Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1666 tot 1670 van 11897
Nummer
1915, nr.50, 21 juni. 1915
Blad
11
Tekst
395 PANORAMA GEÏLLUSTREERD OORLOGSNIEUWS GENERAAL CADORNA, die benoemd is tot opperbevelhebber van het Italiaansche leger dat tegen Oostenrijk opereert, werd in 1850 geboren. Sinds 1911 is hij Chef van den generalen !staf. IN HET ITALIAANSCH-OOSTENRIJKSCHE GRENSGEBIED. De oorlog tusschen Oostenrijk en Italië is in sommige streken ook wederom een loopgravenoorlog geworden, al zijn daar natuurlijk nog niet de holwoningen in gebruik, zooals men die aan het westelijke front kent. Op onze foto ziet men de Italiaansche soldaten achter hun aarden muur wachtend op de komst van den vijand. VAN HUN POST TERUG. Vorst von Bülow (links op de foto) en graaf Pourtalès. de gezanten van het Duitsche rijk resp. in Rome en te St.-Petersburg, op een wandeling in Berlijn. Oorlogs-Kroniek. 28 April. Het Noorsche stoomschip „Capivri” loopt bij de Westkust van Schotland op een mijn. De „Elfride”, een Duitsch handelsvaartuig, wordt door een Austrahschen kruiser genomen. 29 April. In Vlaanderen zetten de Geallieerden hun aanvallen voort. Fransche aviateurs werpen bommen op Bollwiller, Chambly en Friedrichshafen. In België worden vier Duitsche vliegmachines tot dalen gedwongen. —InNoordFolen wordt weder gevochten. 30 April. Duinkerken wordt met zwaar geschut gebombardeerd. De Franschen maken vorderingen bij Steenstraete. In Reims vallen circa 500 granaten. Zeebrugge wordt vanuit zee beschoten. Een Zeppelin werpt bommen in het Engelsche graafschap Suffolk. — De actie tegen de Dardanellen wordt voortgezet. Aan de beschieting neemt vooral de ,,Queen Elizabeth” deel. Smyrna wordt beschoten. — Een Britsche kruiser neemt het Duitsche stoomschip „Macedonië”. 1 Mei. Op de Noordzee heeft een gevecht plaats tusschen een Engelsche en een Duitsche torpedo-flottilje. Een Engelsche torpedojager door een Duitsche onderzeeër in den grond geboord; twee Duitsche torpedobooten vernield. — Aan het Oostelijke front zijn de Duitschers genaderd tot in de streek ten Zuid-Westen van Mitair. — De Australische onderzeeër A. E. 5 in den grond geboord in de Dardanellen. — Het Russische stoomschip „Svorono”, de Engelsche boot „Edole”, de Fransche stoomboot „Elliope”, en eenige trawlers getorpedeerd; de bemanning is gered. Het Amerikaansche schip „Gulflight” getorpedeerd; het zonk echter niet. Eenige der opvarenden komen om ’t leven. 2 Mei. Op het Westelijke front is de toestand onveranderd. Aan het Oostelijke front breken de DuitschOostenrijksche troepen het Russische front door in West Galicië. — Twee Engelsche trawlers getorpedeerd. 3 Mei. Op het Westelijk en Oostelijk oorlogsterrein is de toestand ongewijzigd. Tusschen Duitsche luchtschepen WAT ER VAN EEN DORP OVER IS. Hoe een geheele plaats door het moderne geschut totaal vernield wordt, blijkt voldoende uit bovenstaande foto, die een gedeelte geeft van het plaatsje Clermont in de Argonnen, dat midden in de vuurlinie heeft gelegen. Als door een wonder bleef er hier en daar nog een huis overeind. Verder is alles in puin geschoten. en Engelsche duikbooten heeft een gevecht plaats. Een der laatste zou tot zinken zijn gebracht. Vier Noorsche stoomschepen, een Engelsche trawler en het Engelsche stoomschip „Minterne” getorpedeerd. De bemanning gered. De Zweedsche schoener' „Elsa” door de ,,U 39” in brand geschoten. De bemanning gered. 4 Mei. De Duitschers veroveren Zonnebeeke nabij Yperen. — De Russen veroveren Choi en Dilima in Perzië op de Turken. — Het stoomschip „Candidate” in de Iersche zee getorpedeerd. De bemanning gered. 5 Mei. Acht Engelsche trawlers op de Noordzee vernield. Een Zweedsch stoomschip in de Fehmarn-Belt geramd door een Duitsch oorlogsschip. — Garibaldifeesten te Quarto. 6 Mei. De toestand op ’t Westelijke front is onveranderd. — In West-Galicië drijven de Duitschers de Russen op sommige plaatsen terug tot aan of over de Wisloka. Tarnow aan de Biala door de Duitschers en Oostenrijkers genomen. — Twee trawlers en het Deensche stoomschip „Cathay” en de Earl of Latham getorpedeerd. Bemanning gered. — Japan zendt China een ultimatum en eischt binnen tweemaal 24 uur antwoord. 7 Mei. De „Lusitania” van de CunardLijn aan de Zuidkust van Ierland getorpedeerd en gezonken. Van de 2160 opvarenden worden er ongeveer 600 gered. Het stoomschip „Centurion” in de Iersche zee getorpedeerd. De bemanning gered. Het Engelsche stoomschip „Don” ter hoogte van Northunderland getorpedeerd. 8 Mei. De Duitschers bezetten Libau. — Een Engelsche torpedojager voor Zeebrugge in den grond geboord. HET SUCCES DER OOST E N R IJ K E R S IN GALICIË. Het succes, dat de Oostenrijkers in Galicië behaald hebben, moet ongetwijfeld voor een groot gedeelte worden toegeschreven aan de enorme hoeveelheid projectielen, die zij hebben verschoten, en waarbij er zijn, die reusachtige afmetingen hebben. Op onze foto ziet men een paar ladingen voor een 38.5 c.M mortier, waarvan de uitwerking wel verschrikkelijk moet zijn. DE GEHEIMZINNIGE BRANDEN IN ENGELAND. In den laatsten tijd zijn er in Engeland in verschillende groote inrichtingen branden uitgebroken, waarvan de oorzaak zelfs bij benadering niet valt op te sporen. Zoo ook o.a. in de Royalmotorenfabriek. Er waren juist een 300 motoren voor het leger gereed gekomen, waaronder een 100-tal auto-ambulances, die alle door het hevige vuur, dat 24 uur woedde, vernield werden.
PDF
Nummer
1915, nr.50, 21 juni. 1915
Blad
12
Tekst
PANORAMA 396 Een Zeiltocht 1 sedert twee weken waren Ben van den Heuvel en zijn vriend Karei Donker met hun zeilboot aan het kruisen. Ongelukkigerwijze hadden ze echter meer pech gehad dan voorspoed. Den tweeden dag al had hun boot vier uren op een zandbank vastgezeten, waar ze door een voorbijgaande schuit met groote moeite waren afgehaald, den derden dag had een landlooper al hun proviand gestolen en sedert een week deed het nu niets dan regenen. ,,Ik verveel me,” zuchtte Ben eri rekte zich gapend uit. „Zeg kerel, weet jij niets anders, ik heb zin in iets dols, een meisje schaken of zoo.” „Ga je gang,” bromde Karet, „als ik maar niet met een van die schoonen hier op den loop hoef.” „Nee, ’t is hier niet veel zaaks, is me dat ’n land, geen hotel om je maag en je slaap weer eens behoorlijk te regelen, geen enkel lief meisje.” „Maar dat kan geen kwaad voor jou,” meende Karei, „het is niet noodig, dat je je reputatie nog slechter maakt dan ze al is.” — Ja, daar kon Ben niet veel op antwoorden. Zijn reputatie was slecht. Had hij dien winter op een bal in een onbewaakt oogenblik niet twee meisjes tegelijk gevraagd; zoodat hij
PDF
Nummer
1915, nr.50, 21 juni. 1915
Blad
13
Tekst
Vlaggendag in Rome. Ie werkzaam- Ten bate van het Italiaansche Roode-Kruis werden er de vorige week door de padvindsters >ek stelde hij (• in Rome en ook in andere groote plaatsen driekleurige vlaggetjes verkocht. Op onze worden. I foto ziet men een officier, die het „slachtoffer" van eenige verkoopsters is. •RAVEN = DUITSCHE KANONNEN AFSTAND VAN ±S K.M. DUITSCHE LOOPGRAVEN X ✓ \ \ DUITSCHE VELDARTILLERIE xx \VERDEKT IN DE BOSSCHEN OPGESTELD,' j in Polen, gefotografeerd vanuit een Russische loopgraaf. opgraven boven de loopgraaf uifslak. Zoodoende verkreeg hij bovenslaand, uiterst interessant panorama. Uit de Duitsche Duitsch- loopgraven werden er wel enkele geweerschoten gelost, doch gelukkig zonder het toestel te treffen. De stellingen rste loop- van de Duitschers en Oostenrijkers hebben wij op de was. Hij foto zelve aangegeven. H.et minder scherpe gedeelte voor- 3odat dit aan op de foto is natuurlijk de borstwering van de chts even Russische loopgraaf, waaruit de foto genomen werd. end weer. ras helder en Annie n zoolang 1,” zeide plas kwatn stroom iie onge- ; tot Lies, j slierten i zakken, angstigen riet dreef. htZik zal jm buiten mning te * liet het sn we alt, die zoo 1 vast in het riet zat, dat er geen verwikken of verwegen aan was. Het eenige was. wachten totdat er iets langs zou komen. En dus wachtten ze, een kwartier, een half uur, een uur „Ik geloof dat we gedoemd zullen zijn, hier te overnacht ten”, zuchtte Lies, „ellendig, ik ... . „Ik zie een zeil,” viel Jo haar juichend in de rede, „kijk achter het riet, vlakbij ; hallo...........” „Hallo,” antwoordde een stem en om den hoek kwam een zeilboot aan, waaruit twee nieuwsgierige jongensgezichI ten omhoogkeken. „Wel dames, wat mankeert er aan ?” vroeg een van de twee, zich uit zijn luie houding oprichtend. „We zitten hier al een paar uur vast en onze riem is verloren,” riepen ze door elkaar, zoodat de twee eindelijk begrepen, dat ze al een tijd in het riet vastzaten, dat ze op Dennenoord logeerden en dat ze zich vreeselijk verveelden. „Zoo, zoo, wat ’n misère allemaal,” zeide de oudste van de twee, een slanke jongen met een ondeugend gezicht sn tintelende bruine oogen en na even met zijn vriend gefluisterd te hebben : „Nu dames, dan zit er niets anders • op, dan dat we u op sleeptouw nemen, maar laat ik me I serst even voorstellen, mijn naam is Van’ der Heide en L rtijn vriend heet Bruinsma, .... en .... wat zoudt u sr van vinden als u hier in de boot kwam, dat is wel zoo [ezellig.” Ja, dat vonden ze dan ook goed en met behulp 397 van de galante jongelui stapten ze in de zeilboot over. „Maar hebt u nu zoo’n haast om terug te komen, vindt u het niet aardiger om eerst eens wat rond te zeilen?” stelde de oudste weer voor. „Maar we moeten koffiedrinken,” zeide Jo benepen, die het toch wat te gek vond om maar dadelijk met die vreemde jongens mee te gaan. „Ach wat kind, we hebben den tijd,” riep Lies, die genoot van dat onverwachte avontuur. „En u kunt bij ons ook koffiedrinken, we kunnen u zelfs een heele warme lunch voorzetten,” en ze lieten de meisjes hun keukeninrichting zien. „Kijk, potten, pannen, een kachel, een ketel, alles is aanwezig, als u ons alleen bij dat gewichtige werk zoudt willen helpen, want bij ons zijn de resultaten van de kookproeven niet altijd even schitterend.” „Ja maar, ik ken niets van koken,” riep Lies. „Ach, dan probeer je maar zoowat,” lachte Annie, die meer en meer pleizier in het geval begon te krijgen. Ze gingen dus aan den gang en na een uur koken en braden en bakken werd er een watme lunch opgedischt, die volgens het zeggen van de jongens „verrukkelijk” was. Eindelijk besloten ze toch maar eens naar huis te gaan. Mies en Jo waren vol vuur voor het overhalen van de zeilen, en Annie zat achter in de boot bij het roer dat Van der Heide vasthield. Ze vertelde hem van haar studie in Leiden, van haar plannen voor de toekomst en telkens weer moest ze opnieuw (kijken naar die bruine oogen, die haar met zoo’n sympathiek glanzen aanzagen. Ze vond het ’n aardige jongen, veel aardiger dan de jongelui, waarmede ze gewoonlijk omging; hij was zoo heel anders dan het gros . . . Omhalf zes kwamen ze in Boschloo aan. Ze namen afscheid met belofte van gauw terug te komen en dan weer uit te gaan en toen spoedden de drie meisjes zich haastig naar huis om zich voor het eten te kleeden en een oogenblik later gingen ze de eetzaal binnen. De bedreigde streek. Misurina, prachtig gelegen in de Dolomieten, zal den Italianen misschien niet zoo gemakkelijk in hanaen vallen. In deze idyllische streek hebben de Oostenrijkers de laatste jaren geduchte vestingwerken aangelegd, wat wel bewijst dat zij van hun toenmaligen bondgenoot al sedert lang niet veel goeds verwachtten. PANORAMA „Hé, wat gek, daar zitten die jongelui van vanmiddag,” zeide Lies verbaasd wijzend naar het einde van de tafel, waar met vroolijke gezichten, hun nieuwe vrienden zaten. „Dat zijn mijnheer van den Heuvel en mijnheer Donker,” zeide juffrouw Marie, „maar kent u die al ?” „Ja juffrouw, we hebben elkaar al eens ontmoet,” zeide van den Heuvel en zich tot de meisjes wendend : „Dames, ik hoop, dat u niet al te boos zult zijn, dat we er u zoo hebben .laten inloopen, maar daar we incognito reisden, konden we toch moeilijk onze namen zeggen, wat niet wegneemt, dat we hopen, dat we nog dikwijls van uw gezelschap mogen profiteeren, als Donker en van den Heuvel dan.” „Neen maar, wat toevallig.” zeide Jo. „Leuk dat u hier logeert,” riep Lies. Alleen Annie ging stil zitten. Ze had het land,o, ze had zoo het land. Dat die jongen nu Van den Heuvel moest zijn. Natuurlijk had hij weer geprobeerd om ook met haar te spelen, zooals hij met alle meisjes speelde, maar zij zou er niet inloopen. En sinds dat oogenblik meed ze zijn gezelschap en bleef met voorgewende hoofdpijn thuis als de anderen uitgingen, zonder zich te storen aan hun aandringen om toch mee te gaan. „Het begint me hier ontzettend te vervelen,” zeide Ben op een middag tot zijn vriend, „ik denk er over morgen maar weg te gaan.” „Wat? Verveelt het je nu al,” riep Karei, „en den eersten avond was je zoo opgetogen over dien bof van bij zooveel aardige meisjes te zijn aangeland. Zeg, waf beteekent dat of... . zit er soms wat anders achter,.........die Annie valt niet mee, hé . .. .” „Ach, duivel op,” bromde Ben en liep den tuin in. Verdraaid nog aan toe, wat mankeerde hij, omdat dat nest nu niet zoo toeschietelijk was. Pf, wat maalde hij er om, Een van de zware Oostenrijksche stukken, waarmede de verbonden troepen de laatste weken enorme hoeveelheden projectielen in de Russische stellingen hebben geworpen. aardige meisjes genoeg in de wereld, vooral voor hem. Onzin, dat hij zich door zoo’n kind het hoofd op hol liet brengen. Hij schrikte op uit zijn gemijmer door een meisjesfiguur, die nader kwam. Met een kloppend hart bleef hij staan. Dat was ze. Nu of nooit, dacht hij, maar die spanning moet uit zijn, ën op haar toetredend zeide hij ernstig: „Waarom bent u zoo stug tegen me, juffrouw?” Ze haalde haar schouders op. „Maar daar moet u toch een reden voor hebben,” hield hij vol en zijn hand op haar arm leggend : „Wil ik u eens zeggen, waarom u zoo stug tegen me bent?” „Waarom dan,” murmelde ze. „Omdat u wel weet, dat ik een flirt ben, die alle meisjes het hoofd op hol brengt, en daarom wilt u het niet gelooven, als ik het echt meen.” „Gelooft u me, als ik zeg, dat ik met u niet geflirt heb, met u geen gekheid heb gemaakt ?” drong hij aan. „Ach, misschien wel,” fluisterde ze. „Geloof je het dus als ik je zeg, dat ik van het eerste oogenblik van je gehouden heb, zooals je maar ééns in je leven van een vrouw houdt, zooals je alleen van haar houdt, die je tot je vrouw wilt maken ?” „O Ben,” zeide ze met een door tranen verstikte stem, „ik heb ook zoo van je gehouden, dadelijk al, maar ik, ik dacht . . ..” „Ja schat, ik weet het, ik weet het,” zei hij en zijn arm om haar heen slaand, drukte hij haar innig tegen zich aan. En dien avond waren er in het hotel Dennenoord twee gelukkigen, die samen een lief geheim hadden.
PDF
Nummer
1915, nr.50, 21 juni. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA 398 DE CATACOMBEN-STICHTING TE VALKENBURG CLl>. De vorige week hebben verschillende leden van de Gedeputeerde Staten van Limburg een bezoek gebracht aan de Catacomben-stichting te Valkenburg, waarvan wij hierboven een foto geven. Van links naar rechts: de heeren Croute, griffier der Staten; Jhr. Mr. van Aefferden; Gorten; Jhr. Mr. van Aefferden; Jhr. Mr. Ruys de Beerenbrouck, Commissaris der Koningin; Merkelbach; Everts en Verheggen. EEN GEOLOGISCHE EXCURSIE. Door het Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap werd er den 13en Juni een geologische excursie gehouden naar den Stichtschen heuvelrug. Op onze foto ziet men de deelnemers aan deze excursie verzameld aan den lunch in het hotel Oranjestein te Amerongen. De Man met de Wichelroede Vroolijke schets uit den mobilisatietijd door Cor Z, d de Keizer, bijgenaamd „Lebaudy”, was ' de grootste opsnijder van de compagnie en dat wil wat zeggen. Hij overblufte iedereen en was zelf nooit te overbluffen. Hoe tastbaar de leugens ook waren, hoe ongelooflijk de verhalen, Barend wist altijd het record te slaan. Dezer dagen kwam hij met een blauw oog in de cantine. ,,Kerel, wat zie jij er bekoorlijk uit!” riep er een. „Heeft je meissie je zoo stijf gezoend ?” vroeg een ander. Hij was een oogenblik het doelwit van allerlei spotternijen, die door hem met Stoïcijnsche kalmte verdragen werden. „Neen,” zei hij, toen hem eindelijk de gelegenheid werd gegeven, rekening en verantwoording te doen van de wijze waarop het hem gelukt was in het bezit te komen van een dergelijk embleem van strijdlust. „Neen, dat heeft de kastelein uit „De groote Slok” me cadeau gedaan. Toen ik voor de toonbank stond, sloeg hij met zijn vuist naar mijn hoofd en omdat ik niet gauw genoeg kon uitwijken, hield ik mijn linkeroog tegen zijn vuist om den slag op te vangen. „Hij is erg driftig uitgevallen die kastelein, en dadelijk beleedigd. Als hij maar het minste gevoel voor humor had, zou hij het grappige van mijn opmerking begrepen hebben. Ik zeg tegen ’m, terwijl ik naar een kraft met „klare” J) wees: „Wat zou er gebeuren, zeg ik,.als dat in m’n hoofd zat?” „Wel” zegt hij, met een wenk tegen de omstanders, „dan was je stomdronken en kreeg je van mij geen droppel meer.” „Mis, zeg ik, dan had ik een waterhoofd I” En toen gaf hij me een vuistslag. „Het is bespottelijk hoe gevoelig kasteleins en melkboeren zijn als je er op zinspeelt dat er zoo iets als water in de wereld is, en dan zijn er andere menschen, die beweren dat men niets anders moet drinken. Och, water wordt niet aangekeken, omdat het in ons land goedkoop is, maar ik ben op plaatsen in de wereld geweest, waar water heel schaarsch is, en ik heb voor een flesch water wel eens evenveel betaald, als ze hier voor een flesch champagne vragen.” „Daar had Gerrit Brand bij moeten wezen,” merkte Van Heusde, de bijkok op, „Die had geld „als water” kunnen verdienen.” „Wie? Die stokjes-muzikant?”* 2) vroeg Barend. „Een mooi lid om water te drinken.” „Dat zeg ik ook,” stemde Van Zanten de kamerwacht toe. „Geef ’m ’s morgens bij de reveille in plaats van ’n „neutje” 3) een glas water, dan zal je zien wat ’n vies gezicht hij zet.” „Hij zou er ’t hartwater van krijgen 1” „Hij heeft zoo de puist aan water, dat je hem er ’t water mee in zou jagen 1” „Maar wat raaskallen jullie toch van water drinken,” hernam de bijkok. „Ik had het over water vinden. Gerrit Brand kan water vinden. Hij loopt met een gevprkt stokje in de hand door ’t land en weet dan precies te vertellen waar men graven moet om water te vinden. Ik weet niet hoe hij dat klaarspeelt; ik heb het hem nooit zien doen. Hij moet echter zeker van zijn zaak zijn, anders zou hij de grootste onaangenaamheden krijgen.” „Wat zou dat ?” riep de Keizer uit, „dat kan ’k ook l” „Zoeken wel, maar vinden, da’s de kunst!” „Vinden ook, potdorie !” „Dat heeft hij in de Sahara geleerd, nietwaar, Lebaudy !” „Heeft hij daar naar water gezocht ?” spotten er eenigen. „Ik zou daarmeer succes hebben met naar water te zoeken. ]) Jenever. 2) Tamboer. 3) Een glas jenever dan dat ik in jullie leege kalfskoppen naar hersens zocht,” voer Barend uit, die op punt stond zich boos te maken. „Zeg, De Keizer, zonder gekheid,” begon nu Van Zanten weer, „kun jij werkelijk met de wichelroede overweg ?” „Wel natuurlijk,” antwoordde Barend. „Ik geur daar niet mee, omdat het een gave is. Mijn vader en grootvader konden het ook en ik heb het van hen geërfd.” „Hadden ze je maar liever een vaatje jenever nagelaten, dan kon je nou een rondje geven.” „Kun je begrijpen, dat had hij ailang soldaat gemaakt.” „Laat jullie, je niet in de luren leggen,” zei de bijkok. „De Keizer is weer aan ’t opsnijën met zijn familiegave. Hier,” ging hij voort en hij hield hem een ijzeren eetvork voor. „Toon jij nou je kunst eens en laat zien of er hier onder de cantine water zit.” „Zorg jij maar liever dat er in onze soep een stukje vleesch JONGE POEDELS. Een aardige hondengroep. Eigenaar de heer P. J. Stegman, Rotterdam. Zeven kleine Kroespoedels, geboren 26 April 1915. Ouders: de moeder bevindt zich bij de groep; de vader is meermalen bekroond. zit.” De Keizer was nu heusch woedend, wat altijd het geval was als er aan zijn waarheidsliefde getwijfeld werd. STANDBEELD VOOR WILLEM LODEWIJK, GRAAFVANNASSAU. In de groote kerk te Leeuwarden is onlangs een standbeeld geplaatst voorWillem Lodewijk Graaf van Nassau, stadhouder van Friesland en later, vanaf 1594, ook stadhouder van Groningen. Hij was een zoon van Jan den Ouden en verdedigde o.a. in 1583 Friesland tegen Verdugo. DE BUSTE VAN STUYVESANT DOOR TOON DUPUIS. In opdracht van de Nederl. regeering heeft de beeldhouwer Toon Dupuis een bronzen buste vervaardigd van Petrus Stuyvesant. die van 1646 tot 1664 directeur-generaal was van Nieuw-Nederland. Dit beeld wordt aan de stad New-York (Nieuw-Amsterdam) aangeboden ter gelegenheid van haar 300-jarig bestaan en zal in de St.-Marks Episcopal Church, waar Stuyvesant begraven ligt, worden geplaatst. Met speciale toestemming der Duitsche regeering werd het beeld tijdens den oorlog in België gegoten, (foto Vinkenbos & Deuwld.) „Je kunt toch niet verwachten, dat wij jou nog gelooven zullen, zonder dat je ons je kunst getoond hebt ?” schamperde Van Heusde. „Jij gaat morgen met ons mee en neemt een vork of stok in je hand en laat ons zien wat je kan.” „Goed !” antwoordde De Keizer, nu opeens gekalmeerd. „We gaan morgen op zoek en als er ergens water zit, zal ik het vinden !” „Ja, ja, maar dat gaat zoo niet,” ging de bijkok voort, die er een winstgevend zaakje van scheen te willen maken en van de kunst van Lebaudy geen groote verwachtingen had. „We zullen wedden, wie doet er nog meer mee?” „Ik !” riep Strijbosch, een oude vrijwilliger, „ik wil er een pop aan wagen.” „Zeg Strijbosch !” riep er een uit den hoop, „Zit jij zóó dik in je klein geld, dan kun je mij wel wat leenen.” „Neen, jongens, ’t is bij mij ook „radijs” *) en over drie dagen pas traktementsdag. Daarom wil ik den rijken Lebaudy een gulden afwinnen !” „Dat zal te bezien zijn,” mompelde De Keizer en toen op luiden toon tegen Van Heusde en Strijbosch : „Goed, ik verwed tegen jullie ieder een gulden dat ik mijn bewering waar zal maken.” „Akkoord, van Putten !” antwoordde de bijkok. * * ♦ Het is natuurlijk erg gemakkelijk ’s avonds een grooten mond op te zetten en te beweren dat je water te voorschijn kan brengen, als je buik vol bier zit, maar ... als je dan den volgenden morgen geheel nuchter en ontnuchterd wakker wordt, dan is met den roes ook de dapperheid verdwenen. En geen wonder 1 Daar was allereerst de kans om je voor ’t heele bataljon belachelijk te maken en dan (en dat was ook niet uit te poetsen) het vooruitzicht er nog twee dierbare guldens bij de verliezen. Twee pop, tweehonderd spie 1 2) ’t was ongehoord 1 Barend de Keizer had net zooveel verstand van water zoeken als een ezel van aardappelen jassen3). De kans om zijn weddenschap te winnen, was dus even denkbeeldig als die om commandant van ’t veldleger te worden. En toch gaf hij den moed niet op S Hij had een goeden neus om de goedkoopste kroeg te vinden en een goeden smaak om te weten waar het lekkerste bier te krijgen was ; twee dingen die hem het zoeken naar water allicht gemakkelijk konden maken. In allen geval was hij er niet de man naar om alles maar aan het noodlot over te laten. Voor de niéuw op te roepen lichtingen moesten er op het veld achter de kazerne barakken worden bijgebouwd. De plannen voor den bouw lagen in een keet op de kazerneplaats, dat wist hij en hij begreep, dat er in die barakken ook water zou moeten worden aangelegd. Vroeg in den morgen begaf hij zich dus naar de keet, een voorwendsel, om binnen te komen was gauw gevonden en hij werd in zijn verwachting niet teleurgesteld, want op een ruwe op schragen steunende tafel zag hij de plannen liggen, en wat meer is een schets van den wateraanvoer, de ligging der hoofdpijpen, voor hem, een timmermansknecht, zoo helder als de dag. Hij berekende nauwkeurig de afstanden en prentte zich het plan goed in het hoofd. Daarna sloop hij ongemerkt heen. Dien namiddag, na afloop van den dienst verzamelde de vrienden zich rondom De Keizer, die reeds gewapend met het gevorkte takje van een hazelaar in de hand als een veldheer stond te wachten. „Als ik boven water kom,” legde hij den ongeloovig grinnekenden omstanders uit, „dan springt dit stokje op !” En warempel ze hadden nog nauwelijks de plaats betreden of het stokje sprong uit zijn hand en viel op den grond. „Hier zit water,” verklaarde Barend, „en heel wat ook !” 1) Armoede 2) Een spie = een cent, eigent: geld. 3) Schillen.
PDF
Nummer
1915, nr.50, 21 juni. 1915
Blad
15
Tekst
399 PANORAMA „Vervloekte flauwe mop, Lebaudy !” viel de bijkok uit. „Je weet drommels goed dat we hier niet mogen graven, om de proef op de som te zetten.” „Hij is een doortrapte bedrieger,” vulde Strijbosch nijdig aan. „Ik dacht wel dat hij met zoo’n smoesje aan zou komen. Ik stel voor dit niet als een afdoend bewijs te beschouwen.” „De man heeft volkomen gelijk,” zei nu een korporaal van de genie, die daar werkzaam was. „Kijk!” ging hij voort, „hier achter ligt een brandkraan en een eind verder weer een, en hier op deze plek ligt een groote aanvoerbuis. Ik vind het merkwaardig.” „En ik vind het boerenbedriegerij,” antwoordde Van Heusde woedend. „Het is geen kunst om water te vinden, als er twee brandkranen zijn om je op weg te helpen. Dat kan ik wel zonder zoo’n gevorkten stok. Als hij denkt me op die manier in de luren te leggen, dan is hij aan ’t verkeerde kantoor.” De Keizer haalde onverschillig de schouders op. „Laten we eens op*het veld gaan kijken,” sloeg nu de man van de genie voor. „Als hij daar water vindt, kan ons dat te pas komen.” De Keizer glimlachte en knikte zelfbewust. Ze wandelden het veld op en nadat Barend eenige malen had heen en weer geloopen met het halve bataljon achter zich, bleef hij eensklaps staan, want het stokje sprong onrustbarend de hoogte in. „Hier is water!” profeteerde hij. „Dat zullen we dadelijk onderzoeken,” zei de geniesoldaat en liep haastig heen om een spa te halen. Ook de bijkok sloop heen om weldra met een spade terug te komen. Haastig begonnen de mannen te graven, zoodat in een minimum van tijd er een gat was van twee voet diep. Plotseling vlogen de mannen echter met een vloek achteruit. In zijn ijver had een der gravers een gat geslagen in een looden pijp van de waterleiding, waaruit nu een waterstraal van wel twee meter omhoog sprong. GEDENKPENNING, aangeboden aan Dr. D. F. Scheurleer, ter gelegenheid van zijn 4O-jarige werkzaamheid in de bankiersfirma Scheurleer en Zoonen te ’s-Gravenhage. Deze penning is naar de modellen van de beeldhouwers van Kuyck (portret) en van der Hoeff (keerzijde,) vervaardigd door de Kon. fabriek v. zilverwerken C. J. Begeer te Utrecht. Dat gaf een consternatie ! De hoofdkraan, die op het bureau was, moest onmiddellijk worden afgedraaid. De kapitein kwam er aan te pas, die den beiden delinquenten elk vier pond *) en allen aanwezigen kamerarrest gaf. Barend de Keizer onderwierp zich met vreugde aan zijn straf, en geen wonder, hij had zijn weddenschap gewonnen ; er was nu geen mensch, die hem deze durfde betwisten. Van Heusde en Strijbosch waren zeer terneergeslagen en vooral de eerste, die nu vier dagen gelegenheid had, nog eens kalm het geval te overdenken, was ten stelligste overtuigd, dat Lebaudy hun een smerigen streek gespeeld had, en peinsde op een middel om wraak te nemen en te trachten zijn verloren geld terug te winnen. Hij sprak er na afloop van zijn straftijd met zijn lotgenoot Strijbosch over, en weldra hadden beiden een plan bedacht. De uitvoering hiervan werd door De Keizer zelf gemakkelijk gemaakt, want toen de bijkok voor ’t eerst na zijn straftijd in de cantine verscheen, werd hij door den eerste verwelkomd met de spottende woorden : „Zeg, Van Heusde, als je soms nog eens dorst mocht hebben, dan waarschuw je mij maar. Ik ben dadelijk bereid je aan water te helpen.” „Och,” antwoordde de aangesprokene, „jij geeft nou zoo hoog op van je kunst om water te vinden, maar de stomste ganzen en eenden kennen dat kunstje al bij hun geboorte. Iedereen die een timmermansoog heeft en een rechte lijn kan trekken tusschen twee brandkranen, kan ’took. Dat is geen cent waard.” „Nou, doe jij ’t me dan eens na!” „Och, ik wil aannemen dat jij een verduivelde kraan bent in het vinden van water. Maar wat heb je daar per slot van 0 Vier dagen provoost. TENTOONSTELLING DOOR SCH ILDERS UIT HET GOOI. Dinsdag 15 Juni werd in het hotel Hamdorff te Laren een tentoonstelling geopend van werken van schilders uit het Gooi. Daar ’t voldoende bekend is. hoeveel schilders van naam er in ’t Gooi vertoeven, behoeft het geen verder betoog, dat er een zeer aardige collectie bijeen is gebracht. rekening nog aan ? Je hebt in dit kikkerland soms meer moeite om land te vinden dan water. Water ! Wie geeft hier nou warempel nog wat om water ? Neen, ik heb laatst een kerel gesproken, die had ook zoo’n soort gave als jij. Maar die had lak aan water, da’s hier toch niks waard. Nee, die vond goud !” „Wat meen je ?” vroeg De Keizer. „Wat ik zeg,” antwoorddeVan Heusde. „Hij wandelde rond, net zooals jij met zoo’n vork in zijn hand en als hij dan boven een plek kwam waar goud in den grond zat, een goudmijn, een verborgen schat of iets dergelijks dan wist hij dat op een prik. Zie je voor zoo’n kerel neem ik mijn pet af, maar waterzoekers ! Ha ! Ordinair volk ! Net zoo iets als straatvegers !” „En hoe weet jij nou of ik dat niet ken !” stoof Barend de Keizer op, de val inloopende, die zijn vrienden hadden opengezet. „Wat! Jij goud vinden,” riep Strijbosch sarcastisch lachend uit. „Kerel, schei uit! Laat me niet omvallen van ’t lachen.” „Nou val om voor mijn part,” antwoordde De Keizer boos. „Maar ik zeg je dat ik al eens goud gevonden heb. Ik was op een dag uitgegaan om water te vinden. Opeens neemt mijn stok een reuzensprong. En waar denk je dat we boven stonden ?” „Boven de Maas,” zei Strijbosch. „Misschien stond je kringetjes te spuwen op de Maasbrug te Rotterdam.” „We stonden boven een goud horloge,” hernam De Keizer. „Erg stom met jouw groote turftrappers,” merkte de bijkok op. „Dat klokje zal wel niet veel meer waard geweest zijn, toen je er van afstapte.” „Het bewijst in allen geval, dat ik net zoo goed goud kan vinden als water. „En ik zeg je dat je ’t niet kan,” beweerde Strijbosch. „Ik verwed er een gulden om !” „Ik idem !” vulde de bijkok aan. „Ik zou jullie weddenschap grif aannemen,” zei Barend, „als er kans was om mijn kunst te bewijzen. Maar er zit hier geen goud in den grond !” „Dat heb je glad mis, man !” merkte Strijbosch op. „Verleden jaar heb ik, zooals jullie weet een „duizendje” in de Loterij gewonnen. Bij de veertig gulden die ik ontving was een goudtientje. Nou dat tientje heb ik, stom genoeg, in den tuin van ’t hospitaal uit m’n grijpers laten vallen, en, ik heb ’t nooit meer teruggevonden. Nou zeg ik jou, BaHET 25-JARI G BESTAAN van de KON. M.j. TOT EXPL. VAN RETROLEUM BRON N EN IN NED. INDIË. Op den dag van het 25-jarig bestaan van de Kon. Ned. Petroleum Maatschappij werd de eerste steen gelegd voor het nieuwe kantoorgebouw te ’s-Gravenhage. Deze plechtigheid werd verricht door den heer G. C. B. Dunlop, die sedert de oprichting commissaris der Koninklijke is geweest, de eenige overgeblevene van de oorspronkelijke zeven. rend,” ging hij met klem voort, „als jij dat gouden tientje voor mij weet te vinden, dan vind ik jou een kranigen vent.” Barend de Keizer dacht een oogenblik na. ’t Was een lastige opdracht, dat wist hij ; maar eensklaps klaarde zijn gezicht op : hij kreeg een inspiratie! Ja, Barend was een goocheme jongen. „Ik neem ’t aan!” zei hij. „Ik zal het tientje vinden !” „Afgesproken !” riepen de beide anderen. De Keizer wist nu volkomen wat hij begonnen was. Het was een lastig karweitje, maar daar deinsde hij niet voor terug. Goed beschouwd was deze weddenschap gemakkelijker te verdienen dan de vorige, want wie belette hem een goud tientje in den tuin van ’t hospitaal in den grond te stoppen, de plek goed te merken en den volgenden dag het geld te vinden. Het moeilijkste was een tientje machtig te worden, doch dat moest de kastelein uit „De Groote Slok” hem leenen. ’t Was maar voor éen dag ! Zoo gezegd, zoo gedaan ! ’s Avonds laat sloop hij met het geleende tientje naar den tuin en begroef het zorgvuldig bij den vierden boom van de tweede laan. Daarna ging hij naar bed met een breeden lach op ’t gezicht, want niemand zou kunnen beletten, dat hij weer twee volgenden dag was de troep nieuwsgrooter dan de vorige maal. delven, gulden won. Den gierigen haast nog Iedereen was nieuwsgierig Lebaudy goud te zien en toen hij plotseling stilhield en naar een boomwortel wees. kon men een speld hooren vallen. „Hier is ’t!” riep hij theatraal uit. Strijbosch knielde neer en begon te graven, eenige oogenblikken van spanning, daarna zag men hem weer oprijzen, terwijl zijn gelaat de grootste verbazing uitdrukte. „Wel heb ik van mijn leven !” riep hij uit, terwijl hij een goud tientje omhoog hield. „Hij heeft het gevonden ! Wonderbaarlijk, wat ’n kerel, wat ’n kerel!” Alle aanwezigen drongen op om te zien. Ja ’t was een tientje, een echte ! Een zooals ze zelden in handen hadden, maar allen graag zouden gehad hebben. Strijbosch hield het echter VICEADM. G. F. TYDEMAN. E. H. UDINK TEN CATE. Vice-adm. G. F. TYDEMAN, directeur en commandant der Marine te Amsterdam, heeft ontslag uit den dienst genomen. — Op 68-jarigen leeftijd is te Enschede overleden de heer E.H. UDINK TEN CATE, oud-wethouder dier gemeente. Stevig vast en wendde zich tot De Keizer. „Je bent een genie,” zei hij, „dat moet ik bekennen en ik heb alle respect voor je. Je hebt de weddenschap eerlijk gewonnen.” Hierop haalde hij zijn poitemonnaie voor den dag, haalde er een gulden uit en stak het geeltje er in. „Hier mijn tientje !” brulde De Keizer. „Ik heb ’t gevonden !” J „Ja, maar op mijn order!” antwoordde Strijbosch. „Het is mijn tientje !” „Neen, die een geldstuk vindt, mag ’t houden.” „Ja, als de eigenaar niet bekend is. Maar jij wist al voordat je het vond, gisteren al, dat het tientje van mij was. Nietwaar, mannen ?” vroeg hij aan de omstanders. „Ja, zeker!” schreeuwden allen in koor; eenigen omdat ze het meenden; anderen, die lont rooken, omdat ze Lebaudy, den geurmaker, wel een lesje gunden. „Je hoort ’t,” ging Strijbosch voort. „Neem dus gauw je gulden aan, dien je verdiend hebt, en jullie, jongens, geef ik een rondje in de cantine, uit blijdschap dat ik mijn tientje weer terug heb !” „Hoera ! Leve Strijbosch !” Barend de Keizer bleef alleen achter, met zijn armzalige twee gulden in de hand. Inplaats van er vier te winnen, had hij er zes verloren. Hij is van zijn bluf geheel genezen en ze kunnen hem niet meer ’t land injagen, dan wanneer ze hem vragen : „Zeg Lebaudy, wanneer ga je weer goud zoeken ?”
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1666 tot 1670 van 11897