|
407 „ïk hoop maar,” merkte mevrouw- koeltjes op, „dat
je je zult onthouden dergelijke theorieën in het openbaar
te verkondigen. Goede hemel! De heele pers zou er wraak
over roepen !”
„Hoor eens,” hernam Mr. Rechtmans, „ik kan over deze
kwestie nu niet verder uitweiden. Het is tien uur, ik moét
naar het Paleis. Er is een groote agenda vandaag !”
Toen zijn edelachtbare het Rechtsgebouw bereikt had
en de kleedkamer binnentrad, was de daar aanwezige klerk
verwonderd, toen hij bemerkte, dat Mr. Rechtmans het
gewaad en de baret van den president van den kapstok nam.
„Ex .... cuseer, mijnheer,” zei de klerk, „u vergist u 1
Hier is uw toga1”
De heer Rechtmans kleurde en stotterde :
„O .... ja ! ja ! Simons 1 Hoe dom van me 1”
De verlegen toon van dit antwoord bleef den klerk den
geheelen dag bij, en des avonds vertelde hij aan zijn vrouw,
dat als het iemand anders was geweest dan de officier, hij
gedacht zou hebben, dat deze zich van de toga wilde meester
maken.
„Ik snapte eens een zakkenroller, die me mijn horloge
wilde afhandig maken,” ging Simons voort, „en ik laat
me hangen, als die niet net zoo’n gezicht zette als mijnheer
Rechtmans. Het was natuurlijk een vergissing. Ik vind
trouwens dat hij na zijn ziekte erg verstrooid is.”
Dienzelfden avond stond er in een der Haagsche bladen,
dat altijd een uitgebreid verslag van de terechtzittingen
geeft, het volgende te lezen :
„Onbegrijpelijk zachtmoedig requisitoir. — Een merkwaardig
staaltje van rechterlijke zachtmoedigheid werd
hedenmiddag op de zitting van de Rechtbank te dezer
stede geleverd. Het betrof de bekende zaak van David
Pluim, terechtstaande wegens inbraak en diefstal van gouden
en zilveren voorwerpen uit een goudsmidswinkel in de
Veenestraat. Het Openbaar Ministerie, waargenomen door
Mr. Justus Rechtmans, merkte in zijn requisitoir op, dat
de beklaagde een man was van groote gaven, die evenwel
in een verkeerde baan geleid werden. In stede van zoo’n
man te straffen, moest hij verder geholpen worden de
hem door de natuur geschonken gaven nuttig aan te wenden.
Het geheele requisitoir, dat eigenlijk meer op een pleidooi
geleek, werd door alle aanwezigen met verbazing, alleen door
den beklaagde en diens verdediger met genoegen en instemming
aangehoord.”
Toen de Officier des avonds dit verslag las, glimlachte
hij.
„Arme kerel,” mompelde hij. „Waarom, voor den drommel,
zou hij zich niet mogen toeleggen op inbreken, als
hij ’t verkiest. Het is goed bezien een vak als ieder ander.
En ik ben er nog niet zeker van of het niet veel eer de schuld
van de Wet is dat de handelingen van zoo iemand strafbaar
zijn. Immers als er geen wetten waren, dan waren er
ook geen overtredingen. En waarvan zouden wij rechters
moeten leven als er geen overtreders waren? Het is duidelijk:
de wetten zijn gemaakt om overtreden te worden en de
overtreders zijn onze werkgevers. Is het dan niet onze plicht
hun onze dankbaarheid te toonen door de uiterste clementie
in acht te nemen?”
* *
*
Van nu af kenmerkten zich de zittingen van de Haagsche
Rechtbank door de uiterst welwillende houding van het
Openbaar Ministerie. En vooral als er een of ander berucht
OUDHEIDKUNDIG MUSÉUM ,, DE WAAG”
TE DEVENTER.
Door den voorzitter der vereeniging „De Waag”, Mr. H. Kronenberg, werd
de vorige week te Deventer het oudheidkundig museum „De Waag” geopend,
gevestigd in het gebouw van dien naam, en als oud-gemeentehuis
door tal van afbeeldingen in geheel Nederland en zelfs daarbuiten bekend
als een der mooiste monumenten van bouwkunst. In de openingsrede
schetste Mr. Kronenberg de wordingsgeschiedenis der vereeniging. Het is
ongeveer 4 jaar geleden, dat zich te Deventer enkele personen vereenigden
om te trachten, aan de voorwerpen van het toen bestaande Kabinet van
Zeldzaamheden een betere en meer waardige plaats te geven. De gemeenteraad
stelde het Waaggebouw ter beschikking voor de op te richten
vereeniging tot het stichten van een Deventer oudheidkundig museum;
daarna kon de vereeniging 14 Mei 1913 worden opgericht. In rt bijzonder
wijdde hij woorden van hulde aan den directeur van het museum, den heer
dr. M. E. Houck, zonder wien het museum „pe Waag” nooit tot stand
zou zijn gekomen.
type in de beklaagdenbank zat, kon men stellig overtuigd
zijn van een schitterende oratie, waarvan de slotsom
was dat er door den Officier vrijspraak of een lichte straf
geëischt werd. De voorliefde van den gestrengen heer Mr.
Justus Rechtmans gingzelfs zoover, dat hij een vrijgesproken
inbreker bij zich te dineeren vroeg.
Mevrouw Rechtmans sloeg de handen van pijnlijke verbazing
ineen, toen zij dit vreeselijke nieuws vernam.
„Maar, Justus 1” riep ze uit. „Hoe in ’s hemelsnaam ....”
„Er is niet de minste grond voor eenig bezwaar van jouw
kant,” viel Mr. Rechtmans zijn wederhelft koel in de rede.
„We hebben geen andere gasten dan den heer.... Brom.”
De heer Rechtmans dacht even na, en vervolgde toen :
BEZOEK VAN Z.K.H. PRINS HENDRIK.
De vorige week heeft Prins Hendrik een bezoek gebracht aan het landgoed
van de familie Van Aefferden-Brouwers bij Roermond. Onze foto geeft
Z.K.H. bij het verlaten van het landgoed, (foto V. F. B. )
„Hm 1 De dienstbode kunnen we moeilijk aan tafel missen.
Het beste is haar te zeggen dat we ’n . . . . vluchteling
te eten hebben !”
„Ik zal het probeeren,” mopperde mevrouw wanhopig,
„’t Is anders een afschuwelijke dwaasheid 1 Hoe is ’t mogelijk
! Een man die een belangrijk ambt aan de Balie bekleedt,
inviteert een inbreker bij zich te eten 1”
„Het is mij niet mogelijk de dwaasheid hiervan in te zien,”
merkte de heer Rechtmans op, terwijl hij nadenkend voor
zich uit staarde „Als bijv. een letterkundige ter wille van zijn
literaire studiën over het volksepos geruimen tijd in de
laagste lagen der maatschappij verkeert en met tal van
t oeven omgegaan heeft, zou ik dan schromen een enkelen
boef bij mij te noodigen om mijn kennis der criminaliteit
te vermeerderen ?”
De ex-inbreker bleek zich intusschen beter te gedragen,
dan aanvankelijk van hem gedacht was. Nadat de eerste
verlegenheid van den man, begrijpelijk waar hij tegenover
zijn constitutioneelen vijand zat, voorbij was, toonde hij een
merkwaardige opgewektheid en at met smaak de verschillende
gerechten die hem werden voorgezet.
„Je zult je zeker verwonderen, Brom,” zei eindelijk Mr.
Rechtmans, toen de champagne was ingeschonken, „waarom
ik je verzocht heb bij mij te komen dineeren !”
Janus Brom grinnikte.
„’k Heb m’n kop er nog niet over gepijnigd,” antwoordde
hij. „Maar als je me erover wilt inlichten, ben ik tot je
dienst.”
,,Het is dit,” ging zijn edelachtbare voort, „ik zou
gaarne eenige inlichtingen ontvangen over je werkkring.
Wij rechters weten over het algemeen veel te weinig van
het leven en streven van hen die wij in de rechtzaal ontmoeten.
Het zou voor een goede rechtspleging eigenlijk noodzakelijk
wezen, dat de leden der Balie en de leden van het inbrekersgilde
in nauwer contact waren met elkander.”
„Wat drommel, dat is toch onze schuld niet ? We breken
bij jullie in, stelen den boel, wat wil je nog meer ?” zei
Brom verwonderd.
„Ik verlang nog meer dan dat,” antwoordde de heer
Rechtmans op waardigen toon.
„Welnou, vooruit dan, ouwe snijboon,” zei Janus Brom,
die alle onderscheid uit het oog verloor onder den invloed
van des rechters Moët van ’95. „Geneer je niet, hoor!
En als ik je helpen kan, zal ik het doen.”
Mevrouw Rechtmans beefde. Zij zou het niet hebben
durven ondernemen haar man „ouwe snijboon” te noemen,
en daar zat nu zoo’n boef en die zei dat ongestraft.
Mr. Rechtmans scheen niet in ’t minst beleedigd. Hij
dronk zijn glas leeg en zei toen langzaam :
„Ik wensch te weten, hoe jullie gewoonlijk te werk gaat;
hoe je je inlichtingen krijgt over de woningen die in de termen
vallen voor .... e ... . een bezoek ; hoe je handelt
ten opzichte van het dienstpersoneel, en andere bijzonderheden
die op je ... . werkzaamheden betrekking hebben.”
Aldus aangemoedigd begon Brom, na zichzelven nog eens
te hebben ingeschonken, aan zijn belangstellenden toehoorder
allerlei mede te deelen over zijn twijfelachtigen werkkring.
Mr. Rechtmans leunde voorover om vooral geen woord te
PANORAMA
missen van het verhaal. — Eindelijk was hij uitgepraat en
eindigde hij met een grijns :
„Ziezoo, Heerschap ! Nou weet je net zooveel van de
zaken als ik en kun je zelf met de affaire beginnen, als je
nog eens aan den grond zit.”
„Hoe durf je. . .” begon mevrouw Rechtmans. Haar
echtvriend keek haar evenwel bestraffend aan.
„Het is bijzonder belangwekkend,” zei hij na een oogenblik
stilte, waarin hij over de mededeelingen van den inbreker
had zitten nadenken. Toen de ontevreden uitdrukking
op het gelaat van zijn vrouw bemerkende, ging hij vergoelijkend
voort:
„Hm ! Ja, lieve, alle informaties zijn nuttig, onverschillig
van wien ze komen. Mijn vriend Verhagens zei eens....”
„Apropos, dat ik je in de reden val,” zei nu Janus Brom,
„bedoel je majoor Verhagens die in dat groote huis op het
Bezuidenhout woont ? Sapperloot, wat ’n mooi zaakje
zou daar te doen zijn voor iemand die ’t vak kent en daar
den weg weet.”
De heer Rechtmans wendde opeens het gelaat belangstellend
naar den spreker.
„Werkelijk ?” vroeg hij.
Na dit enkele woord verzonk hij in gepeins. Het scheen
wel alsof de opmerking van Brom hem stof tot nadenken
gegeven had.
Lang nadat de gast vertrokken was, zat Mr. Rechtmans
stil in gedachten verzonken in zijn gemakkelijken stoel.
Mevrouw richtte meermalen het woord tot hem, doch hij
verzocht haar met een handbeweging hem niet te storen
en ze verliet eindelijk hoofdschuddend de kamer.
„Ik begrijp er niets van,” mompelde mevrouw, terwijl
ze de trap naar haar kamer opsteeg, „doch er ligt een uitdrukking
op Justus gelaat, die mij doet denken aan den kerel
die hier vanmiddag gegeten heeft.”
Weinig vermoedde de arme vrouw hoe dicht haar opmerking
bij de waarheid was.
Een week ging voorbij en gedurende dien tijd werd Mr.
Rechtmans hoe langer hoe meer afgetrokken. Als hij een
oogenblik vrij had. bezocht hij twéede-hands-ijzerwinkels
en kocht daar verdacht uitziende werktuigen, voorwerpen
die men allerminst gewoon is aan te treffen bij een deftig
heer als Mr. Rechtmans, Officier van Justitie.
Al deze voorwerpen werden door hem zorgvuldig opgeborgen
in zijn studeerkamer, en op een nacht, toen alle
huisgenooten in diepe rust waren, verliet Mr. Rechtmans
heimelijk zijn woning, in de hand een city-bag dragende.
„Dit is pas leven — emotievol leven,” zei hij tot zichzelf.
„Wie zou nu in een duffe rechtzaal willen zitten en vonnissen
uitspreken als zulke avonturen binnen je bereik liggen ?”
Het is pijnlijk het te moeten bekennen, maar de waarheid
— de vreeselijke, ontstellende waarheid — was : dat de edelg'estrenge
heer Mr. Justus Rechtmans, Officier van Justitie
bij de Haagsche Rechtbank, op weg was naar het Bezuidenhout,
om daar bij zijn vriend, Frits Verhagens, Majoor
bij den Generalen Staf en bekend als een zeer gefortuneerd
man, te gaan inbreken.
Hoe kwam deze eerzame, algemeen geachte man tot dezen
misdadigen stap ? Wat had hem, juist hem, gebracht
op dezen afschuwelijken doolweg ?
Het was het bloed van den ziekenhuis-patiënt, dat
HET OUDH EIDKUNDIG MUSEUM ,,DE WAAG”
TE D EVENTER.
Een kijkje in het Museum. De brandspuit van Jan v. d. Heyden.
bruiste in de aderen van den rechter. Deze patiënt was een
boef van professie en de „ongezegelde overdracht” van
dit levensfluïde in het lichaam van den handhaver van
het Recht had ontwijfelbaar deze noodlottige verandering
ten gevolge gehad.
Vreemd genoeg leek hem het avontuur niet in het minst
ongerijmd; hij haakte veeleer naar een succesvolle beëindiging.
Het verschrikkelijke, onlogische van zijn handeling
|