|
Vlaggendag in Rome.
Ie werkzaam- Ten bate van het Italiaansche Roode-Kruis werden er de vorige week door de padvindsters
>ek stelde hij (• in Rome en ook in andere groote plaatsen driekleurige vlaggetjes verkocht. Op onze
worden. I foto ziet men een officier, die het „slachtoffer" van eenige verkoopsters is.
•RAVEN
= DUITSCHE KANONNEN
AFSTAND VAN ±S K.M.
DUITSCHE LOOPGRAVEN
X ✓ \ \
DUITSCHE VELDARTILLERIE xx
\VERDEKT IN DE BOSSCHEN OPGESTELD,'
j in Polen, gefotografeerd vanuit een Russische loopgraaf.
opgraven boven de loopgraaf uifslak. Zoodoende verkreeg hij bovenslaand, uiterst interessant panorama. Uit de Duitsche
Duitsch- loopgraven werden er wel enkele geweerschoten gelost, doch gelukkig zonder het toestel te treffen. De stellingen
rste loop- van de Duitschers en Oostenrijkers hebben wij op de
was. Hij foto zelve aangegeven. H.et minder scherpe gedeelte voor-
3odat dit aan op de foto is natuurlijk de borstwering van de
chts even Russische loopgraaf, waaruit de foto genomen werd.
end weer.
ras helder
en Annie
n zoolang
1,” zeide
plas kwatn
stroom
iie onge-
; tot Lies,
j slierten
i zakken,
angstigen
riet dreef.
htZik zal
jm buiten
mning te
* liet het
sn we alt,
die zoo
1
vast in het riet zat, dat er geen verwikken of verwegen aan
was. Het eenige was. wachten totdat er iets langs zou komen.
En dus wachtten ze, een kwartier, een half uur, een uur
„Ik geloof dat we gedoemd zullen zijn, hier te overnacht
ten”, zuchtte Lies, „ellendig, ik ... .
„Ik zie een zeil,” viel Jo haar juichend in de rede, „kijk
achter het riet, vlakbij ; hallo...........”
„Hallo,” antwoordde een stem en om den hoek kwam
een zeilboot aan, waaruit twee nieuwsgierige jongensgezichI
ten omhoogkeken.
„Wel dames, wat mankeert er aan ?” vroeg een van de
twee, zich uit zijn luie houding oprichtend.
„We zitten hier al een paar uur vast en onze riem is
verloren,” riepen ze door elkaar, zoodat de twee eindelijk
begrepen, dat ze al een tijd in het riet vastzaten, dat ze
op Dennenoord logeerden en dat ze zich vreeselijk verveelden.
„Zoo, zoo, wat ’n misère allemaal,” zeide de oudste
van de twee, een slanke jongen met een ondeugend gezicht
sn tintelende bruine oogen en na even met zijn vriend
gefluisterd te hebben : „Nu dames, dan zit er niets anders
• op, dan dat we u op sleeptouw nemen, maar laat ik me
I serst even voorstellen, mijn naam is Van’ der Heide en
L rtijn vriend heet Bruinsma, .... en .... wat zoudt u
sr van vinden als u hier in de boot kwam, dat is wel zoo
[ezellig.”
Ja, dat vonden ze dan ook goed en met behulp
397
van de galante jongelui stapten ze in de zeilboot over.
„Maar hebt u nu zoo’n haast om terug te komen, vindt
u het niet aardiger om eerst eens wat rond te zeilen?” stelde
de oudste weer voor.
„Maar we moeten koffiedrinken,” zeide Jo benepen,
die het toch wat te gek vond om maar dadelijk met die
vreemde jongens mee te gaan.
„Ach wat kind, we hebben den tijd,” riep Lies, die genoot
van dat onverwachte avontuur.
„En u kunt bij ons ook koffiedrinken, we kunnen u
zelfs een heele warme lunch voorzetten,” en ze lieten de
meisjes hun keukeninrichting zien.
„Kijk, potten, pannen, een kachel, een ketel, alles is
aanwezig, als u ons alleen bij dat gewichtige werk zoudt
willen helpen, want bij ons zijn de resultaten van de kookproeven
niet altijd even schitterend.”
„Ja maar, ik ken niets van koken,” riep Lies.
„Ach, dan probeer je maar zoowat,” lachte Annie, die
meer en meer pleizier in het geval begon te krijgen.
Ze gingen dus aan den gang en na een uur koken en
braden en bakken werd er een watme lunch opgedischt, die
volgens het zeggen van de jongens „verrukkelijk” was.
Eindelijk besloten ze toch maar eens naar huis te gaan.
Mies en Jo waren vol vuur voor het overhalen van de zeilen,
en Annie zat achter in de boot bij het roer dat Van der
Heide vasthield. Ze vertelde hem van haar studie in Leiden,
van haar plannen voor de toekomst en telkens weer moest
ze opnieuw (kijken naar die bruine oogen, die haar met zoo’n
sympathiek glanzen aanzagen. Ze vond het ’n aardige
jongen, veel aardiger dan de jongelui, waarmede ze gewoonlijk
omging; hij was zoo heel anders dan het gros . . .
Omhalf zes kwamen ze in Boschloo aan. Ze namen afscheid
met belofte van gauw terug te komen en dan weer uit
te gaan en toen spoedden de drie meisjes zich haastig
naar huis om zich voor het eten te kleeden en een
oogenblik later gingen ze de eetzaal binnen.
De bedreigde streek.
Misurina, prachtig gelegen in de Dolomieten, zal den Italianen misschien niet zoo gemakkelijk
in hanaen vallen. In deze idyllische streek hebben de Oostenrijkers de laatste
jaren geduchte vestingwerken aangelegd, wat wel bewijst dat zij van hun toenmaligen
bondgenoot al sedert lang niet veel goeds verwachtten.
PANORAMA
„Hé, wat gek, daar zitten die jongelui van vanmiddag,”
zeide Lies verbaasd wijzend naar het einde van de tafel,
waar met vroolijke gezichten, hun nieuwe vrienden zaten.
„Dat zijn mijnheer van den Heuvel en mijnheer Donker,”
zeide juffrouw Marie, „maar kent u die al ?”
„Ja juffrouw, we hebben elkaar al eens ontmoet,” zeide
van den Heuvel en zich tot de meisjes wendend : „Dames,
ik hoop, dat u niet al te boos zult zijn, dat we er u zoo
hebben .laten inloopen, maar daar we incognito reisden,
konden we toch moeilijk onze namen zeggen, wat niet wegneemt,
dat we hopen, dat we nog dikwijls van uw gezelschap
mogen profiteeren, als Donker en van den Heuvel dan.”
„Neen maar, wat toevallig.” zeide Jo.
„Leuk dat u hier logeert,” riep Lies.
Alleen Annie ging stil zitten. Ze had het land,o, ze had
zoo het land. Dat die jongen nu Van den Heuvel moest
zijn. Natuurlijk had hij weer geprobeerd om ook met haar
te spelen, zooals hij met alle meisjes speelde, maar zij zou
er niet inloopen. En sinds dat oogenblik meed ze zijn gezelschap
en bleef met voorgewende hoofdpijn thuis als
de anderen uitgingen, zonder zich te storen aan hun aandringen
om toch mee te gaan.
„Het begint me hier ontzettend te vervelen,” zeide Ben
op een middag tot zijn vriend, „ik denk er over morgen
maar weg te gaan.”
„Wat? Verveelt het je nu al,” riep Karei, „en den eersten
avond was je zoo opgetogen over dien bof van bij zooveel
aardige meisjes te zijn aangeland. Zeg, waf beteekent dat
of... . zit er soms wat anders achter,.........die Annie
valt niet mee, hé . .. .”
„Ach, duivel op,” bromde Ben en liep den tuin in.
Verdraaid nog aan toe, wat mankeerde hij, omdat dat nest
nu niet zoo toeschietelijk was. Pf, wat maalde hij er om,
Een van de zware Oostenrijksche stukken, waarmede de verbonden
troepen de laatste weken enorme hoeveelheden projectielen
in de Russische stellingen hebben geworpen.
aardige meisjes genoeg in de wereld, vooral voor hem.
Onzin, dat hij zich door zoo’n kind het hoofd op hol liet
brengen. Hij schrikte op uit zijn gemijmer door een meisjesfiguur,
die nader kwam. Met een kloppend hart bleef hij
staan. Dat was ze. Nu of nooit, dacht hij, maar die spanning
moet uit zijn, ën op haar toetredend zeide hij ernstig:
„Waarom bent u zoo stug tegen me, juffrouw?”
Ze haalde haar schouders op.
„Maar daar moet u toch een reden voor hebben,” hield
hij vol en zijn hand op haar arm leggend : „Wil ik u eens
zeggen, waarom u zoo stug tegen me bent?”
„Waarom dan,” murmelde ze.
„Omdat u wel weet, dat ik een flirt ben, die alle meisjes
het hoofd op hol brengt, en daarom wilt u het niet gelooven,
als ik het echt meen.”
„Gelooft u me, als ik zeg, dat ik met u niet geflirt heb,
met u geen gekheid heb gemaakt ?” drong hij aan.
„Ach, misschien wel,” fluisterde ze.
„Geloof je het dus als ik je zeg, dat ik van het eerste
oogenblik van je gehouden heb, zooals je maar ééns in
je leven van een vrouw houdt, zooals je alleen van haar
houdt, die je tot je vrouw wilt maken ?”
„O Ben,” zeide ze met een door tranen verstikte stem,
„ik heb ook zoo van je gehouden, dadelijk al, maar ik,
ik dacht . . ..”
„Ja schat, ik weet het, ik weet het,” zei hij en zijn arm
om haar heen slaand, drukte hij haar innig tegen zich aan.
En dien avond waren er in het hotel Dennenoord twee
gelukkigen, die samen een lief geheim hadden.
|