Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1686 tot 1690 van 11897
Nummer
1915, nr.52, 28 juni. 1915
Blad
15
Tekst
415 PANORAMA bleef bij de deur van den tweeden kelder staan en tuurde in de donkere ruimte. Hij kon echter niets onderscheiden, niettegenstaande er aan den linkerkant een klein getralied venster was. Hij hoorde tweemaal een geblaf en het rammelen van een ketting. Ducroix was onderwijl blijkbaar voor een groot vat neergeknield, de Duitscher hoorde ten minste den wijn in de kruik stroomen. „Stil, dog 1” riep de oude man en hij wierp iets dat als een stuk hout neerviel in den donkersten hoek. Even later kwam hij den kelder uit en Von Diesel beval hem voor hem de trap op te gaan. De wachtende Uhlanen waren blij hun vriend ongedeerd terug te zien. Feldtenheim had onderwijl een kijkje genomen in den tuin achter het huis. „Ik vind iets geheimzinnigs aan deze plaats,” fluisterde hij tot Von Diesel. „Ga eens kijken aan de achterdeur. Op twintig meter afstand van het huis liggen twee grafsteenen.” Von Diesel ging kijken en toen hij terugkwam, bemerkte hij voor het eerst een deur aan de rechterzijde van de gang. Hij wilde ze openen, doch ze was op slot. „Wat is dat daar?” vroeg hij aan Ducroix. De oude man schudde het hoofd. „Dezen wijn zul je wel lekker vinden,” zei hij ontwijkend. „Ga mee ...” en hij wilde de eerstgenoemde kamer weer binnentreden. „Hier !” beval Von Diesel en ten einde den man vrees in te boezemen, schoot hij zijn revolver in de lucht af. „Open deze deur 1” De oude gehoorzaamde. De Uhlanen keken nieuwsgierig naar binnen en staarden toen elkander verwonderd aan. Het scheen een soort pronkkamer of was het vroeger geweest. Nu lagen de tafel en een drietal stoelen omvergeworpen, een gedeeltelijke afgebreide kous lag naast den haard op den grond, de breinaalden stijf van de roest staken uit de kloen wol. Alles lag dik onder het stof. Het karpet was eens lichtgroen geweest, maar het was nu vol vlekken, alsof, zoo meende Liebmann, daar een wijnvat was afgetapt. „Watbeteekent dat alles?” vroeg Von Diesel. „De oorlog van *70,” antwoordde Ducroix, terwijl hij de deur sloot en de mannen naar de achterkamer voorging. „Juist zooals zij het gelaten hebben I” Ze namen weer in de zit* kamer plaats en Ducroix schonk den wijn in en bracht brood en beschuit. Hij bleef daarna achter in de kamer staan en keek aandachtig naar de etende mannen. Von Diesel keek uit het raam en zei op gemoedelijken toon : „Je hebt daar mooie rozen staan, ouwe vriend 1” „Ja 1” stemde Ducroix toe, „vooral de roode. Ik houd van rozen, vooral van roode rozen . . . ! Ze herinneren mij altijd aan iets.... die roode rozen !” Von Diesel nam een flinken teug wijn. „Je hebt gelijk, Liebmann,” zei hij op fluisterenden toon tot zijn kameraad, „die oude is niet normaal !” Daarna met luiden stem tot zijn gastheer : „Was jij hier in *70 ?” Ducroix knikte. „De groote oorlog,” zei hij. „De vreeselijke oorlog!” Von Diesel zette lachend zijn wijnglas neer. „Bah !” riep hij uit. „’70 was kinderspel bij den oorlog Eerstdaags zal te ’s-Gravenhage het nieuwe tijdschrift „La Revue de HolL- lande" verschijnen, in het Fransch geredigeerd door de heeren G. S. de Solpray, rédacteur-en-chef, Georges Gaillard en Louis Piérard. De Uitgevers-Maatschappij A. W. Sijthoff te Leiden geeft deze „Revue littéraire, économique et politique” in welverzorgden, smaakvollen vorm uit. Het voornaamste doel der „Revue” zal zijn. in Frankrijk, en in het Buitenland in ’t algemeen, de Nederlandsche gedachte en de Nederlandsche daad beter te doen kennen, zoowel op het gebied van wetenschap, kunst, letteren, als van economische en sociale politiek. Ook zal zij bijdragen tot de meerdere waardeering van Fransche dichters en kunstenaars in Nederland. Nederland, met zijn groote tradities wat de kunst van uitgeven en drukken betreft, is ook door zijn geschiedenis en zijn geestelijke ontwikkeling als aangewezen om een tijdschrift te zien geboren worden en opgroeien, dat een waarlijk internationale tribune wil zijn. vrij en onafhankelijk, waar met groote onpartijdigheid de gelegenheid zal gegeven worden om loyaal van gedachten te wisselen over de ernstige internationale vraagstukken, waarvan de oplossing de openbare meening reeds in beroering brengt. Uit een letterkundig en kunstzinnig oogpunt is de „Revue de Hollande", van thans. Millioenen mannen vechten nu. ’70 ! Wel, als we je vertelden wat we de laatste twee maanden ondervonden hebben, zou je bloed tot ijs worden in je aderen. Ik heb tweeduizend man door één salvo zien neerleggen ; ik heb een heel legerkorps door en over elkander zien tuimelen als een reusachtige hoop mieren. ’70 1 Ik zou denken dat je ’70 al lang vergeten zoudt wezen door den reuzenstrijd J. DE BLAAUW. t N. KOGEL. In den ouderdom van ruim 79 jaar is te ’s-Gravenhage overleden de heer J. DE BLAAUW, oud-Indisch hoofdambtenaar. In 1860 ving hij als candidaat-ambtenaar zijn Indische loopbaan aan, kwam in 1862 aan de Algemeene Secretarie, waar hij verschillende rangen doorliep om in 1870 te worden benoemd tot gouvernements-secretaris. In 1879 volgde zijn benoeming tot resident van Krawang, en in 1885 werd hij benoemd tot inspecteur van Financiën terstandplaats Soerabaja. Enkele maanden later verliet hij den dienst met pensioen. — 1 Juli a.s. herdenkt de heer N. KOGEL den dag. waarop hij voor 40 jaar als Godsdienstleeraar aan de Isr. kostei. school te Rotterdam verbonden werd. Met grooten iiver en opgewektheid vervult hij nog dagelijks zijn taak. Dat hij gedurende dit tijdsverloop zich tal van vrienden verworven heeft, ligt voor de hand. van thans, hoewel in ’70 in deze streek aardig gevochten moet zijn V’ Ducroix luisterde niet meer, hoewel zijn hoofd op en neer knikte. Liebmann merkte nu op : „Ja, het was in dit district dat de jonge Von Kraske zijn sporen verdiend heeft.” Ducroix’ oogen werden kleiner; hij keek Liebmann scherp aan. „Von Kraske?” mompelde hij. „Ja, die was hier. Ik herinner me hem wel.” La Revue DB Hollande LITTERAIRE, ARTISTIQUE, DOCUMENTAIRE “No 1. 'juüiet 1915. LA MAYB Plaat• tO. A. W. SIJTHOFF EJitaur i Layd. L EEN NIEUW TIJDSCHRIFT. door een voortdurende uitwisseling van denkbeelden tusschen Frankrijk en Nederland, geroepen tot het verrichten van een nuttigen arbeid, daar de Nederlandsche geest door haar zal kunnen putten uit de bronnen der Fransche kunst, zonder zijn, trouwens zoo krachtige, oorspronkelijkheid in te boeten. „La Revue de Hollande" zal. behalve artistieken en critischen arbeid, talrijke kronieken bevatten uit de voornaamste Europeesche landen, ontledingen en uittreksels van de leidende tijdschriften, alsmede gedachtenwisselingen omtrent geestelijke en maatschappelijke stroomingen waarvan de publieke opinie vervuld is. Zij zal de getrouwe weerspiegeling zijn van groote gebeurtenissen en ideeën, de onpartijdige getuige van de ontwikkeling van het geestelijk leven in onze moderne wereld. In haar eerste nummer geeft de „Revue” artikelen van Verhaeren, Ph. Zilcken, Dirk Coster, Valkhoff, Henri Malo, Louis Piérard, verzen van Fernand Séverin. Max Elskamp, F. de Solpray, en de Fransche vertaling van Van Schendel’s merkwaardig boek „Een zwerver verliefd”. Onder de talrijke medewerkers bevinden zich ook Lod. van Deyssel,Johan de Meester, Prof. Salverda de Grave, P. C. Boutens „De zoon van den beroemden graaf von Kraske ?” „Ja, de zoon van den grooten graaf Von Kraske.” Liebmann rees van zijn stoel op, de anderen volgden zijn voorbeeld. Ze namen hun glazen in de hand en staken die plechtig omhoog. „Op Von Kraske !” riep Liebmann en ze dronken. „Waarom drink jij niet, ouwe 1” vroeg Von Diesel, en er was een bedreiging in zijn stem. Het gehuil van den dog in den kelder redde Ducroix. „Wat ben je toch voor een zonderling ?” vroeg Feldtenheim. „Waarom sluit je dien hond in den kelder op? Wij Duitschers worden beschuldigd van het plegen van allerlei gruweldaden (leugens, natuurlijk l), niettemin hebben we gevoel voor een beest.” „Hij houdt van de duisternis,” zei de oude man. „lederen nacht gaan we een wandeling maken, de hond en ik. Da’s alles wat hij verlangt. We wandelen .... naar de graven achter het huis en praten, en denken .... Jouw Von Kraske ... e ... . wat was hij ?” „De zoon van den graaf Von Kraske,” antwoordde Liebmann. „Nog een jongeman, maar een van de flinkste soldaten van Wilhelm den Eersten. Hij was pas vijf en twintig jaar, maar het was door hem dat Mac-Mahon in deze streek werd aangepakt en geen gelegenheid kreeg om een positie in te nemen. Het was een roemvolle strijd. Zeg oude, daar moet je je toch een en ander van herinneren ?” Al wat de oude Ducroix evenwel zei was : „Von Kraske ? Ja, ja, Von Kraske. . . zoon van den grooten graaf Von Kraske.” Schultz, de vierde Uhlaan, die tot nog toe steeds gezwegen had, brak nu opeens in een woordenvloed uit: „Oorlogen zijn noodig. Zij doen te voorschijn komen alles wat nobel en edel is in den mensch ; al wat heldhaftig is in den man. Als de oorlog voorbij is, Ducroix, zal er tweehonderd jaar vrede zijn. De Franschen zijn gek, om niet in te zien hoe sterk wij zijn ; hoe onverzadelijk onze eerzucht. Ons leger van thans is gebouwd op den heldenmoed van mannen als Von Kraske, die een volkomen toegerust leger door jouw land voerde den vluchtenden Mac-Mahon achterna, God is altijd met ons geweest in onze oorlogen. Wij gelooven in de rechtvaardigheid van onze zaak. Vertel dat aan je landslieden als je er de gelegenheid toe hebt.” „Die Von Kraske ...” begon de oude man. Liebmann viel hem in de reden. „Misschien kom je nog wel eens in ons schoon Berlijn,” zei hij. „Daar kun je dan een gedenkteeken zien van den edelen zoon van een edelen vader !” „Von Kraske werd gedood ?” De oogen van Ducroix stonden nu helder. „Waarschijnlijk wel, hij werd vermist.” „En in Berlijn met praal begraven ?” „Zijn lijk is nimmer gevonden,” zei Liebmann. „ . . . Von Diesel leen me je revolver even. Ik wil een einde maken aan het gejank van dien hond.” „Houd je gemak,” antwoordde Von Diesel. „Hij hindert ons niets.” Daarna tegen Ducroix : „Na den oorlog zullen we goede vrienden worden.” „O, neen 1” riep Ducroix uit. „De legers zullen wegtrekken als de vrede geteekend is. De kerk zal haar stem verheffen en God prijzen ; de verwoeste steden zullen worden opgebouwd ; de regen zal het bloed wegwisschen ; de wind zal de lucht zuiveren en als het winter is zal de sneeuw alle sporen van strijd bedekken. Er zal vrede zijn, zooals je zegt, maar een geschreven vrede . . . want de oorlog zal niet eindigen.” Hij had het hoofd in den nek geworpen en zijn oogen waren naar boven gericht. „Neen. de gruwelen van den oorlog worden nimmer vergeten. Jouw duizenden mogen juichen als het laatste schot gevallen is, jouw duizenden mogen vergeten, maar de man die buiten die menigte staat, zal niet vergeten ... Ik zal jullie vertellen ... die kamer hiernaast, waarin jullie zooeven waren . . . Mijn schoone vrouw en dochter waren daar op een namiddag van October 1870. „Dien morgen had mijn dochter, mijn Marianne, rozen geplukt, omdat het haar moeders verjaardag was en op dien morgen waren we bezig de rozen overal in huis op te hangen. Mijn lieve vrouw hield van rozen . . . vooral van roode rozen. In den namiddag zaten we in die kamer.’toen de Duitschers kwamen. Duizenden van hen vertrapten mijn wijngaarden, ruw het werk van jaren vernietigende ; maar ik protesteerde niet, want ik was een vreedzaam man, die niet in conflict wilde komen met de overweldigers. „Vier of vijf soldaten kwamen mijn woning binnen, en vroegen om brood en wijn. Wij vreesden hen niet, want ze spraken onze taal en handelden als mannen van opvoeding. Een riep mijn toegevendheid in voor het verwoesten van mijn bezitting en betreurde het dat de oorlog een eerlijken, rustigen wijnbouwer tot een bedelaar maakte 1 ... Ze vertrokken daarna, doch des avonds kwamen ze terug, verhit van den wijn ; brooddronkenheid sprak uit hun oogen. Een van hen, de leider, wierp me terzijde en trad de kamer binnen, waar mijn vrouw en dochter zaten te breien, 't Was mijn kind, mijn zoete bloem, mijn Marianne die hij eischte. Zij gilde en omklemde den hals harer moeder . . . „Hebben jullie geen kinderen ? Niet ? Dan ken je ook de pijn niet die ’n vader gevoelt, als hij zijn kind hoort gillen van angst en je bent niet in staat haar te helpen .... Hij sloeg mij met het plat van zijn zwaard, maar ik hield mijn bewustzijn. O, bad God mij dat maar ontnomen. „Jij dog I” riep hij, terwijl ik op den grond lag, worstelende onder het gewicht van zijn bentgenooten, die zich op mij geworpen hadden. „Dog 1” riep hij telkens weer en rukte mijn ongelukkig kind van haar moeder los. God was weldadiger voor mijn arme vrouw ; zij viel dood neer : ik schoot een revolver op haar af, die ik uit den gordel had gerukt van een der onverlaten, die mij verhinderden mijn worstelend kind te hulp te snellen ...” Ducroix hield weer op ; zijn oogen staarden in het onbestemde, als zag hij het visioen van veertig jaar geleden. „ . . , Worstelend ? Neen. Ze is stil nu. Ik kan haar lief gelaat niet zien, want haar lang mooi haar bedekt het als een sluier. Haar handen hebben opgehouden zich te verzetten ; haar armen zijn uitgestrekt als in een laatste smeekgebed. Ik schreeuw in wilde smart tot God ! Het monster daar 1 . . . keert het hoofd om. „Houd dien dog stil 1” roept hij en ik krijg een slag tegen mijn slaap. Ik schreeuw tot God, maar ’t is een fluistering . . . Het beklemmende gewicht op mijn lichaam verdween, de overweldigers lieten mij los... Ik hoorde hen vloeken . . . een geluid van naderende voetstappen buiten het huis.... C. A. WILDENBERG. Dr. L. P. VLAANDEREN. t Te Soest overleed op 81-jarigen leeftijd de heer L. P. VLAANDEREN, in leven geneesheer te Hilversum, waar hij van 1875 tot 1909 gevestigd was. Voor dien tijd, 1856 -1875, was hij als Off. van Gez. in dienst der Ned. Marine. De overledene was een algemeen geacht en bekend persoon, hetgeen o.m. bleek bij het vieren van zijn gouden ambtsfeest in 1906. De heer C. A. WILDENBERG, Chef-ladingmeester te Boxtel, zal 1 Juli a.s. den dienst der S.S. met pensioen verlaten, wegens het bereiken van zijn 65ste levensjaar. Door H. M. de Koningin is deze ambtenaar, die het grootst aantal dienstjaren bij de S.S. had, benoemd tot-Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. „Schoten klonken; het waren de Franschen... een patrouille... Ze schoten door het raam. De Duitscher, die mij „dog” genoemd had, rolde op den grond. Een kogel was hem door den wang gegaan en had zijn tong weggeschoten; ik zag de wond. Een zwaar lichaam viel over mij en bleef stil liggen. Iets warms druppelde in mijn nek . . . langzaam, heel langzaam druppelde* het, daarna gauwer . . . Eindelijk kwam er
PDF
Nummer
1915, nr.52, 28 juni. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA 416 een Franschman en goot mij wijn in den mond. „Zie,” zei hij naar de Duitschers wijzende die rondom mij lagen met het gelaat op den grond, „jouw leed is gewroken, arme kerel!” En stil sloop ze weg, de fransche patrouille. Ik bleef alleen . . met de dooden. . . Mijn vrouw en dochter liggen daar in den wijngaard . . . Mijn leed was gewroken ? . . Was dat zoo ? Wat zeggen jullie ?” Niemand sprak ; er heerschte een pijnlijke stilte. Toen vloog opeens Liebmann van zijn stoel op, liep naar de voordeur en luisterde. „Hoor !” riep hij verschrikt uit, den vinger omhoog stekende. Allen luisterden met ingehouden adem. Ducroix’ oogen glinsterden. Von Diesel gluurde door het venster. „Cavalerie . . . Engelsche cavalerie !” fluisterde hij en sprong toen op Ducroix los. „Jij moet ons verbergen, ouwe man ! Wij hebben je geen kwaad gedaan, dat weet je !” Zijn tanden klapperden. Het witte hoofd knikte langzaam. Hij keek naar Liebmann. „Er is niets anders dan de kelder,” zei hij en liep langzaam naar de deur. „Ja, de kelder,” riep Von Diesel. „Ga mee met ons,” en hij nam den grijsaard bij den arm. Zij strompelden de trap af en stapten den voorsten kelINTERNATION ALE WORSTELWEDSTRIJD, georganiseerd door den heer Soesman, dir. van het Casino te Rotterdam. Foto links: Pawnee Bill uit Texas, een der geweldigste worstelaars. Foto midden: de deelnemers aan den wedstrijd. Zittend le rij van l. Anderson, Polen; Thomson. Eng.-lndië; Aug. de Clercq, Rotterdam; de Leeuw. Rotterdam; Zittend in 't midden v. 1.: Willy Coster, vertegenw. der directie; v. d. Heyden, kamprechter: Kleingeld, voorz. der Jury. Achterste rij van 1.: de kozak Samukoff, Rusland; Bach, Luxemburg: Carlos, België: Placké, den Haag; de reus Antonitch, Oostenrijk; Pawnee Bill, Texas; Hünig, Saksen; v. Riel, Holland; Cherikoff, Hongarije. Foto rechts: de wedstrijd tusschen Cherikoff, Hongarije en Holtkamp, den Haag. der in. Ducroix opende de deur van den tweeden kelder. In den hoek hoorde men een geritsel in het stroo. „Stil !” riep Ducroix. Ze traden allen de dikke duisternis binnen. Ze konden niets onderscheiden, want het schemerlicht, dat door het kleine getraliede venster viel, vermeerderde nog de duisternis van den achtergrond. Ducroix sloot de deur achter zich, toen liep hij de mannen voorbij en begaf zich naar het donkerste deel van het verwulf. De vier mannen hoorden een tweede, deur openen en sluiten. „Hem achterna!” schreeuwde Von Diesel. Maar het was te laat. Weer klonk er geritsel in het stroo en de stem van Ducroix buiten den kelder : „Lig stil, dog !” Er klonk een herhaald geblaf. „Stil 1” bromde nu Liebmann en greep van angst den arm van Von Diesel. „Daar is iets!” hijgde Feldtenheim. „Daar!” „Waf, waf!” Von Diesel greep zijn revolver. „Dat vervloekte beest zal ons verraden als die oude schurk het niet doet I” Hij sloop voorwaarts en sloeg in het duister naar den kop van den hond. Er klonk een vreemd gekerm. Weer hijgde Feldtenheim : „Een lucifer ! steek een lucifer aan 1 Heeft niemand een lucifer ?” — Liebmann stak er een aan. Feldtenheim gaf een gil en viel op den vochtigen steenen vloer neer. Het was geen doghond die daar in het stroo lag. „Nog een lucifer !” riep Von Diesel met sidderende stem. Liebmann stak een tweeden lucifer aan en maakte een fidibus van een stuk papier dat hij in den zak had. „Een man!” fluisterdeverbaasd Schultz, die moediger dan de anderen zich over de neervallen gedaante heenboc^. „Een man, een oude man met een koperen halsband om ujn nek . . Je hebt hem gedood, Diesel... Er staat een naam op den band ... O, Groote God ! . . . Von Kraske!” In de kamer boven hun hoofden klonk het geluid van rinkelende sporen ; kort daarna op de deur een geklop met het gevest van een sabel. „Wil jullie je overgeven ?” ONS FEUILLETON. n ons eerste Juli-nummer begint een nieuwe roman, vol spanning en avonturen, getiteld: „Uit het zwarte boek van een telegrafist** door J. T. van Leiden. Dit feuilleton, op een ware gebeurtenis berustend, behandelt de geschiedenis van twee marconi-telegrafisten, man en vrouw, die slechts met moeite uit de handen van een NewYorkschen speelhuis-eigenaar en ,,telegraafaftapper" ontsnappen, in wiens gepantserde zalen zij gevangen worden gehouden. PALAIS DE DANSE. Dir.: MAX VAN GELDER. SCHEVENINGEN. Als de zon als ’n gloeiende schijf gezonken is in de grijze vlakke ** zee. en hel laalsle gloeiende streepje verzonken is, ’n paarsen glans werpend over hel deinende waler. — ’n juffrouw laatst op den boulevard, weinig gevoelig voor natuurschoon, meende in ernst dat het n gloeiende duikboot was, en slaakte ’n kreet vau teleurstelling dat ’t „maar de zon” bleek te zijn — dan. als de lichten op de Pier als ’n illuminatie glanzen, en de frissche avondwind de vrouwelijke flaneersters dwingt de avondmantels over de bijzonder dunne blouses, die haast geen blouses meer zijn, te werpen ; als de café’s onder de rotonde of onder de galerijen zich dicht bevolken en men in de wat killer wordende avondlucht de beschutting zoekt van het mondaine intérieur, waar roodjassen aan hunne instrumenten American Rag-times ontlokken, en koele, kleurige De Biedermeier-dans. aardig. De heer Ruisseau maakt er ’n uitstekend type van en ook Mademoiselle — last not least — valt te loven. Een ander specimen, héél iets anders, dat eenigszins aan ’n Apachen-milieu doet denken en een vaardigheid en lenigheid, ’n souplesse de corps vereischf, die opmerkelijk is, zijn de twee Cow-boys. die n dans-scène uit de Wild-West geven, die eenigszins aan den Apachendans herinnert, doch uitstekend in het karakter van die satansche rijders en rijdsters daar in the Wild-West is gebleven. Zijn krachten en hare lenigheid — wat schooner toonbeeld van mannelijk en vrouwelijk schoon is denkbaar? — geven samen ’n volmaakt gehéél, dat werkelijk af is. Heusch om te gaan zien, met de vrouw uwer keuze, als de Pier te kil wordt en gij eens van wat ander temperament dan van het gestaag Hollandsche wenscht te genieten. CI-DEVANT. dranken tintelen in fonkelende slanke glazen, dan is het de tijd ook geworden voor het Palais de Danse, welks feestelijke, kleuriglichtende illuminatie haar schijnsel werpt over het wijde, maar ietwat duistere Gevers Deynootplein. Er binnen, — wie herinnert zich niet het oude Circus Schumann — zijn de toeschouwersplaatsen, amphitheatersgewijze om de arena, waarin eens beren en olifanten Tiunne schoone kunsten vertoonden; nu echter is er ’n spiegel-gladde ronde houten vloer, ’n waar dans-paradijs, op dezelfde plaats aangebracht, en de huizenhooge koepel van het gebouw veischemert in de hoogte boven 'n kleurig plafond van groene, gele, roode en oranje lampions, die zich over de zaal in breede en schitterende rijen spannen. Daar over de gladde ruimte van de estrade, die eens tooneel was, en nog — souvenir, que me veux-tu? — een vergezicht over Parijs van de butte Monfmartre te zien geeft met rechts de Moulin de la Galette, klinkt de muziek, dansmuziek, van het Roodjassen-orkestje, dat met snellende walsen, bonkende onesteps en rhythmische two-steps, tot dansen lokt. En tusschen die publieke dansen door. worden door andere specialiteiten gegeven, waar ik ’t eigenlijk alleen over hebben wou. Twee dansen zijn het. waarvoor ik uw aandacht v^aag. Dat is ’n wèl-gespeelde en-gedanste Biedermeier-dans eerstens. Mr. et Mlle. Ruisseau, staat er op ’t programma. ’kZal niet verklappen, wie het zijn. Maar wat ze doen is alleraardigst. Het guitige, prettige, elegante en schalksche, dat zij in dezen dans leggen, bij de keurige costuums, waarin een en ander wordt gegeven, pleit voor beider De Cow-boy-danseres uit de Wild-West. smaak. De ontmoeting, de charmante toenadering, het is werkelijk NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN. De Cow-boy-danser uit de Wild-West.
PDF
Nummer
1915, nr.42, 24 mei. 1915
Blad
09
Tekst
No. 42 (47b) 24 Mei VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.075 UITGAVE A. W. SUTHOFF’S UBTOEVERS=MAATSCHAPPU, LEIDEN - RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. L Koning Victor Emmanuel III van Italië, van een militaire inspectie terugkeerend.
PDF
Nummer
1915, nr. 53, 1 juli 1915
Blad
01
Tekst
'5 PER KWARTAAL UITGAVE A. W. SUTHOFF’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ, LEIDEN = RED. EN ADM. DGEZASTRAAT 1, TEL. 1. De uitwerking der brandbommen. Een vernield stadsgedeelte van Reims. Een intérieur der verwoeste „Salie du Sacre”. Fragment der beroemde Kathedraal. De Hall. De verwoesting der „Salie du Sacre”, waarin de vroegere Fransche koningen werden gekroond. Een gedeelt dat gelukkig ni< Een ander fragment (intérieur) der verwoeste, beroemde Kathedraal. Slaapkamer der familie. Slaapkamer der bedienden. _J Hoe een rijk koopman zich in de kelders van zijn L zaak te Reims ..comfortabel” met familie en bedienden heeft gehuisvest gedurende het laatste bombardement. No. <53 (la) 1 Juli 1915. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. REIMS NA HET LAATSTE BOMBARDEMENT
PDF
Nummer
1915, nr. 53, 1 juli 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA ji|lllilliihiiii!i!hlfiii0iiiiiiHiiöfihiibHiöiSl$ibi«ii!OilfciiH^^ miiiüliillfe UIT HET ZWARTE BOEK VAN 'N TELEGRAFIST DOOR J. T. VAN LEIDEN ï§k geloof niet dat men mij, na mijn geschiedenis ten einde gelezen te hebben, een slecht mensch zal noemen. Ten minste niet, als men met oordeel te lezen weet. Zeker, ik heb dingen gedaan die onvergeeflijk zijn ; ik heb mij in tijden van angst en nood, van geldgebrek vooral, menigmaal vergrepen aan de gangbare moraal ; maar — een slecht mensch ? Neen. Wie nooit viel, weet niet wat er noodig is om vast te staan. Wat zouden al dieeerlijke, fatsoenlijke lieden, die nooit door de omstandigheden van den rechten weg werden gedrongen, gedaan hebben wanneer ze in mijn schoenen hadden gestaan ? Met al mijn fouten en gebreken, met al mijn zonden en misslagen, acht ik mezelf toch hooger dan al die brave zonen die hun fortuin van hun vaders erfden, dan al degenen die nooit kwaad deden omdat ze niet durfden of niet noodig hadden het te doen. Ik heb met het leven gevochten, ik heb me door zijn gevaren heengeslagen, ik heb gehandeld waar anderen de energie ontbrak. En nu lach ik om de eer en de deugd van anderen. Het zat er van jongs af aan bij me in: de onrust, de zucht tot avontuur, liet willen afdwalen van de begane paden. Het bloed van een romantischen voorvader moet in mij opnieuw aan ’t bruisen zijn gegaan ; zou ik niet van een zeeroover afstammen, van een grooten avonturier ? Een uitvinder misschien, die van vliegen droomde, toen zelfs de luchtballons nog niet waren uitgevonden ? Als kind van zes jaar werd ik al door mijn vader van het dak gehaald, waar ik in een levensgevaarlijke houding bij de tekfo<\draden zat, luisterend naar hun geheimzinnig gonzen en zingen. Was ik nergens te vinden, wanneer het schooluur sloeg, dan sloop ik op liet rangeerterrein tusschen de locomotieven rond, bestudeerde hun mechaniek, peinsde er over in welke vreemde landen ze mij brengen zouden, wanneer ik mij tusschen de kisten en pakken verborg, die ze in lange rijen goederenwagens achter zich aansleepten. En hoe dikwijls was ik niet de wanhoop van mijn moeder, wanneer ik met ijzerdraad, zwavelzuur, gloeilampjes, salpeter en ander bijeengescharreld materiaal mijn kleeren en haar meubelen bedierf, in even hardnekkig als vruchteloos pogen om een „groote” uitvinding te doen ! Op school ging het niet. Op het gymnasium nog mhider. In alles wat practijk was, toonde ik aanleg ; voor de theorie deugde ik niet. Ten slotte kwam ik op een fabriek van electrische apparaten terecht ; er moest maar een monteur, een werktuigkundige uit me groeien. Kort na elkaar st:erven mijn ouders ; tweeduizend gulden was al wat ze me nalieten. Mijn voogd verzorgde me uit zijn eigen middelen tot ik meerderjarig was ; ik werkte geduldig op de fabriek, waar ik langzamerhand als opzichter een draaglijk salaris ontving ; maar voor mijn proeven op telefotografisch gebied had niemand oogen. Toch verbeeld ik me nu nog, dat ik p iets van beteekenis had kunnen tot stand brengen, wanneer iemand me maar met geld had willen steunen. Nauwelijks had ik mijn erfdeeltje in handen, of ik zat op de boot die me naar Amerika zou brengen. De reiskoorts had me te pakken, en ik liet niets of niemand achter om aan terug te denken. Onderweg bracht ik al mijn tijd in de Marconihut door ; de telegraaf was altijd mijn hartstocht geweest, en zóo had ik al mijn gedachten op haar rhythmisch takken samengetrokken, dat ik niet alleen gemakkelijk een bericht op het genoor kon ontcijferen, maar onwillekeurig woorden spelde uit elk kloppen of hameren dat ik maar in mijn nabijheid vernam. Nauwelijks was ik aan land of ik zocht de „School for telegrapn-operators” op, die ergens in ’t rommeligst gedeelte van de New-Yorksche First Avenue is gelegen, in de groote boven-achterkamer var een oud, bouwvallig kantoren-huis, dat alleen maar niet omvalt wijl wat steviger woningen — een lunchroom en een chineescn wisselagentschap — het aan weerszijden stutten. In datzelfde huis vond ik een kamer om te wonen — een wrakke kist leek ze wel, zonder licht of lucht. Natuurlijk reikte mijn „vermogen”, door de zeereis al geslonken, niet toe om zes maanden lang — de duur van den cursus — mijn lessen en mijn levensonderhoud te betalen. Daarom pakte ik ’s avonds allerlei werk aan, zooals trouwens velen van mijn medeleerlingen deden ; ’n maand lang waschte ik borden in een smerige chineescne restauratie ; zes weken achtereen was ik portier van een danshuis in de Bowery ; toen dat door de politie gesloten werd, schreef ik gedurende acht dagen anonieme dreigbrieven voor ’n politie-commissaris die carrière maakte door ’t ontdekken van gefingeerde misdaden. En ook werkte ik eenige halve nachten op een worstfabriek ; maar oat duurde niet lang, want de reuk van het doode nonden- en kattenvleesch werd me te machtig. Maar voor de telegraaf bleek ik geschikt, en na afloop van den studie-termijn kwam ik op T kleine, maar als kruispunt niet onbelangrijke station Durkin-Junction van den Grand Trunk-spoorweg. Daar kreeg mijn uitvindersdroom me weer te pakken ; telkens leidde net telefotografisch vraagstuk Vön Oorlogsvrees en Zomerweelde, Weemoed sluipt onze ziel binnen bij het beschouwen van bovenstaande „stemmingsfoto”, Temidden van het hoog-opschietende oever-riet, waartusschen zomier-vogels in zonne-blijheid hun lied schallen doen en hun jongen met teere zorg bewaken, staat de krijgsman, spiedend naar hem, die nu zijn vijand heet, en toch zijn broeder is. Wij vragen ons af: Hoe lang nog en waarom ? is het dan een utopie, die wij vruchteloos najagen, dat de menschen als broeders zouden samen wonen ? Of zijn we voor deze hoogere beschaving nog niet rijp genoeg? mijn aandacht af. En op ’n ongelukkigen dag was een enkeTverkeerd sein genoeg om een 1 oientrein dwars op een snel-goederentrein te doen inrijden. Amerika is groot, en toen ik mijn twee maanden had uitgezeten, waren er nog steden genoeg waar ik ’n betrekking kon vinden zonder dat men naar mijn verleden vroeg. Maar, vergeet dit niet : het ging alles op geen stukken na zoo glad als ik ’t nu vertel — ik had honger geleden, rondgezworven en op een bank in ’n plantsoen geslapen, eer ik weer werk vond. Dat maakt hard, bitter en onverschillig, en minder kieskeurig in ’t kiezen van de middelen waarmee ’n mensch z’n leven moet onderhouden. Zoo kwam ik dan op een van de Postal-Union bureau’s in Chicago, die groote steenen hel van onbarmhartigheid en geldzucht. Ik weet zeker dat ik daar hard en eerlijk wilde werken, maar goede hemel, wat een toestanden vond ik daar ! Beurs- en race-telegrammen werden er door de beambten even opgehouden tot ze hun weddenschappen, met gebruikmaking van ’t geseinde bericht, hadden afgesloten, zeker nu dat ze winnen zouden. Ik heb ’t bijgewoond dat een van de telegrafisten binnen een uur straatarm en tweeduizend dollar rijk was! En ik, die nauwelijks wat warm eten kon betalen .... Al gauw deed ik met de anderen mee, kreeg vijfhonderd dollars te pakken, maar was zoo wijs er mee uit te knijpen, toen op ’n morgen mijn seterp oor door al ’t getik heen een telegram las van de politie aan den directeur van ’t kantoor. Nu begon ik een zwervend leven, als was ik een straatkat. Mijn portret zag ’k af en toe in oude kranten of achter de glazen van een police-station. Maar dat zou door de afbeeldingen van interessanter misdadigers dan ik wel spoedig verdrongen worden. Het gezoek naar werk begon opnieuw. En op ’n avond, in een Pittsburger poolroom, werd me fluisterend verteld van het nieuwste wat Jim Hannock, de groote speelholen-Koning, nu weer op touw gezet had. Wedden, spelen, geld-leenen, roulette, poker - ’t was alles heel mooi, maar het beursspel overtrof toch dat alles. Hannock, die begonnen was met een of twee eenvoudige poolrooms, waar je een glas bier dronk, en aan den dobbelsteenen-automaat wat geld verloor, had zijn zaak langzamerhand heel wat grootscheepscher opgezet. In de meeste groote steden van de Vereenigde Staten had hij nu meer of minder belangrijke speelgelegenheden, maar de voornaamste was er een in Chicago, ondergrondsch en gepantserd, onneembaar voor de politie. Zoolang in Chicago de politie trouwens niet gereorganiseerd werd, was er geen gevaar voor Hannock : hij betaalde den hoogsten tot den laagsten beambte trouw hun maandelijksch aandeel in zijn winsten uit. Zijn openlijke poolrooms ondervonden dan ook niet den minsten overlast, en het geheime speelhol was alleen maaT zoo bomvrij ingericht om als laatste bolwerk te kunnen dienen indien de bescherming der autoriteiten om de een of andere reden eens ingetrokken mocht worden. Dan was zijn terugtocht gedekt. Bovendien : Jim, een oud-telegrafist, had daar de prachtigste „berichten-aftapperij” ingericht die zich denken laat. Niet minder dan zes ervaren en zeer vertrouwbare telegraafmannen zaten daar aan hun toestellen en tapten den officieelen draden alle beurs-, handels- en renbaannieuws af dat zijn bezoekers, tegen grove betaling, maar van dienst kon zijn. Ja, Jim was een meester in het vak. En ten overvloede hield hij er een privé-rechtsgeleerde op na, Morlay genaamd, die zich nooit zien liet, maar hem van uit de een of andere schuilplaats met listige adviezen diende. Een goede introductie bracht me in een van zijn openbare poolrooms in Pittsburg, waar ik twee maanden werkzaam was, en met succes, bij hetleggen en exploiteeren van een telefoondraad, die langs regenpijpen en dakgoten in de cel van een naburig graankantoor uitkwam. Den heelen dag noteerde ik prijzen ; we kochten wagonladingen graan voor niet te hooge bedragen en snoepten onzen buurman menig goed kansje af. Hannock was tevreden over me, en ik had tienduizend dollar bij mekaar, toen hij me een geweldige promotie liet maken : ik kwam aan een van de zes toestellen van het gepantserde bureau in Chicago te zitten. De eetlust komt al etende, de geldlust al winnende; waarom ik met mijn tienduizend dollar geen eerlijke kostwinning begon, is louter aan de Amerikaansche atmosfeer toe te schrijven : de eene dollar wil den anderen voortbrengen, en hoe meer avontuur, hoe meer waaghalzerij daarbij te pas komt, des te grooter genot. De romantiek van ’t geval sleepte me mee ; de oude zeeschuimer in me was klaar wakker. Het was heerlijk, dit gewaagde spel. En intusschen deden op de Beurs de Rockefellers, de Morgans, de Carnegles niet te vergeten, hetzelfde. Maar nu gebeurde het vreemdste. Naast me, aan toestel 2, zat Marv Lynn, het mooie meisje met de bruine haren en de tragische oogen, Mary, die rnarconi-operator op een Californische kustvrachtboot was geweest, in SanFrancisco met Hannock had kennisgemaakt en hem gevolgd was naar Chicago, de arme, omdat ze meende dat ze van hem hield en geloofde wat hij vertelde van z’n school voor draadlooze telegrafie. Maar daar zat ze nu, werd door Hannock getyranniseerd, en kon niet meer weg. Waar zou ze heen, zij, die onder de — dikwijls hooggeplaatste
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1686 tot 1690 van 11897