|
415 PANORAMA
bleef bij de deur van den tweeden kelder staan en tuurde in
de donkere ruimte.
Hij kon echter niets onderscheiden, niettegenstaande er aan
den linkerkant een klein getralied venster was. Hij hoorde
tweemaal een geblaf en het rammelen van een ketting.
Ducroix was onderwijl blijkbaar voor een groot vat neergeknield,
de Duitscher hoorde ten minste den wijn in de
kruik stroomen.
„Stil, dog 1” riep de oude man en hij wierp iets dat als een
stuk hout neerviel in den donkersten hoek.
Even later kwam hij den kelder uit en Von Diesel beval
hem voor hem de trap op te gaan. De wachtende Uhlanen
waren blij hun vriend ongedeerd terug te zien. Feldtenheim
had onderwijl een kijkje genomen in den tuin achter het huis.
„Ik vind iets geheimzinnigs aan deze plaats,” fluisterde
hij tot Von Diesel. „Ga eens kijken aan de achterdeur.
Op twintig meter afstand van het huis liggen twee
grafsteenen.”
Von Diesel ging kijken en toen hij terugkwam, bemerkte
hij voor het eerst een deur aan de rechterzijde van de gang.
Hij wilde ze openen, doch ze was op slot.
„Wat is dat daar?” vroeg hij aan Ducroix.
De oude man schudde het hoofd.
„Dezen wijn zul je wel lekker vinden,” zei hij ontwijkend.
„Ga mee ...” en hij wilde de eerstgenoemde kamer weer
binnentreden.
„Hier !” beval Von Diesel en ten einde den man vrees in
te boezemen, schoot hij zijn revolver in de lucht af. „Open
deze deur 1”
De oude gehoorzaamde. De Uhlanen keken nieuwsgierig
naar binnen en staarden toen elkander verwonderd aan.
Het scheen een soort pronkkamer of was het vroeger geweest.
Nu lagen de tafel en een drietal stoelen omvergeworpen,
een gedeeltelijke afgebreide kous lag naast den haard
op den grond, de breinaalden stijf van de roest staken uit
de kloen wol. Alles lag dik onder het stof. Het karpet was
eens lichtgroen geweest, maar het was nu vol vlekken,
alsof, zoo meende Liebmann,
daar een wijnvat was afgetapt.
„Watbeteekent dat alles?”
vroeg Von Diesel.
„De oorlog van *70,” antwoordde
Ducroix, terwijl hij
de deur sloot en de mannen
naar de achterkamer voorging.
„Juist zooals zij het
gelaten hebben I”
Ze namen weer in de zit*
kamer plaats en Ducroix
schonk den wijn in en bracht
brood en beschuit. Hij bleef
daarna achter in de kamer staan en keek aandachtig naar
de etende mannen.
Von Diesel keek uit het raam en zei op gemoedelijken
toon : „Je hebt daar mooie rozen staan, ouwe vriend 1”
„Ja 1” stemde Ducroix toe, „vooral de roode. Ik houd
van rozen, vooral van roode rozen . . . ! Ze herinneren mij
altijd aan iets.... die roode rozen !”
Von Diesel nam een flinken teug wijn.
„Je hebt gelijk, Liebmann,” zei hij op fluisterenden toon
tot zijn kameraad, „die oude is niet normaal !” Daarna
met luiden stem tot zijn gastheer : „Was jij hier in *70 ?”
Ducroix knikte.
„De groote oorlog,” zei hij. „De vreeselijke oorlog!”
Von Diesel zette lachend zijn wijnglas neer.
„Bah !” riep hij uit. „’70 was kinderspel bij den oorlog
Eerstdaags zal te ’s-Gravenhage het nieuwe tijdschrift „La Revue de HolL-
lande" verschijnen, in het Fransch geredigeerd door de heeren G. S.
de Solpray, rédacteur-en-chef, Georges Gaillard en Louis Piérard. De
Uitgevers-Maatschappij A. W. Sijthoff te Leiden geeft deze „Revue littéraire,
économique et politique” in welverzorgden, smaakvollen vorm uit.
Het voornaamste doel der „Revue” zal zijn. in Frankrijk, en in het
Buitenland in ’t algemeen, de Nederlandsche gedachte en de Nederlandsche
daad beter te doen kennen, zoowel op het gebied van wetenschap, kunst,
letteren, als van economische en sociale politiek. Ook zal zij bijdragen tot
de meerdere waardeering van Fransche dichters en kunstenaars in Nederland.
Nederland, met zijn groote tradities wat de kunst van uitgeven en drukken
betreft, is ook door zijn geschiedenis en zijn geestelijke ontwikkeling als
aangewezen om een tijdschrift te zien geboren worden en opgroeien, dat
een waarlijk internationale tribune wil zijn. vrij en onafhankelijk, waar met
groote onpartijdigheid de gelegenheid zal gegeven worden om loyaal van
gedachten te wisselen over de ernstige internationale vraagstukken, waarvan
de oplossing de openbare meening reeds in beroering brengt.
Uit een letterkundig en kunstzinnig oogpunt is de „Revue de Hollande",
van thans. Millioenen mannen vechten nu. ’70 ! Wel, als
we je vertelden wat we de laatste twee maanden ondervonden
hebben, zou je bloed tot ijs worden in je aderen. Ik heb
tweeduizend man door één salvo zien neerleggen ; ik heb
een heel legerkorps door en over elkander zien tuimelen als
een reusachtige hoop mieren. ’70 1 Ik zou denken dat je
’70 al lang vergeten zoudt wezen door den reuzenstrijd
J. DE BLAAUW. t N. KOGEL.
In den ouderdom van ruim 79 jaar is te ’s-Gravenhage overleden de heer
J. DE BLAAUW, oud-Indisch hoofdambtenaar. In 1860 ving hij als candidaat-ambtenaar
zijn Indische loopbaan aan, kwam in 1862 aan de Algemeene
Secretarie, waar hij verschillende rangen doorliep om in 1870 te worden
benoemd tot gouvernements-secretaris. In 1879 volgde zijn benoeming tot
resident van Krawang, en in 1885 werd hij benoemd tot inspecteur van
Financiën terstandplaats Soerabaja. Enkele maanden later verliet hij den dienst
met pensioen. — 1 Juli a.s. herdenkt de heer N. KOGEL den dag. waarop
hij voor 40 jaar als Godsdienstleeraar aan de Isr. kostei. school te Rotterdam
verbonden werd. Met grooten iiver en opgewektheid vervult hij
nog dagelijks zijn taak. Dat hij gedurende dit tijdsverloop zich tal van
vrienden verworven heeft, ligt voor de hand.
van thans, hoewel in ’70 in deze streek aardig gevochten
moet zijn V’
Ducroix luisterde niet meer, hoewel zijn hoofd op en neer
knikte.
Liebmann merkte nu op : „Ja, het was in dit district
dat de jonge Von Kraske zijn sporen verdiend heeft.”
Ducroix’ oogen werden kleiner; hij keek Liebmann
scherp aan.
„Von Kraske?” mompelde hij. „Ja, die was hier. Ik
herinner me hem wel.”
La Revue
DB
Hollande
LITTERAIRE, ARTISTIQUE, DOCUMENTAIRE
“No 1. 'juüiet 1915.
LA MAYB
Plaat• tO. A. W. SIJTHOFF
EJitaur i Layd.
L
EEN NIEUW TIJDSCHRIFT.
door een voortdurende uitwisseling van denkbeelden tusschen Frankrijk en
Nederland, geroepen tot het verrichten van een nuttigen arbeid, daar de
Nederlandsche geest door haar zal kunnen putten uit de bronnen der
Fransche kunst, zonder zijn, trouwens zoo krachtige, oorspronkelijkheid in
te boeten.
„La Revue de Hollande" zal. behalve artistieken en critischen arbeid, talrijke
kronieken bevatten uit de voornaamste Europeesche landen, ontledingen en
uittreksels van de leidende tijdschriften, alsmede gedachtenwisselingen omtrent
geestelijke en maatschappelijke stroomingen waarvan de publieke
opinie vervuld is. Zij zal de getrouwe weerspiegeling zijn van groote gebeurtenissen
en ideeën, de onpartijdige getuige van de ontwikkeling van
het geestelijk leven in onze moderne wereld.
In haar eerste nummer geeft de „Revue” artikelen van Verhaeren, Ph.
Zilcken, Dirk Coster, Valkhoff, Henri Malo, Louis Piérard, verzen van
Fernand Séverin. Max Elskamp, F. de Solpray, en de Fransche vertaling
van Van Schendel’s merkwaardig boek „Een zwerver verliefd”. Onder de
talrijke medewerkers bevinden zich ook Lod. van Deyssel,Johan de Meester,
Prof. Salverda de Grave, P. C. Boutens
„De zoon van den beroemden graaf von Kraske ?”
„Ja, de zoon van den grooten graaf Von Kraske.”
Liebmann rees van zijn stoel op, de anderen volgden zijn
voorbeeld. Ze namen hun glazen in de hand en staken
die plechtig omhoog.
„Op Von Kraske !” riep Liebmann en ze dronken.
„Waarom drink jij niet, ouwe 1” vroeg Von Diesel, en
er was een bedreiging in zijn stem.
Het gehuil van den dog in den kelder redde Ducroix.
„Wat ben je toch voor een zonderling ?” vroeg Feldtenheim.
„Waarom sluit je dien hond in den kelder op? Wij
Duitschers worden beschuldigd van het plegen van allerlei
gruweldaden (leugens, natuurlijk l), niettemin hebben we
gevoel voor een beest.”
„Hij houdt van de duisternis,” zei de oude man. „lederen
nacht gaan we een wandeling maken, de hond en ik. Da’s
alles wat hij verlangt. We wandelen .... naar de graven
achter het huis en praten, en denken .... Jouw Von Kraske
... e ... . wat was hij ?”
„De zoon van den graaf Von Kraske,” antwoordde
Liebmann. „Nog een jongeman, maar een van de flinkste
soldaten van Wilhelm den Eersten. Hij was pas vijf en twintig
jaar, maar het was door hem dat Mac-Mahon in deze streek
werd aangepakt en geen gelegenheid kreeg om een positie
in te nemen. Het was een roemvolle strijd. Zeg oude, daar
moet je je toch een en ander van herinneren ?”
Al wat de oude Ducroix evenwel zei was : „Von Kraske ?
Ja, ja, Von Kraske. . . zoon van den grooten graaf Von
Kraske.”
Schultz, de vierde Uhlaan, die tot nog toe steeds gezwegen
had, brak nu opeens in een woordenvloed uit:
„Oorlogen zijn noodig. Zij doen te voorschijn komen alles
wat nobel en edel is in den mensch ; al wat heldhaftig is
in den man. Als de oorlog voorbij is, Ducroix, zal er tweehonderd
jaar vrede zijn. De Franschen zijn gek, om niet in te
zien hoe sterk wij zijn ; hoe onverzadelijk onze eerzucht.
Ons leger van thans is gebouwd op den heldenmoed van
mannen als Von Kraske, die een volkomen toegerust leger
door jouw land voerde den vluchtenden Mac-Mahon achterna,
God is altijd met ons geweest in onze oorlogen. Wij gelooven
in de rechtvaardigheid van onze zaak. Vertel dat aan je
landslieden als je er de gelegenheid toe hebt.”
„Die Von Kraske ...” begon de oude man.
Liebmann viel hem in de reden.
„Misschien kom je nog wel eens in ons schoon Berlijn,”
zei hij. „Daar kun je dan een gedenkteeken zien van den edelen
zoon van een edelen vader !”
„Von Kraske werd gedood ?” De oogen van Ducroix
stonden nu helder.
„Waarschijnlijk wel, hij werd vermist.”
„En in Berlijn met praal begraven ?”
„Zijn lijk is nimmer gevonden,” zei Liebmann. „ . . . Von
Diesel leen me je revolver even. Ik wil een einde maken aan
het gejank van dien hond.”
„Houd je gemak,” antwoordde Von Diesel. „Hij hindert
ons niets.” Daarna tegen Ducroix : „Na den oorlog zullen
we goede vrienden worden.”
„O, neen 1” riep Ducroix uit. „De legers zullen wegtrekken
als de vrede geteekend is. De kerk zal haar stem verheffen
en God prijzen ; de verwoeste steden zullen worden opgebouwd
; de regen zal het bloed wegwisschen ; de wind zal
de lucht zuiveren en als het winter is zal de sneeuw alle sporen
van strijd bedekken. Er zal vrede zijn, zooals je zegt, maar
een geschreven vrede . . . want de oorlog zal niet eindigen.”
Hij had het hoofd in den nek geworpen en zijn oogen waren
naar boven gericht.
„Neen. de gruwelen van den oorlog worden nimmer vergeten.
Jouw duizenden mogen juichen als het laatste schot
gevallen is, jouw duizenden mogen vergeten, maar de man
die buiten die menigte staat, zal niet vergeten ... Ik zal
jullie vertellen ... die kamer hiernaast, waarin jullie zooeven
waren . . . Mijn schoone vrouw en dochter waren daar op een
namiddag van October 1870.
„Dien morgen had mijn dochter, mijn Marianne, rozen
geplukt, omdat het haar moeders verjaardag was en op dien
morgen waren we bezig de rozen overal in huis op te hangen.
Mijn lieve vrouw hield van rozen . . . vooral van roode rozen.
In den namiddag zaten we in die kamer.’toen de Duitschers
kwamen. Duizenden van hen vertrapten mijn wijngaarden,
ruw het werk van jaren vernietigende ; maar ik protesteerde
niet, want ik was een vreedzaam man, die niet in conflict
wilde komen met de overweldigers.
„Vier of vijf soldaten kwamen mijn woning binnen, en
vroegen om brood en wijn. Wij vreesden hen niet, want ze
spraken onze taal en handelden als mannen van opvoeding.
Een riep mijn toegevendheid in voor het verwoesten van mijn
bezitting en betreurde het dat de oorlog een eerlijken, rustigen
wijnbouwer tot een bedelaar maakte 1 ... Ze vertrokken
daarna, doch des avonds kwamen ze terug, verhit van den
wijn ; brooddronkenheid sprak uit hun oogen. Een van hen,
de leider, wierp me terzijde en trad de kamer binnen, waar
mijn vrouw en dochter zaten
te breien, 't Was mijn kind,
mijn zoete bloem, mijn Marianne
die hij eischte. Zij
gilde en omklemde den hals
harer moeder . . .
„Hebben jullie geen kinderen
? Niet ? Dan ken je
ook de pijn niet die ’n vader
gevoelt, als hij zijn kind
hoort gillen van angst en je
bent niet in staat haar te
helpen .... Hij sloeg mij
met het plat van zijn zwaard,
maar ik hield mijn bewustzijn.
O, bad God mij dat maar ontnomen. „Jij dog I”
riep hij, terwijl ik op den grond lag, worstelende onder het
gewicht van zijn bentgenooten, die zich op mij geworpen hadden.
„Dog 1” riep hij telkens weer en rukte mijn ongelukkig
kind van haar moeder los. God was weldadiger voor mijn
arme vrouw ; zij viel dood neer : ik schoot een revolver op
haar af, die ik uit den gordel had gerukt van een der onverlaten,
die mij verhinderden mijn worstelend kind te hulp
te snellen ...”
Ducroix hield weer op ; zijn oogen staarden in het onbestemde,
als zag hij het visioen van veertig jaar geleden.
„ . . , Worstelend ? Neen. Ze is stil nu. Ik kan haar lief
gelaat niet zien, want haar lang mooi haar bedekt het als
een sluier. Haar handen hebben opgehouden zich te verzetten
; haar armen zijn uitgestrekt als in een laatste smeekgebed.
Ik schreeuw in wilde smart tot God ! Het monster daar 1
. . . keert het hoofd om. „Houd dien dog stil 1” roept hij en
ik krijg een slag tegen mijn slaap. Ik schreeuw tot God,
maar ’t is een fluistering . . . Het beklemmende gewicht op
mijn lichaam verdween, de overweldigers lieten mij los...
Ik hoorde hen vloeken . . . een geluid van naderende voetstappen
buiten het huis....
C. A. WILDENBERG.
Dr. L. P. VLAANDEREN.
t
Te Soest overleed op 81-jarigen leeftijd de heer L. P. VLAANDEREN, in
leven geneesheer te Hilversum, waar hij van 1875 tot 1909 gevestigd was.
Voor dien tijd, 1856 -1875, was hij als Off. van Gez. in dienst der Ned.
Marine. De overledene was een algemeen geacht en bekend persoon, hetgeen
o.m. bleek bij het vieren van zijn gouden ambtsfeest in 1906. De
heer C. A. WILDENBERG, Chef-ladingmeester te Boxtel, zal 1 Juli a.s.
den dienst der S.S. met pensioen verlaten, wegens het bereiken van zijn
65ste levensjaar. Door H. M. de Koningin is deze ambtenaar, die het
grootst aantal dienstjaren bij de S.S. had, benoemd tot-Ridder in de Orde
van Oranje-Nassau.
„Schoten klonken; het waren de Franschen... een patrouille...
Ze schoten door het raam. De Duitscher, die mij „dog”
genoemd had, rolde op den grond. Een kogel was hem door
den wang gegaan en had zijn tong weggeschoten; ik zag de
wond. Een zwaar lichaam viel over mij en bleef stil liggen.
Iets warms druppelde in mijn nek . . . langzaam, heel langzaam
druppelde* het, daarna gauwer . . . Eindelijk kwam er
|