|
PANORAMA 402
De Motorboot
als vervoermiddel voor zieken en
gewonden in oorlogstijd
et is naar aanleiding van het bijzonder belangwekkend
werkje: „De Motorboot als Vervoermiddel
van den Militair Geneeskundigen Dienst” door
dr. W. Teupken, dat wij onzen lezers het een en
ander willen vertellen over deze wijze van ziekenen
gewondentransport. De bij dit artikel gereproduceerde
foto’s werden ons welwillend door
dr. Teupken ter beschikking gesteld, die vóór alles met
zijn studie beoogt, het wakker schudden der militaire
autoriteiten, die dezen tak van dienst al te lang verwaarloosden.
Terecht beklaagt de schrijver
er zich over, dat in deze richting
nog weinig door den M.G.D.
is gedaan, zoodat bijna al ons
zieken- en gewondenvervoer in
tijd van oorlog langs de wegen
moet geschieden, waartoe ons
polderland zich gansch niet
leent. Erger, vele van onze
polderwegen zullen bij het in
werking stellen onzer inundaties
geheel onbruikbaar worden en
wat moet er dan van ons gewondentransport
worden, wanneer
dit in tijd van vrede niet
behoorlijk is geregeld?
Dit boekje voorziet dan ook
in alle opzichten in een leemte,
en we mogen verwachten, dat
na lezing, de militaire autoriteiten
de handen aan de ploeg
zullen slaan om hierin verandering
te brengen. Het werkje
zelf geeft vingerwijzing genoeg.
Want dat blijkt wel uit het le
hoofdstuk, dat dit transport te
water grondig voorbereid moet
zijn, wil men er geen fiasco
mee slaan. Men moet door en
door thuis zijn op onze waterwegen,
wil men succes van deze wijze van voortbewegen
hebben.
Een voorbeeld. „Bij een transport van troepen of gewonden
per schip heeft men er nauwkeurig op acht gegeven,
dat men een sluis moet passeeren. Men heeft op de afmetingen
van het kleine poldersluisje goed gelet en zijn
schip in overeenstemming gekozen. Maar ter plaatse
aangekomen, merkt men, dat boven over de sluis dwarsbalken
zijn aangebracht, wat hier en daar in slappen
grond gebeuren moet, teneinde te voorkomen, dat de
zijwanden der sluis meegeven en instorten. Door deze
dwarsbalken boven de sluis wordt aan de hoogte van het
schip een limiet gesteld, die kleiner is, naarmate de
waterstand in het bovenpand hooger is. Onverwacht kan
zich dus het geval voordoen, dat het schip te hoog is
voor de sluis, zoodat het niet kan passeeren. en nu moge
men door het innemen van ballast misschien in de gelegenheid
zijn het schip dieper te laten zakken, in ieder
geval zal een oponthoud ontstaan zijn, dat noodlottig
kan worden.”
In het broekje zijn meer voorbeelden aangehaald,
waaruit blijkt, dat een grondige kennis van onze waterwegen
in het polderland noodzakelijk is.
Reeds 5}/2 jaar geleden schreef de officier van Gezondheid
P. C. Mensonides, dat het toch zoo gewenscht was
partij te trekken van onze waterwegen voor het vervoer
van zieken en gekwetsten. Wij moeten niet steeds bij den
buitenlander in de leer gaan, verkondigde hij, maai nagaan
wat ons op eigen bodem van nut kan zijn. Ook het personeel
moest niet alleen thuis zijn op de hei, doch ook op het
water. De officieren van gezondheid behoorden het voorbeeld
te geven en zich een juist denkbeeld van ons polderland
eigen gemaakt hebben.
En wat is het resultaat? Dat er in deze richting zoo
goed als niets is voorbereid. Nu ja, er zijn een paar
oefeningen door transportcolonnes van het Roode-Kruis
in het polderland gehouden, maar dat is dan ook alles.
Geen aanschaffing van materieel, geen opleiding van personeel
in deze richting, geen kennismaking met, laat staan
grondige kennis van onze waterwegen in het polderland
door de officieren van gezondheid.
Gelukkig, dat een niet militair de militaire deskundigen
flink wakker geschud heeft, want waarlijk dat boekje mag
er zijn. Te oordeelen naar de wijze, waarop dit werkje
is geschreven, zal de schrijver met zijn verbeteringen niet
aan doovemans deuren kloppen. Het is geen hol geschetter,
Een glijboot met luchtschroef (systeem Charles Roux). Deze boot, die voor het Fransche leger bestemd is, is 8 M.
lang, 2.75 M. breed, bezit een motor van 50 P.K. en kan een snelheid bereiken van 25 K.M. per uur.
maar een gedocumenteerd betoog en voor zulk een studie
is onze Generale Staf wel toegankelijk.
Een bijzonder interessant hoofdstuk is de invloed der
inundaties op onze verkeerswegen. Daaruit blijkt zonneklaar,
dat wij op deze wegen in oorlogstijd niet te veel
moeten rekenen, want dat de meeste óf onder water zullen
staan óf .wel voor het verkeer van voertuigen zoo goed
als ongeschikt zullen wezen. Zelfs op de spoorwegen moet
men niet te veel rekenen zegt de schrijver. „In volkomen
normale omstandigheden, soms zelfs zonder dat er
eenig verkeer plaats heeft, zakt hier of daar een stuk
spoorlijn ineen en doet het land in de omgeving rijzen.
De kleine, lichte dijk voor de Hollandsche Electrische
spoorweg van den Haag naar Rotterdam verzakte ettelijke
malen en de spoorlijn tusschen Gouda en Schoonhoven
heeft de ingenieurs 20 jaar tot wanhoop gebracht, door
voortdurend in den grond te verdwijnen .... zonder dat
er één trein over reed”.
Dit betoog is zeer juist en daarom moeten wij. of wij
willen of niet de oplossing van het vraagstuk op het
water zoeken. En waarom ook niet? De waterwegen worden
door het opzetten van het water dieper, dus beter bevaarbaar.
En waar kan een gewonde zich beter bevinden
dan op het water, dat niet stoot, maar hem in tegendeel
zonder schokken op den rug draagt. De gekwetste zal
veel minder vaak van het eene vervoermiddel in het andere
gedragen behoeven te worden, want haast alle steden en
groote dorpen liggen aan waterwegen.
De gekwetste is veel veiliger in een schip tusschen de
dijken en het riet dan in een voertuig op de polderwegen,
die meestal het hoogste punt van de omgeving vormen.
Botsingen tusschen twee transporten zijn uitgesloten.
Daarbij blijven dan de wegen beschikbaar voor het
vervoer van valide militairen, die zoo noodig met snelverkeer
getransporteerd kunnen worden. Hoe minder over
die wegen gereden wordt, hoe meer kans er bestaat, dat
ze intact blijven.
Welke schepen moeten wij nu voor dit zieken- en gewondentransport
gebruiken? Voor de ruime en breede
kanalen zijn de motorvrachtschepen het meest geschikt.
Ze ontwikkelen voldoende snelheid, hebben genoeg laadruimte,
weinig diepgang en kunnen gemakkelijk gereinigd
worden, daar men ze van ijzer vervaardigd heeft. Zij
komen in ons land in grooten getale y°°r en zijn niet
kieskeurig op hun brandstof. Voor de kleinere wateren
zijn pramen, sloepen en roeibooten noodig, doch dan
voorzien van z.g. buitenboordmotoren.
Daarmee wordt veel
ruimte uitgespaard. Zoo’n geladen
sloep, waarin zeker twee
liggende en drie zittende gewonden
vervoerd kunnen worden,
loopt toch nog 9 K.M. per
uur, terwijl de diepgang niet
meer is dan 25 cM.
Een heele mooie uitvinding
zijn de glijbooten met luchtschroeven,
die wij in ons land
helaas nog niet aantreffen en
die hier juist op hun plaats
zouden zijn.
Daarbij wordt de diepgang,
door den bouw der booten
en de werking der luchtschroeven
tot een minimum gereduceerd.
De schrijver komt dan
ook tot de conclusie, dat we
dergelijke glijbooten dringend
noodig hebben, die als ’t ware
voor ons land gemaakt schijnen
te zijn.
Vervolgens wijdt de schrijver
een hoofdstuk aan de inrichting
van het schip en de techniek
van het inladen. Plaatsgebrek
noodzaakt ons helaas naar het
interessante werkje zelf te verwijzen
voor wat dit hoofdstuk betreft. In den breede
bespreekt Dr. Teupken ook onze waterwegen in het
polderland, waarbij hij tot de gevolgtrekking komt, dat ze
over het algemeen aan hun bestemming beantwoorden.
Jammer alleen, dat de Rijn van Utrecht naar Leiden
beoosten Woerden een vuil, verwaarloosd watertje wordt.
Als dat eens een 'flink vaarwater was, van welk een
enorm belang zou dit voor de landsverdediging zijn. Een
vaarwater, dat in rechte lijn van Utrecht naar het hart
des lands voert. Want wij hebben geen enkelen goeden,
korten verbindingsweg tusschen Oost en West, tenzij
over Amsterdam of Rotterdam.
Wordt het dan geen tijd, dat de Rijn beoosten Woerden
verbreed en uitgediept wordt?
Veel zouden wij nog uit het werkje willen aanhalen, maar
waar moeten wij eindigen ? Alleen dit nog, dat de oprichting
van een vrijwillig Militair Motorbootcorps urgent is.* In
alle omliggende Rijken is een dergelijk corps tot stand
gekomen en in den tegenwoordigen oorlog ziet men de
Duitsche motorjachten overal aan den strijd deelnemen.
Wel staan onze jachten in bruikbaarheid vèr achter
bij de gewone motorvrachtbooten, wanneer het ’t vervoer
betreft van troepen of gewonden, maar zij zijn bij uitstek
geschikt om reeds in vredestijd ten dienste van het leger
te worden gesteld om onzen officieren gelegenheid te
geven ons polderland door en door te leeren kennen.
*) Waartoe intusschen na de oefeningen door de Zeil-, Roei- en Motorbootvereeniging
„De Kaag” te Leiden onder goedkeuring van de Militaire
Autoriteiten reeds enkele stappen gedaan zijn.
Gewonden en zieken worden in een motorboot vervoerd. (Oefeningen van het Nederlandsche leger).
|