over het hoofd te amuseeren. Toen Rooie Freek met zijn verhaal klaar was, schaterde ze het uit. En Freek lachte mee. „Geloof je dat ’t lukken zal ?” vroeg zij. „En óf !” „Goed succes dan 1” lachte zij en wilde hem verlaten. „Wat ? Wil je weggaan ? Neen, je gaat met me mee. Ik TOT VOLLEDIG HERSTEL. Wij wezen er in een onzer vorige nummers reeds op van hoe groot belang het voor een natie is, dat verminkten en gewonden weer zoo spoedig en volledig mogelijk herstellen. In dit verband vonden wij het eigenaardig deze foto te plaatsen van primitieve werktuigen, die de Duitschers achter het front gebruiken om gekwetste ledematen weder lenig te maken. zal je met Flip de Doffer in kennis brengen. Hij is een dui velskerel,’n echte dendie. Hij kan met groote heeren omgaan.’’, „Ik zou hem toch maar liever niet ontmoeten, dank je !” „Aha 1” Rooie Freek knikte met een wijsgeerige uitdrukking op zijn bandietengezicht, alsof hij te kennen wilde geven dat hij de vrouwen begreep. „Aha I Is ’t dat ? Jij wil me niet jaloersch maken. Ik begrijp ’t !” „Wat ben je toch slim !” zei ze vleiend. Een der EEN ONTPLOFTE BOM. bommen, zooals er door de Geallieerden boven Karlsruhe geworpen werden. „Dat mot je wezen in mijn vak,” zei Freek trots, Ik zal je morgen zeggen hoe ’t zaakje is afgeloopen.” „Pas maar op, dat ze je niet snappen.” „Ach,” zuchtte Freek, „en dan zou jij zeker je mooie oogen uithuilen, hè? Jij hebt een paar prachtige oogen in je kop, weetje !” „’t Is hetzelfde paar, dat ik altijd had.” Rooie Freek was in de wolken over de gevatheid van zijn nieuwe kennis. Grinnekend van bewondering herhaalde hij haar laatste woorden eenige malen. Eindelijk haalde hij uit een zijner zakken een stuk sigaar te voorschijn, waarvan het ontbrekende deel reeds de rol van pruimtabak vervuld had. „Daar lijk jij veel op,” zei hij op het eindje sigaar wijzende. „Werkelijk ?” „Ja ! Ik bedoel jij bent net als deze tabak een heel stuk boven het ordinaire. Jij lijkt niets op de sloerie’s, die ik gewoonlijk ontmoet. Wij passen goed bij mekaar, want, ik reken mezelven ook een beetje boven ’t gemiddelde.” „’t Moet prettig wezen als je dat zelf zoo gevoelt,” merkte zij op. „Mot je m’n vriend Flip hebben, da’s er een ! Een echte sjentelman. Hoe hij zoo komt, gaat boven mijn pet! Ik heb ’m bijgewoond in een fijn café, waar ze hem niet kenden. Ongeloofelijk ! ’t Was of ie lid van de Kamer was I” „’t Is een gave !” merkte het meisje op. „Net as je zegt,” stemde Freek toe. „En as je ’t niet heb, dan, heb je ’t niet.” Hij keek onderwijl op de klok in een bakkerswinkel en bleef staan. „’t Is mijn tijd ! Ik mot weg !” „Kom vooral niet te laatI”
PDF
Nummer
1915, nr. 54, 5 juli 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA DE STRIJD IN NOORD-FRANKRIJK. Na hevige gevechten, die 52 dagen geduurd hebben, slaagden de Franschen erin het door de Duitschers bezette dorpje Vermelles (bij Arras) te heroveren. Wij geven hierboven een foto van een der barricaden die door de Duitschers in de straten waren opgeworpen. „Nee, nee 1 Ik kom morgen op dezen tijd terug en zal naar je uitkijken.” „Doe dat!” De heer Filippus de Doffer, de beschaafde vriend van Rooie Freek wandelde dien avond het Vondelpark door om zich naar de woning van den heer Rebbers te begeven. Hij was gekleed in avondtoilet en hoogen hoed en gaf zich het air van een echten heer. In’tWillemspark No. 52 bleef hij staan. Een grijskleurige looper was tot aan het eind der stoep gelegd ; hieraan en aan de helverlichte vensters en de in gala gekleede bedienden in de vestibule was het duidelijk merkbaar dat daar een avondpartij gegeven werd. Een rijtuig hield stil waaruit eenige dames stapten. „Ik zal me hierbij voegen,” mompelde de heer Filippus. Hij gaf zijn jas aan de garderobe af en liep de breede trappen op. Boven kwam een jonge dame hem te gemoet met uitgestoken hand en verwelkomde hem hartelijk. „Hoe maakt u het ?” Filippus de Doffer keek een oogenblik verbaasd. „Maar, dokter, kent u mij niet meer ?” ging de jonge dame voort. „Papa is plotseling ongesteld geworden en nu moet ik de honneurs waarnemen. Ben ik niet groot geworden ?” „Ik zou u niet hebben gekend,” zei de heer De Doffer en daar loog hij niet aan. „U blijft toch zeker eenigen tijd en gaat niet zoo dadelijk weg ?” „Ik kan, helaas, niet lang blijven,” zei de heer Filippus. „Het buffet is in de kamer hiernaast. . . .” „ïk ga er heen,” viel de ander in. „En denk er om dat ik u straks nog graag even spreken wil. Belooft u me dus, dokter, voor u heengaat nog even afscheid te komen nemen.” „’k Beloof het u,” antwoordde Flip de Doffer. „In deze zaal, zegt u, is het buffet ? Ik zal in tien minuten terug zijn.” Hij sprak dit laatste in zichzelf, terwijl hij zich door de zaal vol gasten een weg baande. „Ik kan best eerst een flesch Moet op den kop tikken ; dat houdt zoolang niet op. Arme Rooie Freek, dat gaat je neus voorbij.” Eindelijk was het hem gelukt het buffet te bereiken en liet hij de gelegenheid niet voorbijgaan hieraan alle eer te bewijzen. Toen hij eindelijk terugkeerde, was een langharige violist een solo aan ’t spelen. Alle bezoekers zaten aandachtig te luisteren. „Waar zou dat meisje zijn ?” vroeg Flip zichzelven af. De dochter des huizes had van de gelegenheid dat de gasten door het superieure vioolspel werden beziggehouden, gebruik gemaakt om een gesprek aan te knoopen met een nog jongen ernstig uitzienden heer. Ze scheen hem zeker iets grappigs te vertellen, want het strenge gelaat van den toehoorder plooide zich tot een glimlach. „Hallo I” zei Flip tot zichzelven, „dat is zeker haar uitverkorene. Net een goede gelegenheid voor mij om mijn slag te slaan.” De vioolsolo was ten einde en Flip stapte naar de deur om de zaal te verlaten, maar werd hierin verhinderd door een paar oude gezette dames, die langzaam voor hem liepen. „O, ze is heel begaafd,” merkte een der dames op, „heel begaafd ! Ik ben dol op haar 1 Ze doet de meest interessante dingen ; ze schrijft zelfs 1” „Hoe lief,” zei de andere dame min of meer spijtig. „In mijn jonge dagen, hm, toen hadden wij meisjes wat anders te doen !” „O ja, lieve, maar de tijden zijn nu heel anders I” Het gelukte den heer Filippus eindelijk door de menscheEEN STORMAANVAL. Een met levensgevaar genomen foto van een aanval van een Schotsch regiment op een Duitsche loopgraaf. lijke barricade heen te breken; het werd tijd dat hij beneden kwam, om daar zijn metgezel Rooie Freek te assisteeren. Op dit oogenblik liet de jonge gastvrouw den heer met het ernstige uiterlijk alleen en begaf zich naar de plaats waar Flip de Doffer zich bevond. „Wat is dat, dokter, gaat u ons al verlaten ?” vroeg ze met een lieve stem. „Da’s jammer ! Intusschen wel bedankt voor uw komst 1” „Het is geheel aan mij om te bedanken voor het gulle onthaal en u mijn spijt uit te drukken dat ik van 'uw gastvrijheid niet langer gebruik kan maken. Maar drukke werkzaamheden . ...” NA HEVIGEN STRIJD. De korte oogenblikken, waarop er aan het front niet gestreden wordt, worden door de manschappen zoo aangenaam mogelijk doorgebracht. Dan komen de muziekinstrumenten voor den dag en worden populaire liedjes gezongen, die herinneren aan voorbije dagen en het hart van de ruwe krijgers soms op zeldzame wijze ontroeren. „O, ik weet hoe druk men het soms hebben kan. Ik heb het ook wel eens druk.” „Het verheugt mij dat te hooren.” „Ik schrijf verschillende artikelen over het leven in de volksbuurten door „Één die daar gewoond heeft.” „Interessant,” zei de heer De Doffer beleefd. „Zeer interessant zonder twijfel ! Maar u heeft daar toch niet gewoond, is ’t wel?” „O, ja, gedurende eenige weken. Ik zou u hieromtrent juist een verzoek willen doen.” „Geheel tot uw dienst 1” „Zoudt u dan,” hier daalde haar stem, terwijl een schelmsche blik in haar oogen flikkerde, „zoudt u de groeten van mij over willen brengen aan Rooie Freek ?” „Ken je hem?” vroeg hij verschrikt. „En zeg hem,” ging ze voort met volkomen zelfbeheersching, „dat ik hem onmogelijk morgen kan ontmoeten en dat het onnoodig is dat hij nog langer achter aan het sousterrain staat te wachten en dat je er ook niet heen behoeft te gaan, want we hebben een goede brandkast en een nieuwen huisknecht en het zilver is goed opgeborgen. Nu, vaarwel, en vergeet mijn verzoek niet.” Flip de Doffer vloog de trappen af en stond de dienstbode in de garderobe nauwelijks toe hem in zijp overjas te helpen. „Neen,” mompelde hij woedend. „Ik zal het niet vergeten ! Ik zal Freek zijn rooien kop zóó bewerken, dat hij wekenlang aan zijn stommiteit denken kan 1” EEN FOTOGRAFISCH RECORD. Van alle interessante en bijzondere oorlogsfoto’s, die wij tot heden publiceerden, is bovenstaande zeker wel de meest interessante. Voor zoover ons bekend is, is het nog nimmer een fotograaf gelukt, een dergelijke opname te maken van een kanon, terwijl het werd afgeschoten, als wij hierboven er een reproduceeren. Men ziet duidelijk welk een uitwerking het schot op den stand van het kanon heeft. VAN HET SERVISCHE LEGER. Ter voorkoming en bestrijding van de vroeger in ’t Servische leger veelvuldig voorkomende gevallen van typhus, worden de soldaten nu gedwongen om te baden en hun kleederen op chemische wijze te doen reinigen. Het wasschen der kleedingstukken wordt, zooals op onze foto te zien is, Oostenrijkschen krijgsgevangenen opgedragen.
PDF
Nummer
1915, nr. 54, 5 juli 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 ’n Tragi-Comedie meid opende de deur van dokter Horton’s studeerkamer en diende aan : „Mijnheer Crawford, dokter 1” Dokter Horton keek niet op van den brief, dien hij aan ’t schrijven was, totdat hij de kruk van de deur hoorde omdraaien, toen stond hij op en keek zijn neef Rodney Crawford ernstig aan, terwijl hij kalm zeide : „Een brief, geschreven aan mijn vrouw door jou, is in mijn handen gekomen. Ik heb hem gelezen en je voorstel begrepen : je wilt met haar vluchten !” Crawford was op deze mededeeling zeer bleek geworden ; voor een oogenblik sprak hij niet, maar staarde den dokter ‘met woedende oogen in het ernstige gelaat, terwijl zijn handen zich onbewust tot vuisten balden. „’t Is zoo 1” zei hij eindelijk. „Bertram, je geeft niets om haar! Je houdt alleen van je werk. Daar leef je voor, niet voor haar. Je hebt geen. . . „Ik heb jouw opinie over mij niet gevraagd,” viel Horton den ander kalm in de rede. „Ik wil niet twisten of redekavelen. Daarvoor is de zaak te ver gegaan. Ik stel vast dat jij Lottie hebt voorgesteld met jou te vluchten, omdat jij onderstelt dat ze met jou gelukkiger zal zijn dan met mij, nietwaar?” „Ik denk alleen aan haar geluk t” „Zeer onzelfzuchtig,” zei Horton schamper. „Ik bemin haar. Het beteekent ook mijn geluk,” ging Crawfort voort. -„Toch zou ik je haar niet ontnemen, als ik niet ten voile overtuigd was, dat de kans op geluk voor haar . . . .” „ïk begrijp. Ben je volkomen doordrongen van de positie . . de minachting, de beleediging ... die een gevluchte getrouwde vrouw te verduren heeft.” „We hebben de gevolgen onder de oogen gezien, ja !” „Heb je er op gerekend, dat ik mij van haar zal laten scheiden ?” „Wij vertrouwen dat je dat doen zult!” „En jij zult haar dan trouwen ?” „Ja!” „En als ik weiger ? Als ik je zeg dat ik niet wil dat de naam dien zij draagt, mijn naam, door het slijk wordt gesleurd, het onderwerp wordt van een rechtszaak, en van sensatieartikeltjes in de dagbladpers . . . wat dan ?” „We zouden het aan je gezond verstand en aan je rechtvaardigheid overlaten het juiste te kiezen.” „Rechtvaardigheid 1” herhaalde Horton. „Rechtvaardigheid aan een dief ? Want jij bent een dief. Jij hebt mij haar ontstolen. Geen twee menschen konden gelukkiger geweest zijn dan Lottie en ik . . „Zoolang je haar de voorkeur gaf boven je beroep,” viel de jonge man hem in de rede, „hield Lottie van je. Jij hebt haar liefde voor jou gedood. Je werk eischte je geheel op. Je verwaarloosde haar ...” „Èn toen kwam jij.” „ïk vond haar een ongelukkig, moedeloos vrouwtje, voor wie iedere eenzame dag een eeuw en ieder uur een dag scheen. Ik trachtte haar wat op te vroolijken. En toen — geen fout van mij — leerde ik haar ïiefkrijgen. lederen dag deed me je meer benijden om haar bezit. Ik . ...” Dokter Horton stopte zijn woordenvloed. „Ik wensch je verdediging niet te hooren,” zei hij. „Verontschuldigingen zijn gemakkelijk te maken. De vraag is wat er nu gedaan moet worden. Je zegt dat je alles overwogen hebt. Ik wil je gelooven. Vandaag, zooals je natuurlijk weten zult, verlaat Lottie onze woning, onder voorwendsel naar haar moeder te gaan, die ziek heet te zijn.” „Mevrouw Verley is ziek 1” OPENING VAN HET ROSARIUM TE ARNHEM In tegenwoordigheid van vele leden der vereeniging „Nos Jungunt Rosae” en belangstellende autoriteiten, had Zaterdagmiddag te Arnhem de opening plaats van het door bovengenoemde vereeniging in het park Sonsbeek aangelegde rosarium, dat in tegenstelling met de andere door haar aangelegde rosaria, o.a. te Utrecht en Amersfoort onder beheer der Vereeniging zelf zal blijven. Het rosarium, waarvan wij hierboven een foto geven, is verdeeld in een wetenschappelijke, botanische en historische afd., dat voor zoover dit doenlijk is, ’n overzicht geeft van de geschiedenis der rozenteelt in ons land. „Ik vernam uit jouw brief, dat ze niet voornemens is tot mij terug te keeren. In ’t eerste oogenblik was ik niet zoo kalm als thans.” Crawford boog het hoofd, „Jij denkt, dat ik het nog al kalm opneem ?” „Als je ’t mij vraagt, ja, dat denk ik !” „Urenlang zat ik hier alleen. Toen zond ik om jou. Ik wilde met jou tot een schikking komen. Haar geluk gaat voor alles. Ik geloof, Rodney, dat je gelijk hebt. Er was waarheid in wat je zei. Ik stem toe dat ik haar verwaarloosd heb. Ik stem toe, dat ik aan mijn werk de voorkeur gaf boven haar. Ik geloof als ik vroeger tot dit inzicht gekomen was, deze . . . deze onaangenaamheden niet zouden zijn voorgevallen . „’t Is te laat!” zei Rodney ruw. DE KERSENPLUK IN DE BETUWE. Als pendant van de serie foto’s, die wij in ons vorig nummer gaven van de aardbeiencampagne in de omgeving van Beverwijk, reproduceeren wij op deze pagina enkele kiekjes uit de Betuwe, waar de kerseboomen op het oogenblik met vruchten beladen* zijn en heel wat menschen werk vinden met het plukken, sorteeren, verzenden, enz. Hierboven: het verdrijven van den grootsten kersendief: den vogel. Links: „Aan een boom zoo vol geladen, mist men een paar kersjes niet...”. Rechts: het sorteeren in de locaien van een der grootste conservenfabrieken. „Dat zie ik niet in. Het is te iaat om jullie beiden te dwingen met mij in te stemmen, dat is alles I Ik zal het ook niet probeeren..Daarom heb ik je verzocht hier te komen. Rodney, ik ben niet van plan mij van haar te laten scheiden.” „We kunnen je hiertoe niet dwingen 1” „Je begrijpt goed wat dat beteekent ? Veronderstel, dat er kinderen geboren worden ?” Rodney balde de vuisten zoo krampachtig dat de nagels in zijn vleesch drongen. „Wat zou er dan met Lottie gebeuren ?’ „Jij Zoudt gewroken zijn,” zei Crawford Horton schudde het hoofd. „Jij moet leeren begrijpen, Rodney, wat ik daar straks gezegd heb, dat haar geluk voor alles gaat. j ouw dood zou het probleem oplossen 1” Hij wachtte even en voegde er langzaam aan toe : „of de mijne !” Zij keken elkander aan. Crawford zweeg. Eindelijk ging Horton voort : „Ik geloof, dat ik haar gelukkig zou kunnen maken ais jij dood was. Ik geloof eveneens, dat moet ik wel, dat ze ook met jou gelukkig zou zijn als ik dood was, en zij, daardoor in staat jou te trouwen, wet telijk met jou zou kunnen leven en jou kinderen schenken. Het leven van een van ons beiden is de hinderpaal voor haar geluk. Daarom doe ik jou een voorstel, Rodney. Drie jaar geleden, toen Shalto Nisley uitZuid-Nigeriaterugkwam, heeft hij een kleine tube met vergif meegebracht, waarin de .inboorlingen hun pijlen doopen. Hij vroeg mij het te analiseeren. Het veroorzaakt binnen enkele uren den dood, en er is zoover ik weet geen tegengif voor. Het laat evenmin op den doode sporen achter. Ik heb het vergif toegepast op een ouden gebrekkigen hond, hij stierf binnen twintig minuten nadat hij twee druppels b d ingenomen. Hier heb ik het!” Hij trok een lade open en haalde er een klein fleschje uit te voorschijn. „Ik stel je dit voor: we zullen loten, kruis of munt gooien, of een kaart trekken. Hij, die verliest, neemt zes druppels van dit vergif in het glas melk, dat daar op tafel staat.” Crawford staarde voor zich heen. „Denk niet dat het een grap of truc van mij is,” ging Horton voort. „Het is mij bitteren ernst. Ha!” Er klonk geritsel in een hoek van de kamer. Horton liep er- haastig heen. „Kijk, we hebben geluk,” vervolgde hij, een muizenval omhoog houdend. „We hebben heel veel last van muizen ; ze komen uit het leege huis hiernaast. Geef me dat spuitje eens aan !” Crawford gehoorzaamde. „Ik haat het onnoodig te dooden,” zei Horton „doch men kan niet toestaan, dat ongedierte te zeer aankweekt. Bovendien is het een pïjnlooze dood, en te verkiezen boven een bad in kokend water door de keukenmeid.” Hij zweeg even. „Ik heb hem vier druppels gegeven, een buitensporig groote dosis, maar we hebben weinig tijd.” Hij deed de muis weer in de val. Crawford keek aandachtig toe. De glinsterende intelligente oogjes van het dier toonden niet de minste sporen van vrees of pijn. Horton maakte er bepaald een grapje van. De dokter nam een half glas melk op. „Doe hier zes druppels in,” beval hij. „Ja, ik wil dat jij ’t doet.” Het vocht viel in taaie druppels neer en verspreidde zich over de melk. Horton nam nu een glazen lepel en roerde den inhoud van het glas zorgvuldig door. „Een van beide : of jij trouwt haar of zij blijft mijn vrouw,” zei hij. „De ander, de verliezer, drinkt dit glas leeg. Binnen een paar uur is hij dood en geen dokter zal de doodsoorzaak kunnen constateeren. Er zal geen schandaal zijn. Je bent toch niet bang, Rodney ?”
PDF
Nummer
1915, nr. 54, 5 juli 1915
Blad
07
Tekst
PANORAMA TRAMONGELUK TE AMSTERDAM. Dinsdag j.1. heeft er te Amsterdam een ernstig tramongeluk plaats gehad, wat betrekkelijk nog goed is afgeloopen. Aan de halte Oudebrugsteeg op het Damrak werden een motor- en een bijwagen van lijn 4, die stopten, door een wagen van lijn 5 aangereden. Een tweetal passagiers kregen hoofdwonden, de materieele schade is de grootste ooit door een tramongeluk veroorzaakt. overhandigde ze aan Crawford. —- „Zullen we driemaal trekken ?” „Ja!” „Aas is ’t hoogste ?” „Zooals je wilt!” „In orde I Wil je trekken ?” Het gelaat van beide mannen was krijtwit, toen ze zich over het spel kaarten heenbogen. Crawford trok het eerst: een boer. Horton volgde. „Vrouw I” zei hij en veegde zijn voorhoofd af, terwijl Crawford de kaarten opnieuw schudde. „Aas 1” riep hij, terwijl hij van zenuwachtigheid floot. „Tien 1” zei Horton. Rodney verwonderde zich waarom zijn handen zoo beefden ; ihij was toch overtuigd dat Horton met hem speelde. „Nog eenmaalI” zei Horton. „Vier!” mompelde Crawford ; het zweet brak hem uit. Horton zou winnen. Veronderstel dat deze in ernst gesproken had. Dat hij dit dwaze roekelooze spel meende. „Twee !” luidde het kalm uit Horton’s mond. Crawford lachte, uitbundig, ontroerd. Hij voelde zich zoo opgelucht, dat het bloed hem wild naar het gelaat steeg en zijn oogen benevelde. „Laat ons naar mijn kamer teruggaan,” zei Horton. „Ik heb je iets te zeggen.” Ze keerden in de studeerkamer terug. „Rodney, ik wil dat je mij, een stervend man, zweert, dat je haar zult beschermen, dat je al haar levensdagen zult veraangenamen en haar zoo gelukkig zult maken als in je vermogen is. Ik wil dat je zweert, deze gebeurtenis geheim te houden. Rodney, waarom kijk je mij niet aan ?” Crawford was naar de tafel gegaan ; daar lag de muis in de val, geheel verstijfd. ÉÉN DER VELEN. Wij geven hierboven een foto, genomen op de pier te Scheveningen, van den Belgischen kapitein Neyssens. in ons land algemeen bekend om zijn uitkomsten in de concours-hippique met springpaarden. Kapitein Neyssens werd aan het front gewond en moet zich nog met een kruk voortbewegen. (foto Syes). Crawford keek naar de levendige oogjes van de muis. „Neen,” zei hij. „Stem je toe ?” Horton speelde met hem, wilde bepaald zijn liefde voor Lottie beproeven. Het was een flauwe grap van hem 1 „Ik stem er in toe, deze melk uit te drinken als ik verlies.” „Denk niet dat ik zonder nadenken tot dit besluit gekomen ben,” zei Horton. „Lottie is een goede vrouw, een gevoelige vrouw. Ze zou nimmer gelukkig zijn in de positie die jij haar zoudt aanbieden. Zij zal nu tot je komen zonder opspraak, een weduwe; of bij mij blijven, geheel veranderd. Als ik win, daarop geef ik je mijn woord, zal ik mijn leven zoo wijzigen, dat er geen plaats meer is in haar hart voor een schurk zooals jij. Op dit oogenblik zou ze niet naar mij luisteren, mij niet gelooven, al zwoer ik haar dat ik haar liefhad. Ben jij verdwenen, dan zal mij dat niet moeilijk vallen. In een jaar, in zes maanden, zal ik haar liefde herwonnen hebben.” „Je bent je toch wel bewust dat jouw voorstel beteekent: moord ?” vroeg Crawford, die nog steeds naar de muis zat te kijken. „Volgens de wet is het een moord,” stemde Horton toe. „Daarom heb ik een vergif uitgekozen, dat geen sporen nalaat. Volgens mij is ’t geen moord. Van ons drieën is er één te veel. Als een van ons beiden verdwijnt, kunnen de twee anderen gelukkig zijn, anders niet. Als Lottie een lichtzinnige, gevoellooze vrouw, een gansje of leeghoofdige dwaas was, zou ik zeggen : neem haar. Geen schandaal of geen leven in afzondering door haar familie en vrienden genegeerd, geen leven als een verworpeling, een paria zou haar ongelukkig doen zijn. Maar Lottie is heel anders. Zij zou vreeselijk lijden. Ik ben genegen den prijs te betalen en te sterven als mijn dood haar gelukkig kan maken. Kijk !” Deze laatste uitroep was niet noodig, want Crawford had zijn oogen niet van de muizenval af gehad en zag nu de muis op zij vallen. Horton maakte het deurtje open, haalde het doode beestje aan den staart er uit en lei het op den palm van zijn hand. „Het is een geluk dat de Borgia’s dit gift niet gekend hebben,” zei hij rustig. En toch geloofde Crawford het nog niet; hij kon het niet gelooven. Horton had het beest een vergif gegeven, doodelijk voor een muis, maar voor menschen onschadelijk. „Ben je klaar, Rodney ?” „Ja!” „Je zweert dit vergif te drinken als je verliest ? Je zult Lottie en mij gelegenheid geven elkander weer te vinden?” „Ik zweer deze melk te drinken ; ja !” „Wat zal het zijn, munten of kaarten ?” „Kaarten 1” zei Crawford, zich verwonderd afvragende waarom hij eigenlijk deze keus deed. „Lottie’s patience-kaarten liggen in haar boudoir,” hernam Horton. „Toepasselijke wapens. Ga mee 1” Hij ging den ander voor naar de kamer zijner vrouw. De fraaie fichesdoos, die de kleine kaarten bevatte, stond op den schoorsteenmantel. Horton nam de kaarten er uit, schudde ze en J. DE WAARD t Prof. FERNAND SERG. MAJ. SERVAIS. STEENHOUWER. Een dezer dagen overleed te Groningen de heer J. DE WAARD, in leven mede directeur van de NoordNederlandsche Hypotheekbank. De overledene was een zeer geacht en gezien Groninger. - Prof. FERNAND SERVAIS, een van de eerste medewerkers aan de Belgische school te ’s-Gravenhage, ’n uitnemend paedagoog en journalist en een scherpzinnig criticus. Professor Servais gaf vóór den oorlog college in de Fransche literatuur aan een der meest bekende Handelsscholen te Antwerpen. De oorlog dwong hem in ons land een toevluchtsoord te zoeken, waar hij nu belangrijke diensten bewijst aan zijn landgenooten door onderwijs te geven aan jongelieden uit de eerste kringen, waar men zijn uitstekende methode en zijn toewijding zeer op prijs stelt. — Den 7en juli hoopt de heer STEENHOUWER. Serg. Maj. Adm. bij het31ste Bat. Landweer, den dag te herdenken, waarop hij voor 40 jaar in dienst trad. Door nauwgezette dienstbetrachting gepaard aan een vriendschappelijken omgang heeft hij zich de sympathie van meerderen en minderen weten te verwerven. „Bertram, jij ... jij meent dat alles toch niet?'’ barstte hij los. „Jij . . . .” „Dacht je soms dat het een spelletje van mij was ?” vroeg de dokter. „Ik heb je toch het tegendeel bewezen, met die muis ! Geef me je woord, Rodney, dat jij nimmer vergeten zult, hoe je haar verkregen hebt.” Crawford wilde protesteeren ; doch hij klemde de lippen op elkaar. Hij had gewonnen. Het voorstel was van Horton uitgegaan. Geen blaam kon hem treffen. Bovendien was hij zich volkomen bewust wat het beteekende. Horton’s dood zou de laatste bezwaren van Lottie wegnemen. „Ik zweer,” zei hij langzaam, „Ik zal haar liefhebben en GARNIZOENSVERW1SSELING. De troepen, die te Bodegraven in garnizoen lagen, verkeerden op zeer goeden voet met de inwoners. Een bewijs hiervan is zeker wel, dat toen de soldaten de vorige week naar een andere plaats vertrokken, zij door de burgerij met den burgemeester aan het hoofd, uitgeleide werden gedaan. Op onze foto ziet men de groep van Autoriteiten en officieren. V. l.n.r. Burgemeester Leconetre, Luit. Bisschop, Kapt. Wilkes, Ds. Steenbeëk, Mevr. Leconetre, Not. Kruseman, Mej, Hoogendijk, Mevr. La Gro Broer Kruseman, Luit. de Wijs; boven: Paul v. Wieldrecht, Vaandrig, Mevr, Kruseman, Mevr. Steenbeek en Luit. Bunschoten. eeren en ons geheim bewaren.” — „Goed !” antwoordde Horton. Hij keerde naar zijn schrijftafel terug. Een oogenblik later keek hij om, verwonderd. „Ik wensch je niet langer op te houden,” zei hij op zakelijken toon tot Crawford. Deze stond op en wierp nog eens een blik op het verstijfde cadaver van de doode muis. Daar werd de deur geopend. Beide mannen schrokken op. Het was niet de dienstbode met haar waarschuwend tikje, maar Lottie die haastig de kamer binnenkwam. Ze keek naar haar man, daarna Crawford ziende kleurde ze hevig. „Wat, Lottie, terug ?” vroeg Horton rustig. „Hoe is ’t met je moeder? Ik dacht dat je den nacht bij haar gebleven was.” „Ik ... ik dacht dit ook,” antwoordde zij. „Goeden avond, Rodney !” Hij boog voor haar, doch scheen niet in staat te spreken. „Waarom . . . waarom zijn jullie beiden . . . te zamen ?” Zij sprak deze vraag aarzelend uit. Geen der beide mannen antwoordde, doch allebei staarden haar aan. Zij keek van den een naar den ander. „Ik denk ... ik geloof . . . dat ik het raden kan,” ging ze langzaam voort, haar man aanziende. „Ik miste dezen brief. Ik liet hem op mijn schrijftafel liggen. En daar vond jij ’m, is ’t niet ?” „Ja,” antwoordde Horton. „En heb je ook mijn antwoord gevonden ?” „Neen 1” „Het ligt in mijn map. Ik wilde beide meenemen en mijn antwoord posten. Wil je het even halen, Rodney 1 Het ligt in de map met gouden hoeken in mijn boudoir.” Hij verliet de kamer zonder een woord te spreken. Zij deed haar hoed en mantel af. „Haat je me, Bertram ?’ „Neen !” „Kun je . . . mij niet haten ?” Zij dacht dat zijn antwoord uit onverschilligheid voortkwam. De liefde voor zijn werk had blijkbaar dé liefde voor haar gedood. „Neen, Lottie, ik kan je niet haten !” antwoordde hij ernstig. „Ik wilde dat je ’t kon 1” riep ze hartstochtelijk uit. „Ik wou dat je me haatte . . . mij sloeg ! ... Ik wou . . .” Ze zweeg plotseling. Crawford trad de kamer weer binnen. Hij had haar brief in de hand. „Mag ik hem lezen ?” vroeg hij. „Ja, alsjeblieft, hardop !” „Ik heb reeds een half dozijn antwoorden verscheurd,” las hij. „Het was de moeilijkste brief dien ik ooit had te schrijven. Ik weet dat ik schandelijk heb gehandeld. Ik heb misbruik gemaakt van je vriendschap en jouw zorg voor mij. Ik geloofde, en o, het valt mij zoo zwaar dit te bekennen — ik geloofde dat ik jouw liefde noodig had. Ik maakte dat je mij lief kreegt. Ik haakte naar liefde, mijn leven was zoo leeg, zoo vreugdeloos. Ik liet jou in den waan, dat ik je liefhad. Ik dacht dat Bertrams behandeling, zijn onverschilligheid alle liefde voor hem in mij had gedood. Ik hoopte het 1 Ik bad er om ! Hij trapte mij op het hart. En ik . . . ik schaamde me dat ik hem nog liefhad....”
PDF
Nummer
1915, nr. 54, 5 juli 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 eert ZWEMPLAATS VOOR GEMOBILISEÈRDEN. Door het „Comité voor ontwikkeling en ontspanning der gemobiliseerde troepen” is te Haarlem op plechtige wijze in tegenwoordigheid van talrijke militaire en civiele autoriteiten een zwemplaats voor de soldaten der forten geopend in de oostelijke kom van het Spaarne, de „Mooie Nel’ geheeten. De zwemplaats was keurig versierd en bij de openingsplechtigheid werden er onder leiding van den heer A. J. Meijerink verschillende oefeningen gehouden. Wij geven hierboven een foto van de groep autoriteiten en genoodigden. „Lottie!” riep Horton uit en bedekte het gelaat met de handen. „Ik deed verkeerd,” las Crawford voort. „Hoeveel moeite ik deed mijn liefde voor hem te dooden ; ze werd steeds sterker . . . geloof ik, als een onderdrukt vuur. Ik heb met je gespeeld, Rodney. ïk ben een slechte vrouw. Ik ben wreed en zelfzuchtig 1 ïk zie nu eerst hoe schandelijk ik gehandeld heb. Jij bent jong en ik heb mijn best gedaan jouw jonge leven te verwoesten. Hoe zul je me verachten. Maar, Rodney, als je ouder geworden zult zijn, zul je me dankbaar zijn. Ik kan niet gaan, lieve vriend. Ik kan mijn man niet verlaten ; zelfs al geeft hij niets om mij, ik kan niet van hem scheiden. Ik weet niet of je mij vergeven kunt, want ik heb onuitsprekelijk slecht gehandeld. Ik ben vreeselijk beschaamd ; ik wou dat ik dood was ...” „Het is waar,” barstte ze los. „Rodney je moet niet slecht over mij denken. Nu ik er op terugzie, begrijp ik het eerst goed. Ik begrijp niet, hoe ik er toe gekomen ben, hoe ik alles vergeten kon : mijn man, mijn plicht, mijn zelfrespect, mijn medelijden met jou. Ik kan nu niet anders handelen ; Rodney, want ik heb je niet lief. Dat zie ik nu eerst. Ik bemin alleen hèm.” Ze wees met bevenden vinger naar haar man, die aan zijn schrijfbureau zat. Crawford keerde zich tot hem. „Ons plan, ons treurspel is geëindigd in een klucht,” zei hij, grimlachend. „De verliezer heeft gewonnen. Ik feliciteer je ! De overeenkomst gaat niet door. Ik wensch je een lang leven . . .’ Hij keerde zich lachend om en keek naar het glas melk. Daarna zonder een woord meer te zeggen, zonder haar met een blik te verwaardigen, verliet hij de kamer. Horton sprong op en liep zijn neef na. „Rodney!” riep hij. Doch de voordeur werd dichtgeslagen, en Horton keerde tot zijn vrouw terug. „Lottie, Lottie, kan het waar zijn ?” fluisterde hij, terwijl hij de kamer binnentrad. Op hetzelfde oogenblik sprong hij echter op zijn vrouw af en pakte haar bij de polsen beet, dat ze het van angst en pijn uitschreeuwde. Zij had het glas met melk van tafel genomen en bijna uitgedronken. Hij wrong haar het glas uit de handen en wierp het in scherven op den grond. Zijn gelaat was verHETSLUITEN DER MARINEWERF. Langzamerhand verdwijnt alles uit Amsterdam wat aan de Marine herinnert. Voor eenige jaren verlieten de „Wassenaar’’ en het wachtschip „Prins Maurits” de hoofdstad. Thans is ook de beslissing over de Marinewerf gevallen en zal zij vanaf 5 Juli gesloten zijn. De Werf, met haar oude gebouwen, werkplaatsen en bassins, heeft een heele geschiedenis, die ons te ver zou voeren, wanneer wij die hier gingen afschrijven. Gelukkig blijven die typische oude gebouwen bestaan, en het gezellige binnenplaatsje met het standbeeld van Maarten Harpertszoon Tromp, waarvan wij hier een foto geven, blijft dus onaangeroerd. wrongen van angst en zijn oogen met bloed doorloopen. „Heb jij ... dat . . . uitgedronken ?” EENZESDAAGSCHEMARSCH. Door een aanlal landweermannen uit Bergen op Zoom is een kranig stukje werk geleverd, dat typeerend is voor het uithoudingsvermogen der mannen. Maandagochtend van de vorige week begaf men zich onder leiding van luitenant De Jonge op weg om den tocht Bergen op Zoom-Amsterdam en terug loopend. met marschvaardige bepakking, af te leggen. Woensdag kwam de wakkere troep in volmaakten welstand te Amsterdam, waar zij door Generaal Ophorsf werd gecomplimenteerd. Donderdag werd de terugtocht naar Bergen op Zoom weder aanvaard. „Bertram ! . . . Bertram !” riep ze vol vrees uit. Hij viel op een stoel neer en verborg zijn hoofd in zijn han den. Geen tegengift! Een braakmiddel verhaastte het proces. Zes druppels. In wanhoop en onmacht brak het zweet hem uit. Hij had haar teruggekregen, om haar dadelijk weer te verliezen. Hij had een glimp van hernieuwd geluk gezien. ,,Ik bemin hem !” En nu ? Hij sidderde als had hij de koorts ; zijn hersenen gloeiden. Nu werden haar handen op zijn schouders gelegd en hoorde hij haar overredende stem : „Vergeef me ! Vergeef me ! Jou alleen heb ik lief, jou ! Ik deed verkeerd ... ik ... !” Hij richtte zich op en sloeg zijn arm om haar heen. Daar viel zijn oog op de tube met het overschot van het vergif. Dat bracht hem tot een besluit! Hij zou haar volgen. Hij kon niet zonder haar leven. Zulk een leven zou een hel voor hem zijn. Hij had haar, die hem het liefste was op aarde, vermoord ! Daar ging de deur open I „O, mijnheer, mevrouw, kom eens even kijken naar de kat !” Met deze woorden op verschrikten toon geuit, trad de tweede meid de kamer binnen. „Hij is niks niet goed, hij ligt op één kant en wil niet loopen. Hij mankeerde een half uur geleden nog niemendal. Hij kwam daar straks deze kamer uit, toen u en mijnheer Crawford in mevrouws kamer waren. Ik heb hem nog weggejaagd, want hij zat op de tafel van een glas melk te drinken. Toen was er nog niks met ’m aan de hand. Ik had nauwelijks den tijd om de rest van de melk weg te gooien en een schoon glas te krijgen, toen ...” „Ik denk, dat het zijn tijd zal zijn, arme Peter,” zei Lottie. , ,Hij begon oud te worden. Hij is . . „Hij is zoo dood as ’n pier,” vulde de keukenmeid, die intusschen ook verschenen was, aan. „Hartstikkedood!” * * * * Boven knielde Lottie voor haar man neer, haar handen in haar schoot, de zijne om haar hals. „Het was alles mijn schuld. Ik was een bruut,” zei hij berouwvol. „Ik heb een goede les gehad en zal die nimmer vergeten — nimmer !” Hij sloot de oogen bij de herinnering aan den angst en de wroeging van daar straks, daarna kuste hij haar eerbiedig. Buiten lag er een kat, stil en stijf, die voor haar diefstal zwaar gestraft was ; gestraft met den dood. HET WEGEN. AARDBEIENVEILJNQ i ge rijf is ’n reusachtige electrische klok, welke in de oogen van den leek de bescheiden plaats van achterdoek van dit kleine tooneel inneemt Het eenige wat de man heeft te doen is de klok met een handeltje aan den gang zetten. Deze klok is eigenlijk niet zoozeer een klok, al heeft zij er met haar ronde cijferplaat en grooten middenwijzer bedrieglijk het aanzien van. Deze klok draagt officieel den naam van electrisch afmijntoestel; een fraaie benaming, zooals ge ziet, maar nog op verre na, naar mijn oordeel, niet fraai genoeg voor zulk een bijna menschelijk vernuftig samenstel; het is n.1. een klok met hersens als een mensch, als een verstandig mensch wel te verstaan ; het spreken ontbreekt nog maar. Die klok-mensch is zoo glad, dat zij ineens en zonder aarzeling aanwijst wie den kooper van een voor haar staande partij is en voor hoeveel de partij per Kilo gekocht is ; absoluut precies gelijk deelt zij dit mee, en ik tart den verstandigsten man dit na te doen. — Het wonder geschiedt aldus: De koopers hebben elk voor zich een electrischen knop in hun bank, die knoppen hebben elk hun nummer. Deze zelfde numWe zijn eens te Beverwijk wezen kijken, in de drukste dagen van den export, die week of vijf in beslag neemt. En we waren verbaasd van den omvang dien dat bedrijf ook thans in deez’ abnormale tijden nog heeft. Ik sprak verscheidene personen, die het weten kunnen, en allen waren zeer tevreden over den loop der zaken. Wat al vreeze toch had de harten der Beverwijkers bedrukt bij het naderen van den export-tijd dit jaar. Een enkele trein, die tengevolge van troepen- of proviandvervoer in Duitschland ook maar eenige uren oponthoud ondervinden zou, kon een onoverzienbare schade veroorzaken en dat niet alleen omdat de lading aardbeien bedorven en verloren kon zijn, maar wijl zulk een tegenslag op het bedrijf zelf zijn invloed leelijk zou doen gelden, en de koopers steeds bevreesd voor herhalingen, nauwelijks eenige prijzen van beteekenis zouden durven besteden. Gelukkig, het liep mee. Wel moest er nu en dan op wagons worden gewacht, maar dit euvel bleek niet erger dan andere jaren. De Duitsche spoorwegdirectie had dan ook aan Beverwijksche ondernemers die naar Berlijn waren geweest met den verneemstok, nogal goede toezeggingen gedaan, onder voorbehoud van een en- ander, maar de kans voor onze Beverwijkers was gunstig ; want het is aan te nemen, dat men in Duitschland thans dubbelen ijver toont, om den invoer van zulk een kostelijk welkom ooft niet te bemoeilijken. — Een voordeel dit jaar is, dat van de aardbeien voor het maken van jams bestemd, de gewone inkomende rechten (10 mark per 100 Kilo) in Duitschland niet geheven worden. Een niet te onderschatten voordeeltje. — De aardbeien worden geplukt zooals U weet in de fraaie langwerpige manden met kort middenhengsel, de zoogenaamde sloffen. Deze sloffen komen uit Saksen en Beieren; er wordt hier zoo jaarlijks een millioen van gebruikt. De sloffen komen na verloop van tijd leeg terug, per spoorwagen dan natuurlijk. Een slof houdt ongeveer 3 Kilo dezer nobele, frissche vruchten in. — Het is een lieve lust het vertier bij te wonen, dat zoo’n aardbeienveiling geeft. De veilinglokalen zijn aan de spoorbaan gelegen, aan de achterzijde althans; de vrachten die dus voor inrijden, komen na gewogen en geveild te zijn aan de achterzijde uit het gebouw op het plankier van den spoorweg en worden gelijktijdig in de gereedstaande wagons geladen. — Een groot gemak zijn de electrische weegtoestellen, welke dit jaar voor het eerst in gebruik genomen werden. Ze geven een ongehoord snel tempo aan dit heele aardbeziën-gedoe. Aan den ingang van elk veilinggebouw staat zulk een electrisch weegtoestel; elke schaal wordt bediend vanaf een hooge houten brug, waaraan de schalen bevestigd zijn, Onder deze toestellen rijden de karren aardbeien naar binnen. Het wegen gaat nu zeer eenvoudig. — Vanonder het weegtoestel rijdt de zoete vracht tegelijk het veilinglokaal binnen, een gebouw, waarin ter eenre zij op amphitheaters-wijze gerangschikte banken de koopers zitten, en ter andre zijde op een soort van klein tooneel de afslager zich bevindt. Die afslager moge op dit tooneel de hoofdpersoon lijken, niets is echter minder juist. De hoofdpersoon, wanneer ik het zoo uitdrukken n HET VERZENDEN. mag mers staan duidelijk in cirkeltjes naast en onder elkaar midden op de klok. Rondom op de klok staan cijfers, die telkens met een halven cent oploopen, geschilderd. De afslager behoeft nu slechts met zijn handeltje den wijzer aan den gang te brengen en deze gaat langzaam maar zeker rond langs de cijfers, die de prijzen per kilo voorstellen. Is de wijzer op een cijfer geraakt, dat men per kilo besteden wil, dan drukt de kooper onmiddellijk op den knop voor hem ; de wijzer staat stil, en het nummer van de zitplaats van den kooper op de wijzerplaat wordt electrisch verlicht. — Eenmaal geveild, kent een ieder het lot der aardbeien. Op het perron worden ze in de wagons geladen echter niet dan nadat ambtenaren van elke vracht hier en daar sloffen hebben leeggeschud om zich te overtuigen of onwaardige tuinders steeisgewijze koper of andere verboden vruchten tusschen de zoete Beverwijksche naar Duitschland probeeren te sturen. WALKER. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1701 tot 1705 van 11897