|
3
— bezoekers van de speelvesting
wel invloedrijke
beschermers gevonden zou
hebben, als ze dat gewild
had (natuurlijk was zeda ar
te trotsch en te rein toe),
maar die door de gretig
toekijkende en belangstellend
luisterende buitenwereld
al voor haar heele
leven gebrandmerkt was :
’n handlangster van Hannock
! Hannock, die trouwens
al haar wegen naging,
haar, die zooveel van
hem wist, bijna als een
gevangene behandelde.
Totdat we, op ’n avond,
een grooten slag deden.
Zelfs Hannock, de ijskoude,
ijzerharde, was zijn
verstand kwijt. Het geld
stroomde binnen, hij deelde
er ons handenvol van uit, dronken van winzucht
en van de champagne die hij, geheel-onthouder, in die
zonderlinge, duizelig makende oogenblikken met de
anderen had meegenoten.
Ik denk wel dat ik dien avond meer geld in mijn zak
heb gestoken dan Hannock me had toegedacht ;
althans, den volgenden morgen bevond ik me in het
bezit van achtduizend dollar.
Nu moest het uit zijn. Het zou moeite kosten, maar
ik wilde Mary vrij maken, met haar vluchten, haar
trouwen — samen onze rust zoeken — vergeten !
Maar Hannock, sluwe, wreede slavenhandelaar die
hij was, had zijn koelbloedigheid en zijn evenwicht
na dien dronken avond spoedig en voor goed teruggevonden.
Aan Mary werd een kamer aangewezen binnen
de muren van zijn speelvesting, en de twee uren per
dag die hij haar vrij gaf, mocht ze slechts onder geleide
van een zijner vertrouwdste satellieten uitgaan. Hij
volgde al mijn gangen, en aan zijn wantrouwige oogen
zag ik dat ik Mary’s lot spoedig zou deelen.
Juist in die dagen had hij zich met een van de
berucntste New Yorker telegraaf-aftappers, Sheldon,
geassocieerd tot een nieuwe onderneming, een zoo
brutale zet dat al de vorige er bij in ’t niet zouden
zinken. Onze hulp was er onmisbaar bij ; zijn plan vereiscnte
bekwame en kalme vaklieden. Een ganschen
dag dwaalde hij argwanend om ons heen, met iets
tijgerachtigs in zijn bewegingen,doelde in halve woorden
op zijn nieuwe plannen, sprak van Sheldon, die spoedig
komen zou.
Nu of nooit ! Hij zond me uit om een microfoon van
nieuwe vinding die we noodig hadden, en toen ik
terugkwam had ik de politie van de komende dingen
op de hoogte gebracht.
Dienzelfden avond deed de districts-attorney een
inval, op Amerikaansche wijze : hij liet de gepantserde
deuren met dynamiet springen. Wat er verder gebeurde,
wat er van Hannock werd, en van Sheldon, die
even vóór den inval binnengekomen was, maar zich
nog niet aan ons vertoond had, dat alles hoorden we
eerst later.
DE DUITSCH-OOSTENRIJKSCHE
VERBROEDERING.
Deze bijzonder interessante foto, die genomen is tijdens den veldtocht in
Galicië en waarop men (links) een Oostenrijkschen soldaat en (rechts) ’n Duitschen
hun maal ziet .nuttigen, bewijst op typische wijze hoe nauw het
onderling verband is, dat er op ’t oogenblik tusschen het Duitsche en
Oostenrijksche leger bestaat.
DE VELDTOCHT AAN DE PERZISCHE GOLF.
De aankomst van een Indisch convooi te Basra, aan den Euphrat. Op den achtergrond de Britsch-Indische artillerie.
We hadden onze vlucht goed voorbereid. Den volgenden
dag waren we getrouwd, en een week later zaten
we in Engeland. Waarom niet ? In Amerika is het
leven er een van snelle, plotselinge onverwachtheden ;
je leeft er met rukken en schokken.
II.
Die enkele dagen op de boot waren we gelukkig
als kinderen. We hielden van elkaar, romantisch
VAN HET OOSTELIJKE OORLOGSTERREIN.
De Duitsche generaal von Linsingen, de aanvoerder van het
leger, dat de Russen in Galicië teruggedrongen heeft.
als de meest ouderwetsche roman-figuren. De nachtmerrie
van ’t verleden was geweken, het geld rammelde
in onze zakken ; we hadden de mooiste state-room
op het bovendek en reisden als vorsten. Wat zou eenvoudiger
geweest zijn dan ergens samen een huisje
te zoeken waar we ons nieuwe leven konden genieten,
en naar werk uit te zien dat pns een eerlijk bestaan
verschafte ? Dom of lui waren we geen van beiden.
Maar wie, die gewoon is geweest tegen den ruwen
stroom van het leven in de Nieuwe Wereld op te worstelen,
kan zoo spoedig tot rust komen ? Het avontuur
zat ons beiden in ’t bloed ; we konden niet meer den
zelfden weg gaan als iedereen, en althans voorloopig
was er voor ons geen sprake van dat we als brave,
ordelijke burgers een huishouden konden opzetten en
ons een werkkring schappen.
Daarvoor zou ik nu een lange, diepzinnige verklaring
kunnen zoeken, op zielkundigen onoergrond ;
maar ik wil eenvoudig weg mijn geschiedenis vertellen,
de feiten neerschrijven. Ik noteer gebeurtenissen;
ik zet geen roman in elkaar.
Schrik, angst, ellende, ontbering hadden we gekend
; met opeengebeten tanden hadden we tegen
ons noodlot gevochten. Nu wilden we nog slechts
genot, en alles wat voor geld te koop was.
Een paar weken zaten we in Londen, reden in den
mooisten auto die er te huren was naar de theaters,
soupeerden tot laat in den nacht. Toen, opeens, als
een vlucht, vluchtend voor onze eigen rusteloosheid,
naar Aix-les-Bains, tot we de strompelende rheumatici
niet langer konden aanzien ; vandaar naar Karlsbad,
te midden van Engelsch-Indische vorsten, studenten
uit Petersburg en
Berlijn, ondernemende
jonge hertoginnen uit Parijs,
niet te ontcijferen
vreemdelingen uit de verste
en donkerste hoeken
van den aardbol.
En het ergste was, dat
we ons nergensalleeh voelden,
dat we rust en
eenzaamheid zochten,
maar ervan schrikten
wanneer we ze gevonden
hadden, en ons dan weer
midden in ’t gewoel stortten.
Een oogenblik deed
de koele berglucht van
St. Moritz ons goed, maar
ook daar achterhaalde ons
de leegheid en de verlatenneid,
die ten slotte misschien
binnen in onszelf
was, zich alleen nu en
dan verschool. We hadden nood geleerd ons een doel
te stellen dat eenigermate waard was nagestreefd te
worden ; we konden alleen van avontuur naar avontuur
snellen.
De tijd ging voorbij, ons geld slonk, en onze roes
was eerst geëindigd toen we in een morsig, klein
Parijsch pension zaten, waar Mary haar stijfgeworden
vingers zoolang op een oude piano oefende tot ze wat
les kon geven aan burgerkinderen in de buurt, tegen
vijftig centimes per uur. Ik liet naar achter met tachtig
francs ; met de rest kon ik juist naar Monte Carlo
komen. Arme, dappere vrouw ! Er was geen traan in
haar oogen toen ik ging; ze glimlachte, en zei telkens:
,,ik sla me er wel door ! Als je niet gauw terug komt,
kom ik bij je !” Maar de rekening in ’t pension liep
naar de driehonderd francs, en de politie was al aan ons
te pas geweest. Juweelen, ringen — niet een had Mary
er over, en haar bonten mantel lag als onderpand in
een gesloten koffer naast het bed van de pensionhoudster.
Maar ofschoon ik vermoeden kon dat het haar
slecht ging, eerst later wist ik hoe hard ze ’t had, want
den enkelen brief, aien ik kreeg, wist ze opgewekt te
stemmen, moedig schepsel dat ze was ! En intusschen
liep ik in Monte Carlo rond, hongerig, ellendig ; de
paar goudstukken waarmee ik, dwaas genoeg, mijn
geluk had willen beproeven, waren met een greep van
des croupiers vraatzuchtige hark uit mijn beurs verdwenen,
en hoe ik ’t twee, drie weken uithield als
pakjesdrager, wegwijzer, schoenpoetser en kolensjouwer
ik begrijp ’t zelf niet meer. Aan de kolen verdiende
ik nog ’t meest ; dat was mijn rijke tijd. Maar de boot
vertrok nadat ik twee dagen neus en longen met het
zwarte kolenstof had gevuld, en ik moest naar iets
anders uitzien. En intusschen loerde ik, speurde,
luisterde, altijd en overal ; van een geluid, een woord,
een beweging ergens in mijn nabijheid kon mijn
fortuin afhangen. Kansen zijn er overal ; het komt er
maar op aan ze te betrappen. Natuurlijk had ik kunnen
beproeven een plaats als telegrafist te krijgen.
(Wordt vervolgd).
PANORAMA
VOOR DE SLACHTOFFERS.
In Oostenrijk zijn hier en daar, op straat en ook in openbare gebouwen,
helmen geplaatst, waarin men voor een klein bedrag een spijker slaan mag.
De opbrengst komt ten goede van de invaliden. Dat deze wijze tot uitoefening
van weldadigheid nogal instemming vindt bij het publiek, bewijzen
de talrijke nagels die reeds in den hierboven afgebeelden helm geslagen zijn.
53 (la)
|